Tagarchief: barcelona

Eén op de drie Japanners wordt gerold

Dat Barcelona het grootste zakkenrollersparadijs op aarde is tonen elk jaar verschillende enquêtes weer aan, maar de cijfers die het persbureau Europa Press vandaag geeft zijn spectaculair. Sommigen lijken zelfs onwaarschijnlijk, maar als je regelmatig in de metro reist weet je dat ze best eens waar kunnen zijn. Het persbureau heeft statistieken van de buitenlandse consulaten in Barcelona gekregen, waar het personeel knettergek wordt van elle noodpaspoorten en andere papieren die het elke dag aan beroofde landgenoten moet afgeven. Veel Nederlanders (meer dan 10% van de toeristen die hier komen) zijn slachtoffer geworden, maar het lijkt dat de Japanners de kroon spannen: 30% van de toeristen uit Japan die Barcelona bezoekt wordt beroofd in de stad…  De Amerikanen doen het ook niet slecht; ze zijn lang niet de grootste groep toeristen die hier komen – de meesten zijn er slechts een dag voordat zij op het cruiseschip stappen – maar hun consulaat heeft in de eerste acht maanden van het jaar al 786 nieuwe paspoorten moeten uitdelen, zo’n honderd per maand. Duitsland zit al op meer dan 1.200. En van de Nieuwzeelanders die in Spanje worden beroofd, overkomt 80% dat in Barcelona. En de werkelijke aantallen, zeggen de consulaten, zullen nog wel hoger liggen.

Dat van die Japanners heeft natuurlijk een reden: zij lopen altijd over straat alsof ze denken dat niemand in de wereld slecht is. In hun oneindige naïviteit leuren ze met mooie camera’s en laten ze hun tasjes halfopen op de rug bungelen terwijl ze aan voorbijgangers de weg vragen. Wij, de inwoners van Barcelona, kunnen de zakkenrollers inmiddels eenvoudig herkennen. Niet per se vanwege hun afkomst, maar door de manier waarop zij kijken, hóe zij zogenaamd onopvallend naar de bezittingen van die nietsvermoedende toeristen gluren, en hoe zij bepaalde groepjes vormen die voortdurend met elkaar in contact staan. Japanners zien dat misschien niet, en je wordt er als toerist wel een beetje moe van als je tijdens je vrolijke uitstapje naar een mooie stad voortdurend alert moet zijn. Toeristen zijn gewoon niet alert, nooit. En de Barcelonezen zijn het zat die toeristen voor de zakkenrollers te waarschuwen, want dan riskeren ze bovendien ook nog eens een fysieke confrontatie met de dieven.

Die dubieuze faam van Barcelona verspreidt zich nu ook via Facebook: sinds maart bestaat er een groep, I know someone who got robbed in Barcelona, die inmiddels meer dan 1.800 ‘vrienden’ heeft en waarin mensen vertellen hoe ze beroofd zijn en tips geven hoe je dat kunt aangeven zonder voor een tafeltje met niet-Engels sprekende politieagenten in de rij te hoeven staan: je kunt op dit formulier op de website van de Mossos d’Esquadra alles invullen en dat papier dan op een politiebureau afgeven.

Toen Barcelona nog een stadscamping had

Dagelijks zitten er toeristen in treinen en bussen van en naar Barcelona die ergens aan de kust op een camping staan. Maar ze zitten wel steeds verder weg van de stad, sinds bijna alle campings in de buurt van Barcelona zijn gesloten. De minst bekende, maar wel het dichtste bij het centrum, was camping Barcino. Ik kan me nog goed de reuzeletters herinneren die op de witte muur aan de straat stonden geverfd. Het was een vreemde plaats voor een camping, aan de N-340, de oude zuidelijke uitvalsweg van de stad (toen er nog geen snelwegen waren), op de grens van de voorsteden l’Hospitalet en Esplugues de Llobregat bij wat nu de Carretera de Collblanc heet. Buurten waarin normaal nooit buitenlandse toeristen zouden komen. Barcino moet tot het einde van de jaren zeventig hebben bestaan. Vandaag, ter gelegenheid van de opening van de grote caravan- en kampeerbeurs die tot en met volgend weekeinde in Barcelona wordt gehouden, ging ik op zoek naar de laatste sporen van die stadscamping. Manolo, een buurtbewoner die ik in de kroeg aansprak, had thuis nog een foto van (een deel van) die witte muur liggen. En op internet zag ik de oude ansichtkaart, uit 1964, die een Parijzenaar via eBay voor één euro te koop aanbiedt.

Maar Barcino is niet de enige camping die in de buurt van de stad is verdwenen. De weg naar Castelldefels was een paradijs voor de kamperende Barcelona-gangers met maar liefst zeven campings, die ook nog allemaal aan het strand lagen. Veel Nederlanders zullen zich de zomers nog herinneren op campings met namen als La Tortuga Ligera (de lichte schildpad), La Ballena Alegre (de vrolijke walvis) en El Toro Bravo (de dappere stier), beesten die natuurlijk groot op de borden aan de Autovía werden afgebeeld. De andere campings, die eveneens zijn verdwenen (bijna allemaal door de uitbreiding van het vliegveld), heetten Cala Gogo, Albatros en Filipinas, en aan de overkant lag een preparkje dat zich El Cocodrilo Llorón (de huilende krokodil) noemde. Nu is er nog slechts één openbare camping over, Tres Estrellas in Gavà (de andere, Estrella de Mar, is van en voor leden), en ligt aan de noordkant van Barcelona op 15 kilometer El Masnou, een piepkleine camping in dezelfde plaats. Beide zijn in de zomer snel en vaak vol…

Het is feest in Barcelona

De stad is vrolijk deze dagen, heeft geen zin om te werken. Vrijdag was een vrije dag in Barcelona, stadsheilige Mercè was jarig, en drie, vier dagen lang is het feest. Mooi weer ook gisteren en vandaag, dat maakt het altijd leuker. Je moet het eigenlijk zelf meemaken, dus voor buitenlui eens een Barcelona-reis rond de 24ste september boeken. Muziek, theater, wijnproeverijen, herrie, traditie… alles is te vinden. Veel voor kinderen ook. Op dit moment, zaterdagavond, is de hete Correfoc bezig, een helletocht vol vuurspuwende duivels. Morgen het grote afsluitende vuurwerk, en de belachelijk druk bezochte Festa del Cel, met stoere straaljagers in de lucht; zelfs eentje in het oranje, van de Nederlandse luchtmacht. Hoop niet dat-ie wraak voor de WK-finale gaat nemen.

Waarom een wijkje Plus Ultra heet

Het mooie van het leven van stadschroniqueur is dat je bijna elke dag weer nieuwe dingen leert. Kwam vandaag terecht in een wijkje dat Plus Ultra heet. Nou ja, wijkje, drie straten met alledrie opvallende namen van drie vliegeniers, Aviadores geheten. Eentje ervan is Aviador Franco, en dat was de broer van de dictator; maar hij was een republikein en kwam al om het leven nog voordat zijn broer de Burgeroorlog had gewonnen. De drie waren de eersten die met een Spaans vliegtuig de Atlantische Oceaan overstaken, naar Argentinië. Dat was in 1925, twee jaar eerder dan dat Lindbergh het in zijn eentje deed en vier jaar nadat enkele Portugezen hen voor waren geweest. Hun vliegtuig heette Plus Ultra, een latijns begrip dat ‘steeds verder’ betekent en altijd een wapenspreuk van Spanje is geweest. Más allá, noemen ze dat hier.

De bescheiden huisjes in Plus Ultra werden rond diezelfde tijd gebouwd, dus had toen iemand het idee die helden met drie straatjes te eren; voor de boordwerktuigkundige was er trouwens geen straat meer over.

Dit weekeinde was het ‘dorpsfeest’ van Plus Ultra, met als hoogtepunt het druiven trappen door de kinderen uit de wijk. Want ooit stonden hier, op de flanken van de Montjuïc, huise wijnranken waar lokale wijn van werd gemaakt. Nu ligt Plus Ultra ingeklemd tussen hoge flats in een voor velen vergeten deel van Barcelona, aan de rand van de Zona Franca, waar je ook andere historische wijkjes als Can Clos en El Polvorí kunt vinden en huisjes kunt aantreffen die je in de stad niet meer verwacht.

Het feestje van Ryanair in Barcelona

Na jaren van praten, onderhandelen en ruzieën is Ryanair vandaag eindelijk op het vliegveld van Barcelona neergestreken. Opvallend, omdat de Ierse maatschappij meestal goedkopere vliegvelden op een wat grotere afstand van zo’n populaire stad aanvliegt, zoals hier tot nu toe het geval was met Girona en Reus en in Nederland met Eindhoven. Nu dus in El Prat, in dezelfde low-budget Terminal 2 als Transavia en Easyjet, en met 23 nieuwe vliegroute’s, waarvan 11 met andere Spaanse steden (stevige concurrentie dus voor Spanair, AirEuropa en Vueling) en 12 met de rest van Europa. Níet van en naar Nederland, trouwens. Het dichtste bij zal voor de meesten het vliegveld van Weeze bij Düsseldorf zijn, net over de grens, en anders Brussel-Charleroi.

Ryanair-baas O’Leary presenteerde zich in Barcelona op de dag dat bekend werd dat hij tot nu toe dit jaar verreweg de meeste passagiers van en naar Spanje heeft vervoerd, 12,3 miljoen. Voor het eerst in de geschiedenis is Iberia niet meer de grootste. De vroegere monopolist had al heel wat verloren sinds zij zich drie jaar terug bijna volledig uit Barcelona terugtrok en moet nu zien hoe een prijsvechter een historische overwinning heeft geboekt. Om het allemaal te vieren verkoopt Ryanair 500.000 tickets voor 6 euro om van en naar Barcelona te vliegen, maar al dat soort aanbiedingen, hoe toevallig ook, kunnen wij meestal niet vinden op de dagen dat we willen vliegen…

In ieder geval krijgt de T-2, al een jaar troosteloos stil en verlaten, er iets meer sfeer bij. Als je al die Britten sfeervol wilt noemen.

De Martin Bril van Barcelona

Het (voor)laatste ego-document, voorlopig, want anders lopen al mijn lezers weg. Eentje met ook nog eens een wel erg opschepperige kop. Maar een beetje bluffen kan geen kwaad. En een beetje ambitie ook niet. Wat voor een ambitie? Niet hogerop komen, dat doen anderen wel (zowel mijn nieuwe hoofdredacteur bij El Periódico als de net benoemde van het AD is pas 40 jaar, beide een stuk jonger dus), maar een andere ambitie: zo goed mogelijk proberen te schrijven. En zo veel mogelijk lezers proberen te trekken, misschien ook onder de Nederlandse kolonie in Barcelona, hoewel onze consuls en ondernemers liever de traditionele La Vanguardia lezen. Maar je weet nooit.

Maandag begint mijn nieuwe taak bij de krant. Eigen idee: voor Martin Bril spelen. Chroniqueur (staat wel zo sjiek, met ch en q) van Barcelona worden. Cronista, noemen we dat hier. Vier keer per week de stad vangen in een lange column, een kroniek. Het dagelijkse leven, de mensen op straat, de verhalen die er toe doen. De stad is groot, zo groot, en herbergt zo onwaarschijnlijk veel verhalen. Soms hoef je ze niet eens te horen, kun je ze gewoon zién. Observeren en dat in detail beschrijven. Dat wat Bril zo goed kon. Ga hem natuurlijk niet evenaren, maar omdat dat van mij in het Spaans is is het gelukkig toch niet te vergelijken. En al kun je in het Spaans geen mooie woorden als ‘rokjesdag’ verzinnen, het vocubalaire is groot genoeg voor een mooi stuk – zal er wel wat nieuwe woorden moeten gaan bijleren. Maar ik ga ook nog een stukje vérder dan wijlen Bril: datzelfde verhaal ook in mijn eigen foto vangen. Neem die hierboven, gisteren gemaakt, tijdens een verkenningstocht op de fiets. Ontdek je altijd wat nieuws, zoals deze arbeidershuisjes in de Carrer del Clot, eind 19e eeuw, met de hypermoderne Torre Agbar op de achtergrond. En ben deze drie mensen op de foto gevolgd, naar de bar op de hoek. Stiekem naar hun vreemde verhaal geluisterd. Kan een mooie column worden, dus.

In de portretten over Martin Bril kwam ik vaak dezelfde naam tegen, de man die hij als zijn voorbeeld beschouwde. O. B. White, chroniqueur van New York. Direct zijn boekje besteld, natuurlijk. Geschreven in de zomer van 1949, een essay van nog geen 50 pagina’s, met een onwaarschijnlijke voorspelling trouwens. O. B. White ziet de eerste vliegtuigen boven Manhatten: “The city, for the first time in its long history, is destructible. A single flight of planes no bigger than a wedge of geese can quickly end this island fantasy, burn the towers, crumble the bridges, turn the underground passages into lethal chambers, cremate the millions. The intimation of mortality is part of New York now; in the sounds of jets overhead, in the black headlines of the latest editions.” Nogmaals, dit schreef hij in 1949…

Bril had gelijk, de man schreef prachtig. Ik probeerde het laatst een beetje, in El Periódico, over de heetste dag ooit in de stad, maar bleef er nog mijlenver van verwijderd. “Como si tuviese el desierto del Sáhara al otro lado de Collserola, un extraño aire abrasador agarró ayer a Barcelona por el cuello, le secó los ojos y le cortó la respiración. Se posó sobre la ciudad un calor diferente, nada mediterráneo. Calor del desierto, de la meseta, del sur.” (En er nou geen vertaalmachine van google of zo op loslaten, want dat verpest alles weer.)

Afijn, dat allemaal gaan we dus proberen, voorlopig elke zondag, maandag, woensdag en vrijdag. Schrijver Joan Barril neemt de andere drie dagen voor zijn rekening, maar we zullen ook wel eens van dag wisselen. Moeten we dus ook nog een beetje tegen elkaar op-schrijven dus, zoals Campert en Mulder lange tijd op de voorpagina van de Volkskrant. Komt de kwaliteit alleen maar ten goede, hopen we. En moet vooral de lezers bekoren, want daar doen we het voor. Altijd.

De heetste dag ooit in Barcelona

Iedereen zucht, steunt, blaast en heeft het erover: het is heet, het lijkt heter dan ooit, dit hebben ze nog nooit meegemaakt. En ze hebben gelijk, de inwoners van Barcelona. Vanmiddag is het warmterecord in de straten van de stad gebroken. De officiële thermometer van Meteocat (de Catalaanse KNMI, zeg maar) in de wijk Raval bereikte even voor half vijf vanmiddag de 39,3 graden. In de stad zelf was het nooit heter geweest dan 38,5º, in augustus van 2003, toen een lange hittegolf voor talloze doden in half Europa zorgde.

De ‘schuld’ van die hitte van vandaag is een stevige bries die afkomstig is uit Noord-Afrika en in zijn vlucht over oost-Spanje steeds verder verhit is. Aan de Costa Blanca kwamen ze boven de 40º vandaag, wat aan zee niet normaal is, omdat het water de luchttemperatuur meestal iets lager houdt dan in het binnenland.

Het absolute record in Barcelona is trouwens een 39,8º van juli 1982, maar dat werd gemeten in het Observatorio Fabra, dat op de Tibidabo ligt en meestal andere waarden registreert dan beneden in de stad zelf gelden. Dus de 39,3 van vandaag is het warmste ooit in het centrum van Barcelona, waar de conciërge van het hotel Majestic ondanks die temperatuur tóch bleef lachen in zijn belachelijk warme en lange jas met stropdas…

De N-340: de langste weg van Spanje

Voor de mensen die graag een leidraad voor hun reis hebben. Én voor degenen die vooral van de costa’s en minder van het diepe binnenland houden, al kom je op deze route alle mogelijke landschappen tegen en kun je ook op 20 kilometer van de kust al rustige dorpjes of verlaten natuurgebieden aantreffen. Ik deed de reis in 2002, mede als project voor de zomerbijlage van El Periódico én om twee kleine kinderen (met 3 maanden vakantie) in ieder geval een maand te vermaken en een soort vakantie te bieden terwijl papa zijn (aangename) werk deed. We trokken ruim 30 dagen met een gehuurde camper langs de N-340, van kilometer nul bij Cádiz/Chiclana de la Frontera tot kilometer 1254 op de grens van l’Hospitalet de Llobregat en Barcelona; daarna verdwijnt de weg op de Carrer de Sants. Het is de langste weg van Spanje en, ideaal voor zo’n zomerreportage, eentje die bijna volledig langs de kust loopt. Campings genoeg ook, om de camper te parkeren en, tussen het schrijven door – één paginagroot verhaal per dag – van het zomerse leven te genieten. Zo ontdekten we mooie en minder mooie campings in Chiclana, Tarifa, Nerja, Almería, Torrevieja, Benicàssim en een lang etcetera, met één heel bijzondere: Els Alfacs in Alcanar, de camping aan de zuidrand van Catalonië waarover in 1978 een tankwagen zijn brandende lading uitstortte, een ramp die ana meer dan 200 kampeerders het leven kostte. Mooie camping, trouwens.

Op zo’n reis ontdek je de volledige diversiteit van Spanje, hoor je ook mooie verhalen (althans, daar ben je als journalist naar op zoek), zoals die van de vier vriendjes die bij toeval in de jaren vijftig de grotten van Nerja ontdekten; nu zijn zij een mooie toeristische trekpleister (de grotten, niet die jongens van toen. Eén van hen leidde me rond, heeft voor eeuwig gratis toegang). Spaanse taallessen in Vejer de la Frontera, de man van het barretje op de weg bij Tarifa waarvandaan je Marokko ziet liggen, een zwerver met rolstoel in Marbella, een oud-stierenvechter met een imposante cortijo bij Algeciras, de kassen van El Ejido, de woestijn van Tabernas, een Nederlandse vrouw met reuma die in de droogte van Murcia was gaan wonen, de historische stuwdambreuk van Tous in 1982, de restaurants voor vrachtwagenchauffeurs bij Castellón, de grote bordelen ook… En zou je nog een keer gaan, dan zou je weer andere, nieuwe, bijzondere verhalen opdoen. Hieronder een kort overizchtje van de N-340 in foto’s…

Spaanse lessen voor buitenlanders in Vejer de la Frontera.

Zicht op Marokko vanaf de Mirador del Estrecho bij Tarifa.

Miguel Muñoz bij het gaat waar hij de grotten van Nerja spelenderwijs ontdekte.

Het strand bij het nudistencomplex van Vera.

En, tot slot, het dorpje Tous bij Valencia. De witte tegel tussen beide balkons geeft aan tot wáár het water kwam te staan toen in oktober 1982 de enorme stuwdam brak, echt zo’n beeld van een nachtmerrie die de bewoners nog goed kunnen navertellen – behalve de 12 die om het leven kwamen. Er was tussen de 450 en 1.000 mm regen in 15 uur gevallen, door een fout waren de sluizen van de dam niet opengezet om water van de Jucar-rivier te laten wegstromen en het beton kon de druk uiteindelijk niet meer aan. Een gigantische tsunami stortte zich over de vallei en het was nog een wonder dat er maar 12 doden vielen; de meeste mensen waren al geëvacueerd.

Barcelona raakt niet leeg meer

1 augustus. Vroeger de grote leegloop, alles dicht in de stad, een hete woestijn van asfalt zonder mensen, nauwelijks een oasis te vinden, restaurants en barretjes gesloten, lange file’s op de wegen. Alles is anders, nu. Vandaag, een hete zondag, was Barcelona buiten het toeristische centrum wel helemaal leeg, maar da’s normaal. Morgen wordt het maandagse ritme weer opgepikt. Er is wat meer vakantiespreiding dan vroeger, niet iederéén hoeft of moet meer de hele maand augustus op vakantie. Maar er is een andere, belangrijkere reden: ruim 4,5 miljoen werklozen, dat merk je ook aan de vakanties. Geen reis meer (nog geen 10% van de Spanjaarden placht in het buitenland vakantie te vieren, dus dat zullen ze niet missen), voor een Barcelonees wordt het nu het strand of het zwembad in de wijk (op de foto dat van Carmel en Vall d’Hebron, aan het Plaça de la Clota, met grote grasvelden om te zonnen) in plaats van een mooi baaitje aan de Costa Brava. Velen zullen, zoals elke zomer weer, naar het dorp van herkomst in Andalusië, Extremadura of Galicië gaan; ook goedkoop, bij familie logeren. Maar de stad is al jaren niet meer die grote leegte van vroeger. Komt deels door de toeristen (wat zijn er weer veel, heel veel! Crisis? Geen crisis!), deels door de mensen die thuis blijven.

En dus is er ook meer te doen dan vroeger, gaat niet alles dicht, doen bars en restaurants goede zaken, moet je de blauwe parkeerzone in en rond het centrum gewoon blijven betalen (in de rest van de stad niet!) en wennen de kinderen eraan verkoeling te zoeken bij de fonteintjes op de pleinen van Grácia, waar ze nu de hele zomer met andere thuisblijvers moeten spelen. 

Voor degenen die wél reizen (Nederlanders kunnen er maar geen genoeg van krijgen), vanaf morgen wat vakantietips in/uit Spanje, met foto’s uit de (oude) doos, al zijn ze bijna nooit van augustus: juist de maand om níet hier op vakantie te gaan. Tips die te laat zijn voor de zomer van dit jaar, maar misschien voor volgend jaar bewaard kunnen worden. En goed zijn om in deze zomerse sfeer te blijven…

Nederland-Spanje; we vinden elkaar wel leuk

De Tachtigjarige Oorlog kennen we alleen maar uit de geschiedenisboeken, veel Nederlanders weten niet eens meer wie die Alva nou was en na Frankrijk is het ook nog het populairste vakantieland voor de Nederlanders. Onze enige traumatische ervaring met Spanje is dat je als klein kind vreesde dat Zwarte Piet je wel eens in een zak naar dat verre land kon meenemen. Dat wordt dus puur genieten, zondag, over en weer, van voetballers en teams waaraan we, wederzijds, geen enkele hekel aan hebben.

Gisteren ben ik even op pad geweest om zowel de oranje-koorts in Barcelona als die ‘rivaliteit’ te ontdekken. Kwam ik, onder anderen, terecht op de boulevard Joan de Borbó, waar twee totaal verschillende zaken naast elkaar zitten: El Suquet del Almirall van Quim Marqués, heel aardige en uitmuntende kok waarvan ik thuis een boek over La cuina de la Barceloneta heb staan (heerlijk recept van met prei en paddestoelen gevulde inktvissen!) en die net een nieuw boek over klassieke visgerechten aan de Spaanse kust heeft uitgebracht, en naast hem Foc van Marcus de Pijper. Het zijn buren en Marcus huurt zijn tent ook nog van Quim. Quim is Catalaan maar fanatiek voor Spanje, zondag, want het is gewoon Barça dat speelt. Maar hij vindt die Nederlanders wel aardig, en omgekeerd. Hieronder een deel van het verslag dat ik voor het AD schreef:

Het halve dozijn ‘Nederlandse’ kroegen in Barcelona was bij de laatste wedstrijden van Oranje al te klein. Honderden bezwete, allemaal in het oranje uitgedoste landgenoten, over het algemeen een jong publiek, kwamen bijeen in barretjes met de namen Amsterdam, Rembrandt, Foc, Gran Foc en Nakupenda. Al jaren ontmoetingsplaatsen voor velen, deze maand bedevaartsoorden om de wedstrijden van het Nederlands elftal via de NOS en met het commentaar van Frank Snoeks en Jeroen Gruter te zien en te beluisteren.

Hoewel, luisteren. Het kabaal en de drukte waren meestal zo groot, dat het bij kijken bleef, en juichen, zuchten en vloeken. “Een gekkenhuis. Al vanaf de eerste wedstrijd was het vol, maar per ronde kwamen er nóg meer mensen bij,” zegt Vincent Solleveld, één van de eigenaren van de Bar Amsterdam, die op een gegeven moment zelfs mensen moest weigeren. Vol was vol. (Vincent zit nu zelf in Zuid-Afrika, trouwens, met compaan Dirk…)

Na de winst op Brazilië speelden er zich bovendien ongekende taferelen af: de Oranje-supporters vlogen de kleine kroeg uit en liepen de brede achtbaansstraat Aragó op, waar zij uitzinnig de lokale automobilisten begroetten en vrolijk getoeter als antwoord kregen.

In de genoemde barretjes zijn de beste plaatsen al sinds dagen gereserveerd. ,,Aan elk tafeltje hebben we een TV-scherm en die plaatsen zijn toch vooral voor de vaste gasten, die het hele jaar door komen. Zij dineren dan tijdens de wedstrijd,” zegt Marcus de Pijper van Foc en Gran Foc. Boven de eerste bar, aan de haven, hangt een Nederlandse vlag met ‘Holland House’ erop. Binnen zijn er zeven TV-schermen.

“Dit is natuurlijk een droomfinale voor ons, Spanje-Nederland. We wilden nooit alleen maar Nederlands publiek trekken, maar op avonden als dit is het natuurlijk wel leuk,” aldus De Pijper. “De avonden dat Mexico speelde zat het vol met Mexicanen,” zegt Solleveld, die net als de meeste Nederlanders in Barcelona nog wel voor Oranje is. “Maar mijn zoontje Lucas loopt met een Spaans shirt van Pedro rond…”

Naast Foc zit het bekende visrestaurant El Suquet del Almirall, waar kok en eigenaar Quim Marqués zijn liefde voor het Spaanse team uitspreekt. “Eigenlijk is het FC Barcelona dat speelt, met al die jongens van hier. En zó goed, hè? Nederland heeft geen schijn van kans zondag,” lacht Marqués, die de goede verstandhouding met buurman (en huurder) Marcus benadrukt. “Het is goed volk, die Hollanders. Mijn vader had een camping aan de Costa Brava, 30 jaar geleden, en daar hebben we wat Nederlandse vrienden aan overgehouden. En eigenlijk is het voetbal van Spanje het voetbal dat Nederland vroeger speelde.”

Daarom heeft Oranje wel meer fans onder de Catalanen. Sommigen om politieke redenen, omdat zij Spanje niet als hun land beschouwen, en anderen uit bewondering. “Het voetbal is Nederland iets verschuldigd, sinds 1974,” zegt journalist Joan Domènech. “Dus als Oranje van Spanje wint, dan zal me dat iets minder pijn doen dan wanneer het een andere tegenstander was geweest.”