Auteursarchief: edwin

Onbekend's avatar

Over edwin

Schrijver, journalist, fotograaf. Woon en werk sinds 1988 in en rond Barcelona.

De Sagrada Familia moet je dus van binnen zien

Tot voor kort vertelde ik de meeste bezoekers dat je de Sagrada Familia alleen maar vanbuiten hoefde te zien als je geen tijd, zin of geld (12,50 euro) had om een kaartje voor de entree te kopen: de rij ziet er soms afschrikwekkend lang uit, iets wat bevestigd wordt door de laatste bezoekcijfers: tot nu toe zijn er dit jaar liefst 42% mensen méér binnen geweest dan vorig jaar. Zat de Sagrada Familia de laatste jaren rond de 2 miljoen jaarlijkse bezoekers, voor 2011 worden er ongeveer 3,2 miljoen verwacht, wat dus bijna 9.000 mensen per dag zijn.

Maar die bezoekcijfers zijn niet voor niets zo explosief gestegen, en de laatste bekenden die Barcelona aandeden zeiden me allemaal hetzelfde: je móet naar binnen om de basiliek in zijn volledige schoonheid te aanschouwen. Was de kerk vroeger een leeg omhulsel met een enkele verdwaalde bouwvakker die wat steentjes op elkaar stapelde, nu is het een heuse tempel geworden waarin, sinds het Paus-bezoek vorig jaar,  echte missen kunnen worden gehouden zonder dat de gelovigen nat worden op een regenachtige dag, terwijl de door computers geleide bouw op hoge snelheid doorgaat op voor publiek niet toegankelijke plaatsen.

Natuurlijk, dat inderdaad prachtige schouwspel binnen is niet direkt door ontwerper Gaudí zelf gebouwd, maar wel altijd op zijn geniale originale tekeningen gebaseerd. En wat het natuurlijk mooi maakt: de Sagrada Familia lijkt óók binnen niet op geen enkele andere kathedraal in de wereld – de meeste zijn gothisch, en daar heeft het absurdistische modernisme van Gaudí niets mee van doen.

De man die tot nu toe vanuit het kerkbestuur de bouw leidde, Joan Rigol, is deze week afgetreden en maakte bij zijn afscheid bekend dat er nu echt een datum voor het voltooien van de Sagrada Familia kan worden geprikt: rond 2028 kan de basiliek laar zijn, als precies in het midden de allerhoogste toren is verrezen, de 170 meter die Gaudí aan Jezus wilde wijden. Daarmee zal Barcelona opeens een nieuwe skyline krijgen.

 

 

Paella plus albariño aan het homostrand

’t Is weer voorbij. Morgen, 22 september, wacht het dagelijkse werk weer. En wat beter dan de laatste vakantiedag gewoon te ‘vieren’ met de kinderen, met een paella aan het strand, in plaats van alleen maar te treuren. Waar kun je in Sitges een goede ‘arroz’ eten? wordt me vaak gevraagd door collega’s. Arroz is rijst en staat voor alle rijstgerechten: paella maar ook, meer in de winter, een arroz caldoso, waarbij de rijst ‘drijft’ in de visbouillon; die met bogavante, een soort kreeft, is de allerbeste, ook bij de Picnic, waar ik de mensen altijd naar toe stuur. Geen superdeluxe tent, maar een heerlijk restaurant op tien meter van het strand Bassa Rodona, waar honderden homo’s urenlang bruin liggen te bakken en vooral naar elkaar kijken, naar de sixpacks van de jongsten of naar de prominente buiken van de bears; grappig altijd om te zien hoe ‘verdwaalde’ stelletjes of echtparen met kinderen er hun handdoeken spreiden en na een minuut of 10 ontdekken dat er iets ‘vreemds’ is aan dat strand. Sommigen verkassen dan.

Dat uitzicht is bijna gratis. Voor 25-30 euro heb je bij de Picnic een heerlijke paella, een fles wijn, een nagerecht en koffie, plus misschien nog iets vooraf. Weinig goede plaatsen aan zee in Europa bieden je een dergelijk maal voor dit geld; om het over de kwaliteit op sommige peperdure plekken maar niet te hebben.

Op bovenstaande foto verhult een glas albariño het uitzicht waar ik het eerder over had; mijn favoriete wijn bij dit soort gelegenheden, als de zon nog altijd brandt en de vis om deze witte kanjer van de Rias Baixas in Galicië schreeuwt. Daarna een laatste (?) duik in de zee en vanaf morgen gewoon weer een middagmenu ergens in een eenvoudig barretje in Barcelona.

Filmen op het hete strand van Barcelona

Een film draaien op het strand van  Barcelona heeft niks te maken met vakantie vieren, zo heb ik gemerkt. (Mijn eigen vakantie loopt op het einde; zij was de oorzaak van de blogstilte, met excuses daarvoor – een maand proberen zonder computer of mails te leven is ook verfrissend). Regisseur Eddy Terstall (iedereen zal hem altijd aan zijn emotionele tragikomedie Simon herinneren, die ooit in Barcelona ‘in première’ ging met o.a. Frank Rijkaard als gast) is met zijn kleine ploeg aan zijn tweede week in Barcelona begonnen om Deal te draaien, een romantische komedie over een jong stel dat Barcelona opzoekt (meer zal ik niet vertellen), en enkele opnames vinden vanzelfsprekend plaats op het nog altijd drukke, warme en zonnige strand van de stad. Dat is zweten, en verbranden, voor zoveel blanke huiden die deze zomer in Nederland zo weinig zon zagen.

En geduld hebben… Een film maken is wat omslachtiger dan een stukje voor de krant schrijven. Is televisie voor ons dagbladjournalisten al een moeilijk medium omdat er behalve veel techniek ook zoveel tijd voor nodig is (een nieuwsitem kost ongeveer één uur montage per minuut die wordt uitgezonden), film gaat nog veel verder. M’n dochter Sara begint volgende maand een acteursopleiding aan een filmacademie in Barcelona en ik heb haar al gezegd dat ze dat moet hebben, geduld… Op het strand van Barcelona stond er in twee uur tijd iets van 20 seconden op beeld, maar dat was misschien een uitzonderlijke situatie.

Terstall is niettemin bezig aan een race tegen de klok in de Barceloneta, Poble Nou en het W-hotel; voor ons Barcelonezen straks weer eens een mooie gelegenheid herkenbare plaatsen in de film terug te vinden, ongetwijfeld een stuk herkenbaarder dan in sommige andere films die in Barcelona zijn opgenomen. Eén van de grootste transformaties vond ooit plaats tijdens de opnames van Perfume, the story of a murderer, waarin Barcelona op een middeleeuws Parijs moest lijken, zoals hieronder de Carrer Ferran:

Gegrilde vis met je voeten in het zand

Laten we bij het belangrijkste beginnen: het eten zelf. De plaats is natuurlijk fabuleus, daarover straks meer, maar ze kunnen het dan natuurlijk nog verpesten als het geboden voedsel niet te eten is. Op één van de meest eenvoudige terrasjes waar ik ooit heb gezeten, deze chiringuito op het strand van Cala Torta, prachtig baaitje in het noordoosten van Mallorca, was de parrillada de pescado één om niet te vergeten. Ik vroeg het aardige meisje – het is een familiezaak, moeder stond in de keuken – welke vis we hadden gegeten, behalve de de garnalen, mosselen en inktvis die wél herkenbaar waren. Van de grill, in die heerlijke combinatie van olijfolie met knoflook, peterselie en uitgeperste citroen, kwamen de cap roig, gallo en sargo. Internet moet de vertaling geven. De eerste is een rode schorpioenvis, die net zo lekker als lelijk is: een vreselijk dier op de foto, maar heerlijk op het bord. De tweede is een platvis, een klein broertje van de turbot en de sargo is een zilveren zeebrasem, een blauwis, al lijkt hij in vorm veel op de dorade. Een koude fles witte wijn erbij, een Monopole uit de Rioja, en het leven is mooi, aan de blauwe zee.

En dan de plaats natuurlijk. De tip kreeg ik van Catalina, mijn collega die morgen in het hart van Mallorca, Sant Joan, trouwt met haar Richard uit Brighton. Cala Torta is 10 kilometer van de hoofdweg verwijderd, je kunt er een parasol huren als je die vergeten bent, en je hoeft niet weg om te eten, wat toch heel belangrijk is. Half drie ’s middags, heel even met een biertje in de hand wachten op een plaatsje aan één van de lange tafels, eten tussen en praten met Andalusiërs, Duitsers en Engelsen (geen Nederlands gehoord; vakantie voorbij?), en dan wordt duidelijk dat je helemaal geen hypermodieuze strandtent in Bloemendaal nodig hebt om te genieten…

 

 

Voor wie de klok luidt…

Steeds vaker ontstaat er in Spaanse dorpjes een conflict tussen de mensen die er altijd gewoond hebben en de nieuwe buren uit de grote stad. De laatsten hebben last van eeuwenoude gebruiken, zoals het klokkengelui. Een rechter gaf één van hen gelijk en legde de kerktoren van Sant Mori ‘s nachts het zwijgen op.

Het is een doodstil dorpje in het prachtige achterland van de Costa Brava, dichbtij de populaire kustplaats L’Escala. Er is bijna nooit iemand op de lege straten, waar elk kwartier de klokken van de kerk weerklinken. Eén lichte slag om kwart over, twee om half en drie om kwart voor. Plus, natuurlijk, de wat zwaardere slagen van het uur, van één tot twaalf. En dat al meer dan een eeuw lang.

Sant Mori heeft 130 inwoners, waarvan het grootste deel niet meer met Mariano Sanz praat sinds hij acht jaar geleden naar de rechter stapte. Eerst had hij het nog aan de pastoor gevraagd, en aan de burgemeester, maar die vonden zijn verzoek te belachelijk voor woorden. Of de kerkklokken ‘s nachts niet meer konden luiden. Zijn gasten in het prachtige kasteeltje van Sant Mori konden niet slapen.

“Enkele slaapkamers liggen op nog geen 20 meter van de kerktoren,” zegt Sanz. “Ik ben het kasteel aan mensen gaan verhuren omdat het een beschermd monument is en wij verplicht zijn het te onderhouden, maar we krijgen daarvoor geen enkele subsidie. Maar de allereerste gasten zeiden al dat ze steeds wakker werden van het klokgelui. Ik kan het door die overlast niet zo vaak verhuren als ik zou willen.”

Sanz is de zwager van markies Francisco de Asís de Moxó Alonso-Martínez wiens familie het kasteel van Sant Mori al sinds de vijftiende eeuw in bezit heeft. Voor 13.000 euro per week zijn de tien kamers voor groepen tot 20 personen te huur. “Ik heb nieuw leven en geld in dit dorpje gebracht,” verdedigt Sanz zich.

Al woont hij er al 20 jaar, de dorpelingen zien hem als één van die vervelende buitenstaanders die zich niet aan de plaatselijke gebruiken willen aanpassen. Het klokgelui is de meest gehoorde klacht van stedelingen die hun heil op het platteland hebben gezocht. Maar ook het balken van ezels of de geur van mest kunnen hen niet altijd bekoren. Mariano Sanz is de eerste die voor elkaar heeft gekregen dat het gerechtshof in Barcelona het klokkengelui als geluidsoverlast beschouwt omdat het aantal decibellen te hoog is. Van middernacht tot acht uur ‘s morgens moeten de klokken in Sant Mori nu zwijgen.

“Als je hier komt wonen, heb je je maar aan te passen aan de plaatselijke gebruiken,” zegt burgemeester Modesta Cucurull. “Als ik naar de Barcelona verhuis ga ik toch ook niet vragen of ze de drukke straat voor mijn deur voor verkeer willen afsluiten omdat ik er last van heb? Een dorp is een dorp, met al zijn geuren en geluiden, maar er zijn steeds meer stedelingen die dat naar hun gelang willen veranderen.”

Zij is boos omdat er nu geen hoger beroep meer mogelijk is. In het dorp heeft ze meer mee- dan tegenstanders in haar strijd tegen de kasteelheer. En ze wijst op een wetsartikel, waarin staat dat kerken en moskeeën niet onder de wet op geluidshinder vallen.

Elke zondag is er nog een mis in Sant Mori. Pastoor Joan Güell heeft zich niet te veel met de strijd om de klokken willen mengen. “Een belachelijke discussie is dit. Ik zal de uitspraak moeten naleven, maar niet van harte. Het klokgelui is de roep van God, en die kun je niet zomaar ‘s nachts even het zwijgen opleggen.”

Op bezoek bij Johan Cruijff

Ik was er een uur eerder dan de Ajax-delegatie, maar dat moet ook als je foto’s wilt maken van de aankomst van half Amsterdam bij het kantoor van de Foundation van Johan Cruijff. Een verhaal en foto’s waarmee het AD vandaag trouwens concurrent De Telegraaf een enorme journalistieke draai om de oren geeft, en bewijst dat de woorden van Cruijff echt geen monopolie van een paar van zijn meest intieme journalistieke vrienden hoeven te zijn – onafhankelijkheid blijft van grote waarde, vind ik, en hoeft écht niet alle deuren te sluiten. Afijn, de Ajax-commissarissen en prominente leden lieten nogal op zich wachten, dus kwam de maestro, die zich binnen ook maar zat te vervelen, buiten even een praatje houden. Wanneer ze geland waren, vroeg hij. Om 9.15, had ik op internet gezien, met Vueling. Het was inmiddels 10.45… Johan had een telefoonnummer, op zo’n post-it blaadje, van één van hen. Maar geen telefoon; aan een mobieltje heeft hij nooit gedaan. Dus kreeg God natuurlijk mijn iPhone. Net toen draaide de Ajax-delegatie in twee taxi’s de hoek om, in Bonanova. Handen werden geschud en een vijf uur durend gesprek kon beginnen. Mooi moment, dacht ik, om de lange parabool te publiceren die ik enkele jaren terug voor Hard Gras schreef, toen de eerste flirt tussen Ajax en Cruijff mislukte door een botsing van de laatste met trainer Marco van Basten. “Cruijff blijft liever op zijn berg in Barcelona,” schreven de kranten toen. En uit die acht woorden kwam de volgende parabool, waarbij de betekenis van Moisés Botigues in het woordenboek kan worden opgezocht.

 

Waar die andere God woont

Door Edwin Winkels

Ergens aan het einde van de derde maand, in bus 22 op weg naar de Paseo de la Bonanova, beseft Moisés Botigues ineens dat hij dezelfde route aflegt als Daniel Sempere, de hoofdpersoon van De schaduw van de wind, wanneer deze op zoek gaat naar het geheim van een spookachtig herenhuis op de flanken van de Tibidabo. Daniel neemt de trein van de Ferrocarrils de la Generalitat, de Catalaanse spoorwegen, en stapt daarna op de later toeristische blauwe tram. Moisés heeft voor de bus gekozen, want hij kan dan 26 minuten lang kijken naar de mensen en gebouwen die voorbijgaan en allemaal langzaam veranderen in de klim vanuit het oude centrum van de stad naar de sjiekste wijk. Barcelona heeft een uitstekend metronetwerk dat de catacomben van de stad van noord naar zuid en van zee naar de berg met buizen doorklieft, maar in de buurt van La Bonanova is er geen enkel station. Is ook niet nodig. Rijke mensen gaan niet met de metro, want ze vinden dat die stinkt en dat er te veel bedelaars zijn, al hebben ze er nooit een stap in durven zetten.

Moisés is op zoek naar God. Naar waar die andere God woont. Niet die van de Nederlandse Portugees Rentes de Carvalho, die een boek zo noemde, maar de God van het voetbalveld. Of van de kleedkamer. Althans, dat was hij. Al weer lang geleden.

Eerst was er nog het eeuwige misverstand geweest. Vanuit Nederland hadden ze Moisés, voor de zoveelste keer, naar de gedachtenkronkels en managerscapaciteiten van De Verlosser gevraagd, omdat die zich bij verrassing aan het land had openbaard. Maar  na even heel kort over het water in het Amsterdamse IJ te hebben gelopen had hij zich zich snel weer teruggetrokken op zijn berg inBarcelona. Hij had het daar te koud gevonden, zijn tenen waren verkrampt, zijn geest beneveld door de mist die over de donkere wateren hing en hij was spoedig weer vertrokken, in mysterieuze rook opgegaan, net zo onverwacht als hij was gekomen, zijn oude en nieuwe volgelingen in verbijstering achterlatend.

De Verlosser? Moisés was naar het stadion in Barcelona gegaan, op zoek naar de sporen van de man die met de bal aan zijn voet Catalonië in zijn eentje van het Franco-bewind zou hebben verlost, ergens in 1974, toen de dictator al ziek begon te worden terwijl de Catalanen feestvierden in hun eigen taal vanwege het eerste kampioenschap van de voetballers in veertien jaar.

El Salvador? Nee, niemand kende hem, leek het. In de gangen van de voetbalkolos kwam Moisés oude bekende A. tegen, beschouwd als één van de vele discipelen van de meester, een groep apostelen die zijn evangelie inmiddels in vele uithoeken van de wereld verkondigt. San Marco is de voornaamste van een lange rij, het strengst ook in de leer.

Na het op gebruikelijke aanvankelijke onbegrip over die onbekende Verlosser te zijn gestoten, legde Moisés A. uit wie hij nou precies bedoelde.

“Oh,” zei A., “je bedoelt God.”

“God?”

“Ja, God. Als Verlosser kennen we hem niet. Voor ons was hij Dios, want hij wist alles, had altijd gelijk en stond boven het goede en het kwade. Hij was God.”

“En nu? Waar huist hij?”

“Af en toe spreken we hem nog. Ontvangt hij ons zelfs op de berg. Of daalt hij af. Maar dat gebeurt steeds minder.”

Meestal laat hij opschrijven wat hij van alles vindt. Hij draagt zijn clubs nog altijd in het hart, al zijn de spelers én trainer én bestuurders vaak niet zo blij met wat hij van alles vindt. Almachtig en alwetend is hij. Hij is zelfs in staat vanaf een strand inMauritiusde vinger op de zere plek te leggen.

Lees verder

Meer vliegtuigen dan ooit

Barcelona heeft zich opmerkelijk snel hersteld van de enorme dip die het vliegveld in drie jaar tijd vijf miljoen jaarlijkse passagiers deed verliezen. Na het recordjaar 2007, dat met ruim 32 miljoen passagiers de bazen -het staatsbedrijf Aena- verplichtte heel snel de nieuwe terminal (T-1) te laten bouwen omdat de (nu) T-2 wel écht heel krap was geworden, vooral in de zomermaanden, stortte de internationale vliegwereld door de crisis flink in. En al zit Spanje zelf in dit 2011 nog dieper in de economisch stront dan de voorgaande jaren, vliegveld El Prat beleeft een nieuw recordjaar. In juli deden 3,6 miljoen passagiers het vliegveld aan, meer dan er ooit in één maand waren. Het vorige record stond met 3,4 miljoen op de naam van juli ’07.

Mooie smoes, deze cijfers, om het over één van de leukste plekjes buiten Barcelona te hebben, óók voor mensen die absoluut geen verdwaasde vliegtuig-spotters zijn. Na de uitbreiding van de start- en landingsbanen en het verdwijnen van camping Cala Gogo en de sjieke golfclub is de omgeving aan de noordoostkant van het vliegveld omgetoverd tot een mooi natuurgebied met fietspaden, kinderspeelplaatsen, een schoon strand (het water is er minder schoon, bij de monding van de Llobregat), een opvangplaats voor zeedieren, mooie moerasgebieden (Can Ricarda) en deze serie ligbanken van cement die precies onder de meest gebruikte aanvliegroute van El Prat zijn opgesteld. Met hels kabaal komen er voortdurend dalende vliegtuigen precies over je heen, op nog geen 50 meter hoogte. Fietsers, strandgangers en dagjesmensen nemen er graag even een pauze. In de drukke uren heb je er elke minuut een vliegtuig dat landt. En anders dan bij veel ‘spotplaatsen’ zoals bij Schiphol, waar je altijd van die mannetjes bij hun auto’s ergens in het weiland ziet staan, heb je hier niet eens een verrekijker nodig om te zien wat voor een vliegtuig het is.

Reizen zonder op reis te gaan

Een Barcelonees gaat niet op reis voordat hij in boekwinkel Altaïr is geweest. Dichtbij het Plaça de Catalunya, op de Gran Vía tussen Balmes en Rambla de Catalunya, is Altaïr het absolute paradijs voor de liefhebber van de wereld, hoe dichtbij of hoe ver weg hij of zij ook maar wil blijven cq gaan. Zo’n 60.000 titels staan er op de planken van de twee verdiepingen van deze immense boekwinkel gespecialiseerd in reizen, in andere landen, in de natuur, in de antropologie, wat het vak is van één van de twee oprichters van de zaak Pep Bernades.

Altaïr is een absolute referentie in Catalonië. Je kunt een plaats op de wereld niet bedenken of er is wel eens een gids of een boek over geschreven, en Altaïr heeft ze bijna allemaal. Niet alleen de bekende reisgidsen van elke toeristische stad of streek, maar ook romans en heel veel non-fictie, vaak over persoonlijke ervaringen van reizigers ergens in Nepal, Birma of Ecuador. En niet alleen in het Spaans of Catalaans, voor de verandering, maar ook in het Engels en Frans, interessante boeken die nooit zijn vertaald.

Ook prachtige atlassen, natuurlijk, zoals die van The Times, die voor 193 euro te koop ligt en het moeilijk zal hebben in tijden dat iedereen even op Google Earth kijkt waar welke plaats nou ligt. Plus een soort verzamelwerken die misschien wel leuk zijn, maar waarbij je je wel afvraagt hoe serieus je die moet nemen. Ik zag een imposant werk staan, The Travel Book van lonely Planet, dat zich aanprijst door alle landen van de wereld te hebben bezocht en beschreven. Dat gebeurt op twee pagina’s per land, met vooral foto’s en een kort stukje tekst. Om een idee te geven hoe zo’n boek in elkaar zit, de beschrijving van Spanje (naast foto’s van de Sagrada Familia, de Feria van Sevilla, een winkel in Madrid en een bar met pintxos in het Baskenland):

Wat te bekijken: Alhambra, Mezquita in Córdoba, het Barcelona van Gaudí, de gouden mijl van de musea in Madrid en de kathedraal van Santiago.

Wat te doen: tapas in San sebastián, wandelen door de Pyreneeën van Aragón en Catalonië, rijden langs de kusten van Galicië, uitrusten op een strand in Mallorca of Menorca en de moderne wereld ontvluchten in oude dorpjes in het binnenland.

Lezen: Don Quijote en Roads of Santiago van Cees Nooteboom.

Luisteren: Camarón de la Isla, Paco de Lucía, Enrique Morente en Chambao.

Zien: Elke willekeurige film van Almodóvar.

Eten: iberische ham en paella.

Drinken: rode wijn uit La Rioja, witte iot Galicië en een sherry uit Jerez.

Spanje in één woord: “¿Qué pasa?” (Dat zijn er twee, woorden, maar ja…)

Opmerkelijk detail: Spanjaarden zijn het volk in Europa dat het meest aan eten uitgeeft.

Ja, da’s dus Spanje in een peperdure notedop. De rest van de landen zijn in dat boek te vinden. Ik mag aannemen dat de Kinderdijk en tulpen er ook in voorkomen.

 

Heuse hamburgers

 

Nu kan ik wel regelmatig interessant verhalen over de heerlijkste vissen die wij allemaal hier in Spanje hebben leren eten, maar af en toe een goede hamburger tussen de middag is óók wel eens lekker. Het probleem was dat een goede hamburger jarenlang nauwelijks te vinden was. Tuurlijk, de McDonald’s en Burger Kings stonden elke middag stampvol, met meer toeristen dan locals natuurlijk. (Wat me doet denken aan het verhaal van Olot, het stadje in de vulkanische streek Garrotxa, richting Pyreneeën. Daar is een grote varkensvleesindustrie en de inwoners besloten McDonald’s te boycotten toen die daar een filiaal opende. Er ging niets boven het eigen vlees, vonden de inwoners. Bijna niemand ging er een BigMac eten en de tent moest snel weer dicht…)

Hét klassieke adres voor de beste hamburgers in Barcelona was tientallen jaren lang Flash Flash met zijn fantastische jaren ’60-inrichting en obers in net zulk smetteloos wit als de muren en de banken. Specialiteit: de hamburger Monty, bijna rauw vlees met heel veel kappertjes (alcaparras, in het Spaans) erin. Maar er waaien vernieuwende winden door de stad. Vanmiddag liep ik Big J binnen, een  langwerpige hamburgertent aan Aribau, vlakbij de oude universiteit (ze hebben nog twee andere zaken, in de Raval en het Gòtic), de eerst beetje-Amerikaanse Diner die in Barcelona opende. Goed vlees, goede frieten, koud biertje; dat mag óók wel eens in Barcelona.

Vergelijkingsmateriaal met andere, nieuwe hamburgerzaken in de stad heb ik nog niet, maar de collega’s van barcelona.blog brachten een tijdje terug hun persoonlijke Top 5 van hamburgerrestaurants in Barcelona. Daarop staan trouwens niet twee nieuwelingen die ook triomferen, schijnt, La Burg en El Filete Ruso, van dezelfde eigenaar. Beide trouwens van de duurdere, sjiekere soort, want de hamburger boven de normale standaard uittillen is bijna een must om hier te overleven.

 

 

 

 

Romantische komedie op een prachtterras

De Amsterdamse regisseur Eddy Terstall (hier op de achtergrond verstopt, samen met cameraman Willem Nagtglas, beide in geruit overhemd met lange mouwen op een zwoele zondagavond) begint over ruim een maand in Barcelona zijn nieuwe film te draaien, Deal, een romantische komedie die in Amsterdam en Barcelona speelt (ofwel, de Hollandse versie van Vicky, Cristina of van Manuale d’Amore, onder anderen). Zijn vraag: een mooi terras om een romantisch diner te filmen, niet ver van het strand vandaan? Mijn antwoord, direct: Els Pescadors, aan het Plaça del Prim, in het oude, verbouwde hart van Poblenou. Eén van de weinige terrassen in de stad zonder voorbijrazende auto’s bijvoorbeeld, want door de doodlopende klinkerstraatjes is er nauwelijks verkeer. Met op het pleintje de drie prachtige ombu’s of bellasombras, een prachtige Zuidamerikaanse boom zonder Nederlandse vertaling (mooie schaduw, de letterlijke vertaling van bellasombra, zou een mooie zijn).

Nou was ik er allang niet geweest, bij Els Pescadors, maar ook het eten (vis natuurlijk) blijft er formidabel. Met de altijd prachtige vondst van de maître om je vooraf de vers gevangen vissen te laten zien: wilde zeebaarsen (lubinas), dorades (doradas), rode zeebrasems (besugos) en een gespikkelde zeebrasem (pargo, een broertje van de besugo) van elk een halve meter groot lagen er op de grote schaal; altijd lekkerder (en duurder) dan vis uit de kwekerij.

Dit was een werkbezoek, dus. Net als dat aan het hotel W, waar we van de altijd aimabele Nederlandse Natasja (beneden aan de hospitality-desk) een kamer mochten inspecteren waar het stel dat de hoofdrollen speelt zal overnachten én gefilmd zal worden. Dit was een ‘eenvoudige’ kamer, maar absoluut niet fout, met een glazen wand van voethoogte tot het plafond en het grote bed middenin de kamer, met het voeteneind bijna tegen het glas aan, van waaruit je dit uitzicht over de Barceloneta en het Olympisch dorp hebt.