Het gaat door! Zo begint Pascal Jorritsma zijn persbericht van vandaag. Ik neem het maar letterlijk over. Samengevat: zondag een groot scherm voor de Nederlandse kolonie in het Poble Espanyol, metro Espanya en tien minuten lopen… Vanaf 17 uur, entree 20 euro.
Tagarchief: barcelona
’n Biertje na het theater
Veel mooie dingen verdwijnen, zeggen de nostalgische geesten. Ik zal nooit de pizzeria Rivolta in de Raval vergeten, eentje waar ik bij elk bezoek in de jaren tachtig aan Barcelona wel eens kwam. Goedkoop, een soort rovershol, alternatief en bovendien heerlijke pizza’s. Het was, sinds de opening in 1977, één van de ontmoetingsplaatsen van de anarchistische beweging van Barcelona. Hij zat aan de carrer Hospital en als ik geluk had kon ik de auto, een blauwe Renault-9, soms op 30 meter in een klein steegje parkeren. Dat deed ik liever, in die tijd, dan de halve straat door te lopen, een gure buurt als je er om één uur ’s nachts uit de pizzeria kwam. Veel is er veranderd, sindsdien. Het gebouw bestaat niet eens meer, stond ongeveer op de plek waar nu de Rambla de Raval de straten Carme en Hospital ‘raakt’, een open ruimte nu. Soms mis ik Rivolta een beetje, ook al omdat hij ‘ineens’ was verdwenen, zonder tijd te geven om afscheid te nemen.
Maar er zijn dingen die de vooruitgang wel weerstaan. Bar Raval is er zo één. Niks bijzonders, eigenlijk, behalve de enorme flamenco-pop aan de ingang en het ontspannen sfeertje. Maar zo’n tent die, eenmaal ontdekt in de jaren tachtig, je blijft trekken, al is het maar heel sporadisch. Raval was, en is nog altijd, de plaats om na een avondje theater af te spreken en een biertje of glas wijn te pakken. Ook acteurs en regisseurs zelf komen er graag, als ze ergens in de buurt, of in één van de theaters aan de Parallel, hebben gespeeld. Oh ja, het adres: Doctor Dou, om de hoek bij het Macba…
Oranje-gekte in Barcelona
Kon natuurlijk niet uitblijven: vriend belde vanuit Café Amsterdam, was er net opgestaan uit zijn royal seat voor het grote scherm en rende, net als meer dan honderd anderen, de ongelooflijke hitte van de bar uit om in de iets minder grote hitte van de straat de overwinning op Brazilië te vieren. “Een gekkenhuis,” gilde hij, maar hij kon mij verder niet verstaan. Je ziet hier in Barcelona veel meer shirtjes van Brazilië en, vandaag, Argentinië dan van Nederland, maar nu kreeg het oranje even de overhand. Gekte op de Carrer Aragó, waar de mensen uit ‘Amsterdam’ die uit Dow Jones troffen, nog zo’n tent die enorm oranje kleurt bij voetbalwedstrijden en waar men wanhopig probeert met bier het in zweet verloren gegane vocht weer op peil te brengen. Ander egroepjes trokken naar Foc of Gran Foc… Het zal zich dinsdagavond ongetwijfeld herhalen, die volle bak in de ‘Hollandse’ kroegen, ook al omdat de meeste WK-wedstrijden hier slechts via een decoder zijn te zien.
Het geheim van de pleinen
De straten zijn bijna altijd druk, iedereen is er onderweg, van links naaa rechts, van boven naar beneden. Straten zijn vluchtig, we zijn er allemaal passanten, momentopnamen. Pas op de pleinen staan we stil, gaan we zitten, komen we tot rust. Op de pleinen vindt ook meestal het echte leven plaats, van de jonge spelende kinderen tot de kwebbelende of dommelende bejaarden, 80 jaar leven in een notendop. Op een plein is ook bijna altijd een terras, een barretje, een restaurant. (Las zaterdag trouwens met verschrikking een reportage in NRC Handelsblad over Vinex-wijk Leidsche Rijn; het stond slechts in een tussenzin, maar toch: er staan na 10 jaar al meer dan 20.000 huizen, ‘maar er is nog geen horeca…’ Een stad zonder barretje, hoe kan dat? Misschien, en dat zou best kunnen, zijn er ook geen pleinen. Nieuwe pleinen zijn bovendien verdomd moeilijk goed aan te leggen, kijk naar het Museumplein in Amsterdam.) Maar dit gaat over de pleinen in Barcelona. Er is net een leuk boekje over uit, de geheimen van enkele van de tientallen pleinen, met anecdotes, verhalen over de oorsprong van de naam. Wel in het Catalaans, trouwens. Er komen veel bekende, maar ook onbekende pleinen in voor. Hieronder een paar van mijn favorieten, buiten die ik al eerder op mijn weblog heb genoemd, zoals topper Sant Felip Neri, Sant Agustí Vell of toch nog altijd de Plaça Reial (of Real), het relatieve rustpunt aan de Rambla. En tips zijn natuurlijk welkom!
De Plaça de Prim, nog een stukje autenticiteit in een voor een groot deel gesloopt Poblenou. Prachtpleintje met zijn drie Argentijnse bomen, de bellasombras of ombús, en nu de zomer eindelijk gekomen is het terras van Els Pescadors.
Vlak achter de boulevard Joan de Borbó en toch zo weinig bezocht: ruimte, een historische tapastent (Can Ganassa) en een goed restaurant, Botavara, waarvan eigenaar Joan me eens zei dat hij de 1.800.000 hondenrassen van de wereld kent “want al die honden zijn hier wel eens langsgekomen”.
Het plein Duc de Medinaceli is een kleine oase aan de drukke Passeig de Colom en vooral bekend onder de mensen in Barcelona omdat het bevolkingsregister er zich bevindt. Vooral indrukwekkend door zijn enorme palmbomen en de oude gebouwen. Even verderop het leukste pleintje van El Born, de Plaça de les Olles, met twee, soms drie leuke terrasjes en vooral het idee dat Barcelona soms nog een dorp is.
Heel goed verstopt achter het oude postkantoor, toegankelijk vanuit liefst vijf smalle straatjes, kun je op het Plaça dels Traginers, in de Gothische wijk, iets drinken of eten bij La Luna de Jupiter in de schaduw van een deel van de oude Romeinse muur van Barcelona.
Gràcia is de wijk van de pleintjes; tallozen zijn er, ze hebben zelfs al eens een eigen boek gekregen. Keus genoeg, bijna allemaal even leuk. Als voorbeeld de eerste die ik ooit ontdekte, de terrasjes op de hoek van de Plaça de la Virreina, waar, zoals op zoveel pleinen, een kerk staat.
En je hoeft niet in het centrum te blijven om leuke pleinen te vinden. Alle historische wijken (Les Corts, Sants, Horta) waren vroeger aparte dorpjes en hadden dus hun eigen centrale plein, zoals dit Plaça Major de Sarrià, één van de verschillende pleinen in deze luxe wijk die je elke middag en op zondagochtend een prachtig levendig beeld van de buurtbewoners bezorgen.
Het leukste terrasje van de stad
Dat van dat ‘leukste’, dat is natuurlijk heel persoonlijk. Iedereen heeft z’n favoriete plekken. En dit is er niet eens één waar ik heel erg veel kom. Maar juist dat sporadische, dat maakt elk bezoek weer extra aangenaam. Zeker op dagen als deze, met net als in Nederland mooi strandweer.
Joanet zit al sinds mensenheugenis op de Plaça Sant Agustí Vell, dichtbij de markt Santa Catarina, op het einde van één van de leukste straten van de binnenstad, Carders. Joan en zijn vrouw bleven ook open toen dit pleintje, zo’n 10 tot 15 jaar geleden, een no go area was. De drugshandel tierde er welig, nooit zette hier enige toerist zijn voet en de lokale bewoners waren doodsbenauwd voor de handelaars en junks. Joan klaagde vandaag nog altijd over de chusma, het tuig dat hij elke dag voor zijn terrasje ziet hangen, maar tóch is ook hij intens verliefd op deze plek, onder de schaduw van de torenhoge almeces, die we als de ‘Europese netelbomen’ zouden moeten vertalen.
Bij Joanet eet je authentiek, uitstekende tapa’s maar ook, doordeweeks, een prima menu. Met mensen uit de buurt, klanten sinds tientallen jaren, en wat verdwaalde toeristen. Bejaarden en jonge gezinnen. Het is er net alsof je, middenin de stad, op 5 minuten van het Picasso-museum, ergens op een Spaans dorpspleintje zit. En ondanks dat ‘tuig’ dat Joan altijd ziet, is het er redelijk veilig geworden; veiliger dan op de Rambla, denk ik. Wat stadsvernieuwing in de directe omgeving en vooral het nieuwe leven dat deze wijk door talloze winkeltjes is ingeblazen hebben een positief effect gehad.
Zit Joanet vol, en die kans is groot, dan kun je trouwens ook aan de overkant, bij l’Económic. En ’s avonds voor een biertje bij een beruchte bar op de hoek, Mundial.
Een asgrauwe wolk boven Barcelona
Regelmatig vragen collega’s op de krant nog of dat niet lastig en vervelend is, werken in Barcelona en wonen in Sitges. ‘Al dat reizen,’ zeggen ze dan. De afstand is 45 kilometer, 37 minuten met de trein, een half uur in de auto buiten de spits. Binnen de stad zelf zijn sommigen langer bezig op de krant te komen, zeg ik dan. Maar een misschien nog beter argument is bovenstaande foto, op een zonnige dag vanuit mijn auto genomen op de snelweg C-32 ter hoogte van Viladecans. Dát, die asgrauwe wolk, is wat je de hele dag inademt als je in Barcelona werkt én woont. Het verkeer, de industrie, de huizen: zo’n metropool veroorzaakt een enorme luchtverontreiniging en op windstille dagen blijft dat vuil heerlijk de hele dag boven de stad hangen. Als je zelf in de stad bent, heb je nauwelijks in de gaten dat de hemel er net iets mínder blauw is dan in Sitges, of elk ander plaatsje dat verder verwijderd van de grote stad ligt.
Barcelona is heerlijk, fantastisch, vooral als je vermijdt er met de auto het verkeer én je eigen geduld te trotseren. Maar ongezond, zoals de laatste cijfers bewijzen: het lukt maar niet de uitstoot van smerige deeltjes te verminderen en al is de EU-norm dat we in 2010 in alle grote Europese steden minder dan 40 microgram/kubieke meter stikstofdioxide (het daggemiddelde) moeten inademen, op veel drukke plaatsen in de stad (en in voorsteden als Sabadell, Mollet del Vallès, El Prat de Llobregat) wordt die NO2-limiet nog ruim overschreden. In de Eixample komen ze tot 62, tussen Gràcia en Sant Gervasi tot 63.
Een veel grotere stad wil trouwens niet direct betekenen dat er ook veel méér vervuiling is dan in kleinere steden: langs de A-10 bij Amsterdam-West ‘slikken’ de inwoners 64 mcg/m3 NO2, op de Haarlemmerweg 61 en in de Jan van Galenstraat 57…
Moet ik nog antwoord geven op de vraag of het niet vervelend is op 45 km van Barcelona te wonen?
Nostalgisch verlangen naar het oude Zurich
“We zien elkaar bij Zurich.” Meer hoef je in Barcelona niet te zeggen. Duizenden, miljoenen mensen hebben met elkaar afgesproken bij Zurich – spreek uit Zoerietsj – sinds het beroemdste, want meest centraal gelegen terras van de stad op 30 november 1920 zijn deuren opende als koffiehuis van het ondergrondse treinstation. Vanaf die eerste dag is Zurich in handen geweest van de familie Valldeperas en in die bijna 90 jaar is de zon er bijna nooit ondergegaan, want de ligging op het zuiden is ideaal.
Maar toch, voor ons, de ‘veteranen’ die het oude Zurich hebben meegemaakt, is het terras nooit meer hetzelfde geweest. Binnen wel, daar is de oude stijl redelijk geslaagd gehandhaafd. Maar dat terras, dat gouden terras waar geliefden, onbekenden, toeristen, immigranten en gepensioneerden altijd afspraken, dat terras is nooit meer hetzelfde geweest.
Hoe een terras zijn charme kan verliezen? In de eerste plaats door het vijf keer zo groot te maken. Vroeger stonden er alleen drie rijen tafeltjes met schattige parasols tegen de gevel aan. In de jaren negentig werd de stoep aan de kant van de Plaça de Catalunya enorm verbreed en kon Zurich er uitbreiden. Goed voor de business natuurlijk. Ook de façade zelf is zijn aantrekkingskracht kwijt. Tussen 1996 en 1998 werd deze hele ‘gouden’ driehoek platgegooid om er het huidige Triangle-winkelcentrumpje te bouwen. Even vreesde iedereen dat Zurich helemaal zou verdwijnen, maar de historische bar mocht op dezelfde plaats blijven voortbestaan. De obers die er al tientallen jaren werkten – en sommigen nog steeds -, José, de broers Antonio en José María, Manuel, Celestino en, achter de bar, Trinidad, die kregen twee jaar doorbetaald en genoten even van het leven voordat zij op hun gebruikelijke, afstandige en soms hautaine manier de toeristen weer van koffie en bier gingen voorzien voor prijzen die, trouwens, zeer schappelijk zijn in vergelijking met, bijvoorbeeld, die van de terrasjes op de Rambla. En je wordt bij Zurich niet in de maling genomen: als je een biertje bestelt, krijg je een tubo of een mediana, voor iets meer dan 2 euro en niet direkt een halve liter voor 8,50 euro.
Gezeik van automobilisten
De brievenrubriek van de krant zal de komende dagen wel weer volstromen met boze commentaren van automobilisten die vanochtend urenlang in de straten van Barcelona hebben vastgestaan. Ik kwam er twee tegen, die hun garage op Rocafort uit wilden rijden, op weg naar een typische zondagsexcursie of familiebezoek, en op de stoep al moesten stoppen. Voor hen een lang lint van hardlopers die net een uurtje op weg waren in de marathon van Barcelona.
Weet in marathon-paradijs Rotterdam iedere bewoner wel dat de massale marathon bij hem voor de deur langskomt, net als in Londen, New York en Berlijn, in Barcelona kost het nogal moeite de niet-lopers te overtuigen van het feit dat zo’n evenement geen hinder is, maar een volksfeestzou moeten zijn. Maar het begint te komen, het aantal deelnemers groeit met het jaar (de 12.162 van vandaag waren weer 25% meer dan in 2009), de supporters op straat nemen toe en eigenlijk is de marathon door de stad nog heel jong. Nog geen 10 jaar geleden verhuisde de koers van een lange en saaie route langs de kust, van Mataró tot Barcelona, naar een volledige stadsroute langs alle monumenten en door het centrum, zoals op de foto boven de Carrer Ferran, op de hoek waar de lopers de Rambla oplopen.
Misschien komt er ooit een dag dat iedere automobilist in Barcelona weet dat hij of zij de eerste zondag in maart die auto thuis moet laten staan, in ieder geval tot na het middaguur. Want al was de winnaar, de Keniaan Jackson Kotur, sneller dan ooit een marathonloper in Spanje was geweest (2.07.30, de vierde beste tijd van het jaar), de sjokkende achterhoede had tot zes uur de tijd om de finish onderaan Montjuïc over te strompelen.
Luxe eten voor 25 euro
Officieel is het restaurant van Mey Hofmann een Escuela de Hosteleria, wat je als Hotelschool zou kunnen vertalen. Jonge koks leren er koken. Kun je daar lekker eten? Nederlandse voetballers als Patrick Kluivert en Phillip Cocu vonden van wel; ze waren er vaste gast. En ze waren/zijn niet de enigen. Hofmann, midden in El Born, heeft een dikverdiende Michelin-ster, maar zit dus wel aan de prijs. Dat verandert echter, even, vanaf morgen.
Van 20 tot 28 februari viert Barcelona zijn Restaurant Week: bij tientallen anders toch wat duurdere restaurants kun je deze acht dagen een ongetwijfeld uitstekend menu van 25 euro krijgen. De prijs is eigenlijk 24 euro, en die ene extra euro gaat naar een stichting voor blindegeleidehonden. Welk restaurant? Keus genoeg op de lange lijst; de meeste ken ik niet persoonlijk, dus iedereen moet maar op zijn eigen smaak afgaan. Qua kwaliteit is Hoffman een aanrader, net als Saüc en Petit Comité, het Xalet de Montjuïc doe je om het uitzicht op het enorme terras (moet het wel even wat beter weer worden), naar Icho ga je voor een sjieke Japanner, voor vis naar Cal Pintxo en El Cangrejo Loco, Blanc en East47 zitten in luxe hotels (het gloednieuwe Mandarin op de Passeig de Gràcie en Claris), heel modieus schijnen Libentia, Gresca en Hisop te zijn, maar mijn favoriet, zeker op zwoele avonden, blijft Els Pescadors, om het eten, het terras op het goed verstopte Plaça Prim en de omgeving, de oude resten van het Poble Nou.
Oase in het midden van de rotonde
Het is een kleine, vreemde oase van relatieve rust temidden van de verkeersgekte op de Gran Vía. Typisch zo’n plaats waar toeristen, maar ook Barcelonezen zelf weinig komen, want wie zoekt nou het midden van een drukke rotonde op? (Ooit werd er eens een lijk in het hoge gras van zo’n rotonde, die van Francesc Macià aan de Diagonal, ontdekt door een plantsoenwerker; het lichaam lag er al enkele dagen, terwijl er dagelijks tienduizenden auto’s en volle bussen langs waren gereden.) Dit, op de foto, is het centrale deel van de Plaça de Tetuán, waar de Gran Vía de in potentie majestueuze, maar hopeloos verwaarloosde Passeig de Sant Joan kruist.
Er is een kinderspeelplaats, er staan bankjes om te rusten of even wat te eten (wat veel kantoorlui uit de omgeving tussen de middag doen), er zijn soms dieven op zoek naar tasjes en er staat een enorm beeldhouwwerk, één van de minst bekende van Barcelona.
Het is een eerbetoon aan Bartomeu Robert i Yarzábal, die slechts heel even, tussen 1899 en 1901, burgemeester van de stad was. Hij was ook arts, maar vooral bekend als politicus, één van de eerste voorvechters van een onafhankelijk Catalonië. Zijn begrafenis in 1903 werd een massale manifestatie van rouw. Al een jaar later werd een begin gemaakt met het monument, ontworpen door Josep Llimona, dat zijn twee facetten laat zien: aan de ene kant die van arts, in de vorm van een vrouw die kinderen troost. Aan de andere kant ‘de stem van Catalonië’, ofwel een dichter, een priester, een ijzerwerker en een maaier, onder anderen. Die maaier staat voor de strijd om onafhankelijkheid en geeft naam aan het volkslied, Els Segadors.
Het monument werd aanvankelijk op de Plaça de Universitat gebouwd, maar daar natuurlijk door de mannen van Franco verwijderd. In 1988 werd het op de huidige plaats weer opgebouwd.
Trouwens, Doctor Robert heeft ook sinds 1907 een standbeeld in mijn Sitges, waar zijn voorouders vandaan kwamen. En hij moet niet verward worden met de Doctor Robert die in 1905 op de hoek van de Passeig de Gràcia met Diagonal zijn prachtige, strakke Palau Robert liet bouwen met de rustgevende tuinen aan de achterkant.

















