Het plaatje ziet er prachtig uit: vrolijk en romantisch stel in een grappig wagentje op een rustige straat op de Montjuïc, met de in de zon blakende stad op de achtergrond. Het plaatje wat ik zojuist zag – helaas geen foto kunnen maken – was minder idyllisch: een bestuurder van zo’n GoCar in een ambulance getild en zijn wagentje verfrommeld op de hoek van Passeig de Gràcia met Consell de Cent op een toch qua verkeer rustige zaterdag. Het lijkt me een onding, deze uitvinding om de stad te ontdekken. Het autootje heeft een GPS-systeem dat je automatisch langs de belangrijkste monumenten leidt, maar je moet dat doen tussen het gewone verkeer. De GoCar is echter zó laag, komt nog geen meter boven de straat uit, dat automobilisten en vooral buschauffeurs het ding soms amper zien. En als de bestuurder ook nog onbekend is met Barcelona en de instructies van zijn TomTom op het laatste moment opvolgt, krijg je gevaarlijk slingerende taferelen door de stad.
Nee, geef mij de fiets dan maar – ik heb het al vaker gezegd en geschreven. Er zijn inmiddels talloze bedrijfjes die toeristische fietstochten door Barcelona organiseren en dat blijkt zo’n succes dat één van de pioniers, Baja Bikes, die meestal op de opvallend oranje fietsen van Budget Bikes zijn tours uitvoert, inmiddels een heuse ‘multinational’ is geworden: Eric en Rigtmar hebben filialen in Madrid, Valencia, Sevilla, Londen en Rome geopend.

De vraag naar fietstours is in de zomer het laagst, waarschijnlijk omdat de meeste mensen het te warm vinden om drie uur lang te fietsen. Dan is de grappige, ook in Amsterdam rijdende Trixi een aardig alternatief. Redelijk nieuw in het straatbeeld zijn de steps, ogenschijnlijk ook al in georganiseerde tochten. Maar voor wie zich het minst wil vermoeien en in één dag zo véél mogelijk van Barcelona wil zien blijft de Bus Turístic de beste optie; het is ook de duurste, dat wel, én je moet op de Plaça de Catalunya soms in een lange rij gaan staan – pak die bus dus op allerlei plaatsen behalve daar…








Een dag op een congres van, voor en over verkeersslachtoffers. Hakt er altijd wel in. Niet de koele statistieken, die in Spanje de laatste jaren steeds beter zijn: vorig jaar vielen net zo veel doden in het verkeer als in 1968 – en toen waren er veel minder auto’s. In Catalonië, met veel meer radars dan elders in het land, hebben ze in de laatste 10 jaar het aantal doden met 57% teruggebracht. Dat zijn de cijfers. Maar veel leerzamer zijn de verhalen, van Josep (op de bovenste foto rechts) of Xavi, op de foto onder met zijn twee maanden oude Enzo in de armen. De één zit al 16 jaar in een rolstoel, de ander net vier jaar. ‘Een lot uit de loterij, maar dan een zwart lot’, zei Xavi me. Hij deed niet gek, of onvoorzichtig op het moment van het ongeval. Gleed met 40 km/u op de
motor uit in een bocht met vuil op het asfalt en kwam met zijn rug tegen de paal van een vangrail aan. Josep was met de auto van de weg geraakt en er was niets met hem aan de hand totdat nog eens een andere auto achterop knalde. Ze lachen allebei op de foto, gelukkig, en gaan naar scholen om tieners hun verhaal te vertellen. Een verhaal dat effect heeft, hoop ik, bij jochies als mijn zoon die op hun brommer of scootertje scheuren. Ook spreken ze ‘wegmisbruikers’ toe, een les die waarschijnlijk harder aan komt dan een jolig TV-programma over hardrijders. Zo’n 6.000 Catalanen, bijna één op de duizend, komen elk jaar met zwaar verkeersletsel in het ziekenhuis terecht; dat cijfers is de laatste jaren nog nauwelijks gedaald.
Alleen al in Catalonië bestaan zo’n 2.300 van dat soort ‘buitenwijken’, waarvan er 1.500 in slechte staat verkeren. Want niks gebeurde officieel, met papieren of toestemming, toen ze werden gebouwd: er werden geen wegen aangelegd, noch licht, noch water, noch electra, noch vuilniswagen. Iedereen was zelfvoorzienend en het was ook wel idyllisch. Bovendien, de mensen kwamen er slechts de weekeinden, en dan heb je ook niet zoveel nodig.
Veel ervan liggen middenin de bossen en daar wordt dor en dood hout nooit opgeruimd, wat het brandgevaar nog groter maakt. Voor je het weet smelt tijdens een bosbrand een speelgoedhuis van de kinderen op het terras; maar als dat de enige schade is, valt het nog mee.
(Dat het moeilijk is die netjes te parkeren, daar gaat de studie verder niet over.) Liefst 48% van al die motorrijders heeft trouwens meer dan 10 jaar ervaring. Degene met de minste ervaring zitten in een vrij nieuwe groep van bestuurders van moderne scooters van 125cc; sinds vier jaar mag je daarop rijden met een B-rijbewijs, mits je al twee jaar ervaring met de auto hebt. Maar door hun onervarenheid met de tweewieler, waarop ze dus nooit een examen hebben hoeven afleggen, is dát de groep die relatief gezien het meest bij ongelukken is betrokken.
Ik zou graag, na 25 jaar, weer motorrijden, had als 17-jarige met proefrijbewijs al een toen stevige Honda 550. Maar deze cijfers overtuigen je ervan dat in Barcelona in ieder geval niet te doen. Ook de fiets is een kwetsbare tweewieler, maar je gaat er niet zo hard mee en valt dus ook minder hard. Bovendien kun je beter en sneller reageren. 
Twee vrijgezelle zussen, begin veertig, uit Barcelona waren toen al doodgevroren. Vreemd, vond iedereen, want als je een beetje voorbereid en met goede kleding de berg op gaat kom je echt niet in vijf, zes uur om van de kou. Bewijs is dat de andere drie vandaag het ziekenhuis hebben verlaten en geen blijvend letsel hebben. Brandweerlieden, burgemeesters en ervaren bergmensen zeggen het maar weer eens: het is een mirakel dat er niet meer doden in de bergen vallen, zo weinig voorbereid als sommige mensen de toppen opzoeken. Te dunne kleding, geen voedsel of water, slecht schoeisel, geen GPS. Je moet de bergen behalve adoreren en veroveren vooral respecteren en daar herinneren ze ons elk jaar wel enkele malen aan.
De Catalaanse bond presenteerde hem gisteren voor liefst 1.000 gasten als het boegbeeld van het Catalaanse voetbal. Nee, hier in Barcelona geen referenties aan de bijnaam ‘De Verlosser’. Nog één keer dan, voor de allerlaatste keer: Johan Cruijff heeft hier nóóit El Salvador geheten. Ik had eens een shirtje aan, gemaakt door zijn Foundation, waarop zijn portret van de jaren zeventig én die bijnaam stonden. Wat draag je in hemelsnaam? vroegen collega’s op de krant. Nou, zei ik, zo heette-ie toch? Hij kwam heel Catalonië toch redden, met onder anderen die historische 0-5 in het Bernabéu? Nee dus. Zelfs aan de oudere supporters gevraagd. Johan was nooit een verlosser, dat zou voor de trotse Catalanen net iets te veel eer zijn. Hij was gewoon El Flaco, de magere. En later, als trainer, noemden de spelers hem God. Maar daar zat iets ironisch in, omdat hij alles (beter) wist.
