Auteursarchief: edwin

Onbekend's avatar

Over edwin

Schrijver, journalist, fotograaf. Woon en werk sinds 1988 in en rond Barcelona.

Seefood bij de Amerikanen

Vergeef mij de onwetendheid. Komt door de haast. Om half acht donderdagavond krijg je de opdracht zo snel mogelijk aan de kust van Louisiana aan de Golf van México te komen en om half acht de volgende ochtend sta je al op het vliegveld van Barcelona. (Ook die Amerikanen zijn steeds minder bureaucratisch, met hun electronische visum dat je à la minute krijgt.) Dus wist ik over New Orleans (nooit geweest) niet meer dan de Franse wijk en zijn Bourbon Street, de jazz en blues en de enorme gevolgen van de Katrina-orkaan.

En blijkt dus vanavond dat iedereen overal in de rij staat voor een seafood restaurant. Zo leer je dus altijd wat bij, over hoe belangrijk de visindustrie vlak voor de kust voor de economie en het toerisme is (had het al een beetje in de Amerikaanse kranten gelezen, in het vliegtuig). Want daarvoor ben ik ineens hier: kijken waar en wanneer de olie van het BP-platform de kust bereikt (twee dode, besmeurde pelikanen, was o.a. het nieuws vandaag) en wat dat met deze prachtige en breekbare kust hier doet.

Je moet eens aan de monding van de Ebro zijn geweest, met zijn indrukwekkende mosselkwekerijen, om te zien wat voor een prachtig effect de combinatie van zeewater met het zoete rivierwater heeft. Dus is hier de monding van de Mississipi een paradijs voor oesters, andere schaaldieren en garnalen, en bovendien de vis, in het algemeen. Enkele druppels olie die de plankton besmeuren kunnen al verwoestende gevolgen voor de hele keten onder water vormen.

In oesters had ik geen zin, na 15 uur onderweg geweest te zijn (Barcelona-Atlanta.New Orleans met Delta), dus nam ik een overheerlijke drumfish, bovendien op de plaatselijke Cajun-manier bereid: lekker pittig. Nog geen avond hier, en tóch al wat geleerd. Vraag me trouwens af waarom de Amerikanen ook hier in New Orleans zo dik zijn als ze vooral vis eten… Beter weer dan in Barcelona, overigens.

Boulevard of Rambla?

Een dagje Diagonal. Altijd de moeite waard, zeker als je er niet met je auto vaststaat voor stoplichten die totaal niet op elkaar zijn afgestemd. Op de fiets, trouwens, is het ook geen pretje, want dit eerste fietspad ooit van de stad tekenden ze op het deel waar heel veel voetgangers lopen. Sindsdien zijn de botsingen er aan de orde van de dag. Tóch, het blijft een mooie, opvallende straat, zeker het vroeger sjieke centrale deel waarover volgende week een referendum wordt gehouden. De gemeente vindt dat de avenue op de schop moet en de bewoners, niet alleen die van de Diagonal, maar van heel Barcelona, mogen daarover meepraten.

Veel keus wordt hen trouwens niet gegeven: A. Boulevard B. Rambla C. Niets doen. Even het verschil tussen de eerste twee: de boulevard heeft brede stoepen aan weerszijden, zoals de Champs Elysées, de tweede heeft een wandelpromenade in het centrale deel. Er is nogal wat ophef over het referendum, ook omdat het 3 miljoen euro kost, en omdat de mensen graag een ruimere inspraak zouden hebben.

De tocht leidde me naar het Casa Sayrach, op de hoek met Enric Granados. Ik was er al eens geweest, de zoon van de toenmalige architect (het gebouw is uit 1915) woont er nog steeds, op de eerste verdieping. Prachtig om zo’n monumentaal pand eens van binnen te zien, te kijken hoe de bourgeoisie er woont; en om de verhalen over een eeuw geschiedenis te horen. De 82-jarige Manuel Sayrach heeft van alles gezien vanaf het balkon, zoals de binnentocht van de Franco-troepen na de Burgeroorlog, in 1939. Kort erna werd de straatnaam omgedoopt tot Avenida Generalísimo Franco.

Er staan zelfs twee kerken aan dit centrale deel, tussen Francesc Macià en Glòries. Pare Joan van het Pompeia-convent van de Orde der Kapucijnen, ter hoogte van de Passeig de Gràcia, liet ons van harte binnen, ook al kwamen we onaangekondigd. (Blijft het mooie van Spanje: het is geen land van ver tevoren gemaakte afspraken.) En ook daar ontdek je een immense wereld achter de verder vrij anonieme façade, en mag je vanaf het dak een ongebruikelijke blik op de Diagonal werpen. Plus krijg je een boodschap mee: Pare Joan is tégen het referendum en de verbouwing, niet omdat hij ouderwets zou zijn, maar omdat hij elke woensdag lange rijen mensen voor de deur heeft staan die om eten of geld vragen. Er zijn nu, in tijden van crisis, andere prioriteiten dan smakken geld aan een renovatie uit te geven, aldus de Kapucijn. “Als ik geen geld heb, ga ik toch ook geen Porsche kopen?” zei hij.

Spaanse trots

Dit technologische wonder moet me iets sneller in Barcelona brengen. Misschien ouderwets, maar ik vind het wel wat hebben, het kopen van lokale of nationale produkten die niet voor de internationale concurrentie hoeven onder te doen. Dus waarom een modieuze Trek, of Cannondale, of Cervélo aanschaffen als Spanje zijn Orbea heeft? Bovendien geeft dat nog een extra voordeel: ik kocht hem in Vilanova i la Geltrú in de winkel van Celestino Prieto, een oud-wielrenner van historische ploegen als Kas (met Sean Kelly) en Reynolds (Delgado, Indurain). Hij stopte net met fietsen toen ik de Tour de France ging verslaan. We kenden elkaar niet, maar hebben wederzijdse vrienden. En dát is Spanje: “Oh, ken je hem ook? Dan krijg je de fiets voor zoveel mee.” En dan gaat er ineens 500 euro van de officiële verkoopprijs af, bijna 25%. Zou met een buitenlands merk niet kunnen, daarop is de winstmarge voor de winkelier veel kleiner. (Wat? Zóveel voor een fietsje, hoor ik de leken al zeggen. Tja; diepte-investering in de eigen gezondheid, en toch stukken goedkoper dan een Picasso.)

Dus ik dolblij met mijn Orbea Onix van 57 cm, 8,8 kilo, Shimano Ultegra-‘versnellingsbak’, wielen van hetzelfde merk. Vannacht staat hij (of zij, la bicicleta) in de slaapkamer, vind het zonde haar nu al in de vochtige garage te zetten. Nu nog zelf wat kilo’s eraf en het carbonfiber vliegt ongeremd over de heuvels langs de Middellandse Zee.

De joodse erfenis van Girona

Vroeger reed ik er langs over de snelweg, in de auto of een Iberbus, of kwam er doorheen met de trein, en dacht ik altijd dat het een gore, bevuilde stad was omdat er een grijze deken van fabrieksrook boven leek te hangen. Hetzelfde idee had ik óók altijd van Lyon, totdat ik de stad zelf eens in moest, en toen bleek het een heerlijke Franse terrassenstad te zijn. Dat overkomt je ook met Girona, de stad waar ik het nu over heb: van dichtbij blijkt het alle vooroordelen te logenstraffen, al zijn dit niet de beste maanden om Girona te bezoeken; de aanleg van de hogesnelheidslijn voor de trein (AVE) werpen een stoffige, onneembare barrière op die tot flink wat opstoppingen leidt.

De onophoudelijke regen van maandag was trouwens ook geen uitnodiging om door de stad te gaan lopen. Vol met Nederlanders, trouwens, waarschijnlijk weggeregend aan de Costa Brava in het begin van hun mei-vakantie. Opvallend, trouwens, hoeveel Nederlanders nog de 1.500 km naar Spanje met de eigen auto rijden; de parkeergarage stond vol met gele kentekens.

Girona, samen met Vitoria de stad in Spanje met het beste leefklimaat (volgens enquêtes onder de inwoners)  is vooral El Call, de oude joodse wijk, de doolhof van smalle straatjes waar ook opvallend veel leuke restaurantjes zitten en waar wielrenner Lance Armstrong lange tijd een half paleisje bezat, om van daaruit te gaan trainen. El Call – de Catalaanse naam; in de rest van Spanje heette de wijk een judería of aljama – was het economische centrum van de stad. In tegenstelling tot in de rest van Europa waren hier de ghetto’s niet van de buitenwereld afgesloten, maar ontstond er een druk verkeer tussen joden en christenen.

Tot 1492, natuurlijk. De Reyes Católicos en hun meest fanatieke jodenvervolger, Torquemada, dwongen de joodse gemeenschappen óf zich tot het katholicisme te bekeren óf uit Spanje te vertrekken. Dat laatste deden de meesten, en zij staan sindsdien bekend als sefardís, de nakomelingen van de Spaanse joden. Gelukkig lieten de christenen veel van de aantrekkelijke joodse wijken (óók Barcelona heeft er één, een heel kleine, net achter de Plaça Sant Jaume, met een straat genaamd Call ook) bestaan en kunnen we er nog rondlopen, maar het liefst in de zon of op een zwoele avond.

25 euro voor 5 dagen werk

Op zoek naar werklozen. Dat is, helaas, niet moeilijk in Spanje. Vroeger ging je naar een arbeidsbureau, wachtte je mensen op die naar buiten kwamen lopen en vroeg je hen vriendelijk of je wat over hun situatie mocht weten. Nu ga je gewoon naar elk willekeurig dorp, Castelldefels in dit geval, en kijk je rond een uur of 12 ’s middags goed om je heen. Dan zie je een jong jochie met twee afgedekte vogelkooitjes lopen. Dat was een hobby die tot voor kort was voorbehouden aan gepensioneerde mannen die alle tijd hadden hun vogeltjes (bijna altijd jilgueros, ofwel putters of distelvinken) uit te laten en uren op een pleintje in dorp of stad met anderen te praten terwijl de vogels op een muurtje rond konden kijken, zonder trouwens de vogel naast hen te mogen zien.

Ja, zei Alex, hij was 18 jaar, werkloos en had helaas tijd genoeg. De meest getroffen groep, in de diepduikelende Spaanse economie, zijn deze schoolverlaters, vaak zonder diploma. Van jongens en meiden tussen de 16 en 24 die niet meer op school zitten zijn meer dan 40% werkloos. “Ga met me mee naar het plein, daar zitten werklozen genoeg,” zei de aardige jongen ook nog. En daar waren ze, aan de bar met een cognacje, op het terras met een spel kaarten of domino, op straat met een babbeltje: 4,6 miljoen werklozen zijn héél veel werklozen.

Terwijl heel Europa zich zorgen maakt over welk land na Griekenland als volgende instort en miljarden euro’s hulp gaat vragen, Portugal of Spanje, hebben deze mensen geen boodschap aan macro-economische spookbeelden. Hun dagelijkse leven is een trieststemmende aaneenschakeling van frustrerende ervaringen. Ergens een CV’tje afgeven is al ontmoedigend: óf er ligt al een enorme stapel A4-tjes in een bak te wachten tot iemand hen leest, óf het bedrijf doet de deur niet eens meer open en vraagt via de intercom het CV maar in de brievenbus te stoppen. Bijna nergens is er werk meer. Álex kon vijf dagen aan de slag op een kleine kermis, hij moest een attractie een beetje in de gaten houden, op de kinderen passen, van vier uur ’s middags tot na middernacht. Aan het einde kreeg hij 25 euro, voor die 5 dagen. “Ik voelde me gepakt, had toch wel minimaal 40 euro verwacht.”

De vooruitziende blik van Picasso

Je weet nooit hoe waarheidsgetrouw zo’n anecdote is, en hoeverre hij in een eeuw tijd alleen maar mooier is gemaakt, maar de legende blijft de moeite waard: begin 20ste eeuw at Pablo Picasso met enkele vrienden in de brasserie La Coupole, zo’n plaats waar je eens gegeten moet hebben, aan de Boulevard Montparnasse, in de tijd dat de schilder uit Málaga in Parijs woonde en daar inspiratie opdeed. De maitre herkende Picasso en zei hem dat niemand aan tafel het diner hoefde te betalen als Picasso voor hem een tekening op de achterkant van de placemat maakte. Dat deed de schilder, die graag gratis wilde eten, maar toen hij de tekening overhandigde zei de maitre hem dat hij hem niet had ondertekend. “Nee,” antwoordde Picasso, “ik betaal hiermee alleen maar het eten, ik koop niet het hele restaurant…”

Picasso had een vooruitziende blik, al kan hij nooit vermoed hebben hoeveel op de wereld ooit voor zijn schilderijen betaald zou worden. In 1951 verkocht hij voor 19.800 dollar zijn schilderij Nude, green leaves and bust, de Engelse naam van het werk dat morgen bij Christie’s in New York onder de hamer gaat. Het is één van zijn grote schilderijen die nog in een privécollectie behouden waren en daarom een flink bedrag moeten opleveren: het veilinghuis verwacht dat dat tussen de 70 en 90 miljoen dollar zal zijn. Crisis? “In moeilijke tijden is een Picasso een goede investering,” zegt de veilingmeester. Het record staat, ook op naam van Picasso, op 104 miljoen dollar, gevangen in 2004. Wie dat geld niet heeft, kan trouwens ook naar het Metropolitan: daar worden op dit moment 300 werken van Picasso tentoongesteld.

UPDATE: Het schilderij is gisteravond verkocht voor 106,4 miljoen dollar (81 miljoen euro).

Uitrusten in de masía

Blijkbaar ging heel Nederland op vakantie, afgelopen vrijdag, en niet in eigen land. Pa en ma vertrokken met de auto voor een rit naar Spanje, in twee etappe’s, die langer duurde dan hij ooit heeft geduurd. Vertrokken uit Utrecht, waren ze na 12 uur net Dijon voorbij, bij Beaune. Twaalf uur filerijden, in Nederland, in de Ardennen, in Noord-Frankrijk. Plus bijna alle snelweghotels in Beaune bomvol… Twaalf uur: op een rustige dag sta je in die tijd al aan de Frans-Spaanse grens, 700 kilometer verder.

Maar na de lange tocht in twee dagen was er de welverdiende, weldadige rust in Mas Murtra, de oude Catalaanse masía in de bossen bij Girona waar we dit lange weekeinde hun 50-jarig huwelijksfeest vieren. Prachtplaats – mét zon zou ’t nog mooier zijn -, een enorme oude boerderij onderverdeeld in vier verblijven met in totaal plaats voor bijna 30 mensen. Luxe slaap- en badkamers en dit, hiernaast, de enorme woon- en eetkamer van het grootste appartement.

Casa pairal heet zo’n huis ook, de boerderij-woning die het middelpunt van een groot landgoed was. De eigenaar en zijn familie leefden in de grootste ruimte van het huis, al het personeel en knechten onderin, in kleinere kamers, waar ze ook hun eigen keuken hadden. Vaak stonden er ook nog kleine huisjes om de de grote masía heen. Maar het platteland liep leeg, de kinderen trokken naar de stad en dit soort immense gebouwen zouden bijna niet te onderhouden zijn als er geen toerisme- of congresbestemming aan zou zijn gegeven.

De kerk van de zeelieden

Het is sinds deze week een stuk lichter, overdag, in de Born, het zonlicht reflecteert er feller dan voorheen. Komt omdat eindelijk de steigers aan de voorgevel van de Santa Maria del Mar zijn verdwenen en onder de doeken vandaan een kathedraal is verschenen die zijn donkere kleur is kwijtgeraakt. Het is het eerste deel van de opknapbeurt van één van de mooiste gothische tempels van de stad, zo niet de mooiste. De vrij sobere buitenkant staat in redelijk groot contrast met het uitbundige interieur, dat een stuk fotogenieker is dan daarom deze post ‘opent’.

Liefst drie miljoen mensen, toeristen vooral, blijken de kathedraal jaarlijks te bezoeken. Je loopt er ook eenvoudig binnen, als je in de Born (of de Ribera, zoals de wijk officieel heet) op zoek bent naar een leuk winkeltje of een aardig restaurantje. Grote kans ook dat je er een trouwerij meemaakt en als je met Kerst in Barcelona bent blijft het indrukwekkend om het Requiem van Mozart er live te horen, meestal nog gratis ook. Natúúrlijk altijd doen: een glaasje wijn op het plein bij La Vinya del Senyor, als je één van de vijf of zes tafeltjes kunt bemachtigen. (Let op: bier schenken ze er niet!)

De Heilige Maria van de Zee is één van de vier gothische kerken die bijna tegelijk in de 14e eeuw werden gebouwd, samen met die van Santa Eulália (die we kennen als gewoon dé kathedraal van Barcelona), die van Santa Maria del Pi (aan het leuke pleintje met dezelfde naam, vlak achter de Rambla), en de wat kleinere en beter verstopte Sant Just i Pastor, achter het gemeentehuis. De populariteit van juist deze kerk is de laatste jaren ook nog vergroot dankzij de bestsellers De kathedraal van de zee van Ildefonso Falcones.

Santa Maria del Mar, de naam zegt het al, was er voor de zeelieden, toen de Ribera de onvervalste havenwijk van Barcelona was, want de Barceloneta bestond nog niet. (Die werd pas uit de zeegrond gestampt toen de Ribera een flink deel van zijn huizen kwijtraakte omdat er het militaire fort, de Ciutadella, gebouwd moest worden.) En naast de zeelieden werd de Ribera bevolkt door talloze werklieden van verschillende beroepen, die nog allemaal in de straatnamen zijn terug te vinden, al zijn sommige namen onvertaalbaar omdat die beroepen allang niet meer bestaan. De oorsprong van elke straatnaam in Barcelona kun je terugvinden in de Nomenclàtor van de stad. En dan ontdek je wie die Abaixadors, Plegamans, Agullers, Sombrerers, Mirallers, Flassaders en Assaonadors waren.

Penalty tegen Baltasar Garzón

In het buitenland begrijpen ze er niets van. ‘Superrechter’ Baltasar Garzón, die wereldberoemd werd toen hij de Chileense oud-dictator Pinochet aanklaagde, wordt nu zelf in Spanje vervolgd, na een aanklacht van twee extreem-rechtse verenigingen. Een proces dat Spanje, als vanouds, enorm verdeelt tussen ‘links’ en ‘rechts’.

Twee weken terug kwam al een stortvloed aan steunbetuigingen voor Garzón op gang, met talloze bekende Spanjaarden als regisseur Almodóvar die voor hem op de bres sprongen. Volgens het Hooggerechtshof zou de beroemde onderzoeksrechter zijn boekje te buiten zijn gegaan door de misdaden die begaan werden tijdens de Burgeroorlog en onder het fascistische bewind van generaal Franco te gaan onderzoeken.

Garzón deed dat op verzoek van de verenigingen die strijden voor de meer dan 100.000 mensen die in de oorlogsjaren (1936-’39) en de decennia erna spoorloos verdwenen, bijna allemaal zonder enige vorm van proces gefusilleerd en in massagraven aan de kant van de weg begraven. Toen Franco in 1975 overleed, werd er een aministiewet uitgevaardigd die moest verhinderen dat Franco-handlangers (rechters, militairen, politie-agenten) alsnog vervolgd zouden kunnen worden. Daarmee wilde Spanje de overgang naar de democratie versoepelen.

Jaren na de dood van de dictator bleken toch veel mensen behoefte te hebben méér te weten over dat verleden, en over hun vermiste dierbaren. Dat Garzón in dat onverwerkte Spaanse verleden ging spitten, was echter tegen het zere been van de het conservatieve deel van de maatschappij. De Falange (de gevreesde organisatie van Franco vroeger) en Manos Limpias (Schone Handen) dienden een aanklacht in wegens ‘ambtsmisbruik’: Garzón wíst dat hij de amnistiewet zou schenden als hij zijn onderzoek zou beginnen. Vorige week accepteerde het Hooggerechtshof de aanklacht. Wordt Garzón schuldig bevonden, dan is zijn juridische carrière afgelopen.

Het probleem van de ‘superrechter’ is dat hij door zijn optredens veel vijanden heeft gemaakt, vooral in conservatieve kringen. Zo bracht hij onlangs het grote corruptieschandaal Gürtel aan het licht dat de oppositiepartij PP tot in de top heeft geraakt. Maar ook bij sommige socialisten, waarvoor hij eens onafhankelijke kandidaat bij de verkiezingen was, is hij niet geliefd, omdat hij vroeger de betrokkenheid van de socialistische regering bij het vormen van anti-ETA-commando’s, de GAL, onderzocht.

Vandaag nam rechter Varela de volgende stap; nadat hijzelf die twee fascistische organisatie’s had aangeraden hun aanklacht iets te wijzigen –anders zouden zij nieyt ontvankelijk zijn-, besloot hij vandaag dat Garzón met alle recht voorlopig uit zijn ambt kan worden ontheven. Garzón is een verdienstelijke voetbalkeeper, origaniseerde regelmatige benefietwedstrijden, maar deze penalty heeft zelfs hij niet kunnen keren.

            Het zal in Spanje nog lang duren totdat de wetgevende en uitvoerende macht, aan de ene kant, en de rechtsprekende macht van elkaar gescheiden zullen zijn. Of misschien gebeurt het wel nooit; kijk naar Belrusconi’s Italië. 

De slachting van Puerto Hurraco

Soms komt het verleden ineens weer terug, onverwacht, uit het niets, jaren later. Zoals met het krantenbericht van afgelopen weekeinde: ‘Antonio Izquierdo, de laatste nog levende moordenaar van Puerto Hurraco, hangt zich op in zijn cel.’ Degenen die die zomer van 1990 al in Spanje woonden, zullen het nooit vergeten; voor hen en de ‘nieuwkomers’ heb ik uit mijn archief het verhaal opgedoken dat ik destijds voor de VNU-dagbladen schreef, eentje over la España negra,  ‘donker Spanje’, het geïsoleerde platteland dat bijna elke maand wel in het nieuws was door familievete’s, vreemde moorden, geheimzinigge rituelen… Puerto Hurraco, een klein dorpje in Extremadura, was het dieptepunt. Negen doden en acht gewonden kwamen op het conto van de broers Antonio en Emilio (op de foto, tijdens zijn arrestatie) Izquierdo. Zij werden elk tot 344 jaar cel veroordeeld. Hun zussen kwamen in een gekkenhuis terecht en stierven daar een natuurlijke dood. Emilio overleed in de gevangenis, in 2006, door een hartaanval. Nu volgde Antonio, vijf jaar voor hij vrij zou komen.

Hieronder het verhaal van toen.  

Tweehonderd mensen waren er die avond in augustus. Normaal wonen er minder, maar veel immigranten waren die vakantiemaand bij hun familie op bezoek. Het vier dagen durende dorpsfeest was net voorbij. Het was tien uur en de temperatuur in Puerto Hurraco liep nog altijd tegen de dertig graden. Iedereen zat buiten, voor de deur pratend met de buren. Of op het terrasje van de ene bar op het dorpsplein. Daar waren ook de kinderen aan het spelen op de paar schommels die er stonden. Dat plein en een lange straat, dat was het hele dorp.

Verder waren er nog wat doelloze steegjes en uit één ervan kwamen de broers Antonio en Emilio Izquierdo lopen. Twee landarbeiders van 58 en 59 jaar oud, met een wat primitieve oogopslag. Ze droegen ieder een repeteergeweer. Ze hadden een jachtvergunning. “We gaan jullie allemaal vermoorden,” was het enige dat ze riepen, volgende de ooggetuigen die het volgende half uur overleefden. Twee spelende zusjes van 13 en 14 jaar vielen als eersten dood neer.

Lees verder