Maracanazo van Uruguay

De elf begrafenissen van Alcides Ghiggia

EDWIN WINKELS (Hard Gras, 2015)

Wissels waren niet toegestaan. Ze speelden de hele wedstrijd met zijn elven, op 16 juli 1950. En de coach op de bank. Het werd de wedstrijd van hun leven. Van de rest van hun leven. De glorie en de legende zouden hen altijd vergezellen, al was het vaak in de anonimiteit. Tot de laatste dag van hun leven. De dag erna werden ze weer zo beroemd als in 1950. De dag van de begrafenis, de necrologieën, de lofuitingen, de nostalgie. Elke keer als er één heenging, luidde het bericht hetzelfde. In kranten over de hele wereld. “Hij behoorde tot het team van de Maracanazo, het Uruguay dat wereldkampioen werd door Brazilië in eigen huis voor meer dan 200.000 toeschouwers te verslaan.” Altijd hetzelfde verhaal. En de meeste erkenning pas na hun dood.

Verdediger Rubén Morán, de minst bekende, was de eerste die overleed, in 1978 op 47-jarige leeftijd, slachtoffer van een diepe depressie.  Alcides Edgardo Ghiggia was de laatste, hij stierf gewoon van ouderdom, aan een hartaanval. Hij was 88 jaar.

 

Natuurlijk was hij de laatste. De grote held, de maker van de 2-1, het winnende doelpunt. Hij stierf op 16 juli 2015 terwijl hij met zijn zoon op televisie naar een voetbalwedstrijd keek. Natuurlijk voetbal. Natuurlijk op 16 juli, precies de dag dat al 65 jaar de Maracanazo wordt herdacht, de laatste jaren steevast op de Buceo-begraafplaats in Montevideo, voor het Pantéon de los Olímpicos waar de helft van het heroïsche team begraven ligt. Alcides Ghiggia nu ook. “Hij heeft de kleedkamer weer opgezocht waar al zijn makkers op hem zitten te wachten,” zei zijn zoon Arcadio.

Alcides Gigghia had hen gemist. Hij was het eigenijk zat dat híj ze allemaal overleefde, dat híj bijna al die begrafenissen moest meemaken. Al bijna negen jaar was hij de wees van de wereldkampioenen; de voorlaatste, spits Oscar Míguez, ging in 2006 heen. Veel wilde Ghiggia nooit meer over de Maracanazo praten, de herinnering aan alle dode makkers maakt hem triest. Arcadio: “Hij moest van iedereen afscheid nemen, en nu neemt iedereen afscheid van hem.” Het was goed zo, afgelopen juli, op de Buceo-begraafplaats.

Nooit meer zal er een overlijdensbericht verschijnen waarin een direct verband met de Maracanazo kan worden gelegd. De wedstrijd in het stadion Maracaná in Rio de Janeiro is na 15 juli 2015 definitief geschiedenis voor de winnaars van toen. Alcides Ghiggia kreeg een staatsbegrafenis. Hij lag opgebaard in het parlementsgebouw, in de Salón de los Pasos Perdidos; de zaal van de Verloren Voetstappen.

Ghiggia, door dat ene doelpunt, de 2-1, de grootste held van 1950, moest zijn gouden medaille veilen om in leven te kunnen blijven. Zijn vrouw verkocht tot kort voor zijn dood babykleertjes op de markt. Hij sloot zich steeds meer op. Toch was hij er soms bij, op de begrafenissen van zijn strijdmakkers. Hij was steeds iets ouder, steeds iets armer, maar altijd even beroemd en geliefd. Hij was Ghiggia, of hij nou wilde of niet.

Zijn verhaal van de Maracanazo, het verhaal van alle helden, is in de 65 jaar na die negentig minuten in 1950 opgeschreven in twaalf begrafenissen. Op 16 juli 2015 schreef Ghiggia, natuurlijk hij, de allerlaatste, de ultieme held, de epiloog en kon het boek worden gesloten.

Rubén Morán (47), 3 januari 1978. Het ‘krijtje’ is zijn bijnaam, zo mager is hij. Negentien jaar pas. Thuis bij zijn uit Spanje afkomstige grootouders, in de wijk El Cerro van Montevideo, een strategisch gelegen heuvel aan de baai van de stad, staat de radio, een general Electric, aan en komen de buren meeluisteren. Rubén heeft nog geen wedstrijd gespeeld op het WK in Brazilië. Maar voor de finale is linksbuiten Ernesto ‘de surveillant’ Vidal gesblesseerd geraakt. De radioverslaggever zal Moráns naam nauwelijks noemen. Bijna alle aanvallen lopen over de andere kant, waar Ghiggia schittert, met de hulp van Julio Pérez en Obdulio Varela. Ook de twee doelpunten komen over rechts.

Morán is de jongste wereldkampioen ooit, tot Pelé hem in 1958 overtreft. Dan voetbalt Rubén Morán allang niet meer. In 1954, pas 23 jaar, speelt hij zijn laatste wedstrijd voor Defensor Sporting Club. Clubs zien hem niet staan, weinigen herinneren hem als een van de spelers van de Maracanazo. Hij is een schlemiel tussen de helden, de onzichtbare wereldkampioen. Rubén Morán raakt aan lager wal, leeft twintig jaar in extreme armoede en is zwaar depressief als hij op zijn zevenenveertigste overlijdt.

Juan López Fontana (75), 4 oktober 1983. In mei 1950, vijfenveertig dagen voor de start van het wereldkampioenschap, treffen Uruguay en Brazilië elkaar drie keer achtereen, in Rio de Janeiro en Sao Paulo, in de strijd om de Copa Río Branco. Uruguay wint de eerste wedstrijd en verliest de volgende twee. De spelers zelf en iemand van de voetbalbond maken de opstellingen; de nationale selectie heeft al een tijd geen trainer. De bond wil de Hongaar Emérico Hirsch aanstellen, de coach die in 1949 Peñarol naar een lange reeks successen heeft geleid en de ontdekker van het talent van Gigghia is. Aartsrivaal Nacional verzet zich heftig tegen Hirsch als coach. Twee andere trainers mogen het proberen, maar ze duren maar één wedstrijd. Er zijn nog vijftien dagen te gaan als de bond besluit te kiezen uit twee kandidaten van ‘mindere’ clubs, Hugo Bagnulo van Danubio en Juan López van Central. Het wordt de laatste.

Op de dag van de WK-finale in het Maracaná heeft de 42-jarige López geen enkel vertrouwen in een goede afloop. Net zo min als de bondsbestuurders, die de spelers vragen om niet meer dan vier tegendoelpunten te incasseren, dan zou de eer wel zijn gered. Over winnen rept niemand. Liever niet, zeggen de mensen van de bond, want dan komen ze in ieder geval heelhuids uit het Maracaná. Onder het stadion, in de kleedkamer, vraagt doelman Roque Máspoli aan de bondscoach om de verdedigers te instrueren zo veel druk te zetten op de Braziliaanse buitenspelers dat zij geen voorzetten kunnen geven. Het antwoord, en de volledige tactische voorbespreking van Juan López Fontana bestaat uit slechts één zin: “Vooruit jongens, een ei in elke schoen en naar boven.” De uitdrukking betekent zoiets van snel op de vlucht slaan, wegwezen.

Ondanks zijn twijfelachtige optreden wordt ook Juan López een beetje een held. Hij gaat daarna Peñarol trainen en is ook de bondscoach van Uruguay bij het volgende wereldkampioenschap in Zwitserland, waar zijn team in de halve finales bijna de grote favoriet en voetbalmachine Hongarije uitschakelt. Vlak voor tijd, bij een 2-2 stand, blijft een bal na een Uruguayaans schot net voor de doellijn in de modder steken. In de verlenging wint Hongarije met 4-2. López wordt ook nog bondscoach van Ecuador en zal tot zijn dood, op 75-jarige leeftijd, aan zijn vroegere club Central verbonden blijven.

Matías González (58), 12 mei 1984. De rest van de spelers wil hem er eigenlijk niet bij hebben. Niet omdat Marías González, pas 24 jaar, als enige uit het binnenland komt, uit het stadje Artigas in de noordwesthoek van Uruguay, ingeklemd tussen de grenzen met de grootheden Brazilië en Argentinië. Alle voetballers van de nationale selectie komen uit of rond Montevideo. Mannen van de hoofdstad, van de wereld, van de frisse bries die vanuit de brede monding van de Río de la Plata waait, daar waar de grensrivier opgaat in de Atlantische Oceaan. Matías speelt al wel in de hoofdstad, bij Club Atlético Cerro, een redelijke nieuweling in de hoogste divisie. Het is 1949 als de meeste voetballers in Uruguay staken; Obdulio Varela, aanvoerder van Peñarol en het nationale team, leidt het protest om betere werkomstandigheden voor de voetballers af te dwingen, onder anderen meer rust voor een wereldkampioenschap. Matías González blijft voetballen, hij is een carnero, een stakingsbreker.

In de weken voor het WK in Brazilië valt de ene na de andere libero af. Eén gaat in Colombia spelen, een ander wordt ziek, een derde blesseert zich. In de laatste oefenwedstrijden doet Williams Martínez het niet goed op die plek. Iemand stelt de naam van de jonge Matías González voor, maar bondscoach López weet dat hij daarvoor eerst de toestemming van aanvoerder Varela nodig heeft. Die stemt tandenknarsend toe. Zijn medespelers ontvangen González niet hartelijk, maar vanaf de eerste WK-wedstrijd, een 8-0 tegen Bolivia, zal hij niet meer uit het elftal verdwijnen.

Na de finale wordt hij door de verslaggevers omgedoopt tot ‘El León del Maracaná’, de Leeuw, met een indringende blik en een ijzersterk lichaam, hoewel nog geen één meter zeventig lang. Voor sommigen is hij belangrijker dan de mannen voorin. Hij schakelt de Braziliaanse spits Ademir uit. Hij kopt een bal van de doellijn. De man uit de provincie hoort er volledig bij. Maar ondanks zijn jeugd en nieuwe faam zal hij nog weinig voetballen. Op het WK van 1954 is hij er niet meer bij. Zijn ster dooft langzaam, hij raakt in de vergetelheid, tot het bericht van zijn overlijden. In zijn geboorteplaats Artigas ligt een klein voetbalstadion voor 6.000 toeschouwers dat zijn naam draagt. Sinds twee jaar hangt boven de ingang een groot portret van Matías González.

Víctor Rodríguez Andrade (58), 19 mei 1985. Voor Uruguay bestaat er maar één Andrade, en Víctor Rodríguez weet het. In het voetbal van zijn land bestaat er geen achternaam met meer historie, anecdotes en prijzen. Víctor wil dan ook dat hij altijd óók bij zijn tweede achternaam, die van zijn moeder, wordt genoemd. Van Rodríguez zijn er veel, van Andrade veel minder. De bekendste, de broer van zijn moeder, de oom van Víctor: José Leandro Andrade. Olympisch kampioen met het voetbalteam van Uruguay in 1924 en 1928, wereldkampioen in 1930. Zijn reizen naar Europa, ook naar de Spelen van Amsterdam in 1928, waren legendarisch. Lang voordat Pelé werd geboren was hij al de eerste Zwarte Parel op de velden. Eén meter tachtig, met als grootvader een uit Brazilië gevluchte slaaf. Gigolo, danser, muzikant. In de zwoele zomernachten van Parijs in de jaren twintig ontsnapte hij uit het spelershotel en was hij een graag geziene gast op de feesten van de Parijse bourgeousie. De vrouwen dromden om hem heen. Met Josephine Baker danste hij een tango, met schrijfster Colette deed hij misschien zelfs wat meer. De vrouwen in Europa noemden hem de Wonder Negro.

Aanvankelijk is Víctor Rodríguez ‘het neefje van’, maar al snel verovert hij als twintigjarige een vaste plaats als linksback in de selectie. In de finale in het Maracaná, wanneer hij pas 23 is, komt het openingsdoelpunt van de Brazilianen over zijn kant, waar hij afwisselend Zizinho en vooral Friaça moet afstoppen. Als Albino Friaça Cardoso kort na rust een pass krijgt die hem alleen voor doelman Roque Máspoli zet, ziet Rodríguez Andrade hoe de grensrechter even de vlag omhoog doet… Buitenspel. Maar als Friaça scoort is die vlag er niet meer. Rodríguez Andrade zegt het tegen zijn aanvoerder, Obdulio Varela, en die gaat verhaal halen bij de grensrechter. Zonder direct resultaat, de 1-0 blijft staan. Maar de wedstrijd zal veranderen.

Andrade’s oom is eregast bij de finale. Zes jaar later zoekt een Duitse journalist José Leandro op. Hij leeft op straat in Montevideo, is bijna blind, zo alcoholverslaafd dat hij bijna geen woord meer kan uitbrengen. Een jaar later overlijdt hij. Het is ook het laatste jaar dat zijn neefje Víctor voor het nationale team uitkomt. Hij is degene van de helden van de Maracanazo die het langst bij de selectie blijft; in 1957 wordt hij met Uruguay nog Amerikaans kampioen. Na zijn voetbalcarrière vindt Víctor Rodríguez Andrade werk als portier bij het indrukwekkende Palacio Legislativo, dat onder anderen het parlement herbergt en waar in 2015, als Víctor al dertig jaar dood is, Alcides Ghiggia obgebaard zal worden.

Schubert Gambetta (71), 9 augustus 1991. Zijn vader hield van klassieke muziek en dat zal Schubert Gambetta zijn hele leven weten, vanaf het moment dat hij in 1920 in Montevideo wordt geboren en hij zijn voornaam meekrijgt. Maar wat zijn vader nooit had kunnen denken is dat het de achternaam zou zijn die voor altijd in Uruguay zou blijven voortbestaan, tot in de officiële woordenboeken aan toe. Een gambeta is een schijnbeweging, gambetear is een dribbel waarmee de tegenstander wordt gekgespeeld. De voetbalfans in Uruguay houden de romantische versie hoog dat de uitdrukking van Schubert Gambetta komt, de rechtsback van de Maracanazo, een verdediger met een fabuleuze techniek. Sinds zijn aanwezigheid op dat WK komt het woord weer in zwang, maar de werkelijke oorsprong is uit de tango, waar een gambeta een snelle kruisbeweging van beide benen is. Gamba is in het Argentijnse bargoens geen garnaal maar een been.

De bijnaam van Schubert is minder prozaïsch, ze noemen hem El Mono, de aap. Hij laat de stevige snor op zijn karakteristieke kop staan om de tegenstanders af te schrikken. Op het WK is hij met zijn dertig jaar een van de meest ervaren spelers van Uruguay; met Nacional heeft hij al zeven nationale kampioenschappen gewonnen, de aanvallers van Peñarol waarmee hij nu in de selectie speelt kan hij in de derby’s niet uitstaan.

Zijn moment van glorie komt in de laatste seconden van de finale. De laatste aanval van Brazilië, dat wanhopig op jacht is naar de gelijkmaker. Friaça lanceert een voorzet vanaf rechts, doelman Máspoli krijgt een duw en slaag er niet direct in de bal klemvast te pakken. In het doelgebied, bij de tweede paal, pakt Schubert Gambetta de bal in de handen. Zijn medespelers vallen bijna flauw, ze vragen hem wat hij in godsnaam doet. Schubert kan maar één woord zeggen: ‘Terminó, terminó.’ Het is afgelopen. In de paniek heeft hij als enige het laatste fluitsignaal van de Engelse scheidsrechter George Reader gehoord.

Obdulio Varela (78), 2 augustus 1996. Op de ochtend van de finale in het Maracaná zoekt Obdulio Varela het strand van Flamengo op. Hij moet even alleen zijn. Hij is met zijn 32 jaar de absolute leider van Uruguay, iedereen kijkt tegen hem op, hij is in de voortdurende chaos rond de bondscoaches de werkelijke kapitein van het schip. Hij is El Negro Jefe, de zwarte baas, terwijl hij niet eens écht zwart is, maar halfbloed. Zijn moeder is van Afrikaanse oorsprong, uit trots draagt hij haar achternaam. Als tiener was hij schoenenpoetser en krantenverkoper, totdat hij aardig bleek te kunnen voetballen; dat combineerde hij met een baan als metselaar.

Op de terugweg van het strand in Rio naar het hotel Paisandú ziet Obdulio de krant O Mundo, met een grote foto van het Braziliaanse elftal op de voorpagina. ‘Dit zijn de wereldkampioenen,’ staat erboven. De aanvoerder van Argentinië koopt alle kranten die hij zich kan veroorloven en plakt ze in het hotel tegen de urinoirs en boven de toiletpotten. Hij beveelt zijn medespelers allemaal over de kranten heen te pissen. Ze doen het.

In het Maracaná, waar 203.849 toeschouwers, waaronder slechts 100 Uruguayanen, een enorme herrie maken, wordt Obdulio Varela boos als hij hoort dat de mensen van de bond een 4-0 nederlaag wel waardig zouden vinden en dat bondscoach López het liefst zo defensief mogelijk speelt. Ze moeten vooral het publiek niet provoceren. De aanvoerder zegt zijn spelers zich niets daarvan aan te trekken: “De wedstrijd wordt niet daarboven op de tribunes gespeeld, maar beneden op het veld. Er zal echt niets gebeuren als we winnen.” Dan zegt Schubert Gambetta een historische zin: “We moeten niet bang zijn, want op het veld zijn we met elf tegen elf en die 200.000 mensen daarbuiten ‘son de palo’.” Die zijn ‘van hout’, waarmee hij wil zeggen dat ze geen enkele invloed op het resultaat kunnen uitoefenen.

Een uur later is het Obdulio die dat volle stadion ‘van hout’ van zijn stuk brengt. Albino Friaça Cardoso, de rechtsbuiten met het snorretje, heeft gescoord, de Braziliaanse beer is los, Uruguay is rijp voor de slacht met bijna de hele tweede helft nog te gaan. Rodríguez Andrade zegt tegen Obdulio Varela dat hij de grensrechter zag vlaggen. De aanvoerder pakt de bal, klemt hem onder zijn rechteroksel en loopt rustig naar de grensrechter om om uitleg te vragen. Buitenspel? De scheidsrechter komt bij hem, dreigt hem van het veld te sturen als hij niet aftrapt. Obdulio zegt dat hij niets begrijpt van het Engels, vraagt om een tolk. Vijf minuten duurt het. Het gejuich van het publiek is overgegaan in striemende fluitconcerten, de Braziliaanse voetballers vieren geen feest meer maar beginnen Varela uit te schelden. Tergend langzaam loopt hij naar de middenstip om daar de bal neer te leggen. ,,Op dat moment ontdekte ik dat de Brazilianen bang voor ons waren, dat we nog een kans hadden. Ik wilde alleen maar even het ritme uit de wedstrijd halen. Die tijgers zouden ons zo verslonden hebben als we hen het hapje te snel zouden hebben opgediend,” zal hij later uitleggen.

Na de wedstrijd is de chaos compleet. FIFA-voorzitter Jules Rimet heeft een toespraak voorbereid om Brazilië te feliciteren. Nu zoekt hij in de catacomben wanhopig naar de aanvoerder van Uruguay. “Geef die beker maar aan mij en maak dat je wegkomt,” roept Varela, bezorgd als hij is om de veiligheid van Rimet. Die nacht wordt Obdulio Varela dronken. Hij gaat de stad in, hoopt dat niemand hem herkent. Maar de Brazilianen zien wie hij is, en nodigen hem uit, het ene biertje na het andere. Ze feliciteren hem. Hij voelt zich bijna schuldig dat Uruguay gewonnen heeft.

Honderden verzoeken zal hij in de tientallen jaren nadien krijgen om zijn verhaal te vertellen. Obdulio Varela weigert bijna altijd. El Negro Jefe is woedend op de lafbekken van de bond die zich ineens de titel toeëigenen. Ze kunnen het toch al niet met elkaar vinden sinds Varela de staking leidde voor betere salarissen en werkomstandigheden voor de voetballers. Elke 16e juli in de jaren vijftig, zestig en zeventig nodigt Obdulio zijn strijdmakkers uit om herinneringen op te halen tijdens een asado, de immense barbecue.

Hij voetbalt tot 1955, daarna zal hij zich nog weinig vertonen. Hij wil niet op de foto. Zijn familie is alles voor hem, vooral zijn Hongaarse vrouw Catalina. Ze zijn vijftig jaar getrouwd als zij na een lamg ziektebed overlijdt. Obdulio Varela gaat enkele maanden later heen, kapot van verdriet. Hij wordt eerst begraven in een bijna anonieme tombe op het Cementerio del Norte. Na een campagne van voetbalfans worden hij en zijn vrouw bijgezet in het Panteón de los Olímpicos van de Buceo-begraafplaats waar de Olympische kampioenen van 1924 en 1928 liggen begraven. Obdulio Varela is de eerste van de wereldkampioenen van 1950 die er een plaats krijgt. Daarna zal de rest hem volgen.

†  Julio Pérez (76), 22 september 2002. Als de twee teams op het veld staan voor de WK-finale, in afwachting van de volksliederen, neemt de prefect van Rio de Janeiro het woord. De stem van Angelo Mendes de Morais schalt door het stadion; het Portugees is voor de spelers van Uruguay redelijk te begrijpen, ze kunnen goed horen hoe hun rivalen worden opgezweept: “Jullie spelers, die binnen enkele uren door miljoenen landgenoten zullen worden toegejuicht als wereldkampioenen… Jullie, die op de hele wereldbol geen rivaal hebben… Jullie, die alle tegenstanders overtreffen… Jullie, die ik nu al als kampioen begroet… Ík ben mijn belofte nagekomen door dit stadion te bouwen. Kom nu die van jullie na en wordt wereldkampioen!’

Julio Pérez, net 24 jaar geworden, doet het in zijn broek. Letterlijk. De rechter middenvelder van Uruguay kan zijn plas niet ophouden als direct daarna de volksliederen klinken. “Leer eens te spelen, klootzakken,” zegt aanvoerder Varela over de fanfare die de volksliederen voordraagt.

Als de wedstrijd eenmaal is begonnen heeft Julio Pérez geen enkele last meer van de zenuwen. Ze noemen hem ‘pata loca’, de gekke poot, omdat zijn benen tijdens zijn dribbels alle kanten opvliegen. De Brazilianen komen hard op hem in, proberen die benen tot zwijgen te brengen. Zonder resultaat. Vlak voor tijd zullen ze dat berouwen. Uruguay heeft even daarvoor, verrassend, gelijkgemaakt. Ook met 1-1 zal Brazilië volgens de regels gewoon wereldkampioen zijn. Ghiggia tikt de bal naar Pérez; ze kunnen het goed met elkaar vinden, aan de rechterkant van het veld, en Pérez maakt het eentweetje perfect af met een scherpe, diepe pass op Ghiggia, die voor de zoveelste keer de rug van de Braziliaanse linksback Bigode opzoekt. Het is nog maar enkele seconden voor de grootste verrassing uit de voetbalgeschiedenis…

Tweeënvijftig jaar later is het druk op de begraafplaats van Buceo, met zicht op zee, als Julio Pérez wordt begraven. Er zijn heel veel mensen van de club van zijn leven, Nacional. Hij is gestorven in de armen van zijn vrouw, die hem de laatste jaren heeft verpleegd. Pérez leidde een rustig, anoniem leven. Hij hield van de natuur en vooral de vogeltjes, waarvan hij er thuis enkele had. Als ze de begraafplaats aflopen, zegt een van de aanwezigen: “Julio Pérez begon de actie van het tweede doelpunt. Ze zeggen dat er 200.000 mensen waren, en wij met elf. Kun je je voorstellen hoe dat moet zijn geweest?”

†  Eusebio Tejera (80), 9 november 2002. Nog geen twintig dagen later tijgen veel van dezelfde mensen opnieuw naar Buceo, en weer staan ze voor het Panteón de los Olímpicos, nu om afscheid te nemen van Eusebio Tejera, óók speler van Nacional, maar een halve generatie eerder dan Julio Pérez.

Tejera en Pérez staan naast elkaar als zij op 16 juli 1950 de volksliederen moeten aanhoren. Hoewel Pérez door de spanning hoge nood heeft, moeten ze allebei vrolijk lachen als ze zien dat werkelijk alle fotografen van de wereld hun camera’s op het elftal van Brazilië richten. “Hé, fotografen, kom hierheen,” roept Tejera, “hier staan de wereldkampioenen!” Tejera is een stevige verdediger en staat in het centrum vóór libero González en net achter Varela. Hij moet de Braziliaanse ster Zizinho uitschakelen en is daar goed in. Veel techniek heeft ‘El Cato’ Tejera niet, wel de strijdlust en agressiviteit van een typische Uruguayaanse verdediger. Een maand voor het WK is hij nog acht kilo boven zijn gewicht, na een slepende blessure, maar hij is op tijd fit om in de glorie mee te delen.

Een jaar na het WK tekent hij samen met Schubert Gambetta voor de nieuwe club Cucutá uit Colombia, waar veel geld in het voetbal wordt gestoken. Alfredo di Stéfano speelt er al enkele jaren bij Millonarios. Na zijn terugkeer in Montevideo gaat Eusebio Ramón Tejera weer aan het werk in zijn taxibedrijf, waar hij net als bijna al zijn vroegere strijdmakkers in de anonimiteit verdwijnt. Hij sterft in stilte en pas als de kliniek in Montevideo, waar hij al enige tijd heeft gelegen, zijn overleden bekendmaakt wordt Eusebio Tejera weer herdacht.

 Juan Alberto Schiaffino (77), 13 november 2002.

Het is een dramatische maand voor de nostalgie van de Maracanazo. Drie weken na López en vier dagen na Tejera gaat ook de meest illustere speler van de wereldkampioen heen. Op de route vanuit de stad wordt de lijkwagen van Juan Alberto Schiaffino door een rij van honderden auto’s gevolgd, langs de weg staan duizenden mensen met de vlaggen van Uruguay en Peñarol, de twee vlaggen die ook op de kist liggen. Alcides Ghiggia en Omar Óscar Míguez zijn enkele van de honderden aanwezigen op de begrafenis, zij zijn nu samen met doelman Roque Máspoli, die met zijn 85 jaar te zwak is om ook de laatste eer te bewijzen, de laatste overlevenden van de historische finale.

Het is de 66ste minuut van de WK-finale wanneer de kleine Alcides Ghighia op rechts weer eens doorkomt, tot de rand van het strafschopgebied. Iedereen verwacht een uithaal, maar hij legt de bal opzij voor Juan Alberto Schiaffino, een fabuleuze ‘10’, het brein van het elftal, een behendige en fantasierijke linkspoot, na de wedstrijd en in de volledige chaos gekozen tot de beste speler van het WK van 1950. Het harde schot van Schiaffino is onhoudbaar voor keeper Barbosa, die op dat moment nog niet weet dat het ergste nog moet komen; nu is de 1-1 nog altijd in het voordeel van Brazilië, omdat het in de eerdere wedstrijden betere resultaten heeft behaald, met vernederingen van Zweden en Spanje.

Schiaffino, die al voor de selectie werd opgeroepen toen hij nog geen twintig was en nog nooit een wedstrijd in de hoogste divisie had gespeeld, zal altijd veel meer zijn en blijven dan dat ene doelpunt dat Uruguay weer terug in de race en Brazilië aan het wankelen brengt. Schiaffino wordt de voetbalambassadeur van zijn land nadat hij ook al op het WK van 1954 heeft uitgeblonken. Met zijn één meter vijfentachtig is hij niet alleen de langste maar ook de meest elegante van het stel. Na elke wedstrijd zit zijn stevig ingevette kuif nog altijd precies zoals voor aanvang. AC Milan wil hem graag hebben en koopt hem als hij net 29 jaar is geworden. ‘El Pepe’ viert er grote triomfen. Wat Faas Wilkes enkele jaren daarvoor bij stadsrivaal Inter was, is Schiaffino voor AC. Zijn achternaam verraadt Italiaanse voorouders, hij verkrijgt de dubbele nationaliteit en gaat zelfs voor de Italiaanse selectie spelen, al zal dat tot vier wedstrijden beperkt blijven.

Na zijn carrière keert hij terug in Uruguay, hij wordt er makelaar en traint af en toe Peñarol en de nationale selectie, maar dat zijn nog slechts sporadische momenten dat hij in het voetbal opduikt. Schiaffino wordt ziek. Beetje bij beetje verliest hij zijn geheugen; nu heet het Alzheimer. Langzaam vergeet hij wie hij is geweest, zijn kwelling duurt jarenlang, tot november 2002. “Wát een grote is hij. Het is onrechtvaardig dat zo iemand heengaat,” zegt iemand op de begrafenis. Acht jaar na zijn dood besluiten zijn vier kinderen alle prijzen en souvenirs uit zijn carrière te veilen om zo zijn bescheiden erfenis te verdelen. Onder de negentig onderwerpen ook de kleine gouden medaille van het WK van 1950. In dezelfde veiling gaan ook de medailles van Máspoli en Míguez van de hand.

Roque Máspoli (86), 22 februari 2004. Er staat meer dan negentig kilo onder de lat. Armen zo breed als van een houthakker.  Met aanvoerder Obdulio Varela is hij de oudste van de elf. Samen met de ploeg komt doelman Roque Máspoli vier uur voor het begin van de finale in het Maracaná aan, ze krijgen matrassen om in de kleedkamer uit te rusten . Het stadion is nog niet helemaal af, er gapen grote gaten in de structuur en in de catacomben worden de Uruguayanen belaagd door de torcida vanaf de tribune. “Ze gooiden van alles naar binnen, vooral veel vuurwerk,” zal Máspoli later vertellen. “Het was net de oorlog, en wij ontweken de granaten.”

In de negentig minuten op het veld wordt het lot van de twee doelmannen bezegeld. Roque Máspoli zal voor de rest van zijn leven een van de helden zijn. Veel kan hij niet doen bij de openingstreffer van Friaça. Het doelpunt, twee minuten na rust, heeft nóg lang op zich laten wachten, denkt iedereen. Máspoli heeft in de eerste helft al heel wat Braziliaanse pogingen verijdeld. Na de gelijkmaker van Schiaffino merkt hij in zijn doel dat er iets verandert in het stadion. Ruim een uur lang, plus de uren vóór de wedstrijd, hebben de 200.000 mensen een lawine van geluid over de grasmat uitgestort. Extatisch gejuich voor de eigen mannen, helse fluitconcerten voor de tegenstander. Een grootmacht van 54 miljoen inwoners tegen de kleine buur met net twee miljoen. Na de 1-1 merkt Máspoli ineens hoe stil het wordt, het gejuich is overgegaan in gemompel, het publiek verlamt de eigen spelers, die nauwelijks nog in de buurt van Máspoli komen. “Bij een actie gaat een Braziliaan naar de grond. Ik geef hem een hand om hem overeind te trekken. Ik zie dat hij lijkbleek is, en verstijfd.”

Aan de andere kant van het veld zal Moacir Barbosa voor eeuwig worden veroordeeld. Door het winnende doelpunt van Ghiggia, maar vooral door het eigen publiek. Hij verwacht een voorzet van de kleine Uruguayaanse duivel, net als bij de 1-1, maar Ghiggia schiet zelf; Barbosa staat op het verkeerde been. “De maximale celstraf in Brazilië is dertig jaar, mijn hechtenis duurt al vijftig jaar,” zal hij in 2004 op zijn 79ste verjaardag zeggen, tien dagen voor zijn dood. Op de markt wees een vrouw hem eens aan en zei tegen haar zoon: “Kijk, dat is de man die heel Brazilië heeft doen huilen.” In 1993 was Barbosa niet welkom in het WK-trainingskamp van de Brazilianen omdat hij volgens bondscoach Zagallo ongeluk zou brengen. Máspoli verdedigt hem publiekelijk: “De schoten van Ghiggia waren moeilijk te stoppen, hij schoot altijd met effect. Iedereen verwachtte een voorzet, dat was Barbosa niet aan te rekenen.”

Als enige van de elf van Maracaná zal Roque Máspoli tot aan zijn pensioen en zelfs daarna nog alom aanwezig blijven. Hij wordt trainer, wint talloze prijzen met onder anderen Peñarol. In 1981 wint hij met Uruguay het Mundialito, een mini-WK. Zestien jaar later wordt hij door de bond opnieuw gevraagd, om te proberen een zwalkend Uruguay naar het WK in Frankrijk van 1998 te leiden. Dat mislukt. Roque Máspoli is dan tachtig jaar.

 Omar Óscar Míguez  (78), 19 augustus 2006. Negen maanden vóór het WK staan Peñarol en Nacional voor de zoveelste keer tegenover elkaar in hun derby om het landskampioenschap. Peñarol is dat seizoen La Máquina, een onstopbare machine die alle wedstrijden met veel verschil wint. Als Nacional op bezoek komt staat Peñarol vier punten voor, maar met één wedstrijd meer gespeeld. Vlak voor rust breekt de chaos uit als de thuisclub in een duel met talloze overtredingen een strafschop krijgt. Centrumspits Oscar Míguez kan 2-0 maken, maar de keeper stopt de bal, die door Vidal alsnog wordt ingeschoten. Spelers van Nacional protesteren, gooien de scheidsrechter zand in de ogen, duwen en schoppen hem. International Tejera en een ander worden van het veld gestuurd. Met negen man zal Nacional de tweede helft moeten zien door te komen, maar in de rust sluipt de ploeg uit het stadion om niet meer terug te keren. De legende van de ‘Clásico de la Fuga’, de klassieker van de vlucht, is geboren.

Spelers van Peñarol en Nacional die elkaar op het veld naar het leven staan maar ook soms van rivaal wisselen vormen samen het nationale elftal, met enkele aanvullingen van Central, Defensor en Cerro. Het levert, buiten de keus van een bondscoach, verrassend weinig problemen op. Óscar ‘Cotorra’ Míguez wordt pas vlak voor het WK de nummer 9, de immer scherpe spits; een cotorra is een grote, lawaaierige en razendsnelle Zuidamerikaanse monniksparkiet. Míguez debuteert in april 1950, maar speelt al jaren, vanaf jeugdelftallen, samen met Ghiggia. In de eerste WK-wedstrijden heeft Míguez een hattrick gescoord tegen Bolivia en twee goals tegen Zweden.

In de finale is de scorende roem voor Schiaffino en Ghiggia weggelegd. En dat vindt de topscorer niet leuk. Als Ghiggia de 2-1 gaat scoren, roept Míguez een paar keer hard naar zijn makker: ‘Alcides, pásamela, pásamela.’ Maar Ghiggia schuift de bal niet af. Keeper Barbosa, mede beïnvloed door de woorden van Míguez, verwacht ook het passje op de nummer 9, die recht voor het doel staat. ‘Pásamela,’ probeert Míguez nog eens, maar Ghiggia schiet, en raak. In het feestgedruis, in de totale euforie van de Uruguayanen, is Míguez de enige die de held niet omhelst. “Hoorde je me niet? Ik vroeg je om de bal… Waarom gaf je hem mij niet?” Ghiggia probeert hem te kalmeren. “Oscar, rustig nou, daar ligt die bal toch goed?”

Vier jaar later, op het WK in Zwitserland, is de spits er nog steeds bij, maar door een straf van zijn eigen bond – hij zou niet aan een ‘bevel’ hebben gehoorzaamd – mag hij in het cruciale duel tegen Hongarije niet meedoen. Lang zal hij met 27 doelpunten uit 39 wedstrijden in de top-3 van de topscorers van de nationale selectie van Uruguay staan, tot Forlán en Luis Suárez hem voorbijstreven. De laatste jaren van zijn leven is Míguez ernstig verzwakt door een hartkwaal, die hem uiteindelijk opbreekt. Alcides Ghiggia is vanaf 19 augustus 2006 nog de enige overlevende van het mirakel van de Maracanazo.

 Alcides Ghiggia (88), 16 juli 2015. De chauffeur van de vrachtwagen ziet hem niet aankomen en negeert het stopsignaal. Voordat Alcides Ghiggia het in de gaten heeft is zijn autootje vermorzeld. Hij heeft een gebroken arm, been, heup en inwendige verwondingen. Zijn longen functioneren matig. In het ziekenhuis houden de artsen hem kunstmatig in coma. De prognose is niet gunstig. Een maand later, op 17 juli 2012, een dag na de jaarlijkse herdenking van de Maracanazo, mag Ghiggia het ziekenhuis verlaten. Een maand lang is Uruguay in de ban geweest van de gezondheid van de grootste held in de geschiedenis van het kleine landje, de laatste overlevende van de magische elf. Gedood door een vrachtwagen; het zou té tragisch zijn.

Sindsdien moet Ghiggia met een wandelstok lopen, en hij vindt het vreselijk. Nog meer dan voorheen moet hij hulp vragen aan anderen, en dit keer niet alleen in financieel opzicht. Het land staat op zijn kop als hij vier jaar eerder, in 2008, veel van zijn trofeeën moet veilen om in zijn onderhoud te kunnen voorzien. Ook zijn gouden medaille van 1950 zit in het pakket; voor 1.600 dollar wordt die gekocht door het bedrijf Tenfield, dat hem eerder heeft geholpen met het bouwen van een huisje in Las Piedras, op 30 kilometer van Montevideo. Uruguay schaamt zich over hoe het met zijn kampioenen is omgegaan, nu de allergrootste van hen aan de grond zit. Later zal Ghiggia nog een gouden horloge verkopen dat hij ooit van de FIFA kreeg; zijn vrouw zag op internet dat het 23.000 dollar waard was.

Die vrouw is, in de laatste jaren, Beatriz. Zij is 27 als ze autorijles neemt, leraar Alcides Ghiggia is dan 69. Hij is al een tijd weduwnaar en valt voor de 42 jaar jongere vrouw, die zegt dat ze nooit van hem heeft gehoord. Haar vrienden moeten haar vertellen dat de rij-instructeur het land de heugelijkste dag ooit heeft gegeven. Om zijn geld is ze niet bij hem. Beatriz verkoopt babykleertjes op de markt, daarmee onderhoudt ze hen. Alcides krijgt af en toe wat toegeschoven van beroemde (oud-)voetballers als Enzo Francescoli. Tot de staat besluit hem een extra pensioen te geven, bovenop de bescheiden uitkering die hij krijgt omdat hij twintig jaar bij het casino, een staatsbedrijf, heeft gewerkt.

Maar Alcides Ghiggia geeft zijn geld graag en snel uit. Hij heeft goed verdiend, in Italië vooral, waar hij drie jaar na het WK triomfen gaat vieren. Eerst acht seizoenen bij AS Roma, daarna nog eentje bij AC Milan, voor hij in 1962 naar Uruguay terugkeert. Hij koopt een huis en een appertement aan het strand bij Montevideo, die hij weer verkoopt als zijn eerste vrouw overlijdt en hij besluit zich terug te trekken uit de gekte van Montevideo. Hij heeft geen zin meer in bezoekjes, in alle uitnodigingen voor eerbetonen, aan nieuwe interviews over die 79ste minuut van Brazilië-Uruguay op 16 juli 1950. Hij wil niet meer de zin zeggen die hij altijd zegt: “Er zijn maar drie mensen die ooit het Maracaná stil hebben gekregen: Frank Sinatra, de Paus en ik.”

In de rust van de finale, als het Maracaná nog lang niet stil is, zegt hij het duidelijk tegen Julio Pérez: “Speel de bal diep, ik ben sneller dan hem.” Hij heeft het over Bigode, de onfortuinlijke, te trage linksback van Brazilië. En in de één-twee elf minuten voor tijd speelt Pérez de bal diep. Ghiggia is snel, en slim. En vanaf dat moment onsterfelijk.

El Ñato noemen ze hem, het woord voor iemand met een kleine, platte neus. Een gekscherende bijnaam, want als de 1,69 meter kleine Ghiggia iets groot heeft, dan is het zijn neus. Zijn schoenmaat is 39. Op de schoenen waarmee hij het wereldkampioenschap wint voetbalt hij nog jaren, tot ze versleten zijn. Hij verliest ze uit het oog. Net als het shirt. Langzaam raakt hij alles kwijt, geveild of niet. Wat resteert zijn de herinneringen. Zijn jaren bij Sud América en Peñarol en zijn avontuur in Italië, waar hij vanwege zijn Italiaanse voorouders net als Schiaffino voor het nationale elftal mag uitkomen. Zijn strijd tegen de bond, net zoals Obdulio Varela die vroeger al voerde, tegen het gebrek aan erkenning. Dezelfde Obdulio die hem na de 2-1 hoog de lucht in houdt, ten overstaan van 200.000 verstijfde Brazilianen.

Voor eeuwig zal Alcides Ghiggia hij de beul van de noordelijke buren blijven, al is de geste van de Brazilianen groots als ze hem in 2009 een plaatsje geven in de Hall of Fame van het Maracaná. Hij is de zesde buitenlander die die eer ten deel valt, na drie man die bij Braziliaanse clubs speelden (Figueroa, Romerito en Petkovic) en Eusebio en Beckenbauer. Ghiggia voelt zich niet gemakkelijk die dag, als hij zijn voeten in het gips moet zetten om zijn historische afdrukken daarmee in het cement achter te laten. Het applaus van de aanwezigen is zuinig. De gipsplaat krijgt hij mee en zal hij later ook veilen.

Hij zegt dat hij niets nodig heeft om hem aan dat doelpunt te herinneren. Een doelpunt dat hij, in zwartwit, ‘miljoenen keren’ heeft teruggezien. Zijn eigen herinnering is genoeg.

Op 16 juli 2015 staat Uruguay, zoals elk jaar, weer even stil bij de Maracanazo. Weinigen weten dat Alcides Ghiggia in het ziekenhuis ligt. Hij is opgenomen met een heftige pijn in de rug, een van de kwaaltjes die hij heeft na zijn auto-ongeluk. Met zoon Arcadio kijkt hij op televisie naar de herhaling van een halve finale in de Copa Libertadores tussen Internacional uit Porto Alegre en Tigres uit Mexico. Bij een enorme pijnscheut in de rug gaat hij even op zijn zij liggen en krijgt hij een hartaanval. Arcadio en de toeschoten artsen kunnen hem niet meer redden.

Alcides Ghigghia wordt 88 jaar, waarvan hij er 65 als ‘El Heroe del Maracanazo’  leeft, als de man die Uruguay heeft bewezen dat het onmogelijke niet bestaat.

Maar dat deed hij niet alleen.

 

Advertenties