
Een paar jaar geleden leek het nog een exotisch verschijnsel dat slechts voor enkele mensen in het stadje Sant Cugat del Vallès een plaag was. De exotische, uit Azië en Afrika afkomstige tijgermug (Aedes albopictus), was vermoedelijk met een stapel autobanden waarin een laagje water stond Spanje binnengekomen. Het beestje is iets kleiner dan een gewone mug (hoewel dat op deze foto niet lijkt), heeft witte strepen op z’n poten en lijf en zorgt voor steken die pijnlijker zijn dan die van een gewone mug. Sommige mensen blijken er bijzonder gevoelig voor en moeten naar de huisarts.
Vanuit Sant Cugat heeft het beest sinds 2004 een enorme opmars gemaakt en vandaag werd bekend dat hij eind vorig jaar al 87 Catalaanse gemeenten had bereikt. Sinds vorige zomer heb ik ‘m ook in mijn tuin… Het beestje vliegt veel trager dan een gewone mug, maar is een hinderlijke prikker, vooral omdat hij door de fijne zomerkleren heen kan steken. Bovendien hoor je hem niet, hij zoemt nauwelijks.
De wijze raad van de overheid is dat je nergens in en rond het huis water moet laten staan in borden, bloempotten, gieters of nooit gebruikte putjes, omdat ze daarin de eitjes leggen en de larven tot volwassen muggen uitgroeien. Ze bereiken maar een maximale vliegafstand van 450 meter, dus heb je ze bijna altijd in de buurt als ze bij je in de tuin een comfortabele broedplaats hebben gevonden.
In Nederland schijnt hij ook sporadisch te zijn gesignaleerd (hij zou soms in het water van die lucky bamboo-potjes te hebben gezeten), maar in tegenstelling tot wat er op de NL’se versie van Wikipedia staat draagt de tijgermug geen (ernstige) ziektes over.

Tien jaar later toverden de broers hun fonda om tot een heus hotel, dat werd ontworpen door de na Gaudí bekendste modernistische architect, Lluís Domènech i Muntaner, o.a. auteur van het wonderbaarlijke Casa de les Punxes aan de Diagonal (links). Binnenin leefde de architect zich flink uit, al is het restaurantdeel van wat nu 
Nu zijn ze bijna niet te tellen, de hotelterrassen in vooral het centrum van de stad, bovenop, onder anderen, 
Danone is officieel een Franse gigant in de voedingsmiddelenindustrie. Nummer één van de wereld in verse melkproducten. Maar zijn wortels liggen op de benedenverdieping van dat oude Barcelonese huis uit 1878. De Carasso’s waren joden die in de vijftiende eeuw door de Reyes Católicos uit Spanje waren verdreven. Isaac Carasso keerde vier eeuwen later vanuit Thessaloniki in Barcelona terug en ging daar de yoghurt produceren die hij op een reis in Bulgarije had ontdekt. In West-Europa bestond het goedje nog niet.

van voedingsdeskundige Ismael Días Yubero over
de grote sterren van de Spaanse gastronomie. Het werd een ranking van de 10 producten die je ooit eens geproefd móet hebben.
onze favoriete eikeltjesham, nergens anders ter wereld op deze manier gemaakt. De koploper wordt gevolgd door andere lekkernijen waar sommige
van mijn vrienden verslaafd aan raken als ze een paar dagen hier zijn: op 2 staat de rode garnaal uit de Middellandse Zee (vooral die van Palamós is beroemd
), op 3 de ansjovis uit de Cantabrische Zee, die wij eigenlijk kennen als Golf van Biskaje, op 4 de olijfolie virgen extra (de kenner prijst vooral die van de Picual-olijf aan, ook míjn
favoriet), op 5 de piepkleine ‘traanerwten’ uit Guipuzkoa (ze zijn net niet rond, vandaar die naam), op 6 de witte asperges uit Navarra, op 7 de wijnen uit Jerez, die wij natuurlijk als sherry kennen, op 8 de ongelooflijke percebes, die in de woordenboeken vertaald worden als eendemosselen en groeien aan de rotsen langs de kust van Galicië, op 9 de rode tonijn die bij de almadraba, de artesanale tonijnjacht bij Cádiz (NRC-correspondent Steven Adolf beschrijft die in zijn net verschenen boek Reuzentonijn), wordt gevangen en bijna massaal door de Japanners wordt opgekocht en op 10 de lechazo churro, het lamsvlees van een bepaald ras uit Castilla y León; de rug uit de oven of de ribbetjes zijn voortreffelijk (uit goede 



Minister Trillo, door een paraplu beschermd tegen de motregen, ging de dag erna poolshoogte nemen en droeg de meegevlogen forensen van het leger op om zo snel mogelijk alle bijna onherkenbare lijken te identificeren, omdat de regering drie dagen later een mooie staatsbegrafenis in Madrid wilde organiseren. Zo gezegd, zo gedaan. Turkse patholoog-anatomen hadden al 32 van de 62 kadavers van de soldaten geïntificeerd, maar de moeilijkste gevallen bleven over. Die werden door hun Spaanse collega’s willekeurig in lijkzakken en -kisten gestopt met een al even willekeurige naam erop.

