Tagarchief: call

Heuse hoedenwinkels

Bijna iedereen blijft er stilstaan, op dit magische voetgangerskruispuntje in de oude stad, waar de straten Boqueria, Banys Nous en Call (el Call is de oude Joodse wijk van Barcelona) elkaar treffen, dichtbij het Plaça de Sant Jaume. Op bijna-winteravonden als deze (hoewel, gisteren om 20 uur, het moment van de foto, was het nog 15 graden) geeft het kunstlicht van Sombrería Obach de hoek én de etalage een onweerstaanbaar panorama. Een heuse hoedenwinkel, deze weken stampvol omdat de kou een beetje gekomen is en omdat een hoed of pet een uitstekend kado-artikel blijkt te zijn. Én omdat, heb ik de indruk, er meer én jongere kale of volledig kaalgeschoren mannen dan vroeger zijn…

Obach zit er al sinds 1924 en was lange tijd één van de drie historische hoedenwinkels van de stad. Nu zijn er nog maar twee, want twee jaar terug sloot El Rey de la Gorra (de koning van de pet) dichtbij het Plaça Espanya. De andere klassieker, ook al vier generaties van dezelfde familie, is Sombrería Mil, sinds 1917 op Fontanella, tussen de pleinen van Catalunya en Urquinaona. Ook heel erg druk, deze dagen.

Lange tijd werden er in Barcelona nauwelijks hoeden gedragen. Volgens mij doe je het ook niet zo makkelijk, zo’n van buiten imponerende winkel binnenstappen, op zoek naar je eerste pet of hoed, waar in het Spaans talloze verschillende woorden voor bestaan: sombrero, gorra, gorro, bombín, boina, txapela… (de laatste woorden zijn Catalaans respectievelijk Baskisch). Maar de jeugd heeft de hoeden en petten ontdekt, en heeft ook winkeltjes zoals de populaire Hatquarters (op de foto, in winkelcentrum l’Illa) die wat toegankelijker zijn. Daar doen vooral de modieuze Goorin-petten het goed (zo’n model dat DJ Giel Beelen altijd op z’n kop had), maar een échte modestijl is er niet, zeiden ze me bij Mil. Soms doen films een mode opleven, zoals de laatste Sherlock Holmes en, een tijd terug, Gangs of New York.

De joodse erfenis van Girona

Vroeger reed ik er langs over de snelweg, in de auto of een Iberbus, of kwam er doorheen met de trein, en dacht ik altijd dat het een gore, bevuilde stad was omdat er een grijze deken van fabrieksrook boven leek te hangen. Hetzelfde idee had ik óók altijd van Lyon, totdat ik de stad zelf eens in moest, en toen bleek het een heerlijke Franse terrassenstad te zijn. Dat overkomt je ook met Girona, de stad waar ik het nu over heb: van dichtbij blijkt het alle vooroordelen te logenstraffen, al zijn dit niet de beste maanden om Girona te bezoeken; de aanleg van de hogesnelheidslijn voor de trein (AVE) werpen een stoffige, onneembare barrière op die tot flink wat opstoppingen leidt.

De onophoudelijke regen van maandag was trouwens ook geen uitnodiging om door de stad te gaan lopen. Vol met Nederlanders, trouwens, waarschijnlijk weggeregend aan de Costa Brava in het begin van hun mei-vakantie. Opvallend, trouwens, hoeveel Nederlanders nog de 1.500 km naar Spanje met de eigen auto rijden; de parkeergarage stond vol met gele kentekens.

Girona, samen met Vitoria de stad in Spanje met het beste leefklimaat (volgens enquêtes onder de inwoners)  is vooral El Call, de oude joodse wijk, de doolhof van smalle straatjes waar ook opvallend veel leuke restaurantjes zitten en waar wielrenner Lance Armstrong lange tijd een half paleisje bezat, om van daaruit te gaan trainen. El Call – de Catalaanse naam; in de rest van Spanje heette de wijk een judería of aljama – was het economische centrum van de stad. In tegenstelling tot in de rest van Europa waren hier de ghetto’s niet van de buitenwereld afgesloten, maar ontstond er een druk verkeer tussen joden en christenen.

Tot 1492, natuurlijk. De Reyes Católicos en hun meest fanatieke jodenvervolger, Torquemada, dwongen de joodse gemeenschappen óf zich tot het katholicisme te bekeren óf uit Spanje te vertrekken. Dat laatste deden de meesten, en zij staan sindsdien bekend als sefardís, de nakomelingen van de Spaanse joden. Gelukkig lieten de christenen veel van de aantrekkelijke joodse wijken (óók Barcelona heeft er één, een heel kleine, net achter de Plaça Sant Jaume, met een straat genaamd Call ook) bestaan en kunnen we er nog rondlopen, maar het liefst in de zon of op een zwoele avond.