De liftster van Michels en Cruijff

johan marjo

(Uit: Het Barcelona-gevoel, Edwin Winkels/Nieuw Amsterdam, 2007)

M A R M E R

Hoe een blonde Nederlandse liftster in 1968 aan de Costa Brava een Catalaan verleidde en daarna Rinus Michels naar Barcelona lokte

Op 4 augustus 1971 was Barcelona leeggelopen, massaal op zomervakantie. Sommige reiziger waren niet op hun bestemming aangekomen. De Operación Salida, met iedereen tegelijk op 31 juli en 1 augustus in krakkemikkige auto’s de hobbelige wegen op, had weer tientallen doden geëist. Het was heet. De weinige achterblijvers in de stad stonden samen met bezwete toeristen in de rij om water te drinken uit de fontein van Canaletes, bovenaan de Ramblas, monument dat tegenwoordig onopvallend staat te zijn en waar niemand zich nog aan laaft. Toeristen betalen liever 2 euro voor een plastic flesje met 50 centiliter bronwater.

Aubergines waren er in overvloed en kostten op de markt La Boquería, halverwege de Ramblas, tussen de 12 en 14 peseta’s per kilo, de tomaten gingen voor tussen de 6 en 10 peseta’s van de hand en de altijd dure sperzieboontjes waren in prijs gedaald: 12 tot 17 peseta’s. Sardientjes, de populairste visjes, deden 30 peseta’s de kilo.

Tuinstoelen bij Sears op de Avenida Generalísimo Franco, nu de Diagonal, kostten in de uitverkoop 499 tot 588 peseta’s.

In de middageditie van El Noticiero Universal stond een alarmerend bericht uit Nederland: ‘Een jongen van 14 jaar, op het punt een hele stad op te blazen.’ Het jochie, afkomstig uit Haarlem, had in het nabijgelegen Spaarndam ontdekt waar zich de hoofdkraan van het gas voor het hele stadje bevond. Er waren werkzaamheden en het gebouwtje was niet volledig afgesloten. Om zich te vermaken, zo zei de knaap, had hij de kraan helemaal opengedraaid, waardoor de druk in alle gasleidingen van Spaarndam zeven keer zo hoog werd als normaal. Stukken leiding, gasmeters en halve stoepen vlogen de lucht in. ‘Het snelle optreden van de brandweer en arbeiders van het gasbedrijf voorkwam een ramp die catastrofale gevolgen gehad zou kunnen hebben,’ schreef de krant.

Tom Okker won het tennistoernooi van Quebec door Rod Laver met 6-3, 7-6, 6-7 en 6-1 te verslaan, wielrenner Joaquim Agostinho ging aan de leiding in de Ronde van Portugal, Eddy Merckx won het Criterium der Azen, in Ussel versloeg Cyrile Guimard in  Joop Zoetemelk en in het Camp Nou werd Rinus Michels voorgesteld als de nieuwe trainer van FC Barcelona, wat gebeurde ‘met een kwartier vertraging ten opzichte van de aangekondigde tijd’, aldus de pers. De Spanjaarden zijn de burgers van Europa met de langste levensverwachting – een Europees record van 87 jaar voor de vrouwen en 83 voor de mannen -, wat niet alleen te danken is aan het volprezen Mediterraanse dieet van veel vis, olijfolie en fruit. Ze zijn zo weinig punctueel, dat ze zelfs niet op tijd kunnen doodgaan.

Dat kwartier viel echter nog mee en was te wijten aan een misverstand tussen Michels en de taxichauffeur, die hij had opgedragen hem naar La Masia te brengen, een oude, typische Catalaanse boerderij naast het trainingsveld van het Camp Nou waar de kantoren van Barça waren gevestigd. Maar La Masia was ook een bekend restaurant, en daar was de taxi automatisch heengereden.

Eenmaal in het Camp Nou verbaasde Michels, net in de stad neergestreken, iedereen met een toespraak in het Spaans. ‘Ik wilde per se niet via een tolk met de spelers communiceren, dus heb ik vooraf samen met mijn vrouw Wil veel lessen gevolgd,’ zei hij later. Verslaggever Guillermo Sánchez, net als zijn collega’s lijdend ‘onder een zon van vuur’, wijdde er in El Noticiero Universal een eindeloze zin aan. ‘In een Spaans waarvan we niet zullen zeggen dat het perfect was, maar wél zeer acceptabel en in ieder geval onverwacht gezien de geringe tijd die is verstreken sinds hij als nieuwe trainer tekende, zei Marinus Michels dat het begin van een seizoen altijd moeilijk is, omdat er dan altijd veel gepraat wordt en weinig gedaan, terwijl hij juist van het tegenovergestelde houdt.’

En toen kwam de uitspraak, die eerste dag al, het slotwoord waarmee Michels in Barcelona en heel Spanje niet alleen de daaropvolgende jaren, maar zelfs tot aan zijn dood bekend zou staan. Is hij in Nederland altijd boven alles De Generaal geweest, in Spanje was hij Mister Marmol. Mister Marmer. ‘Vanaf vandaag gaan wij, de spelers aan één kant en de medische en technische staf aan de andere kant, hard werken, zo hard als het marmer.’ Een bijnaam die hij met zijn ondoordringbare houding tegenover pers, publiek en spelers de daaropvolgende seizoenen alleen maar versterkte. En hard werken als marmer, dat waren ze in Barcelona niet gewend. Wie deed dat nou, bij meer dan dertig graden in augustus? Michels stuurde zijn spelers die zinderende ochtend direct de wei in, om voor de toegestroomde pers wat oefeningetjes af te werken. Er stonden 21 spelers op hem te wachten, maar Michels zond de laatst gearriveerde weg. Huurling Roselló, van Rayo Vallecano teruggekomen, was overbodig want de Amsterdammer wilde met maximaal 20 spelers aan het werk. Hij had twee keepers (Sadurní en Reina, de vader van de huidige doelman van Liverpool), vijf verdedigers (Rifé, Gallego, Eladio, Paredes en Romero), drie middenvelders (Torres, Costas en Zabalza) en tien aanvallers (Rexach, Marti Filosia, Dueñas, Marcial, Juan Carlos, Asensi, Alfonseda, Fusté, Pujol en Bustillo) tot zijn beschikking. Niet één buitenlander, want die mochten niet worden opgesteld. ‘Hij wilde Ajax kopiëren, maar had nog geen Johan Cruijff,’ schreef sportkrant Dicen vijf jaar later over de mislukte eerste twee seizoenen. En op 28 juni 1973, na weer een verloren Liga, schreef La Actualidad Española: ‘Hij is slachtoffer van zichzelf. Michels praat goed Spaans, maar denkt nog altijd in het Nederlands. Bij zijn dood, ruim dertig jaar later, waren de meesten een stuk positiever. ‘De beruchte harde hand van Michels, de vader van het Nederlandse voetbal, maakten hem in Spanje tot Mister Marmol. Maar het marmer is, behalve koud en hard, ook een elegant materiaal dat lang meegaat,’ aldus schrijver Sergi Pàmies in het dagblad El País.

‘Michels was veel meer dan Mister Marmol,’ schreef uitgever Josep Maria Casanovas van Sport. ‘Hij was een voetbalrevolutionair, een liefhebber van het spektakel en aanvalsvoetbal dat in het Camp Nou altijd op prijs wordt gesteld. De dag dat Michels voor elkaar kreeg dat Cruijff het blaugrana shirt aantrok schiep hij een nieuw Barça.’

En volgens La Vanguardia, toen Michels zich in het seizoen ’71-’72 voor het eerst in de dug-out van Barça installeerde ‘begon de haat-liefde verhouding die er sindsdien tussen de Nederlanders en de Barcelona-aanhang heeft bestaan. Hij was als een missionaris die zich net door de ondoordringbare jungle had geworsteld en de plaatselijke stam kwam bekeren. Hij had echter geen bijbel bij zich, maar een Nederlands catechismus dat het voetbal in dat decennium zou bepalen: het totaalvoetbal.’

Niets gebeurt zomaar in het leven. Dat er na 72 jaar sinds de oprichting van de club eindelijk eens een Nederlander bij FC Barcelona aan de slag ging was te danken aan een jonge dame die drie jaar eerder, in alweer een hete zomer, die van 1968, aan een weggetje van de Costa Brava stond te liften. En het was ook te danken, natuurlijk, aan de automobilist, óók een jonge twintiger, die haar oppikte. Maar dat wisten zij allebei op dat moment nog niet, net zo min als Rinus Michels dat wist, die toen net in Amsterdam met een jonge Johan Cruijff triomfen begon te vieren bij Ajax. En ook al wist de 21-jarige Cruijff zelfs in 1968 altijd alles beter, ook hij kon die zomer niet bevroeden dat hij 33 jaar later diep geëmotioneerd de begrafenis zou bijwonen van die Catalaanse automobilist die op die mooie zomerse dag een Nederlandse toeriste bij Platja d’Aro uitnodigde om in zijn wagen, een Austin Morris, plaats te nemen. Ook Henk ten Cate wist niet, toen hij de zomer van 1969 voor het eerst in Malgrat de Mar, aan de zuidkant van de Costa Brava, met zijn ouders op vakantie was, dat hij bijna veertig jaar later verjaardagen zou vieren in Barcelona met een Nederlands kliekje in Barcelona waarvan die blonde liftster als de moeder en zelfs de oma werd beschouwd.

Marjolijn van der Meer was blond dus zo’n leuk ding liet je niet aan de kant van de weg staan, dacht Armand Carabén. Nou was elke blonde toeriste voor de Iberische macho’s altijd een Zweedse, want dat klonk nóg exotischer, mooier en wilder dan wanneer ze Duits, Brits of Belgisch zouden zijn. Zweedse meisjes hadden geen badpakken maar bikini’s aan en sommigen durfden zelfs het bovenstukje af te doen, mits zij niet werden betrapt door strenge agenten van de Guardia Civil die de Spaanse stranden van Europese aanslagen op de katholieke mores moesten vrijwaren.

Zij was Nederlandse, zei Marjolijn tegen de zeer gebruinde automobilist. Drie maanden lang had ze dankzij dat blonde haar altijd in een mum van tijd een lift gekregen, maar nooit van een man waarop ze binnen enkele minuten verliefd zou worden.

Marjolijn van der Meer, opgegroeid in Nieuw-Guinea, had zich enkele maanden eerder verloofd met een Israëlische diplomaat, die in het najaar naar Parijs zou worden uitgezonden. Daar zouden ze trouwen. Zij was 23, had verschillende studies afgerond, was gek van ballet en besloot die laatste zomer als nog ongehuwde vrolijke meid wat geld te verdienen aan de Costa Brava. Onder het al aan slijtage onderhevige Franco-regime werden aan de costa’s heel veel hoge hotels en appartementencomplexen neergezet om het massatoerisme en buitenlandse valuta’s aan te trekken. Alle burgemeesters in het hele land waren door de dictator aangesteld en de meesten gaven graag zoveel mogelijk bouwvergunningen af, waarbij vooral die van Benidorm en Torremolinos uitblonken in het massaal vernietigen van de kuststrook met onooglijke bouwsels van beton. De architectuur deed er niet toe, als er maar zoveel mogelijk mensen op een vierkante meter pasten.

Gelukkig waren er enkele burgemeesters aan de Costa Brava die, uit angst voor de reacties van de lokale bevolking, zéér Catalaans en anti-Franco, het lef niet hadden bestemmingsplannen volledig te herzien ten faveure van de toeristenindustrie, waardoor aan de wilde kust tussen Llançá, het eerste mooie kustplaatsje na de Franse grens, en Tossa de Mar de hoogbouw schaars is. Zelfs in de volgende plaats, Lloret de Mar, oord van luidruchtig vertier en jeugdige dronkenschappen, is er nog een ‘geheim’ baaitje waar de meeste toeristen nooit zijn geweest en de rust weldadig over de geringe badgasten neerdaalt. In Cala Banys is één bar-restaurant, een mooi onderhouden tuin, een parkeerplaats voor acht auto’s en water dat blauwer is dan aan de massastranden om de hoek.

Ergens halverwege die Costa Brava stond Marjolijn te liften, terug naar haar appartement. Ze had haar afscheidsetentje al gevierd, na drie maanden als recepcioniste op camping Cala Gogo van Playa de Aro, nu op zijn Catalaans Platja d’Aro, te hebben gewerkt. Ze moest terug, het huwelijk in, sjiek leven in Parijs. Omdat zij het blondst was, ging zij altijd langs de weg staan met de opgestoken duim en verstopten haar vrienden zich in de berm. Armand nodigde hen de volgende dag uit te komen eten in het tweede huis van zijn familie, in Palamós, een optrekje aan de grootste haven van de Costa Brava, waar het elke dag ruikt naar verse vis.

Een maand later stond niemand de Israëlische diplomaat op te wachten toen hij op het vliegveld Orly van Parijs arriveerde. Marjolijn was in Spanje gebleven en trouwde op 28 december van dat jaar, de dag van de de Santos Inocentes, het 1 april van de Spanjaarden, met Armand Carabén, oud-leerling van de Deutsche Schule in Barcelona en in Genève afgestudeerd in Economie.

‘Ik kwam terecht in een groep van jonge mannen die heel anti-Franco waren, vrienden van Armand, twintigers en dertigers, progressief, bijna allemaal hadden ze in het buitenland gestudeerd. Genève, Parijs, Cornwall. Ze voelden zich onder Franco niet vrij en waren daarom na de middelbare school vertrokken, maar omdat het regime al op zijn einde liep kwamen ze langzaamaan terug. Die generatie sprak ook heel goed zijn talen. Mijn man sprak Frans, Duits, Engels en Italiaans. Misschien is Armand daarom ook met een buitenlandse getrouwd, want de Spaanse meisjes waren nogal traditioneel, de meeste kwamen van de nonnenscholen,’ zegt Marjolijn nu, op de vierde verdieping van een typisch honderdjarig flatgebouw in het hart van de Eixample, het ‘schaakbord’ dat sinds de negentiende eeuw het grootste deel van het straatbeeld bepaalt.

Het was ook niet echt verwerpelijk, zegt ze, dat je toen in dat dictatoriaal geregeerde land op vakantie ging. ‘De Costa Brava zat toch al behoorlijk vol met Nederlanders. Toen ik hier bleef en ging trouwen, vond mijn familie het niet echt leuk. Ze vroegen zich af: wat moet ze in een fascistisch land? Maar je merkte er niet zo heel erg veel meer van.’ Of toch een beetje. Armand nam haar mee in Barcelona, waar ze gingen wonen. ‘De stad was toen nog helemaal niet toeristisch. Hooguit op de Ramblas waren wat mensen van buiten te zien, nu lopen ze zelfs bij mij door de straat met een kaart in de hand, te zoeken naar ik weet niet wat.’ Haar buurt staat nu bekend als de Gaixample, een klein gebied van een achttal blokken waar zich veel winkels, restaurants én een hotel, Axel, gevestigd hebben die zich op de homosexuelen richten. ‘Toen was het een grijze en trieste stad, met drie winkels op de Passeig de Gràcia. Als we kleren wilden gaan kopen, gingen we naar Perpignan.’

Perpignan als bedevaartsoord. Toen Bernardo Bertolucci in 1972 de wereld op zijn kop zette met Marlon Brando en Maria Schneider in hun Last Tango in Paris, werd de film in Spanje verboden. Er ontstond een massale, dagelijkse caravaan van Catalanen die de grens bij La Jonquera overgingen om in Perpignan, op 180 kilometer van Barcelona, de schandaalfilm te bekijken. Je hoorde er als moderne burger in de stad niet bij als je niet kon meepraten over die sensuele dans. Carabén introduceerde Marjolijn in het selecte intellectuele en culturele gezelschap van schrijvers, kunstenaars, musici en journalisten die na de dictatuur het fundament en het geweten van de democratische Catalaanse samenleving moesten gaan vormen.

Een jaar na hun huwelijk contracteerde voorzitter Agustín Montal van FC Barcelona, nog geen veertig jaar oud, Armand Carabén als dagelijks directeur van de club. ‘Ik zou die Cruijff van jullie wel willen hebben,’ zei Montal tegen Marjolijn, toen zij werd voorgesteld als de Hollandse echtgenote van Carabén. Ze legde zelfs al contact met de familie Cruijff in Amsterdam, maar de Spaanse Liga had een verbod uitgesproken over het aantrekken van buitenlandse voetballers, kort nadat genaturaliseerde sterren als de Argentijn Alfredo di Stefano en de Hongaar Ladislao Kubala het voetbal er in de jaren vijftig en zestig hadden opgevrolijkt.

‘Catalanen en Nederlanders lijken toch wel op elkaar,’ zegt Marjolijn. ‘De Catalanen wonen ook aan zee, zijn een handelsvolk. Ze komen net als wij uit een vrij klein land en spreken een taal die niet heel erg veel mensen kennen. En als je de taal spreekt van een minderheid, ben je gauw geneigd een andere taal te leren, snel de grens over te gaan. Om te overleven. De Spanjaarden gingen onder het Franco-regime minder naar het buitenland, maar de Catalanen probeerden toch vaak minimaal naar Frankrijk te gaan, dat was dichtbij. Bovendien, de grenzen waren al open voor het toerisme, en dan is het niet tegen te houden, de invloed van buitenaf…’

Met de benoeming van Armand bij Barça werd haar wereld nog cosmopolitischer: reizen met de ploeg door Europa en vooral een groot aanzien in Barcelona zelf, al had de ploeg sinds 1960 geen Spaans kampioenschap meer gewonnen. Het jonge echtpaar zocht die invloed en populariteit niet, maar het kwam op hen af. De eerste Kerst waren ze in Nederland, bij Marjolijns ouders. Ging de telefoon, haar schoonmoeder vanuit Barcelona. Ze bleven maar bellen aan de deur, klaagde die, manden en dozen vol cadeaus, vazen vol bloemen. Bij terugkomst maakte Marjolijn er foto’s van. Armand weigerde altijd steekpenningen aan te nemen, terwijl iedereen toch iets van hem wilde, als de man die alle zakelijke beslissingen bij de club nam. Dus deden de leveranciers, die van de buffets bij officiële gelegenheden tot die van het WC-papier in het stadion, hun best met Kerst een mooi en niet te weigeren cadeau te laten opsturen. Toen kort erna hun oudste zoon, Armand, werd geboren, leek de flat een bloemenwinkel.

In 1971 ging Carabén in Nederland Michels halen. Barça-trainer Vic Buckingham, óók voorganger van De Generaal bij Ajax, had last gekregen van een nekwervel, kon geen training meer geven. En zijn ploeg had het kampioenschap aan Valencia verspeeld: evenveel punten, maar een slechter doelgemiddelde. Michels had Ajax net naar de eerste Europa Cup geleid, in Londen tegen Panathinaikos. Hij weigerde bij te tekenen, Barcelona lonkte. Al tijdens zijn vakantie in de Algarve wisten de Spaanse sportverslaggevers hem in zijn rust te storen en echt vloeiend zou de verhouding met de pers nooit meer worden. Ook niet in zijn kortere tweede periode bij de club, toen een lokale krant het nieuws over zijn terugkeer als volgt bracht: ‘Mevrouw Michels wordt thuis gek, want ze moeten de hele dag telefoontjes voor haar man beantwoorden. Het nummer 46-12-42 in Amsterdam was gisteren bijna de hele dag in gesprek.’

Rinus en Wil Michels vonden een flat dichtbij het centrale deel van de Avenida Generalísimo Franco, op de hoek met Aribau. Op de benedenverdieping zat het kantoor van de KLM en directeur (Henk van der Star) werd een goeie vriend. Al vrij snel verkasten ze naar het sjiekste deel van de stad, Pedralbes. Daarvaandaan reed Michels elke dag de twee kilometer in zijn Mercedes naar het stadion, waar hij zich lange tijd opsloot in in sober kantoortje, met een bureau, drie stoelen, een airco-apparaat en jaloezieën voor de half ondergrondse ramen. Eén TL-buis verlichtte de vier maagdelijk witte muren waarop geen enkel opwekkend detail was gehangen of geplakt. Hij stond liever op het veld dan dat hij in het kantoor zat, zei hij, maar dat was niet de reden dat hij twee trainingen per dag invoerde, tot afgrijzen van de spelers, die altijd na één uur ‘s middags vrij waren geweest. ‘Het is niet méér trainen, het is béter trainen, vooral met die hitte. In plaats van één keer twee uur, trainen we nu twee keer één uur, dat levert een beter resultaat op. Bovendien, hier wordt maar 70% getraind van wat we bij Ajax deden.’

Rinus Michels had wel meer uit te leggen. Zijn Spaans was uitstekend, maar de culturen botsten. Discipline in plaats van improvisatie, vandaag in plaats van mañana. Zijn favoriete werkwoord was luchar, vechten, strijden. In oktober, met het seizoen drie maanden op gang en zonder goede resultaten, gaf hij toch maar eens een interview, aan El Mundo Deportivo, ook om de opdringerige concurrent Dicen, dat hem op zijn vakantie in Portugal had durven te storen, een lesje te leren.

‘Nee, de fysieke kracht is niet het verschil tussen Nederlandse en Spaanse voetballers,’ zei hij, nadat hem gevraagd was of zijn spelers van Barça maar watjes waren in vergelijking met de stevige, onverschrokken jongens van Ajax die maar bleven triomferen in Europa. ‘Het temperament maakt het onderscheid. Nederlanders zijn koeler, Spanjaarden emotioneler. Wat niet wil zeggen dat dat slecht zou zijn, alles heeft  zijn positieve en negatieve kanten. Die emotie van de Spanjaarden kan een kwaliteit én een gebrek zijn. Als het goed gaat groeit de voetballer, maar als het even tegenzit raakt hij snel in de put. Nederlanders spelen ook georganiseerder, zoals de Engelsen. Spanje is wat dat betreft achtergebleven, het Spaanse voetbal is nog schoolpleinvoetbal.’ Voetbal trouwens waarmee Real Madrid vijf Europa Cups op rij had gewonnen. Maar dat was Madrid, en hoe méér triomfen daar werden behaald, hoe pijnlijker het dagelijkse bestaan van de culé, de Barça-supporter, was. ‘Ik begrijp ook wel dat de socio’s ongeduldig zijn, want ze hebben al elf jaar geen titel meer kunnen vieren. Ik kan hun mentaliteit niet veranderen, maar ik zou hen graag leren dat het niet goed is zo veeleisend te zijn. Dat gebrek aan geduld is niet goed voor de ploeg, dat remt de spelers af. Ze hebben tijd nodig zich aan het nieuwe systeem aan te passen. In het moderne voetbal zijn de spelers een soort frontsoldaten die moeten strijden. Elke speler is een beslissende pion. Iedereen moet zich volledig geven, zowel fysiek als psychisch.’

Dagenlang sloot Rinus Michels zich in dat sombere kantoortje af, in een poging zijn nieuwe ploeg op de rails te krijgen. Theo Stols, vriend en journalist, een correspondent van verschillende Nederlandse media die nog tot 1990 in zijn kantoortje aan de Passeig de Gràcia heel trots een foto van hemzelf met generaal Franco had hangen, was vaak de spreekbuis van de trainer in de Spaanse media. ‘Ach,’ zei Stols, ‘Rinus zou wat meer moeten leren het werk en het vermaak te verenigen.’

Na een reeks van 18 ongeslagen wedstrijden die FC Barcelona uiteindelijk tot op vier punten van kampioen Real Madrid bracht, mocht Michels in mei ’72 voor een seizoen bijtekenen en stelde hij de eis dat zes spelers moesten verdwijnen. Een jaar later hadden van hem nog eens zeven spelers mogen vertrekken, maar de meeste van hen waren te belangrijk om ze de laan uit te sturen. Het was de historische avond van 31 mei 1973. Barça had in en tegen Sevilla een wedstrijd in het bekertoernooi, de Copa del Generalísimo die later in de democratie de Copa del Rey werd, met 3-1 verloren. Weer een seizoen zou zonder prijs worden afgesloten. Of ze nog even de stad in mochten, hadden enkele spelers aan de trainer gevraagd. Sevilla is betoverend, zeker als ‘s avonds de soms ondraaglijke hitte van de dag is verdwenen en in alle hoeken van de wijken Santa Cruz en Triana de mensen de straat opgaan, een biertje drinken, of een fino of  manzanilla, de sherry uit Jerez, met een tapa erbij. De voetballers mochten niet van meneer Michels, dat verdienden ze die avond niet. Ze verdienden het eigenlijk nooit.

‘Ik weet niet meer van wie het idee kwam,’ zegt Juan Carlos, de aanvoerder toen, die samen met Marcial, Reina, Sadurni en Pérez naar de kamer was gegaan die Rexach en Martí Filosia met elkaar deelden. ‘Het was niet bedoeld om de trainer in de maling te nemen of zo. Iemand van ons zei gewoon waarom we niet een paar flessen cava bestelden, dat was toch de beste manier om de nederlaag te vergeten.’ Michels zat in de receptie van Hotel Colón toen de bestelling voor twee flessen van de Catalaanse champagne doorkwam. Voor welke kamer dat was, vroeg hij aan de obers.

‘Kamer 634, meneer.’

‘Geeft u mij het dienblad maar, ik breng het wel.’

De trainer ging zelf naar de zesde verdieping, klopte aan op de deur van Rexach en zijn kornuiten. ‘Hij begon toch te schreeuwen, alles in het Nederlands, we begrepen er niets van,’ aldus Juan Carlos. Michels gooide het blad en de glazen op de grond, honderden splinters bezaaiden het tapijt, de champagne bruiste tussen de vezels. Elke speler kreeg 100.000 peseta’s boete, ‘wat voor die tijd heel erg veel was’. Doelman Reina zou nooit meer spelen.

Enkele weken later tekende Hugo Sotil, een Peruaan, een contract bij Barcelona als eerste van de buitenlanders, nu de grenzen net weer waren opengesteld. Er was een persconferentie, met voorzitter Montal en trainer Michels aan weerszijden van het Zuidamerikaanse talent. Eerste vraag van een verslaggever aan de verbouwereerde Sotil: ‘Hou je van champagne?’

D R O O M L A N D

Hoe de kinderen van Johan Cruijff en Johan Neeskens in Spanje stonden te zingen dat zieginds de stoomboot helemaal uit Spanje aankwam

Als ze met de spelersbus halverwege de kronkelweg naar boven waren, op weg naar het stoffige hotel van Vallvidrera dat gezien de gemiddelde leeftijd van de gasten meer op een bejaardenhuis leek, keken de voetballers van FC Barcelona ter hoogte van de Mirador de Sarrià even naar rechts en zagen ze letterlijk wat ze figuurlijk al hadden bereikt. De stad lag er aan hun voeten. Het stadion, hun stadion, het Camp Nou, konden ze bijna aanraken, rechts beneden, met daarachter de tientallen flatgebouwen in voorstad L’Hospitalet (240.000 inwoners) en daar weer achter de haven en het vliegveld. In het midden van het blikveld de Eixample, al die kaarsrechte straten waarvan er sommigen (Muntaner en Balmes) 3.750 meter lang van de bovenkant van de stad naar beneden liepen. Een beetje meer naar links werd het uniforme patroon onderbroken door de torens van de Sagrada Familia en de koepels van een ander hoogtepunt van de modernistische architectuur, het Hospital de Sant Pau. Nooit een ziekenhuis gezien met zoveel Japanse toeristen op de paden tussen de paviljoens van eerste hulp, oncologie en cardiologie. Daarachter, en verder naar links, de grote volkswijken van de stad, Sant Martí, Sant Andreu, Nou Barris en Horta-Guinardò, waar toeristen nauwelijks kwamen noch komen omdat er vrijwel niets te zien is, behalve de sporen van de snelle groei van de stad, metaalrot inbegrepen. Plus de net iets lagere prijzen die in de 21ste eeuw vooral Zuidamerikaanse emigranten uit Ecuador, Colombia en Bolivia naar die flats van tussen de 40 en 60 vierkante meter hebben gelokt, om er met zijn tienen of meer te wonen en te slapen. ‘Warme bedden’ heet het fenomeen waarbij niet eens een flat of een kamer wordt verhuurd, maar één enkel bed, voor een periode van acht uur te gebruiken, wat betekent dat per etmaal aan drie verschillende wanhopige personen geld kan worden verdiend. En daar weer achter de andere voorsteden, vastgeplakt aan de grote broer of slechts gescheiden door de Besòs-rivier: Sant Adrià, Santa Coloma en Badalona. Barcelona zelf had in 1974 anderhalf miljoen inwoners, een aantal dat nauwelijks is gewijzigd sindsdien, en de hele metropool inclusief voorsteden herbergde 3 miljoen mensen, nog vrij overzichtelijk in vergelijking met andere wereldsteden.

Nieuweling Johan Neeskens was overweldigd toen hij voor het eerst de stad binnen werd gereden. ‘Gigantisch. Ik was Amsterdam gewend, dat was een dorp natuurlijk. In het begin moest ik voortdurend de weg vragen, had ik moeite met al dat eenrichtingsverkeer. Mocht je daar niet links en daar niet rechts. Het gemakkelijkst was het om een taxi te nemen.’ Hij kocht wel zelf een auto, een kleintje, om makkelijk te parkeren. ‘De auto kwijt kunnen was toen al een ramp, net als nu.’ In een tweedehands Renault 5TS reed hij door de stad, daarmee kon hij bijna overal parkeren als hij met echtgenote Marianne ergens uit eten ging, bijvoorbeeld. Ze waren allebei niet veel gewend. Jong, net in de twintig, en altijd bij de ouders thuis gewoond totdat ze in de zomer van 1974, kort na afloop van het WK in Duitsland, waren getrouwd. De eerste trip naar Barcelona om de laatste zaken van de transfer van Ajax naar Barça af te ronden en alvast een nieuw huis te bekijken was tegelijk een soort huwelijksreis. Ze mochten blijven slapen in El Montanyà, op de flanken van de bergketen Montseny, halverwege op de weg richting de Pyreneeën, waar de gezinnen Michels, Cruijff en Carabén al een buitenhuisje hadden, spotgoedkoop gekocht van een bouwondernemer en Barça-fan Valentín Leiro.

Gingen Johan en Marianne dus naar een restaurant in Barcelona, zo rond een uur of zes ‘s avonds, de tijd dat ze thuis in Nederland ook altijd aan tafel moesten, troffen ze hooguit een schoonmaakster aan. ‘Zeiden ze ons: kom later maar terug. Een uur of negen. Ik vond het echt helemaal niks, om negen of tien uur eten. Kwam je thuis uit het restaurant en moest je met een volle pens naar bed. Als we thuis aten deden we dat daarom net als in Nederland, rond zessen.’

En dat eten zelf, daar moest de 22-jarige Neeskens ook aan wennen. Thuis in Heemstede lustte hij niks. Geen vis, niet eens een biefstuk. Hij at kip, vooral. En met Ruud Krol en Wim Suurbier ging hij in Amsterdam, na de training, wel eens naar de Febo, een kroketje halen. Salade’s, dat at hij ook nog wel, maar niet zoals Charly Rexach ze in dat hotelletje boven in Vallvidrera klaarmaakte. Het was gebruikelijk aan de vooravond van de thuiswedstrijden zich daar voor te bereiden, om er ver weg van het gezin of de verlokkingen van de stad de nacht door te brengen. Kamers met meubels dubbel zo oud als de oudste gasten, krakende vloeren, depressief behang op de muren, een oude televisie. De spelers kozen samen een film op video die ze die avond in een donker zaaltje in het zwartwit zouden bekijken, maakten een wandeling door het natuurpark Collserola, sliepen en hingen veel op hun kamers en, heel belangrijk in Spanje, brachten uren door aan tafel, om te eten. Neeskens zat er aan één met Johan Cruijff, Rexach en Marcial. Dat had een reden. Neeskens: ‘Elke tafel had een fles wijn, maar dat vond ik maar raar, de dag voor de wedstrijd nog alcohol. Ik dronk dan niet. Dat zagen die drie, dus zeiden ze dat ik maar bij hun aan tafel moest komen. Hadden zij een hele fles voor hun drieën.’

Rexach, de Catalaan, de ‘gastheer’, het flegmatieke maatje van Cruijff, zorgde er voor dat de salade op smaak kwam, want veel was er niet aan: wat groene blaadjes, tomaat, komkommer en een uitje. Zout erover, azijn en flink wat olijfolie. Olie. Gezond, maar toen een product dat in Nederland bijna niemand ooit gezien had. Waar Nederlanders bang voor waren. Nog altijd zijn er die op vakantie in de koelkast van de caravan pakjes margarine en Croma meenemen om het vlees te braden zoals thuis, met lekker veel cholesterol. Ook Neeskens, die jongen die alleen maar kip at, kende de olijfolie niet: ‘Dat was ik niet gewend, natuurlijk. Ik at thuis altijd sla met van die Calvé slasaus eroverheen. En Rexach deed niet zuinig met die fles olijfolie. Ik scheet mezelf helemaal leeg, in het begin. Ik dacht, dat is toch te veel, moet ik zelf mijn salade maar eens klaarmaken.’

Het is meegenomen in een vreemd land te gaan wonen en daar een enkele landgenoot te treffen die de nieuweling wegwijs maakt. Rinus en Wil Michels arriveerden in 1971 als eersten, zonder kinderen, opgevangen door Marjolijn van der Meer. Toen twee jaar later Johan en Danny Cruijff met hun twee kleine meiden, Chantal en Susila, in de stad landden, betrokken ze een flat op enkel honderden meters van die van de Michels’, in Pedralbes. Eerste wilde het Cruijff-gezin nog in Castelldefels gaan wonen, 20 kilometer ten zuiden van de stad, 10 van het vliegveld. Dicht aan het brede strand, een droom voor een jong stel uit het koude Nederland, hoewel er sinds 18 januari 1963 al geen Elfstedentocht meer was gehouden. Ze kenden de strandjes van Malgrat de Mar, op de grens van de Costa Brava met de kust van de Maresme, de laatste strook net boven Barcelona, waar ze in 1967 en ’68 op vakantie waren geweest, met wat maatjes van Ajax en hun vriendinnen. Ze hadden de bestemming gewoon uit een folder van een reisbureau gekozen, voetbalden er op het strand en gingen ‘s avonds naar de discotheek. In 1969 kozen ze voor Lloret de Mar en in 1970 en ’71 volgden vakanties op Mallorca, in hotel Punta Negra, in de badplaats Calvia. Spanje trok, dat was duidelijk. En Barcelona ook. Een tijdschrift voor de aanhangers van de club, Revista Barcelonista, nodigde Johan en Danny Cruijff tijdens hun vakantie op Mallorca uit voor een bezoek aan de metropool, volledig betaald. ‘Wat me hier het meest aantrekt,’ zei Danny, zwanger van eerste kind Chantal, bij die visite in 1970, ‘zijn de stranden en het mooie weer. En Barcelona is een betoverende stad.’ Heel veel meer zou ze vanaf dat moment nooit meer zeggen tegenover verslaggevers. Het stel liet zich fotograferen op alle mogelijke plaatsen in de stad, van de Ramblas tot in het Camp Nou, van in een winkel vol klassieke Spaanse gitaren en souvenirs tot op een plein waar zij de sardana dansten, typische Catalaanse huppelpasjes van mensen in een kring. ‘Nu weet ik nog meer dan ooit dat ik hier eens wil voetballen,’ zei Johan Cruijff die zomer, toen Feyenoord net als eerste Nederlandse club de Europa Cup I had gewonnen en de glorieuze periode van Ajax nog moest beginnen.

In die drie jaren van drie opeenvolgende Europa Cups kon Cruijff Barcelona nooit vergeten. Er waren zelfs al geheime ontmoetingen, maar de Spaanse regel die het buitenlanders verbood in de Liga te spelen stelde zijn komst steeds uit. Het contact met Barcelona-manager Carabén en diens vrouw Marjolijn werd echter warm gehouden en er vonden talloze bezoekjes over een weer plaats. De band werd nog versterkt toen kort na de definitieve komst van Cruijff, in 1973, terwijl hij op toestemming wachtte om in de Liga te debuteren, zowel Marjolijn als Danny zwanger waren. Op aanraden van Marjolijn van der Meer, die van Danny’s vader, Cor Coster, het verzoek had gekregen samen met Wil Michels het gezin een beetje bij te staan, zagen de nieuwkomers af van het huis in Castelldefels en kochten ze voor 9.400.000 peseta’s een flat op de derde verdieping van nummer 64 van de Calle Caballeros (nu op de stadskaart in het Catalaans aanwezig als Carrer Cavallers) , een flatgebouw van vijf hoog met een gezamenlijke tuin en zwembad voor alle bewoners, dichtbij het klooster van Pedralbes uit de veertiende eeuw, in één van de rustigste wijken van de stad. Johan en Marianne Neeskens betrokken een jaar later een flat in dezelfde straat.

Vanzelfsprekend ontstond er kleine Nederlandse kliek in die kleine driehoek tussen het Camp Nou, de woning van de familie Michels op een plaats waar nu de Avinguda J. V. Foix ligt en de Calle Caballeros, ofwel Herenstraat. De Neeskens’, ietsje jonger en in verwachting van hun zoon Christiaan, onttrokken zich al snel iets van de rest, leefden hun eigen leven, maar op oer-Hollandse avonden als Sinterklaas kwamen alle Nederlanders bij elkaar en kon je in een huis in Barcelona halverwege de jaren zeventig de drie kinderen Cruijff (Chantal, Susila en Jordi), Christiaan Neeskens en de drie jongens Armand, David en Jofre Carabén Van der Meer (in Spanje krijgen de kinderen de achternamen van beide ouders mee, tegenwoordig in de volgorde die die ouders zelf kunnen kiezen) onschuldig horen zingen dat zieginds uit Spanje de stoomboot weer aankwam.

Een ander lied klonk veel vaker op de feestjes en etentjes de Nederlanders, soms samen met enkele Catalaanse vrienden, in hun flats of een restaurant organiseerden. Dan stond Rinus Michels op en, ook al probeerde Wil hem steeds tegen te houden (‘Moet je nou wéér zingen, Rinus?’), hief hij onder de aanmoedigingen van de de jonge vrouwen van de groep voor de zoveelste maal in zijn leven de eerste tonen aan van Droomland, de Nederlandse vertaling van The beautiful island of somewhere.

Heerlijk land van mijn dromen

Ergens hier ver vandaan

Waar ik zo graag wil komen

Daar waar geen leed kan bestaan.

 

Droomland, droomland

Oh, ik verlang zo naar droomland

Daar is steeds vree

Dus ga met mij mee

Samen naar het heerlijke droomland

‘Wij waren jonge meiden, vonden het verschrikkelijk,’ zegt Marjolijn van der Meer. ‘We pinkten geen traantje weg, maar aandoenlijk was het toch wel. Wil en Rinus hadden geen kinderen, die vonden het heerlijk met onze gezinnen en al dat grut te zijn. Barcelona vonden ze fantastisch hier. Ze hielden van het leven. Lekker eten, vaak naar restaurants. Eén ding was het werk, maar sociaal was Rinus een heel gezellige man.’

‘Verjaardagen, Sinterklaas, Kerst, Nieuwjaar, op dat soort dagen kwamen we altijd met het Nederlandse kliekje bij elkaar,’ vertelt Johan Neeskens. ‘Als trainer was Rinus Michels in Barcelona precies dezelfde als bij Ajax, geen steek veranderd. Ook verbaal, de manier van praten, ook al was het in een andere taal. En zijn manier om met de mensen om te gaan, de discipline in het voetbal. Maar hij was ook een gezelligheidsmens. Op een verjaardag, kon ie zo weer gaan zingen. Maar de dag erop was het over. Kwamen we op de training en dan zei hij tegen je: “Dat feestje, dat was gisteren. Het was leuk, maar daar hoef je niet meer over te beginnen”.’

Het Barcelona van de jaren zeventig bleek inderdaad een droomland voor de Nederlandse kolonie, in sportief opzicht vooral voor Michels en Cruijff, die in het seizoen 1973-’74 het uitzinnige kampioenschap meemaakten, waar de supporters 14 oneindig lange jaren op hadden moeten wachten. Direct vanaf zijn vertraagde officiële debuut in de competitie, op 28 oktober 1973 tegen Granada (4-0, twee treffers van de Nederlander), maakte Cruijff van tot dan een onzeker, mentaal wankelend elftal een goed gesmeerde machine. Net die maand oktober was Barça eindelijk wel begonnen met winnen of tenminste niet verliezen, maar het stond nog in de onderste regionen van de Primera División met twee overwinningen, twee gelijke spelen en drie nederlagen, met de magere doelcijfers van zeven voor en vijf tegen. En  het nietige Nice had de ploeg van Michels in de eerste ronde van de UEFA Cup uitgeschakeld. Eenmaal mét Cruijff raasde Barça in sneltreinvaart naar de titel met 19 overwinningen, zes gelijke spelen en twee nederlagen, die overigens pas geïncasseerd werden toen de ploeg eenmaal kampioen was geworden. Doelcijfers in die reeks: 68-19. Cruijff zelf scoorde 16 keer, eentje achter topscorer Marcial, het hoogste aantal dat hij in Spanje zou halen, ver verwijderd van de 33 in zijn beste seizoen bij Ajax. Nu nog altijd is de reeks van toen, 27 officiële wedstrijden zonder nederlaag, een record in de clubgeschiedenis van FC Barcelona. En Rinus Michels heeft als trainer nog een andere recordserie achter zijn naam, die van 67 thuiswedstrijden in de competitie zonder nederlaag tussen 4 maart 1973 en 20 februari 1977, met 55 overwinningen en 12 gelijke spelen, 155 doelpunten voor en 37 tegen.

Dat seizoen, waarin Wil Michels in het weekeinde bij Danny bleef slapen als Barcelona op pad was, beleefde Johan Cruijff ook één van de gelukkigste weken van zijn leven, tussen 9 en 17 februari 1974. Al waren ze gek op Barcelona, door de jarenlange door generaal Franco opgelegde afzondering van de rest van Europa werd wel gezegd dat Afrika bij de Pyreneeën begon en lagen de sociale en medische voorzieningen van Spanje ver achter bij die van Nederland. In ziekenhuizen en op scholen waren het veelal nonnen die verpleegsters en onderwijzeressen waren en Danny, na twee keizersnedes, wilde zich niet wagen aan een bevalling in Spanje. Zelfs als Chantal een oorontsteking had vlogen ze naar een arts in Nederland. Regelmatig reisde Danny naar Amsterdam voor een bezoek aan haar gynaecoloog en het was daar dat op 9 februari het eerste zoontje Cruijff werd geboren, ook met een keizersnee. Papa Johan was erbij, want dat weekeinde was de ploeg vrij en trainer Michels had de geplande dag uitstekend gevonden, niet alleen omdat een weekeinde later de topper bij Real Madrid wachtte. Op diezelfde negende februari, 46 jaar eerder, was Rinus Michels ter wereld gekomen. Kon de Hollandse kliek in Barcelona vanaf nu twee verjaardagen in één vieren.

Het heeft even geduurd, maar ruim dertig jaar later zijn Johan en Danny Cruijff er ook indirect verantwoordelijk voor dat in Nederland duizenden jongens – het zijn er steeds meer – rondlopen met de meest Catalaanse naam die er bestaat. Johan schreef zijn zoon in het geboorteregister van Amsterdam in onder de voornamen Johan Jordi. De laatste, oorspronkelijk afkomstig van het Engelse George, zou zijn roepnaam worden en staat inmiddels in deze en andere vormen (Jordy, Yordi) in de top-50 van de meest gebruikte jongensnamen in Nederland. En dat terwijl Cruijff niet eens wist dat Sant Jordi de beschermheilige van Catalonië is. Zelf legde hij later uit dat die naamgeving, die de bevolking met trots vervulde, geen patriottische Catalaanse daad noch een publicitaire stunt was.

Jordi was de dappere soldaat die tien eeuwen geleden ergens in Libië (maar volgens de Catalaanse traditie in de buurt van Tarragona) met succes tegen de draak vocht. Jordi won, natuurlijk, en heeft sindsdien op 23 april de leukste naam- en feestdag van het land, van de wereld misschien. Die dag kan de Catalaan twee verschillende cadeaus geven: een roos of een boek. Of allebei natuurlijk. Vroeger was de roos sowieso voor de vrouw, de ‘prinses’ het uit het verhaal van Sant Jordi, en het boek voor de man, maar Spanje is inmiddels minder traditioneel geworden. Begin 2007 werd de ‘Wet op de Gelijkheid’ door het Spaanse parlement aangenomen, waarin de vrouw niet alleen evenveel rechten als de man houdt, maar ook geholpen wordt de eeuwenoude achterstand op de macho’s in te halen. Verkiezingslijsten en gemeentebesturen, bijvoorbeeld, moeten nu exact evenveel mannen als vrouwen hebben en mannen mogen evenveel zwangerschapsverlof als de vrouw opnemen. Dus krijgen nu ook vrouwen soms een boek cadeau. Maar de mannen krijgen bijna nooit een roos.

Snel met vrouw en zoontje terug in Barcelona, om die bijna beslissende wedstrijd tegen Real Madrid voor te bereiden, ging Johan Cruijff eerst naar het bevolkingsregister om ook daar zijn gezin volgens de papieren compleet te maken met de inschrijving van het vijfde en laatste lid.

‘De naam van het kind, meneer Cruijff?’

‘Johan Jordi.’

Twijfel achter de tafel. Waarschijnlijk was de ambtenaar geen diepe bewonderaar van FC Barcelona. Het volledige overheidsapparaat was in handen van het Franco-regime, familie en vrienden van mensen op hoge posten verdeelden de baantjes, ook die in de gemeente Barcelona, en volgens aanhangers van Barça was Real Madrid de favoriete club van het regime, met alle arbitrale en bureaucratische voordelen van dien.

‘Dat kan niet. Catalaanse namen mogen niet,’ oordeelde de ambtenaar. Het verbod van Franco op alles wat anders dan Spaans klonk ging ver, heel ver. ‘Jordi moet Jorge zijn.’

Jorge, spreek uit Gorge. Cruijff moest er niet aan denken.

‘Johan Jordi. Dat is de naam waarmee mijn zoon in Amsterdam staat ingeschreven, waar hij geboren is.’ Cruijff liet het paspoort zien waarop zijn jongste telg mee naar Spanje was gereisd.

De ambtenaar raadpleegde met zijn superieuren. De woedende Cruijff die hij voor zich had staan – moment waarop zijn blauwe ogen koeler en indringender plegen te zijn dan ooit – was populair in Catalonië, generaal Franco was al een beetje ziek, dus had het ogenschijnlijk geen zin een grote rel te veroorzaken. Jordi Cruijff kwam als eerste en laatste Catalaanse naam tijdens de dictatuur in het bevolkingsregister te staan. De dankbaarheid was zo groot dat Cruijff het nauwelijks verweten wordt dat hij noch in zijn eerste periode bij Barça, tot 1978, noch sinds zijn definitieve komst naar de stad in 1988 ooit maar één hele zin in het Catalaans heeft uitgesproken. Bovendien, zeggen de puriteinen, als hij in staat is de Spaanse taal nog altijd regelmatig te verkrachten is het alleen maar beter dat hij het Catalaans met rust laat. Net als veel Nederlanders heeft Cruijff vooral moeite met een taal die mannelijke en vrouwelijke lidwoorden heeft. Voor hem is altijd alles mannelijk geweest, el of un, en de la of una voor de andere helft van de zelfstandige naamwoorden komt bijna nooit uit zijn mond. Un paloma no hace verano, is één van zijn historische vergissingen in Spanje, waar overigens nooit zo’n anecdotisch citatenboekje van en over Cruijff is verschenen. (Zijn zestigste verjaardag was evenmin aanleiding voor een biografisch of ander boekwerk. Tien dagen later ging in Barcelona wel een theaterproductie in première onder de naam ‘Sex ‘n drugs ‘n Johan Cruyff’, over twee hoertjes op de Wallen die in 1971 dromen van een bezoek van de Ajax-ster.)  In dit geval was het gebruik van het mannelijke un voor het vrouwelijke paloma niet de voornaamste fout (hij had het kunnen weten, want George Baker zong toch ook ooit una paloma blanca), maar moesten de toehoorders lachen omdat Cruijff dus beweerde dat één duif nog geen zomer maakte, terwijl ze daar in Spanje toch ook gewoon de zwaluw voor hebben, una golondrina. Waarschijnlijk was de duif de eerste vogel die bij Cruijff opkwam, anders had hij misschien een mus (gorrión), een parkietje (periquito) of zelfs een adelaar (águila) gebruikt om te proberen te zeggen dat één overwinning nog niet het kampioenschap betekende.

De tweede overwinning van Johan Cruijff op de al wankelende pilaren van het Franco-regime volgde later die week, op een nog altijd historische zeventiende februari, met goud gegraveerd in de herinnering van alle nog levende Barça-aanhangers en zelfs Catalanen in het algemeen. Met hem in de gelederen had Barcelona nog niet verloren en de ploeg kon een belangrijke stap richting de titel zetten als de koploper de twee punten zou binnenhalen bij het bezoek aan het Estadio Santiago Bernabéu. Tegenstander Real Madrid stond in de competitie al op negen punten achterstand, nummer twee Atlético op vijf. Real Madrid-FC Barcelona zou ook een beetje een voorschot zijn op de WK-finale later dat jaar, maar dat wist niemand natuurlijk. Want Real-Barça was ook het duel tussen de Duitser Günther Netzer en de Nederlander Johan Cruijff. ‘Toen in 1974 de finale van het werledkampioenschap tussen Nederland en de Bondsrepubliek Duitsland werd gespeeld, was heel Catalonië voor de ploeg van Cruijff en Michels, terwijl de rest van Spanje achter het Netzer van Duitsland stond,’ schreef later Antón Maria Espadaler, hoogleraar Middeleeuwse Geschiedenis aan de universiteit van Barcelona. ‘Het was niet alleen een kwestie van het steunen van een bepaalde speler of een weerspiegeling van de rivaliteit Barça-Madrid. Het was een debat tussen de twee manieren van benadering, en dus ook in het voetbal: zij die zich lekker wilden voelen op het veld, om nuttige en mooie dingen te doen die hun toewijding aan het spel rechtvaardigden, tegenover hen die de korte broek slechts aantrokken om te winnen, zonder enige andere overweging. Real Madrid wil, net als Duitsland, altijd winnen en sleept al zijn hele bestaan een onopgelost esthetisch probleem met zich mee: het spel is efficiënt, maar niet aantrekkelijk. De aanhanger heeft genoeg aan de zege. Bij Barça niet. Die club heeft altijd voor de vernieuwing gekozen, om te proberen aan de ludieke en sentimentele eisen van zijn supporters tegemoet te komen.’

Die gedachtengang was ook, samen met de nabijheid van het strand, één van de redenen waarom Johan Cruijff in 1973 besloot voor FC Barcelona te gaan voetballen, als eerste Nederlander in de geschiedenis van de club, en waarom er in totaal inmiddels 25 Nederlanders in het eerste elftal van de Catalaanse club hebben gespeeld of lid zijn geweest van de technische staf. Real Madrid heeft met Ruud van Nistelrooy pas zijn vijfde Nederlander in dienst, na John Metgod, Leo Beenhakker, Guus Hiddink en Clarence Seedorf.

Op 17 februari 1974 kwam de frivoliteit in het voetbal definitief aan de macht. Met een prachtige show in een vijandig stadion, volgepakt met 80.000 Madrileense toeschouwers, kleineerde Barcelona de tegenstander die dertien keer kampioen was geworden in de voorgaande 20 jaren. Cruijff scoorde één keer: een slalom langs drie verdedigers eindigde in een schuiver onder het lichaam door van doelman García Remón. Het was de 0-2, nog vóór rust. De spelers van Barcelona leken lichtvoetig als danseressen in de Crazy Horse Saloon en de spelers van Real waren houterige mannen die amechtig het spektakel aanschouwden. Toen de rook aan het einde van de show, na 90 minuten, wegtrok, stond er 0-5 op het scorebord. De andere doelpunten kwamen van Asensi (tweemaal), Juan Carlos en Sotil. Het publiek van het Bernabéu applaudiseerde. Johan Cruijff zei dat hij een beetje moe was geweest, in de laatste tien minuten van de wedstrijd.

Waren Marjolijn van der Meer en Armand Carabén op een zomerdag in 1968 verliefd op elkaar geworden, die winterdag in februari ’74 ontlook de liefde tussen Catalonië en Nederland, een langdurige relatie die nog altijd voortduurt, met als in elk huwelijk zijn ruzies en soms zelfs een avontuurtje met een ander. De correspondent van The New York Times schreef in zijn verslag van ‘meer dan een voetbalwedstrijd’ dat Cruijff in negentig minuten meer gedaan had voor het gemoed van de Catalaanse natie dan vele politici in een al jaren durende ondergrondse strijd.

Johan Cruijff was meer dan ooit de ster. Een gewaardeerde ster, volgens Marjolijn, die nog altijd al haar zomers in het buitenhuis in El Montanyà met de hele familie Cruijff, in het naastliggende huis, doorbrengt. Tussen beide tuinen staat geen afscheiding. ‘Johan mócht een ster zijn, in Barcelona, terwijl je in Nederland niet te hoog mocht stijgen. Nu nog wordt hij overal in Spanje met open armen ontvangen. Niet dat hij beroemd wil zijn, maar als mensen aardig voor je zijn en je duidelijk merkt dat mensen het gewoon leuk vinden dat je er bent, die aandacht, dat is aangenaam. Nederland is wat dat betreft misschien ook een beetje veranderd. Nu heb je er Bekende Nederlanders, BN’ers, dat bestond vroeger niet. Doe maar gewoon, dan doe je gek genoeg, was het principe.’

‘Johan en Danny kozen hier echt voor, voor het leven hier. Ze kwamen niet naar Barcelona om geld te verdienen, want hij kon overal terecht. Dit trok hen aan, ook al omdat ze in Spanje op vakantie waren geweest. Natuurlijk, vooraf weet je niet of het je bevalt, maar dat bleek dus van wel. Het ligt er ook een beetje aan uit welk nest je komt, hoe je je in het buitenland kunt aanpassen. Iedereen is anders. Een streng gereformeerde heeft het misschien moeilijk in Spanje.’

Cruijff was in de jaren zeventig een ster, maar niet De Verlosser, met of zonder hoofdletters. Met verbazing aanschouwde onlangs de middelbare en oudere generatie Catalanen een retro-achtig T-shirt, gefabriceerd in opdracht van de Johan Cruijff Wellfare Foundation, waarop de getekende beeltenis van de voetballer stond met daaronder, in het Spaans (of Catalaans, in dit geval precies hetzelfde) de woorden El Salvador.

‘Waar komt dat vandaan?’ vroegen met enig onbegrip zelfs de meest verstokte Barça-fans.

‘Nou, zo stond Johan hier toch bekend?’ zei de Nederlandse drager van het T-shirt.

‘Als wat? El Salvador? Nooit van gehoord.’

‘In Nederland weten we niet beter dat de Catalanen Johan sinds 1974 als De Verlosser zien.’

De discussie barstte los, nóg oudere socio’s geraadpleegd. El Salvador? Niemand die er ooit van gehoord had. Johan was altijd El Flaco geweest, de magere.

‘El Salvador? Onzin. Bestaat niet.’

Ze hadden gelijk, want het blauwpaars gekleurde geheugen bedriegt nooit. In een enkel krantenverslag uit die tijd komt het woord wel voor, maar slechts terloops en met een andere intonatie. Daarin staat dat Cruijff el salvador, in dit geval in de betekenis van ‘de redder’, van een ploeg in crisis was. Maar van de redder van een elftal tot een bovenmenselijke Verlosser van het Catalaanse volk, zo ver wilden zelfs de dwepende Barça-aanhangers niet gaan. Later, als trainer, dichtten zijn spelers hem wel bovenaardse kwaliteiten toe en noemden hem in de kleedkamer Dios, want God zag en hoorde alles en wist alles beter. In de kranten hielden ze het op El profeta del gol (het mannelijke lidwoord el is hier juist), de doelpuntenprofeet. Net als ook een Nederlandse verslaggever ooit verzon dat Ronald Koeman in Barcelona bekend stond als Sneeuwvlokje, naar de witte gorilla in de dierentuin van de stad, Copito de Nieve, zo bedacht iemand, maar in ieder geval géén Catalaan noch Spanjaard, dat het wel mooi klonk om Cruijff El Salvador te noemen nadat de ploeg voor het eerst sinds 14 jaar weer eens het landskampioenschap had gewonnen. Een term waarschijnlijk afkomstig van een Nederlandse chauvinist, die van Jezus een landgenoot wilde maken.

Salvador was er in die hectische periode aan het einde van de Franco-dictatuur maar één in Catalonië. Salvador Puig-Antich was een jonge anarchist die met vrienden de Guardia Civil dwarszat in de straten van Barcelona en die er, zo blijkt na jaren van studie, onterecht van werd beschuldigd een agent te hebben vermoord tijdens een schietpartij op de hoek van de straten Girona en Consell de Cent, voor de deur van Belém, één van die heerlijke bodega’s van Barcelona waar lekkernijen (queviures) kunnen worden gekocht, maar waar ook drie tafeltjes staan om er tussen de middag te eten. De 25-jarige jarige Puig-Antich, aan wie onlangs een film werd gewijd (Salvador) die het zelfs tot een enkele Nederlandse bioscoop schopte, werd door een militair tribunaal ter dood veroordeeld en op 2 maart 1974, twee weken na de Catalaanse voetbalextase in Madrid, aan de worgpaal op een tergend langzame manier geëxecuteerd. Hij zou het laatste dodelijke slachtoffer van het Franco-regime blijken te zijn.

Johan Neeskens kan zich niet herinneren dat er in de kleedkamer van het Camp Nou of in het hotelletje in Vallvidrera een fles champagne werd opengetrokken toen op 20 november 1975 bekend werd dat Francisco Franco Bahamonde op 82-jarige leeftijd op zijn ziekbed was overleden. ‘Franco ha muerto,’ zei op televisie een minister met een door tranen verstikte stem. Een dood die een beetje voorbijging aan Michels, Cruijff en Neeskens. Zij hadden de dictatuur nauwelijks aan de lijve ondervonden, al beschuldigde Cruijff een enkele scheidsrechter er wel eens van een Franco-vriendje en dus Real-aanhanger te zijn. De generalísimo kwam zelf uit El Ferrol, de noordwesthoek van Galicië, maar in de jaren vijftig en zestig was dat grote Real Madrid van Alfredo di Stefano natuurlijk voor Franco het mooiste uithangbord in Europa.

‘Toen ik hier kwam, kreeg ik er wel vragen over, over Franco en zo,’ herinnert Neeskens zich. ‘Maar ik zei direct al dat ik als voetballer naar Barcelona was gekomen en de politiek erbuiten wilde houden. Maar je merkte wel dat de mensen opgelucht waren na zijn dood. Dat ze zolang hun taal niet hadden mogen spreken, dat deed heel erg pijn.’ Nu was het Camp Nou één van de plaatsen waar de mensen, zonder agenten in de buurt, hun Catalaanse trots straffeloos mochten uiten. Ook in de kleedkamer gebeurde dat. Aanvoerder Juan Carlos werd er soms gek van: ‘Aan de ene kant had je de Nederlanders die met elkaar spraken in die onbegrijpelijke taal van hun en aan de andere kant de Catalanen, die onderling altijd in het Catalaans praatten. Ik, een jongen uit Cantabrië, verstond er helemaal niets meer van. Daar zat ik dan, als aanvoerder.’

De jaren nadien bewezen dat de Messiaanse gaven van Johan Cruijff beperkt waren en dat het ook voor hem onmogelijk was in Spanje voortdurend over het water te lopen zonder nat te worden. Nog vier jaar speelde hij in het blauwpaarse shirt, met nog slechts één troostprijs als buit, de Spaanse beker in 1978, een soort afscheidscadeau. Magere jaren die ook Johan Neeskens meemaakte. Hij nam de plaats van buitenlander in van de Peruaan Hugo Sotil, uiterst populair onder de aanhang. Neeskens: ‘Sotil was was de lieveling van het publiek, dat maakte het niet makkelijker. Die eerste maanden had ik het sowieso behoorlijk moeilijk, moest ik echt acclimatiseren. Het was een heel ander leven, verschrikkelijk warm ook, dat was ik niet gewend. Het eten was anders, het levensritme ook. Zodra je er aan went heeft het wel wat, die mentaliteit, altijd rustig aan doen, het komt morgen wel, mañana. Je moet niet gek kijken als er thuis iets kapot is en ze moeten komen repareren, maar ze komen niet op de afgesproken tijd of dag. Er is hier niet de punctualiteit als in Nederland en Zwitserland, maar daar moet je je niet aan gaan ergeren, anders maak je het jezelf alleen maar moeilijk.

‘In het begin kende ik de taal ook niet. Eerst sliep ik tijdens de reizen bij Cruijff op de kamer, maar ik zei: dat wordt helemaal niks, zo leer ik nooit Spaans. Johan zei dat ik maar beter met Rexach op de kamer kon gaan. Daar redde ik me eerst met gebarentaal. Charly zei ook dat ik veel kranten moest lezen en naar de TV kijken. Toen heb ik het vrij snel opgepakt, in vier, vijf maanden tijd. Johan ging drie keer per week naar les, maar daar had ik geen zin in, om ook nog eens in de schoolbanken te gaan zitten. Het was al zo’n grote verandering om hier naar toe te komen. We waren veel onderweg, soms lange reizen in de trein naar Bilbao omdat er daar mist op het vliegveld stond en we niet zouden kunnen landen.’

In zijn tweede seizoen werd Johan Neeskens gekozen tot voetballer van het jaar, in een klassement opgesteld door zes kranten aan de hand van de punten die zij wekelijks aan de voetballers na een wedstrijd gaven. Neeskens was de eerste buitenlander die die eer kreeg en had inmiddels de herinnering aan Hugo Sotil doen vervagen. De kleine Peruaan, die een seizoen lang niet mocht voetballen, zocht troost in de nachten van Barcelona, in de sjieke cocktailbars van de stad. Neeskens werd steeds populairder, zag er met zijn magere blonde koppie ook lekker uit, zowel binnen als buiten het veld, waar hij niet altijd even goed mee kon omgaan. In de stadions viel hij op met de witte enkelbeschermers die hij over zijn voetbalkousen aantrok. Buiten de stadions moest hij al vrij snel scheiden van Marianne, die met hun zoontje echter niet meer terugwilde naar Nederland en zich installeerde in de Victoria-appartementen in Barcelona. Daar nestelden zich ook Wil en Rinus Michels, omdat daar alle voorzieningen werden geboden, inclusief de schoonmaak. Wil, vaak alleen thuis, had geen zin in haar eentje een heel huis te onderhouden. Het stel vertrok een seizoen uit Barcelona (’75-’76), omdat Rinus in Amsterdam Ajax weer ging trainen, maar keerde na de mislukking van een Duitser in het Camp Nou, Hennes Weisweiler, weggewerkt door Cruijff zelf, in mei 1976 weer in Catalonië terug, waar het nog twee jaar in een suite van het hotel Princesa Sofía, op nog geen 300 meter van het stadion, ging wonen.

Vertrokken Michels en Cruijff in 1978 uit Barcelona, Neeskens volgde een jaar later, weggestuurd door de nieuwe voorzitter Josep Lluís Núñez, die juist het jaar ervoor de verkiezingen had gewonnen met onder anderen de onbetaalbare steun van Johan Cruijff en Carles Rexach. Neeskens, die plaats moest maken voor de Deen Allen Simonsen, stond met tranen op het balkon van het gemeentehuis van Barcelona, waar de ploeg net was teruggekeerd na het veroveren van de Europa Cup 2, met een overwinning op Fortuna Düsseldorf in Basel, waar 30.000 Catalanen heen waren getrokken om hun ploeg te steunen. ‘Neeskens sí! Núñez no!’, scandeerde de massa, de duizenden die op het krappe pleintje van Sant Jaume opeengedrukt stonden. Terwijl zijn vader daarna over de wereld ging zwerven om uiteindelijk in de bergen van Zwitserland, niet ver van de Italiaanse grens, tot rust te komen, is Christiaan Neeskens nooit meer uit Spanje vertrokken. Hij ging op amateurniveau voetballen bij Calafell en ging onder anderen werken op een mooi terrasje in Sitges. Nu woont hij met zijn verloofde in Santa Coloma de Gramenet, precies aan de andere kant van de stad waar zijn vader zich als assistent-trainer van Barça sinds 2006 met zijn nieuwe gezin heeft gevestigd, in Sant Just Desvern. Het contact tussen vader en zoon is weer aangehaald.

Ook de kinderen Cruijff zouden zich een leven buiten Spanje niet meer kunnen voorstellen, al is voetbalzigeuner Jordi nog steeds Europa aan het verkennen. Susila – een naam van een Indianenvrouw die Danny in een boek tegenkwam – woonde jarenlang in het noordwesten van het land, in Gijon, met een bekende Spaanse ruiter, maar is inmiddels in haar eentje teruggekeerd naar Barcelona. Chantal, zo genoemd naar een vriendin die de familie Cruijff op Mallorca ontmoette, in de jaren negentig getrouwd met Barça’s reservekeeper Jesús Mariano Angoy en later weer gescheiden, is nooit van de zijde van haar ouders geweken, wijdt zich volledig aan de Johan Cruijff Foundation en is, samen met een neefje uit Amsterdam, het filter en de buffer voor alle mensen die een afspraak met haar vader willen maken, en dat zijn er nog altijd heel erg veel.

Advertenties