Auteursarchief: edwin

Onbekend's avatar

Over edwin

Schrijver, journalist, fotograaf. Woon en werk sinds 1988 in en rond Barcelona.

Tragedie op 50 meter van het feest

Nog altijd een gewoonte op veel kleine Spaanse stations: het spoor oversteken en zo niet door het ondergrondse gangetje tijd verliezen. In Castelldefels Platja bestaat die gang pas sinds enkele maanden; iedereen ging er altijd over een voetgangersbrug om bij het strand te komen. Een brug die honderden feestgangers gisteravond laat gesloten aantroffen. Dus staken ze maar het spoor over, tientallen gelijk. Ze zagen de Altaris, een hogesnelheidstrein, niet eens aankomen. Twaalf mensen, bijna allemaal jongeren, verloren het leven, veertien raakten zwaar gewond.

Ben er de hele nacht geweest, bij het kleine stationnetje en het wijkgebouw waar familieleden werden opgevangen. Urenlang is er naar delen van lichamen gezocht, terwijl ouders wanhopig op zoek waren naar hun kinderen. Misschien was er niets met ze aan de hand en waren ze op het grote strandfeest, de verbena van Sant Joan, op nog geen 50 meter van het station, zonder zelfs te weten welke tragedie zich er achter hun rug had afgespeeld. De foto hieronder is van zeven uur vanochtend; het feest ging nog altijd door… 

Inmiddels zijn alle mogelijke ministers, directeuren etcetera bijeen geweest, zijn er persconferenties gehouden en wordt er natuurlijk een onderzoek gehouden naar de veiligheidsmaatregelen rond het station. Te laat voor 12 jongelui, zoals zo vaak, al zullen hun vrienden, die het voor hun ogen zagen gebeuren, de les nooit meer vergeten. Ze zullen nooit meer het spoor oversteken.

Historische file

Feestavond in Catalonië, de verbena, de avond die vooraf gaat aan de vrije dag van Sant Joan. Avond van vuurwerk, dag van voortdurend ontploffende rotjes en kanonslagen, al lijken het er minder dan voriger jaren. Dag dat iedereen vroeger klaar wil zijn met werken. Middag en avond van historische file’s ook; een dag om met de trein naar huis te reizen. Dat doe ik elk jaar op 23 juni zeker sinds ik in 2004 in een historische verkeersopstopping terecht kwam, op weg naar Sitges. Was vroeg klaar met werken, een uur of zeven denk ik, maar (stom) had me niet geïnformeerd dat de C-32 al sinds een uur of vier onrustbarend vol was komen te staan. Of ik moet gedacht hebben dat tegen die tijd de file was opgelost. Of, nog stommer, zal wel op de krant hebben gezegd dat ik even in die file ging staan om erover te kunnen berichten; participerende journalistiek. Die middag en avond deden sommigen er zes uur over om de 45 kilometer tussen Barcelona en Sitges af te leggen. Het traditionele avondmaal ging voor een heleboel de mist in, de coca’s werden door de kinderen in de auto genuttigd. Vóórdat ik in de volledig vastgelopen tunnels terechtkwam, kon ik de snelweg af. Niet de kustweg op, die stond ook stil, maar door het Parc del Garraf, een doodstil weggetje door de natuur, deels zonder afsalt. Toch: bijna drie uur voor een reis die normaal een half uurtje duurt. Het is nu half vijf, maar de wegen staan nog niet vast. Ik denk dat iedereen de herinnering van 2004 nog in het hoofd heeft…

Het geheim van de pleinen

De straten zijn bijna altijd druk, iedereen is er onderweg, van links naaa rechts, van boven naar beneden. Straten zijn vluchtig, we zijn er allemaal passanten, momentopnamen. Pas op de pleinen staan we stil, gaan we zitten, komen we tot rust. Op de pleinen vindt ook meestal het echte leven plaats, van de jonge spelende kinderen tot de kwebbelende of dommelende bejaarden, 80 jaar leven in een notendop. Op een plein is ook bijna altijd een terras, een barretje, een restaurant. (Las zaterdag trouwens met verschrikking een reportage in NRC Handelsblad over Vinex-wijk Leidsche Rijn; het stond slechts in een tussenzin, maar toch: er staan na 10 jaar al meer dan 20.000 huizen, ‘maar er is nog geen horeca…’ Een stad zonder barretje, hoe kan dat? Misschien, en dat zou best kunnen, zijn er ook geen pleinen. Nieuwe pleinen zijn bovendien verdomd moeilijk goed aan te leggen, kijk naar het Museumplein in Amsterdam.) Maar dit gaat over de pleinen in Barcelona. Er is net een leuk boekje over uit, de geheimen van enkele van de tientallen pleinen, met anecdotes, verhalen over de oorsprong van de naam. Wel in het Catalaans, trouwens. Er komen veel bekende, maar ook onbekende pleinen in voor. Hieronder een paar van mijn favorieten, buiten die ik al eerder op mijn weblog heb genoemd, zoals topper Sant Felip Neri, Sant Agustí Vell of toch nog altijd de Plaça Reial (of Real), het relatieve rustpunt aan de Rambla. En tips zijn natuurlijk welkom!

De Plaça de Prim, nog een stukje autenticiteit in een voor een groot deel gesloopt Poblenou. Prachtpleintje met zijn drie Argentijnse bomen, de bellasombras of ombús, en nu de zomer eindelijk gekomen is het terras van Els Pescadors.

Vlak achter de boulevard Joan de Borbó en toch zo weinig bezocht: ruimte, een historische tapastent (Can Ganassa) en een goed restaurant, Botavara, waarvan eigenaar Joan me eens zei dat hij de 1.800.000 hondenrassen van de wereld kent “want al die honden zijn hier wel eens langsgekomen”.

Het plein Duc de Medinaceli is een kleine oase aan de drukke Passeig de Colom en vooral bekend onder de mensen in Barcelona omdat het bevolkingsregister er zich  bevindt. Vooral indrukwekkend door zijn enorme palmbomen en de oude gebouwen. Even verderop het leukste pleintje van El Born, de Plaça de les Olles, met twee, soms drie leuke terrasjes en vooral het idee dat Barcelona soms nog een dorp is.

Heel goed verstopt achter het oude postkantoor, toegankelijk vanuit liefst vijf smalle straatjes, kun je op het Plaça dels Traginers, in de Gothische wijk, iets drinken of eten bij La Luna de Jupiter in de schaduw van een deel van de oude Romeinse muur van Barcelona.

Gràcia is de wijk van de pleintjes; tallozen zijn er, ze hebben zelfs al eens een eigen boek gekregen. Keus genoeg, bijna allemaal even leuk. Als voorbeeld de eerste die ik ooit ontdekte, de terrasjes op de hoek van de Plaça de la Virreina, waar, zoals op zoveel pleinen, een kerk staat.

En je hoeft niet in het centrum te blijven om leuke pleinen te vinden. Alle historische wijken (Les Corts, Sants, Horta) waren vroeger aparte dorpjes en hadden dus hun eigen centrale plein, zoals dit Plaça Major de Sarrià, één van de verschillende pleinen in deze luxe wijk die je elke middag en op zondagochtend een prachtig levendig beeld van de buurtbewoners bezorgen.

Nederlandse ‘clowns’ aan de Paral.lel

Nederlands, maar tegelijk heel universeel vermaak de komende weken in één van de klassieke theaters aan de Paral.lel. Volgende week komt er een bombardement aan informatie in de kranten hier in Barcelona, dus lopen we maar een weekje op ze vooruit, voor mensen die alvast kaartjes willen bemachtigen… Vanaf 29 juni, en bijna de hele maand juli door, staan de Ashton Brothers er op het podium. Schijnt heel erg leuk te zijn, heb het zelf (nog) niet gezien, maar ze zorgden laatst al voor de nodige verwarring bij een Spaanse TV-show (de overigens redelijk mislukte late night van Santi Millan), waar toeschouwers én TV-kijkers serieus twijfelden of dit nou echt was of niet. Dus toch gewoon Nederlandse humor?

Alsof je op de markt eet…

Dat kan natuurlijk ook, op de markt zelf eten, bij historische tenten als Pinoxo en Kiosko Universal (van de Dalton-broers, zo worden zij genoemd) in de Boquería, of het aardige multiculti-fusionrestaurant in de markt van Santa Catarina, maar dít is toch iets anders. Je zit niet óp of ín de markt, maar in een restaurant dat La Paradeta heeft, en dat betekent weer marktkraam. Een viskraam, wel te verstaan; vleeseters of vishaters hebben hier absoluut niets te zoeken, waardoor de helft van de Nederlandse toeristen alweer afvalt… (Echt waar, nog nooit zoveel mensen als de Nederlanders horen zeggen, als ze om een restauranttip vroegen, dat er ‘toch ook wel iets van vlees’ op de kaart moest staan, of dat het ‘alsjeblieft niet alleen maar vis is wat ze hebben, want sommigen van ons lusten dat niet.)

De eerste Paradeta moet alweer bijna tien jaar geleden zijn geopend in de Born. Het concept is doodeenvoudig: bij binnenkomst (na eerst geduldig in de rij te hebben gestaan, deze tenten zijn populair) kies je uit welke heerlijkheden ze voor je moeten bereiden. Héél, heel erg veel keus is er niet, maar je kunt per gerecht ook voor verschillende bereidingswijzen kiezen: de schelpdieren als onovertroffen tallarines en almejas a la plancha (van de grill) of a la marinera (in een beetje witte wijn), de garnalen, camarlans en navajas (scheermessen) natuurlijk van die bakplaat in wat olie met knoflook en peterselie en de drie soorten inktvissen en de rape (zeeduivel) ook van de grillplaat of a la andaluza , een beetje in de meel gewenteld en dan gefrituurd. Je gaat vast aan tafel zitten en de koks roepen je bij een loket zodra ze de gerechten voor je bereid hebben. Je betaalt wat je bestelt, dus puur op gewicht. Het verraderlijke is dat heel veel mensen eigenlijk te veel eten bestellen, want eigenlijk willen ze van alles wat. Een fles albariño erbij en je zou bijna de enorme teringherrie vergeten die de grote groepen aan andere tafels maken. Ga er dus niet heen voor een romantisch diner, maar het liefst in een groep die net zoveel kabaal maakt als die aan de tafel naast je.

Je hebt ook een Paradeta in Sitges, maar wij gingen gisteravond naar die van de Carrer Riesgo, in Sants, op nog geen 5 minuten lopen van het station. In de knusse smalle straatjes kun je bovendien precies aan de overkant een afzakkertje nemen in een huiskamerachtige wijn- en cocktail bar en in het gedempte licht kun je je dan afvragen wát de Tequila is en wíe de Sunrise.

Daags voor het WK van 1974…

Ben met een (nog een beetje geheim) project bezig rond Johan Cruijff, in het Spaans en Catalaans. Kan daardoor nauwelijks naar het WK voetbal kijken. Wil dat ook niet; zo’n eerste speeldronde is nauwelijks interessant. En hier in Catalonië is de belangstelling nog relatief. Of, zoals een wat oudere dame in het dorp, fanatiek aanhangster van FC Barcelona, me vanochtend zei: “La Roja? Em fot pel cul.”  Ofwel, die Spaanse selectie konden ze er bij haar van achteren instoppen. En zo zijn er nog altijd veel Catalanen die zo denken, ondanks de aanwezigheid van half Barça in de selectie. Dús, van mijn kant, nog maar geen WK-post. Of een beetje. Kwam tijdens mijn speurtocht weer één van de mooiste foto’s tegen die ik me van Cruijff kan herinneren. De naam van de fotograaf heb ik nooit kunnen achterhalen, maar het shot is intrigerend. Het WK in Duitsland zit eraan te komen, het is het eerste seizoen van de oud-Ajacied bij Barcelona. Uitwedstrijd in La Condomina, Murcia. De strenge agenten van de Guardia Civil van generaal Franco, toen al een beetje ziek, zitten hem op de lippen, net als de supporters. Wat Cruijff daar doet? Hij staat op het punt een corner te nemen.

Vandaag trouwens schrijft Cruijff zijn column in El Periódico. Hij ziet Spanje nu méér favoriet dan tevoren, want het speelde ondanks de nederlaag tegen Zwitserland in ieder geval het vertrouwde en verzorgde voetbal, het Barça-voetbal… En die zege van Duitsland? Stelt niks voor. ‘Ik heb nog geen voetbal gezien,’ zegt Johan, ‘alleen maar angst.’

Eten in de tuin van de nonnen

Een bezoek aan de Esade (zie vorige post) brengt je ook af en toe op plaatsen waar je anders nauwelijks komt, zoals de, wat we hier noemen, parte alta van Barcelona, ofwel de wijken Pedralbes, Sarrià en Bonanova. Dat alta, wat ‘hoog’ betekent, kun je op twee manieren uitleggen: deze wijken liggen aan de ‘hoge kant’ van de stad, het verst van de zee vandaan, daar waar de flanken van de Tibidabo en het bos van Collserola beginnen. Maar ook de volskwijken Roquetes, Vall d’Hebron, Guineueta en Vallbona liggen aan die hoge kant, maar die noemen we geen parte alta. Want dat ‘hoog’ kunnen we ook betrekken op de stand van de inwoners, de bourgeousie, de rijkeren, de nette mensen die hier op vrij discrete wijze, want verstopt achter anoniem lijkende flats die van binnen 300 m2 groot blijken te zijn, hun welvaart tonen. Typisch Catalaans.

Al die flats hebben natuurlijk hun eigen parkeergarage, want voor de bezoekers is het een ramp hier te parkeren. Ik kon mijn auto toevallig kwijt op een prachtig verstopt pleintje, bestraat met klinkers, waar de gebruikelijke rust van Pedralbes nóg groter is. Het is het plein vóór het Klooster van Pedralbes, altijd een bezoekje waard; de Bus Turístic heeft een halte bijna voor de deur, net achter het poortje op deze foto. En voor degenen die in deze verder vrij verlaten buurt ook nog wat willen eten, is er een stukje verder naar boven toe een restaurant dat vooral beroemd is om zijn enorme tuin, waar je op zonnige dagen kunt lunchen en op zwoele zomeravonden romantisch kunt dineren, mits je accepteert dat de clientele duidelijk uit deze buurt komt. Bovendien blijf je in de Jardí de l’Abadessa (de tuin van de overste van een nonnenklooster) in de religieuze sferen. Geen idee trouwens, hoe de kwaliteit van het eten er is.

Op de Avinguda de Pedralbes zagen we trouwens ook een bloesem waar we al lang naar op zoek waren, maar niet meer in Barcelona konden terugvinden: die prachtige, unieke purperen kleur kom je bijna nergens anders tegen; als mijn zoektocht op internet me niet heeft doen verdwalen, is deze boom, op de grote foto boven, een Japanse Lagerstroemia indica, die ze hier ook wel de Boom van Jupiter noemen.

Het heilige geloof in zakendoen

Een ochtend bij de Esade – Inspiring Futures staat er groot op de buitenmuur – wat voor een alfa als ik meestal toch een exclusief en totaal onbekend terrein is. En een eigenlijk toch uniek fenomeen voor Spanje, dat van de exclusieve Business Schools. Want de Spaanse universiteiten zul je niet eenvoudig tussen ’s werelds besten aantreffen, maar de drie grote scholen van het land waar ondernemers en managers worden opgeleid of in hun kennis worden geperfectioneerd zitten in de absolute wereldtop. Sterker, als je alleen Europa bekijkt, staan de IE (Madrid), Esade en IESE (beide Barcelona) in de top-5. En dit soort rankings in de Financial Times zijn van vitaal belang voor deze instituten om welvarende studenten uit de hele wereld te blijven trekken of het vertrouwen te houden van (grote) bedrijven die hun managers er een extra en meestal peperdure opleiding laten volgen.

Ik was er een ochtend met MBA-studenten van de Rotterdam School of Management van de Erasmus Universiteit, die ik elk jaar met een praatje een beetje voorbereid op wat ze in Barcelona en Catalonië kunnen aantreffen als ze er een ruime week lang wetenschappelijk en/of sociaal onderzoek moeten doen. Ze maken elk jaar een vergelijking tussen een Nederlands en een Catalaans bedrijf of instelling, zoals dit keer de brandweer, de dierentuin, het restaurantwezen en een kindertelevisiekanaal, ofwel Het Klokhuis tegenover Clubs Super 3. En omdat Esade en RSM tot die wereldtop behoren, ontvangen ze elkaar graag, lenen ze ook docenten uit.

Bijna alle groten uit de Catalaanse economie komen van de Esade of de IESE. Maar dat is niet het enige opvallende. Wat bij mij altijd de aandacht trekt is de diep religieuze achtergrond van beide Business Schools, het opvallende raakvlak tussen het katholieke en het kapitalistische geloof. De Esade is ooit opgericht door de Jezuïeten, de IESE is één van de belangrijkste uithangborden van de Opus Dei. Daar ze op die laatste school het strengst in de leer zijn, moet je er als leerling maar vooral als docent je naar die christelijke waarden en normen gedragen. Echtscheiding, abortus, euthanasie… Laat ze niet ontdekken dat je er voorstander van bent en laat het natuurlijk helemaal niet in je eigen gezin of familie gebeuren, dan kun je het op de IESE wel vergeten.

Maar doorloop je de volledige opleiding, dan lijkt succes gewaarborgd: 100% van de studenten heeft binnen drie maanden een baan.

File om 0.53 uur

Afgelopen week in Nederland weer eens kunnen ontdekken hoe eenvoudig kilometerslange file’s kunnen ontstaan: een paar regendruppels, een kleine kop-staart botsing op de A-2 bij Maarssen, één rijbaan gesperd en een file tot Abcoude; moet meer dan 20 kilometer zijn geweest. Even verderop, hetzelfde op de A-9 bij Amstelveen; 10 kilometer. Gelukkig reed ik aan de overkant en was ik redelijk snel op Schiphol.

Maar ik mag niet meer zeiken over Nederland. Schrijf je een keer dat het in Rotterdam om negen uur ’s avonds wel érg leeg en eenzaam is, krijg je allemaal bewijzen dat het op andere plaatsen in het land wél een levendige maandagavond was. Toch, zoals gisteren in Barcelona heb ik het in Nederland nooit gezien. Het was niet eens zo’n zwoele avond, hoewel de thermometer 23º aangaf, en op de Moll de la Fusta, langs de oude haven, stond van de kruising met Laietana tot Colon één lange rij zwijgende auto’s. Het was, zo bewijst de foto, even voor één uur ’s nachts.

Waar ze allemaal heen gingen of vandaan kwamen? Geen idee. Misschien kwamen ze van het grote feest dat 36 uur lang op de Parallel is gevierd, de oude theaterboulevard van Barcelona die veel van zijn charme van vroeger heeft verloren; het feest was bedoeld om de straat en zijn bewoners weer wat zelfvertrouwen te geven.

Of misschien gingen de automobilisten naar één van de feestjes op het strand van Barceloneta. Wij waren er op de gezamenlijke verjaardag van Karin, Josefina en Naomi. Een soort botellón van twintigers, dertigers en veertigers (wordt wel een beetje erg zo, één van de oudsten op de party te zijn) en zo te zien waren wij niet de enigen. Het strand blijkt een geliefde plek een biertje of wijntje open te trekken en zelfs wat te eten, ook ver nadat de zon is ondergegaan. Nu moet het alleen nog écht warm worden, ook ’s nachts.

Trouwens, niets zo lekker om na middernacht op je fiets door de Barceloneta, over die Moll de la Fusta en door een enorm levendig Raval te rijden…

De dodenweg van Catalonië

Het bericht verbaast nauwelijks meer: vier doden vrijdag op de C-25, beter bekend als de Eix Transversal. Een vrij nieuwe weg, die nog geen 10 jaar bestaat, maar vanaf de opening al ‘alle nummers had’ (zoals de Spanjaarden zeggen, ofwel een zeer grote kans) om de meest dodelijke weg van Catalonië te worden. Tegen het advies van deskundigen in wilde de toenmalige regering geen vierbaansweg maken; het werd een tweebaans, met op enkele stukken zo’n vermaledijde derde baan, die in het midden, waar je van beide kanten mag inhalen. Ofwel een Russische roulette om te kijken wie er het laatst naar zijn rechterbaan terugkeert. Een weg vol bochten, tunnels en bruggen ook. Een drúkke weg vooral.

De Eix werd, na liefst 40 jaar twijfelen en discussiëren, in 2000 gebouwd om een snellere route tussen het centrum van Spanje en de grens bij La Jonquera te maken. Om de N-II ook te ontlasten, de tolvrije autoweg – een groot deel vierbaans, inmiddels – die veel vrachtwagenchauffeurs gebruiken om vanuit Madrid via Zaragoza, Lleida en Barcelona naar het noorden te rijden. Dus werd er een min of meer rechte lijn van Lleida (of Cervera, om precies te zijn) naar Girona getrokken en dwars door een soms prachtig landschap deze C-25 aangelegd.

Ik heb er een bloedhekel aan, hoef er gelukkig ook niet vaak over te rijden. Vol met vrachtwagens natuurlijk (zo’n 25% van het totale verkeer), en die kun je er moeilijk inhalen. Veel mensen proberen dat wel, ook als er een doorgetrokken streep is… De Eix Transversal heeft inmiddels een trieste balans opgebouwd van bijna net zoveel doden als de kilometers die de weg telt, 153.

Ruim driekwart van die doden vielen bij frontale botsingen, zoals die van deze vrijdag: twee vrachtwagens, waarvan één de bocht niet had kunnen houden, knalden op elkaar, twee personenwagens vlogen er nog eens achterop. Een dodelijke val, zoals op de foto rechts: vijf doden bij een ongeluk in 2005.

De weg kostte 440 miljoen euro. De kosten waren de redenen om er niet direct een vierbaansweg van te maken. Nu zijn ze bezig dat wel te doen. Extra kosten: 865 miljoen. Over goede planning gesproken. En de verdubbeling van de weg komt voor ruim 140 mensen te laat.