Categorie archief: politiek

Barcelona is niet socialistisch meer

Barcelona was één van de laatste ‘rode’ bolwerken in heel Spanje. Ging Madrid al eind jaren tachtig over naar een conservatieve gemeenteraad en burgemeester (die wordt hier via de stembus gekozen) kort nadat de immens populaire socialistische burgemeester Tierno Galván in 1986 was overleden, nu heeft de hoofdstad van Catalonië een kleine ruk naar rechts gemaakt. Liefst 32 jaar – sinds de eerste verkiezingen na Franco (die natuurlijk zelf de burgemeesters benoemde) – was de PSC aan de macht in Barcelona, met als populairste burgemeester Pasqual Maragall, die voor zijn stad de Olympische Spelen van 1992 binnenhaalde,  later president van de Generalitat werd en nu vooral bekedn is als Alzheimer-patiënt.

Vandaag moest de synpathieke, maar weinig charismatische veertiger Jordi Hereu het stokje overgeven aan de goedige opa Xavier Trias van de Catalaanse nationalisten van CiU: liefst zes voorgangers van de 65-jarige Trias hadden zich in de verkiezingsstrijd stukgebeten op de socialistische rivaal, dus was de dag van vandaag een ongelooflijke triomf voor de nationalisten, die net als de Partido Popular in de rest van Spanje vooral profiteerden van de diepe economische malaise waarin het land verkeert en waar de socialisten van premier Zapatero voor verantwoordelijk worden gehouden.

Geen idee wat het nieuwe stadsbestuur ons gaat brengen. Hereu, die gisteren zijn laatste spullen inpakte, heeft het niet slecht gedaan. Vreemd echter dat je als burgemeester van een stad als Barcelona zo redelijk anoniem kunt blijven. Lijkt mij een heerlijke stad om te besturen, om faam in de hele wereld op te bouwen, maar dat was aan Hereu niet besteed. Aan opvolger Trias lijkt me trouwens ook niet.

 

Advertenties

Een onherkenbare Plaça de Catalunya

Ergens in de loop van deze week zal het tentenkamp verdwijnen. Tot dan is het centrale Plaça de Catalunya in Barcelona een dorp binnen de stad, een terrein dat voor de meeste toeristen die er langs komen totaal onherkenbaar is. De beweging van 15-M (15 mei), voortzetting op een betoging van Democracia Real Ya! (werkelijke democratie, nu!), heeft nu al drie weken dit plein en het nog belangrijker Puerta del Sol in Madrid in bezit. Vooral ’s avonds is het er meestal stervensdruk, wanneer de ellenlange assamblé’s plaatsvinden waarin besluiten wel of niet worden genomen – volledige democratie vergt enig geduld. Gisteren werd uiteindelijk besloten het tentenkamp in Barcelona in de loop van de week af te breken. Zelfs vooral jonge demonstranten worden moe van het slapen in tentjes, maar dat komt ook omdat er de laatste tijd steeds meer ongewenste elementen in het kamp overnachten. De idylle van het begin, de charme van die Spaanse lente en de Spaanse Tahrir-pleinen begint een beetje te verdwijnen, maar de beweging doet zijn best het vuur levend te houden.

Dus zijn ze ook, als het goed is, nog de hele zomer op het Plaça de Catalunya te zien, maar dan alleen overdag en met wat minder tenten. Ik zag de laatste dagen dat veel toeristen een beetje schrokken en liever een rondje om liepen; hoeft niet, het protest is tot nu toe volledig geweldloos verlopen en de grote meerderheid zijn jonge, moderne Spanjaarden die de huidige politiek helemaal zat zijn. Het enige geweld van de laatste weken kwam van de Catalaanse politie, die wel erg onnodig en hard op de demonstranten insloeg en zich voor de camera’s van talloze fotografen voor schut zette. De Catalaanse ‘minister’ van Binnenlandse Zaken, Felip Puig, zei maar dat de media het beeld hadden vertekend en slechts enkele foto’s afdrukten. El Periódico antwoordde door alle 140 gemaakte foto’s door zes van onze vaste fotografen op internet te zetten. Op geen daravan is te zien hoe, behalve 120 demonstranten, ook 34 agenten verwondingen zouden hebben opgelopen.

 

De Spaanse lente is uit Egypte overgewaaid

Het is nog niet zo massaal als in de Arabische wereld, maar met de dag lopen centrale pleinen in Spaanse steden voller met vooral jonge demonstranten die er dagelijks én ‘s nachts protesteren tegen het huidige politieke systeem, de torenhoge werkloosheid, de miljarden aan bezuinigingen. Zondag zijn er verkiezingen.

Alsof de vonk de Middellandse Zee is overgeslagen, vanuit Tunesië, Egypte en Libië naar een democratisch, Europees land. Het doel is niet hetzelfde, Spanje is geen dictatuur meer sinds generaal Franco in 1975 overleed en de machthebbers kunnen sindsdien via een stembiljet worden benoemd en weggestuurd. Maar de protesten van vooral jongeren in de Arabische wereld vormen wel een inspiratie voor de steeds wanhopiger Spaanse jeugd, waarvan ruim 40% werkloos is.

Ook het succesvolle, 60 pagina’s korte pamflet van de 93-jarige Fransman Stéphane Hessel, Indignez-vous! (‘Wees verontwaardigd!’, in Nederland in de boekwinkel als Neem het niet!) ligt ten grondslag aan de protesten die zondag bijna spontaan ontstonden en nu onder de naam 15-M een heuse beweging vormen. Hessel roept vooral de jeugd in westerse landen op te ageren tegen het huidige systeem, tegen de banken, tegen de politici die nauwelijks met oplossingen komen.

De Spaanse politieke partijen weten niet goed wat ze met de spontane, via internet gegroeide protestbeweging aanmoeten. Zondag zijn er regionale en lokale verkiezingen, waarbij de socialistische partij van premier Zapatero (PSOE) grote klappen zal krijgen en in bijna alle regio’s en grote steden de macht naar de conservatieve Volkspartij (PP) zal gaan. De demonstranten roepen juist op op geen van de traditionele grote partijen te stemmen, al vinden zij juist weinig gehoor bij de traditionele aanhang van de PP.

Regionale kiesraden hebben de demonstraties verboden, omdat zij de stemmen van komende zondag kunnen beïnvloeden, maar dat verbod heeft juist meer mensen naar de grote pleinen gelokt, zoals het centrale Puerta del Sol in Madrid en de Plaça de Catalunya in Barcelona, Daar zijn inmiddels hele tentenkampen opgezet waar honderden jongeren de nacht doorbrengen. De politie is vooralsnog niet tot ontruimen overgegaan.

“Het is niet tegen het systeem, mensen moeten ook gewoon hun stemrecht uitoefenen, maar wij zijn vooral gewone mensen die de hele politieke en economische situatie in het land zat zijn,” herhalen deze dagen Jon Aguirre en Fabio Gándara, die zondag onder de noemer Democracia Real Ya (Werkelijke democratie, nu!) via internet (met inmiddels 170.000 ‘vrienden’ op Facebook) en zonder de steun van vakbonden en politieke partijen 20.000 mensen in Madrid op de been kregen.

“We móeten wel de straat op, want de politici doen maar wat ze willen, terwijl het volk het steeds moeilijker krijgt. De situatie is voor velen wanhopig”, zegt Davinia, een demonstrante inBarcelona. Spanje heeft inmiddels bijna vijf miljoen werklozen (ruim 21% van de beroepsbevolking), en de jongeren worden het zwaarst geteisterd. Maar ook de 1,4 miljoen gezinnen waarbij geen van de ouders werk heeft. Bij veel daarvan wordt WW-uitkering noch de bijslag van 420 euro per maand nog uitbetaald omdat ze al zo lang zonder werk zitten.

Het antwoord van de regering van Zapatero, die lang ontkende in een diepe economische crisis te verkeren, is een groot pakket aan bezuinigingen geweest om zowel de internationale financiële markt als de Europese bondgenoten gerust te stellen. Maar in Spanje is de verontwaardiging groot omdat de banken extra staatssteun krijgen en beschermd of zelfs beloond worden voor hun twijfelachtige beleid in de laatste jaren. Tijdens de boom van de bouwsector kon bijna iedereen zonder problemen hypotheken tot 120% op veel te dure woningen krijgen, nu worden 200.000 eigenaren met uitzetting bedreigd omdat zij die hyptoheek niet meer kunnen betalen.

Al die wanhoop en verontwaardiging begon deze week op de pleinen in de steden in heel Spanje samen te komen, volgens sommigen nog een vrij late reactie in een land dat het al zo lang meilijk heeft. En sinds gisteren zijn het niet alleen maar jongeren, ook mensen van middelbare leeftijd en gepensioneerden hebben zich bij de demonstranten gevoegd. “Ik ben gekomen omdat de jongeren volledig gelijk hebben. Ik heb er vertrouwen in dat de jeugd eindelijk ontwaakt en de dingen kan veranderen,” zegt de 67-jarige Jacinto, die de schuld geeft aan het ‘kapitalistische systeem’ waarin ‘banken en multinationals hoge winsten opstrijken maar wel werknemers blijven ontslaan’.

Consulaat-generaal in Barcelona moet (niet) dicht

Wij, die in en rond Barcelona wonen, vinden deze stad natuurlijk belangrijker en leuker dan Madrid. Wij vinden dat Barcelona net zo goed een hoofdstad is (van Catalonië) als Madrid (van Spanje). Wij vinden het ook wel logisch dat de Nederlandse ambassade in Madrid is gevestigd, maar hebben het ook altijd meer dan normaal gevonden dat Barcelona ook een belangrijke dipomatieke post van het Koninkrijk der Nederlanden heeft, een consulaat-generaal. Zoals alle grote ‘tweede’ steden als New York, Los Angeles, Istanboel, Milaan en Shanghai dat moeten hebben, zeker als ze zo ver van de hoofdstad liggen.

Zelf kom ik er niet zoveel, op het consulaat; eens in de vijf jaar om mijn paspoort te verlengen. Maar ik ken de mensen die er vaak al meer dan 10 of 20 jaar werken, en weet wat voor een bindende en ondersteunende factor zo’n consulaat soms is, vooral voor de Nederlandse ondernemers hier. Het Wilhelmus op Koninginnedag mogen ze mij besparen, maar de honderden Nederlanders die elk jaar weer in en rond Barcelona worden beroofd zou ik toch niet hun consulaire steun willen ontzeggen. Maar die gaat dus verdwijnen.

Bij het consulaat, in een zijstraat van de Diagonal, roken ze al langer onraad. Maandag kwam het bericht dat Buitenlandse Zaken negen  ambassade’s  (Ecuador, Uruguay, Bolivia, Nicaragua, Guatemala, Kameroen, Burkina Faso, Eritrea en Zambia) wil sluiten en één consulaat, dat in Barcelona. Er gaan 200 banen in het buitenland verloren. Je kunt je ook wel afvragen waarom een klein land in Nederland nog werkelijk óveral een ambassade moet hebben; sommige diplomatieke diensten en aangelegenheden zijn van een ouderwetse, feodale periode en doen me denken aan prachtige films over Indochina of Afrika waar diplomaten in woelige tijden onder een whisky bleven  samenzweren. Maar wij, hier in Barcelona, betreuren natuurlijk de sluiting van dit consulaat, en worden graag vrienden van de facebook-pagina waarop je tegen die sluiting kunt ageren. Over twee weken is er een afgeslankte Koninginnedag-receptie van wat de oudste Nederlandse diplomatieke post op de hele wereld schijnt te zijn; ik vrees dat het een soort begrafenis wordt.

Hoe hard mag ik nou rijden?

Toen de snelweg van Barcelona naar Sitges werd geopend, ergens rond 1993, mocht je er 120 kilometer per uur rijden, maximaal. Maar er bestonden toen geen radars, dus reed je vooral in de stille avonduren met iets van 140 km/u naar huis. En dan ben je er zo. Jaren terug kwamen de wat ze hier ‘ecosocialisten’ noemen in de tripartito-regering, ofwel de ‘groenen’ van IC-V, en die kregen zowel het Catalaanse ministerie van Binnenlandse Zaken als dat van Milieu onder hun hoede. Onder BiZa valt ook Trànsit, het verkeer, en in een goed samenspel besloten beide departementen om de maximum snelheid op alle wegen in een kring van 20 km rond Barcelona tot 80 km/u terug te brengen: beter voor het milieu en beter voor de veiligheid.

Daar waren we al lang aan gewend, aan die 80 km/u (met onderweg drie vaste radars), al merkte ik wel dat ik er duidelijk langer over deed om thuis te komen; maar wat konden die paar minuten mij nou schelen. De vorig jaar gekozen nieuwe Catalaanse regering van de gematigd-nationalistische CiU had als één van zijn populaire programmapunten het opheffen van die 80 km/u-norm, en besloot dat zo snel mogelijk toe te passen en op de meeste plaatsen die 120 km/u opnieuw toe te staan, omdat die 80 km/u nou echt niet veel beter voor het milieu zou zijn en het sterk verminderde aantal verkeersslachtoffers echt niet van die lagere snelheden kwamen. (Opvallend trouwens: ook van het kabinet-Rutte was de eerste actie het oprekken van die maximum snelheid, naar 130 km/u op bepaalde plaatsen in Nederland; een erg ‘rechtse’ maatregel dus, de auto’s harder laten rijden.)

Dus reden we al een paar weken 120 km/u toen de centrale Spaanse regering in Madrid met een nieuwe tijdelijke maatregel kwam om te besparen op het oliegebruik in het land, want door de onrust in de Arabische wereld is dat zwarte goud hartstikke duur geworden. En een té hoge olierekening zou het trage herstel van de brakke Spaanse economie direct weer ongedaan maken. Dus mag er op alle snel- en autowegen in Spanje sinds gisteren niet meer harder dan 110 km/u worden gereden. Zo’n 6.000 verkeersborden zijn aangepast, maar de 250.000 euro die dat heeft gekost zijn een schijntje bij de 1,4 miljard die de regering denkt dat er aan benzineverbruik (de Euro-98 kost 1,45, de diesel rond de 1,32) wordt bespaard tot 30 juni, wanneer besloten wordt of de maatregel wordt verlengd.

De coup van 23-F, alsof het gisteren was

Vandaag gaat de film in première; goed moment, natuurlijk, precies dertig jaar later. 23-F. De Spanjaarden hebben de goede gewoonte bijzondere dagen zo af te korten. 23-F, iedereen weet dan waar je het over hebt, 23 februari 1981. Mijn herinnering aan die dag is nog vers; de zomer daarvóór had ik als 17-jarige een Spaans meisje ontmoet, Mari, mijn latere vrouw. We schreven elkaar brieven -internet bestond niet – en heel af en toe mocht er van de ouders gebeld worden, maar  bellen naar het buitenland was duur, natuurlijk, iets van twee gulden per minuut, of zo. Nadat ik op de Nederlandse journaals die besnorde gek van een Tejero had gezien mocht ik natuurlijk wél bellen: het hele gezin zat thuis, in l’Hospitalet, in de flat, een interior zonder ramen naar de straat, en wachtte in spanning af. Latere schoonpapa Paco had zijn vader, zoals zo velen, in de Burgeroorlog verloren – hij streed aan de republikeinse, rode kant – en vreesde alweer voor een herhaling van vroeger, of de terugkeer van een dictatuur. De familie Carmona zou, zoals half Spanje, de hele nacht niet slapen.

Vandaag dus eindelijk een film over die ongelooflijk spannende 24 uur van toen. Boeken zijn er al genoeg, al heeft de laatste, van auteur Javier Cercas, veel lof gekregen. Anatomie van een moment is zojuist in het Nederlands verschenen. Hieronder de recensie van Paul van der Steen in dagblad Trouw:

De Spaanse democratie was nog jong en kwetsbaar, toen militairen in februari 1981 een staatsgreep pleegden. Romancier Javier Cercas wilde de coup achter de beroemde televisiebeelden vandaan krabben.

// <![CDATA[Weinig journaalbeelden hebben als kind meer indruk op me gemaakt dan die van de poging tot staatsgreep in Spanje op 23 februari 1981. Het is lastig te analyseren wat ervoor zorgde dat ze zo intens bij me ’binnenkwamen’. De immense brutaliteit van de daad was zelfs voor een schooljongen duidelijk. De kwetsbaarheid van de democratie misschien ook.

De belangrijkste hoofdrolspelers deden de rest. Luitenant-kolonel Antonio Tejero met zijn borstelsnor en lachwekkende Guardia Civil-hoofddeksel, een operettefiguur die zo leek te zijn weggelopen uit het stripalbum ’Kuifje en de Picaro’s’. Daarnaast premier Alfonso Suárez, die overeind bleef in zijn bankje toen de meeste afgevaardigden wegdoken voor de kogelregen waarmee de coupplegers kort na hun binnenkomst gezag probeerden af te dwingen.

Op de beelden die zich op mijn netvlies brandden, ontbraken op de een of andere manier Manuel Gutiérrez Mellado en Santiago Carillo. Ook zij lieten zich nauwelijks imponeren door de binnendringers. Generaal Gutiérrez Mellado, vice-premier onder Suárez, liep zelfs onverschrokken op Tejero en zijn mannen af. Carillo, leider van de Spaanse communisten, zat tegenover Suárez in de arena, maar een stukje hoger dan de minister-president. Dat hij bleef zitten tijdens het schieten liep wat minder in het oog.

Wat wel in de herinnering bleef hangen was de televisietoespraak van koning Juan Carlos. Gestoken in zijn uniform van kapitein-generaal sprak hij de natie toe. In ondubbelzinnige bewoordingen nam hij afstand van de gebeurtenissen in het Congres en betuigde hij steun aan de Grondwet en de democratie.

De romancier Cercas wilde eigenlijk fictie schrijven over 23 februari. Daar kwam hij van terug. Na verloop van tijd begreep hij dat de gebeurtenissen tijdens en rond de coup „alle dramatiek en al het symbolisch potentieel bevatten dat we van literatuur eisen”. Anatomie van een moment werd een non-fictieboek. Niets dat hij zelf verzon, raakte Cercas zo hevig, bracht hem zo in vervoering, was zo complex en meeslepend als de werkelijkheid van die historische dag in 1981.

De schrijver reconstrueert tot in detail de gebeurtenissen tijdens de bange uren van toen. In de volksvertegenwoordiging, maar ook in de rest van Madrid. En in Valencia, waar opstandige troepen de stad onder controle hadden. Hij laat het niet bij de actie, maar kijkt ook nadrukkelijk naar de reactie, of liever het gebrek daaraan.

Dat velen in de eerste uren na de coup verzuimden om partij te kiezen en zoveel mogelijk opties openhielden, had te maken met de onduidelijkheid van het moment. Die houding afdoen als lafheid is te gemakkelijk. Een zeker opportunisme kwam er zeker bij te kijken. De invloed van het nationale trauma van de bloedige Burgeroorlog uit de jaren dertig valt ook niet uit te vlakken. Alles beter dan de orgie van bloed van destijds.

Cercas plaatst de coup in zijn tijd. De Spaanse democratie stond nog in de kinderschoenen, terwijl de problemen zich opstapelden: de economische situatie was deplorabel, het terrorisme (voornamelijk van de Baskische afscheidingsbeweging Eta) nam toe, instellingen en bestuurders boetten aan gezag in. Een staatsgreep hing in de lucht. Wie daar niets van moest hebben, deed op zijn minst mee aan het speculeren over meer bemoeienis van de militairen, het aanstellen van een sterke man of het aantreden van een eenheidsregering.

De auteur toont overtuigend aan dat de mannen die niet doken voor de kogels alle drie ’helden van de terugtocht’ waren. Zoals later Michael Gorbatsjov deed, loodsten zij hun land door een overgangstijd heen en waren daarom min of meer voorbestemd om tussen het raderwerk van de geschiedenis vermalen te worden.

Het uit de provincie afkomstige lefgozertje Suárez werd groot onder het Franco-regime. Na de dood van de dictator verwezenlijkte de politicus het schijnbaar onmogelijke. Binnen een jaar legde de nieuwe premier de basis voor de Spaanse democratie. Misschien wel de allerknapste prestatie: de franquisten tekenden zelf mee voor de liquidatie van het franquisme. Maar begin 1981 was de houdbaarheidsdatum van Suárez verstreken. Spanje was hem zat. Juist op het moment van de staatsgreep werd zijn opvolger gekozen.

Bij het vestigen van het burgerlijk gezag waren militairen onontbeerlijk. Generaal Gutiérrez Mellado gebruikte zijn gezag om de hervormingen te ondersteunen. Hij ging onder Suarez dienen als vice-premier. Door de lotsverbondenheid met de minister-president liepen hun opkomst en ondergang vrijwel parallel.

Gutiérrez Mellado verspeelde met zijn politieke optreden veel van het krediet dat hij had bij zijn oude wapenbroeders. Vooral het rabiate deel daarvan verweet hem zijn instemming met het voor hen ondenkbare: de legalisering van de communistische partij, de gehate tegenstander uit de tijd van de Burgeroorlog.

Aan de andere kant van het politieke spectrum verweten de communisten hun secretaris-generaal Carillo dat hij te veel concessies deed. Hij verkoos eendracht en vrijheid boven zijn oude idealen, revolutie en gerechtigheid. Onvergeeflijk, vonden de kameraden van weleer.

Met hun wat minder flexibele geest weigerden de tegenstanders van Suárez, Gutiérrez Mellado en Carillo te geloven dat de drie gedreven werden door authentieke overtuiging. Ze zouden zich puur laten leiden door eigenbelang en politieke overlevingsdrift.

Cercas maakt van alle betrokkenen mensen van vlees en bloed. Hij stapt niet in de valkuil waartoe de televisiebeelden van toen uitnodigden. De staatsgreep was geen western, waarin de wereld uiteenviel in heldhaftige cowboys met witte, en kwaadaardige cowboys met zwarte hoeden. De werkelijkheid was veel te complex om zich in zulke simplistische schema’s te laten vatten.

’Anatomie van een moment’ is niet vrij van manco’s. Cercas stelt meestal exact de juiste vragen, maar blijkt wat slordiger met het geven van de antwoorden. Een aantal keren valt hij in herhaling. En de manier waarop hij de wederwaardigheden van de jonge Spaanse democratie aan het einde van het boek naar zijn persoonlijke leven trekt, is mooi, maar het gebeurt te haastig, als een soort toegift die de tijd eigenlijk niet meer toestaat. Dit gegeven had meer uitwerking verdiend.

Cercas’ boek heeft behalve historische relevantie ook een zekere actualiteitswaarde. ’Anatomie van een moment’ laat zien dat democratie nooit volmaakt kan zijn, uiterst kwetsbaar is en dat gekanker op het systeem de funderingen daarvan gevaarlijk kan aantasten.

var id2 = ‘0.42728016720548223’;
// ]]>

Het laatste Franco-monument is verdwenen

Dit is de obelisk op het drukke kruispunt van de Diagonal met de Passeig de Gràcia, in de volksmond el lápiz, het potlood, geheten. Een ‘kale’ obelisk, sinds vandaag. De dranghekken zijn nog de enige resten van het weghalen, vanochtend, van een dame die er ruim 70 jaar heeft gestaan. Victoria, heette zij. Zij was het symbool van de overwinning van de Franco-troepen toen die in 1939 over de Diagonal Barcelona binnentrokken en het laatste rode bastion in Spanje veroverden. Om duidelijk te maken wie er de baas was, werd er aanvankelijk helemaal bovenop de obelisk een typische Franco-adelaar geplant. Hoewel, érg typisch was die niet. De Franco-aanhangers beklaagden zich erover dat het wel een magere papegaai leek in plaats van een stevige adelaar, en de bliksem had het beest ook nog geteisterd. Dus werd enkele jaren later de adelaar verwijderd.

De obelisk was toevallig drie jaar eerder, net vóór het begin van de Burgeroorlog, door de later vermoorde Catalaanse president Lluís Companys (althans, hij werd in 1940 na een pantomime-rechtszaak door de franquisten gefusilleerd) onthuld. Het was een eerbetoon ter ere van de president van de Eerste Republiek, Pi i Margall; ook hij kreeg een (blote) vrouw als standbeeld, zij stelde de republiek voor, maar ze moest dus later plaatsmaken voor de kuisere Victoria. Dat eerste beeld is in 1990 trouwens teruggevonden en staat nu op het Plaça Llucmajor.

De obelisk staat nu, kaal, op een plein dat Joan Carles I heet, een plein dat verder geen huisnummers heeft en dus eigenlijk bijna niet bestaat, iets wat de koningsgezinden weer niet zo leuk vinden. “We moeten niet met trots herdenken wat een enorme nederlaag was,” zei burgemeester Hereu vanochtend bij afbreken van vrouwe Victoria. Maar meer dan dat gevoel – de meeste mensen wisten echt niet meer wat dat beeld nou voorstelde – is de Wet op het Historisch Geheugen de reden van het verwijderen. Hieronder, als opfrissertje, een stukje dat ik onlangs voor de VARAgids schreef over die wet.

Sommige sporen van het dictatoriale verleden van Spanje zullen wel nooit kunnen worden gewist. In het centrum van het land, ergens langs de oneindige wegen die Don Quichot ooit bereed, liggen dorpjes die Llanos del Caudillo en Villanueva de Franco heten: de Vlaktes van de Leider en het Nieuwe Dorp van Franco, nederzettingen die generaal Francisco Franco tijdens zijn bewind liet bouwen en naar zichzelf liet noemen. En in andere plaatsen zijn er nog genoeg straatnamen die naar generaals en andere duistere figuren van de dictatuur verwijzen, al heet de majestueze, 11 kilometer lange Avinguda Diagonal die Barcelona doorkruist al dertig jaar geen Avenida del Generalísimo Franco meer.

Beetje bij beetje probeert Spanje de sporen van dat grijze, grauwe verleden te wissen uit het openbare leven. Maar tegelijkertijd doet het land zijn best niet te vergeten. Tientallen jaren lang leek dat laatste het beste recept om na de dood van Franco in 1975 de overgang, de wereldwijd geroemde Transición, naar de democratie te maken. Zonder haat en wraak. Vergeten. Of er zo weinig mogelijk over praten.

Maar uiteindelijk bleek dat vaak bloedige boek niet zo eenvoudig te sluiten voor de miljoenen Spanjaarden die de gevolgen van de Burgeroorlog en de daaropvolgende repressie aan den lijve of in hun familie- en vriendenkring hadden ondervonden. De tussen de 80.000 en 130.000 vermisten, in vaak anonieme massagraven onder de grond langs wegen waar zij zonder enige vorm van proces waren gefusilleerd of waar zij als soldaat waren gevallen, schreeuwden om erkenning en herkenning.

Het lokaliseren en openen van die massagraven was één van de meest ambitieuze doelen van de Wet op het Historisch Geheugen die de Spaanse socialistische regering in oktober 2007 door het parlement loodste. Dankzij getuigenissen van overlevenden is er inmiddels een soort landkaart met duizenden van die graven opgesteld, maar tot nu toe zijn slechts enkele tientallen geopend om de botten via het dna een naam en een waardig graf te kunnen geven. Het beroemdste graf, dat van dichter Garcia Lorca in de buurt van Granada, is na lang speuren en spitten overigens nooit gevonden.

Dankzij de wet is er ook een inventarisatie gemaakt van de Franco-symbolen die ruim 35 jaar na de dictatuur nog altijd op straat bestaan. Alleen al op overheidsgebouwen zijn er meer dan 440 gevonden, ruim 300 daarvan bij gebouwen en vooral kazernes van het ministerie van Defensie. Het minst opvallend, en het meest aanwezig, zijn de tienduizenden bordjes die bij de portieken van flatgebouwen door het hele land hangen, goedkope woningen die door het ministerie van Volkshuisvesting van Franco werden gebouwd.

Verder moet je op straat in de Spaanse steden goed kijken om nog een ‘adelaar’ of het beroemde juk met vijf pijlen van Franco tegen te komen. Santander was in 2009 de laatste stad die een standbeeld van de dictator, gezeten op een paard, liet verwijderen. En in de beruchte Valle de los Caídos, de vallei en basiliek bij Madrid waar Franco begraven ligt, heeft de regering elke ‘viering’ van het dictatoriale verleden verboden. Niettemin togen daar elk jaar op 20 november, de sterfdag van de Caudillo, nog duizenden nostalgische aanhangers naar toe, maar enige politiek gewicht heeft extreem-rechts in Spanje allang niet meer.