Auteursarchief: edwin

Onbekend's avatar

Over edwin

Schrijver, journalist, fotograaf. Woon en werk sinds 1988 in en rond Barcelona.

Tapas van Adrià aan de Paral·lel

De Avinguda Paral·lel (die letter, die ze hier de elle germinada noemen, een dubbele l met een puntje op halve hoogte ertussen, is een typische Catalaanse vondst; daarmee spreek je de dubbele l níet uit als j) heeft altijd iets van vergane glorie gehad. De lange en brede straat van de Plaça de Espanya naar de haven was één van de laatsten waar de klinkers uit het straatbeeld van Barcelona verdwenen en is altijd beroemd geweest om zijn theaters en cabarets aan de ‘onderkant’ (hoe dichter bij de zee, hoe lager de straat, dus de beneden- of onderkant). Sommige zijn verdwenen, anderen net opgeknapt en uit de as herrezen (El Molino), en een deel is gewoon een disco annex concertzaal geworden (Apolo). Omdat het een tijd niet goed ging met die theaters, leek de Paral·lel verwaarloosd de raken en was het alsof iedereen haar links liet liggen, ook de gemeente.

Nog altijd is het niet de mooiste avenue van de stad. Het is er vooral druk met auto’s en voor de leuke straatjes moet je even afslaan, zoals de wijk Poble Sec in, tegen de flanken van de Montjuïc aan. Daar kun je bijvoorbeeld, in de straat Vila i Vila, nog de resten vinden van de ooit intense band met de haven. De straat komt net als de Paral·lel uit op de grote rotonde die Drassanes heet, maar in de volksmond de Plaza de la Carbonera is, het kolenplein. Alle kolenboeren gingen met paard en wagen vanuit de haven de stad in en in de straat Vila i Vila bonden ze hun paarden vast voor de talloze eethuisjes die allemaal een trog voor de beesten op straat hadden staan, als die bars in dorpjes uit het wilde westen. Eén restaurant heet nog altijd zo, de trog: El Abrevadero.

Nou ja, lange omweg om te komen bij het feit waaróm de Paral·l deze maand in het nieuws is: twee beroemde broers, Ferran en Albert Adrià, hebben er, aan de ‘bovenkant’ (dus dichtbij de Plaça de Espanya) hun nieuwste tapas-restaurant geopend, de Tickets Bar, die er ook nog een cocktailbar bij krijgt, 41º. Het is eigenlijk een voortzetting van Inopia, de tapasbar die Albert Adrià jaren terug enkele straathoeken verderop startte maar eigenlijk te klein was om het enorme succes te kunnen verwerken. Inopia ging dicht, Tickets komt ervoor in de plaats. Het plan werd overigens uitgevoerd samen met de broers Iglesias van het nabijgelegen Rias de Galicia, samen met de Botafumeiro in Gràcia en Casa Dario in de Eixample één van de klassieke, beroemde Galicische (vis)restaurants in de stad. Tickets zit in een vroegere showroom van een autoverkoper en de naam is een eerbetoon aan de entreekaartjes van die theaters aan de Paral·lel.

Volle zaal voor Nederlandse comedy

Toen ik schreef dat ik ‘m niet kende, stuurde een vriend van Endemol me deze video en zei me dat ik er toch echt moest naar gaan kijken. Henry van Loon heet de stand-up comedian die morgen (vrijdag) in Barcelona optreedt en straks, bij terugkomst in Nederland, kan bluffen dat-ie in de wereldstad toch mooi voor een volle zaal heeft opgetreden. Nou ja, zaaltje, in het Teatre Llantiol, in het hart van de Raval, waar de bezoekers daarna in de leuke Bar Raval nog een biertje kunnen doen. Anderen kenden die Van Loon blijkbaar wel en de Nederlandse kolonie in en rond Barcelona heeft alle beschikbare kaarten al gekocht, lees ik op Facebook van Comedy Lounge, die de komende maanden trouwens nog meer van die Nederlandse grappenmakers naar Barcelona gaat halen. Spanjaarden zullen er wel niet in de zaal zitten; onmogelijke taal, natuurlijk, dat Nederlands, en een voor Catalanen niet altijd begrijpelijke humor, zo ontdekken wij allemaal bijna dagelijks. Opvallend trouwens, dat steeds meer mannen van die toch Amsterdamse Comedy Train een Brabants accent hebben… Nóg moeilijker te verstaan voor de Spaanse partners die wél “un betje Neddelans” hebben geleerd.

De meeste doden waren weer motorrijders

Hier rijd ik, rondjes draaiend op een Honda 650, wat niet zo makkelijk is als het lijkt als je al bijna 30 jaar niet meer op de motor hebt gezeten. Maar ook voor de andere deelnemers aan de cursus, mannen die wél regelmatig rijden, waren sommige proeven der bekwaamheid niet eenvoudig te volbrengen. Het bleek het aardige te zijn van de eendaagse cursus ‘veilig rijden’ die we kregen op het terrein van Honda, in Santa Perpètua de Mogoda, een industrieel voorstadje van Barcelona: veel mensen blijken al jaren ‘verkeerd’ te rijden op de motor en werden daarop voortdurend gecorrigeerd. De meest voorkomende fout: motorrijders kijken niet ver genoeg vooruit, dus niet naar het einde van een bocht maar slechts naar het begin ervan… Te veel het hoofd omlaag, in plaats van trots omhoog.

Zo’n bijspijkercursus (85 euro, geloof ik) is hard nodig, voor velen. Misschien óók voor de vele Nederlanders die in Barcelona wonen en hebben ontdekt dat de motor of scooter de gemakkelijkste, snelste en meest comfortabele manier van verplaatsen is in de miljoenenstad (ikzelf hou het bij de fiets). De cijfers van het aantal verkeersslachtoffers in de stad in 2010 zeggen weer genoeg: 39 doden vielen er – de meeste op de kruisingen in de Eixample, waar velen te snel optrekken (met het stoplicht nog op rood) terwijl anderen te laat remmen (oranje of ook al rood) – en 17 daarvan waren motorrijders, terwijl er twee als ‘pakketje’ achterop zaten. Zestien voetgangers werden dodelijk aangereden, slechts vier doden waren automobilisten. Fietsers, niet één.

Terwijl op het wegennet buiten de steden het aantal doden drastisch is gedaald, blijft het in de straten van Barcelona al jaren op ongeveer dezelfde hoogte. Een groot aandeel daarin hebben de ‘nieuwelingen’ op scooters van 125cc, mannen en vrouwen die hun autorijbewijs hadden en, als ze minstens drie jaar auto hebben gereden, sinds 2005 zonder examen of wat dan ook op zo’n motor/scooter tot 125cc mogen gaan rijden, zonder te beseffen dat ze ineens veel kwetsbaarder zijn.

Met hun massale komst – parkeren met de auto is steeds moeilijker, die laten ze dus thuis of verkopen ze – is het aantal motorrijders in Barcelona alleen maar gegroeid. Hoewel in absolute aantallen Rome het Vespa-paradijs is, is Barcelona de Europese stad met relatief gezien de meeste motoren/scooters: 173 per 1.000 inwoners. Tja, en dan gaat er wel eens wat fout. Ik vind het altijd weer hartverscheurend, zo’n gevelde motorrijder op het wegdek van een kruising in de Eixample te zien liggen, in afwachting van een ambulance. De jongen op de foto, één van twee broers op dezelfde motor, overleefde het niet.

Barcelona voor de helft van de prijs

Nog een verzoeknummer: een lezeres vraagt of er een herhaling komt van de Barcelona Restaurant Week, waarbij je een jaar geleden, voor het eerst, in top-restaurants een vast menu voor 25 euro kon bestellen. Antwoord: ja, komende week al, van 28 januari tot 6 februari, maar onder een andere naam, omdat het allemaal veel uitgebreider moet. De vondst heet nu BCNOW!, wat weer een afkorting van Barcelona Opportunity Week is.

Behalve de talloze restaurants die opnieuw menu’s voor 25 euro (excl. BTW en drank) aanbieden (wél vooraf reserveren, niet het héle restaurant willen ze met deze koopjes-zoekers vullen), kun je ook voor de helft van de prijs slapen in 40  van de beroemdste hotels van de stad, waaronder (boven op de foto) het bij internationale beroemdheden immens populaire Hotel W of Hotel Vela. Verder bieden de kraampjes op de overdekte levensmiddelenmarkten goedkopere producten aan, kun je bij sommige winkels een boeket bloemen voor 11 euro kopen (bloemen zijn hier altijd blachelijk veel duurder dan bijvoorbeeld een bos op de Nederlandse markt) en bieden theaters, biocopen, concertzalen etcetera goedkopere avonden aan. Omdat het allemaal te veel is om op te noemen, kun je als geïnteresseerde het best naar de website gaan, die ook in het Engels en Frans is.

De nieuwe zuilen van Montjuïc

,,Die hebben daar altijd al gestaan,” zei een voorbijganger tegen een lezeres van dit weblog, toen zij vroeg naar de vier witte zuilen bij de ‘magische fontein’ van Montjuïc. Dat ‘altijd’ van die voorbijganger is vrij relatief. Ja, ze stonden er al in 1919, toen de beroemde architect Puig i Cadafalch met de pilaren een allegorie maakte op de vier rode strepen op de Catalaaanse vlag. Er zijn ook veel foto’s van toen, van die symbolische zuilen, de zoveelste uitdrukking van de Catalaanse trots en vooral het nationalisme, toen ten tijde van de tweede republiek.

Maar ze hebben er niet altijd gestaan. In 1928, slechts negen jaar later dus, liet de fascistische generaal en Franco-voorganger Primo de Rivera de zuilen weer naar beneden halen; het bewind moest niets hebben van welke uiting van regionaal nationalisme dan ook. De toeristen die tot en met vorige zomer in Barcelona zijn geweest en jonger zijn dan 83 jaar hebben die zuilen dus ook nooit kunnen zien. Uiteindelijk besloot het gemeentebestuur, na een voorstel van de republikeinen van de partij ERC, de ionische zuilen weer in ere te herstellen, wat niet zonder kritiek is gegaan. Immers, niemand die ze nog miste en door ze weer op te richten zou het toch mooie uitzicht vanaf de Plaça de Espanya op het Palau Nacional worden bedorven. Uit esthetisch oogpunt werd daarom besloten de zuilen iets lager te maken, 18,7 meter in plaats van de originele 20. Zo passen ze beter in hun omgeving, is de uitleg.

Sinds november staan ze daar dus weer, Les Quatre Columnes. Alsof ze niet 82 jaar zijn weggeweest.

De Pyreneeën zijn nu al niet wit meer

In november waren ze dolblij in de skigebieden in de Pyreneeën. Vroeger dan ooit vielen er flinke pakken sneeuw en het skiseizoen kon niet vroeg genoeg beginnen. In La Molina, het bij Barcelonezen zo populaire skistation omdat het maar op anderhalf uur rijden ligt, verheugden ze zich mede op een fantastisch wereld-kampioenschap snowboard, in januari. Dat is het nu, januari, en dat WK is bezig, zonder publiek bijna, maar vooral zonder sneeuw. De enige sneeuw die er is ligt op de piste’s en wordt kunstmatig in leven gehouden. ‘Suikersneeuw’ noemde Nicolien Sauerbreij het vandaag, de Nederlandse sportvrouw van het jaar die in het troosteloze La Molina, als Olympisch kampioene, al in de achste finales werd uitgeschakeld.

Het is een warme winter, in Noord-Spanje. Dat plus wat regen hebben de sneeuw doen verdwijnen, de bergen zijn geel, bruin en een beetje groen. Al zeggen ze dat de komende dagen de temperaturen sterk gaan dalen. Maar sneeuw zal er nauwelijks vallen. Geen seizoenstoerisme dat zo sterk aan het klimaat is gebonden. Nog een wonder dat dankzij de techniek zo’n WK nog doorgang kan vinden… Waardoor ik weer heb geleerd wat een double cork in de half pipe is, of zoiets.

Van Andalusisch naar Zuidamerikaans

Ik groeide op op het Utrechtse Kanaleneiland, in de jaren zeventig een arbeiderswijk vol met blonde kinderen; nu is het één van de wijken met de hoogste concentratie allochtonen in heel Nederland, maar ik kan er, anders dan in bijvoorbeeld Franse banlieu’s, maar geen ghetto in ontdekken. Zal ook wel komen door het groen dat er nog altijd is. Hetzelfde is gebeurd met mijn eerste woonplaats in Spanje, l’Hospitalet de Llobregat (257.000 inwoners), alleen heeft de verandering daar nog veel sneller plaatsgevonden, al is het aantal buitenlanders (zo’n 25%) er nog altijd veel lager dan in de Nederlandse ‘zwarte’ wijken.

Kom er nog regelmatig, in La Florida, de dichtstbevolkte wijk van Europa waar we van 1988 tot ’93 leefden. Er wonen 77.500 mensen per vierkante kilometer (in absolute aantallen is dat minder, de wijk is 0,38 km2 groot); ter vergelijking: de dichtstbevolkte wijk in Nederland schijnt het Delfste Veenhof te zijn met zo’n 23.000 inwoners/km2. Vriend Anton vond het er altijd wel gezellig, in La Florida, zag er het authentieke Spanje: klein flatje, wat palmbomen voor de deur op mijn Avenida Masnou en heel veel terrasjes en mensen op straat.

Hospitalet groeide, net als andere voorsteden van Barcelona, explosief in de jaren zestig met de komst van Andalusische emigranten naar Catalonië. In de jaren zeventig was tweederde van de inwoners afkomstig uit Andalusië, Extremadura en andere regio’s, slechts éénderde was in Catalonië zelf geboren. Buitenlanders waren er nauwelijks, en zeker als (niet eens zo blonde) Nederlander was je op de markt van La Florida een exotische verschijning. 

Er wonen nog altijd veel Andalusiërs in La Florida, al zijn de kinderen van die eerste emigranten in Catalonië geboren; charnegos is daar de bijnaam voor. In 2008 kwamen 9.800 inwoners uit Catalonië, 3.900 uit Andalusië en… 11.000 uit het buitenland. Vooral uit Zuid-Amerika, dat voor 65% van alle ‘allochtonen’ in l’Hospitalet zorgt. De cijfers zijn spectaculair: in 1997 woonden er 50 Ecuadoranen en 21 Bolivianen in de stad. Tien jaar later waren dat er 14.000 respectievelijk 10.500. Ik noem het nu een ‘klein Quito’, het Andalusische accent is er vervangen door de Zuidamerikaanse tongval. Veel Europeanen zullen niet snel het verschil zien tussen een Spanjaard en Zuidamerikaan, maar de mensen hier zien dat maar al te best. En horen het. Het levert ook problemen op al zijn die, en dat verbaast me, nooit zo gemeengoed en wijdverbreid als in de Nederlandse probleemwijken.

We gaan Spanje toch weer leuk vinden…

Een rij bij 7 (Set) Portes, een gebruikelijk dagelijks beeld voor dit klassieke, monumentale Catalaanse restaurant aan de haven van Barcelona. Locals, maar vooral toch toeristen ook. Een teken dat het weer wat beter gaat met het toerisme in Spanje? Na twee jaar van voortdurende dalingen is er in 2010 weer een kleine winst geboekt, wat aantal buitenlandse bezoekers betreft, al zal het nog enige tijd duren om de klap van 2009 te boven te komen. Na een record van 58,7 miljoen toeristen in 2007, daalde dat naar 57,2 miljoen in 2008 en volgde een jaar later de hecatombe: Spanje raakte nog eens vijf miljoen toeristen kwijt: 52,2 miljoen. De definitieve cijfers over vorig jaar zijn nog niet bekend, maar het aantal zal net boven de 53 miljoen komen te liggen.

En wie blijken het in 2010 het beste te hebben gedaan? Na Russen (bijna +20%) en Italianen (+11,7%) steeg het aantal Nederlanders het meest, met ruim 10%. Bijna 2,5 miljoen landgenoten zochten Spanje op, waarschijnlijk goed nieuws ook voor de talloze Nederlandse ondernemers, vooral in de toeristische wereld, die door het hele land in hun boerderijen, masías, hotelletjes en bars en restaurants keihard aan het werk zijn. Er zitten onder hen nogal wat lezers van dit blog, vandaar de opbeurende en lovende woorden; maar misschien zeggen zij wel dat 2010 toch óók weer een rampjaar was, want volgens mij is een ondernemer in de horeca of het toerisme nooit tevreden.

Messi, Iniesta en Xavi: de Barça-jeugd

Leo Messi, Xavi Hernández en Andrés Iniesta staan vanavond op een podium in Zürich waar één van hen tot de beste voetballer van de wereld zal worden uitgeroepen. Alle drie kwamen ze op zeer jeugdige leeftijd in het jeugdinternaat van FC Barcelona terecht. Het geheim van de Masia, een reportage vandaag uit het AD. (En voor wie liever beelden ziet dan een aardig verhaal leest: prachtige highlights van de drie uit de laatste Barça-Real, 5-0. Geeft ook een goed beeld hoe die memorabele afdroger verliep:

EDWIN WINKELS

 Ergens op de muur van één van de WC’s van de Masia heeft een voetballertje een leus geschreven. Of was het misschien één van de trainers? ,,Voetbal is niet te koop,” staat er. Zestig jonge sporters tussen de 11 en 17 jaar, waarvan 48 voetballers, kunnen het elke dag lezen. En dan kijken ze het raam uit, naar de hoge muren van het Camp Nou op nog geen 100 meter afstand, en weten ze dat dat waar kan zijn, dat je goed voetbal zelf kunt maken, en niet alleen kopen.

Acht van de elf basisspelers van FC Barcelona die eind november de bijeen gekochte aartsrivaal Real Madrid met 5-0 verpletterden komen uit de eigen jeugd, net als trainers Pep Guardiola en zijn assistent Tito Vilanova; de meesten brachten zelf jaren op de Masia, het jeugdinternaat in een oude Catalaanse boerderij uit 1702 door. Acht waren ook de jongens uit die Barça-school die in Zuid-Afrika wereldkampioen met Spanje werden.

Soms gaan doelman Victor Valdés en Andrés Iniesta, auteur van het winnende WK-doelpunt en vanavond mogelijk gekozen tot beste voetballer ter wereld, op bezoek bij de Masia. Valdés: ,,Zo kunnen die jochies zien dat ze wel degelijk hun droom kunnen verwezenlijken, net zoals wij dat hebben gedaan.” Iniesta: ,,En zo zien ze tegelijk dat wij helemaal niet van een andere planeet komen, maar dat we zijn zoals zij.”

Alle spelers die er jaren doorbrachten zeggen dat je een verblijf op de Masia nooit meer vergeet, zeker niet als dat uiteindelijk leidt tot een debuut in het grote Barça. Iets wat niet eenvoudig is. Volgens statistieken die Barcelona hanteert komt zo’n 10% van de jeugdspelers ooit in het eerste elftal terecht en 30 tot 40% wordt ergens anders profvoetballer. De rest valt af, op de lange zware weg naar een voetbalcarrière.

Alle illustere Masia-bewoners zeggen ze ook dat ze in de beginperiode vreselijk moesten huilen, jongetjes van 12 die het ouderlijk huis, soms ver weg, verlieten. Iniesta kwam uit Fuentealbilla, in het zuiden, Arsenal-ster Cesc Fàbregas van de Costa Brava, Guardiola en Puyol uit dorpjes in de Catalaanse binnenlanden.

Guillermo Amor kwam uit Benidorm: ,,Ik heb de eerste maanden alleen maar gehuild, miste mijn familie, miste mijn stad, mijn vriendjes. Het was zwaar. Ik weet niet of ik het één van mijn kinderen zou aandoen.” En dat zegt de oud-speler die nu de directeur van het jeugdvoetbal van FC Barcelona is.

Maar hij staat volledig achter hoe de club die jongens opleidt, “niet alleen als voetballers, maar vooral ook als mensen.” ’s Morgens gaan ze allemaal naar school, ’s middags is er de training en eventueel bijles. De trainers van de jeugd beschouwen zich niet als zodanig, zien zich meer als onderwijzers en tweede vaders. Ze leren de jongens te leven, te genieten, te spelen. Ze leren hen niet te winnen.

 Amor is uit de tijd dat de Masia ineens enorm tot bloei kwam, kort na de komst van Johan Cruijff als trainer, in 1988. Voorzitter Josep Lluís Núñez had het internaat in 1979 opgericht, na een grondige verbouwing van de oude boerderij die op het grondgebied van Barça stond. De ervaren Oriol Tort, in 1999 op 70-jarige leeftijd overleden, kreeg er de leiding en liet scouts heel Spanje afstruinen op zoek naar talent. Hijzelf ontdekte Guardiola en Xavi.

De ‘opa’, zoals ze hem op de club noemden, was al negen jaar aan het zwoegen, met veel weerstand van de hoofdtrainers van de club, toen Cruijff zijn redding bleek. De Amsterdammer wilde net als bij Ajax de volledige jeugdopleiding op één lijn hebben. ,,We voetbalden hier al zoals ze bij Ajax ook deden, een 4-3-3, maar onder Cruijff kregen de jongens uit de jeugd eindelijk kans heel vroeg in het eerste te debuteren,” vertelde Tort eens. ,,Het was vroeger triest om te zien dat jongens als Calderé en Rojo pas na hun 25ste in het eerste terechtkwamen. Onder Cruijff was dat nooit gebeurd.”

Cruijff was ook de uitvinder van de ‘vier’, de spelverdeler die het brein van zijn dream team werd. Eerst Milla, daarna Amor, en vervolgens Guardiola, nu de voortzetter van het werk van de Nederlandse ‘profeet’. Beide, Cruijff en Guardiola, vinden ook dat spelers niet groot en sterk hoeven te zijn, net als de oude en wijze Laureano Ruiz, na de dood van Tort de absolute peetvader van de jeugdopleiding van Barça.

 Messi, Xavi en Iniesta, vanavond de drie van Zürich, zijn niet langer dan 170 centimeter. Maar ze zijn snel, in spel en in denkwerk, en ongelooflijk technisch. En vooral goede ploegmakkers, altijd denkend aan het collectief. ,,Ze zijn vooral heel erg goede personen, heerlijke jongens. Gunnen elkaar die Gouden Bal. Met de selectie van talenten kijken we ook daar naar, naar het karakter,” aldus Laureano Ruiz.

 De 73-jarige Ruiz zal vandaag in één van de twee chartervliegtuigen richting Zürich reizen. Het Barça-bestuur beschouwt de gezamenlijke kroning van Messi, Xavi en Iniesta als een erkenning voor een model, een manier van werken, een filosofie en wil de trainers uit de jeudgopleiding bij het feest betrekken.

Volgend jaar gaat de boerderij dicht, opent Barça een moderner internaat op zijn trainingscomplex buiten de stad, met plaats voor 80 talenten. Meer dan 500 voetballertjes hebben in die ruim dertig jaar op de Masia gewoond, hebben er geleefd, zijn er opgegroeid. Mensen geworden. Messi uit Rosario (Argentinië), Xavi uit Terrassa, een voorstad van Barcelona, en Iniesta uit Fuentealbilla, bij Albacete, kwamen er op hun twaalfde, dertiende terecht. Voor Xavi is dat al meer dan 17 jaar geleden, een eeuwigheid.

,,Ik weet nog dat ze me, toen ik twaalf was, thuis opbelden en tegen mijn vader zeiden dat we naar de Masia moesten komen, voor een test. Een droom, alleen al die testwedstrijd. Ik kon de hele nacht niet slapen van de zenuwen,” herinnert Xavi zich nu, aan het voorlopige einde van een lange, soms loodzware en kostbare weg.

Nederlanders drinken meer wijn dan Spanjaarden

Het zal wel aan mijn opvoeding gelegen hebben, of aan de andere tijden die het toen waren, of aan een vader die altijd veel meer van bier dan van wijn heeft gehouden, maar ik kan me niet herinneren dat er vroeger ooit om kwart voor zes bij de gekookte aardappelen met draadjesvlees en bloemkool een fles wijn op tafel kwam. Ik bedoel: dertig, veertig jaar terug dronken we in Nederland nauwelijks wijn. Anders was het in Spanje: in de jaren zeventig dronken ze hier zeventig liter per persoon per jaar. Niet altijd even goede wijn -pas de laatste 15 jaar zijn er veel prestigieuze DO’s (denominación de origen) bijgekomen-, maar dat wijntje (met gazeuse er doorheen als de tafelwijn wel een erg stevig bocht was) hoorde er gewoon altijd bij.

Schrikbarend zijn dan ook de allerlaatste statistieken: dronk Spanje in 2000 nog slechts 35 liter wijn per persoon per jaar, afgelopen jaar is dat nóg eens met de helft gedaald en zitten ze op slechts 16 à 17 liter. In Europa drinken slechts de Noren minder, waarschijnlijk omdat het daar zo peperduur is (de wijn schenken ze er trouwens meestal uit vijf liter-pakken, en daar zitten goede bodega’s bij). Ter vergelijking: in 2009 dronk de Nederlander gemiddeld 21,7 liter. Weg dus met de mythe van nog geen tien jaar geleden: toen vertelden de Nederlandse Barça-voetballers Frank de Boer, Cocu en Koeman me dat zij in Spanje wijn hadden leren drinken, dat ze dat thuis in Nederland nooit hadden gedaan.

 De cijfers zijn extra zuur voor Spanje omdat het na Frankrijk en Italië het derde wijn producerende land van Europa is. En als je landgenoten al niet eens die wijn meer drinken, hoe raak je al die flessen dan kwijt op een steeds meer versplinterde internationale markt? Eén van de verklaringen voor die enorme teruggang is het gegroeide aantal alcoholcontroles in het verkeer. Vroeger bestonden die niet eens en toen reden, mede door die alcohol, meer dan 6.000 Spanjaarden per jaar zich dood. Nu is iedereen doodsbang voor die controles, is het aantal verkeersdoden naar minder dan 1.900 gedaald (in 2010) en komt er bij de lunch en het diner in restaurants en bij vrienden steeds minder wijn op tafel.

Ik zit trouwens, vrees ik, dik boven het gemiddelde van de jaarlijkse wijnconsumptie, zowel voor Spanjaarden als voor Nederlanders…