Auteursarchief: edwin

Onbekend's avatar

Over edwin

Schrijver, journalist, fotograaf. Woon en werk sinds 1988 in en rond Barcelona.

De machtigsten op aarde, om de hoek

Dat wordt dus een heel gedoe, van 3 tot 6 juni bij mij om de hoek, op nog geen 1 kilometer van mijn huis. Daar ligt het luxe Hotel Dolce aan de golfbaan van Terramar, de plek die de heren (veel) en dames (weinig) van de Bilderberg-conferentie hebben uitgekozen om dit jaar hun ‘geheime’ vergadering te houden. Het hotel wordt van de buitenwereld afgesloten en het dorp zal vol met politie en geheim-agenten zijn, bovendien hebben anti-kapitalisten hun aanwezigheid aangekondigd.

Bilderberg is een prachtig fenomeen, oorsprong van talloze complottheorieën, vooral omdat er officieel nooit iets uit de bijeenkomst naar buiten komt. Sterker nog: officieel wordt de bijeenkomst niet in Sitges gehouden.

Strak geleid door Henry Kissinger, David Rockefeller en voorzitter Etienne Davignon (een grote Belgische ondernemer) heeft de Bilderberg Groep enkele illustere vaste gasten, zoals koningin Beatrix, de Spaanse koningin Sofía, Jean-Claude Trichet (Centrale Bank Europa), Romano Prodi en een hele lange rits belangrijke ondernemers, de grootsten ter wereld, van de bazen van CocaCola en Fiat tot die van Airbus en de Deutsche Bank; héél veel bankiers ook, trouwens.

Ik ga hier niet alle mogelijke daar in de laatste 55 jaar bekokstoofde beslissingen op een rij zetten (invasie Irak, benoeming Clinton, teloorgang vastgoedmarkt; er zijn minimaal 10 boeken over verschenen), maar de 130 mannen en vrouwen bij elkaar hebben macht, veel macht, en nog meer invloed. De Nederlandse aanwezigheid is sterk, trouwens, sinds Prins Bernhard in hotel Bilderberg van Oosterbeek (vandaar de naam) de eerste editie organiseerde; hij en anderen waren bevreesd voor het opkomende communisme en wilden de betrekkingen tussen de VS en West-Europa aanhalen. Op de meeting vorig jaar in Griekenland waren ‘voor Nederland’ (klopt eigenlijk niet, want iedereen komt op persoonlijke titel), behalve Beatrix ook De Hoop Scheffer, Hirsch Ballin, professor Victor Halberstadt (de organisator van het evenement), Neelie Kroes, Jeroen van der Veer (Shell), Nout Wellink (Nederlandsche Bank) en Hans Wijers (AkzoNobel) aanwezig.

Weet niet of we die allemaal vrijuit op de boulevard van Sitges gaan tegenkomen, want ze hebben het hotel voor hen alleen: andere gasten mogen die dagen niet komen.

Een spannende film

Er was een tijd dat ETA (hier in Spanje zeggen ze niet dé ETA) buiten de grenzen, dus ook in Nederland, nog sympathie opriep, ondanks de talloze aanslagen. Nog altijd zijn er kranten en persbureau’s die het ‘de Baskische afscheidingsbeweging’ noemen, een eufemisme voor terreurbeweging. In die tijd (1979) kon er ook een spectaculaire Italiaans-Spaanse film over één van de beruchtste aanslagen van ETA gemaakt worden. Operación Ogro gaat over de minutieuze voorbereiding en prfecte uitvoering van de aanslag op generaal Carrero Blanco, eind 1973. Hij was rechterhand en beoogde opvolger van Franco. De auto van de man – wat op het fragment boven is te zien is écht gebeurd – werd over een flatgebouw heengezwiept door een ontstellend zware lading explosieven die ónder het asfalt was verborgen. Carrero Blanco overleefde het, vanzelfsprekend, niet.

Dat heroïsche en romantische is er natuurlijk allang af; één ding is een fascistische dictatuur bestrijden, iets heel anders een democratisch land. Ik zou nu wel eens een film van de ‘andere kant’ willen zien, ook ongelooflijk spannend ongetwijfeld: over hoe de veiligheidsdiensten er de laatste jaren elke keer weer in slagen de ETA-kopstukken te lokaliseren en arresteren. Vandaag was de zoveelste ‘nummer één’ aan de beurt; hij had net twee maanden de leiding. De politie is vooral blij met de ontstellende hoeveelheid documenten die zijn aangetroffen, want de hele top-drie was aan het vergaderen, in het huis in Bayonne. De ETA-leden deden of er niemand woonde, slechts een niet-geregistreerd lid kwam af en toe buiten om boodschappen te doen.

ETA weet dat ze geïnfiltreerd is door agenten, maar juist daardoor zijn de voorzorgsmaatregelen én het wantrouwen van de terroristen steeds groter. Mooie film, nogmaals, over zo’n agent of spion die misschien al jaren een zogenaamd ETA-lid is…

De katholieke kerk wordt oud

Dat ’t niet goed gaat met de katholieke kerk is een pleonasme. Dat het heel erg slecht gaat was zondag te zien in de mis van het kleine dorpje Sant Miquel de Fluvià, in de provincie Girona. Tot ontsteltenis van de gelovigen begon Mosén Viñás zich uit te kleden. Niet om kleine jongetjes te bespringen of zo, maar gewoon omdat hij steeds zieker is. In zijn lijf en in zijn hoofd.

Al tientallen jaren is hij de priester van dit en andere dorpen uit de omgeving. Op zijn 75ste jaar vroeg hij aan het bisdom of hij met pensioen kon, maar de superieuren smeekten hem in ieder geval nog twee parochieën te blijven bedienen. ‘Viñas,’ zeiden ze, ‘je kent ons probleem. Er zijn nog zó weinig priesters. Er is gewoon geen vervanging.’

Dus ging hij nog even door, want hij voelde zich nog fit. Maar daar is het laatste jaar verandering in gekomen. Hij kreeg probleempjes, zijn lichaam protesteerde. Om het nog een beetje respectvol te zeggen: soms ontsnapte er een wind die in de kerk behoorlijk echode. En hij waste zich niet elke dag even grondig. Maar dat van zondag was nieuw. Hij begon te praten over zijn overleden ouders, liet een jeugdfoto van zichzelf zien, trok zijn habijt en bovenkleren uit en stond op het punt zijn riem af te doen om zich daarmee te gaan geselen. Hij wilde zo boeten voor wat hij fout had gedaan. De misdienaars en enkele gelovigen konden hem op tijd afstoppen.

De katholieke kerk wordt oud. Heel oud.

Anoniem in de massa

Op dit moment, dat van de foto, net voor zeven uur op een aangename zondagavond, was het nog leuk. Meer dan 98.000 mensen verdeeld over de drie imposante ringen van het Camp Nou om Barça kampioen te zien worden. Het werd 4-0 tegen het arme, daardoor degraderende Valladolid, en het feest kon beginnen.

Dat was ook nog leuk. Een beetje langdradig, maar geen moment van irritatie, geen spoortje van geweld, geen geur van incidenten. De bijna 100.000 mensen gingen vrolijk weg, misschien de stad in, waar op en rond het Plaça de Catalunya 40.000 anderen, die niet naar het stadion waren geweest, al aan het feestvieren waren.

Feest?

Ja, heel even, misschien twee uurtjes. Toen gebeurde hetzelfde als alle jaren… De politie kent ze wel, raddraaiers die de anonimiteit van een feestende massa gebruiken om vernielingen aan te richten, winkels te plunderen, van alles en nog wat in brand te steken, motoren en fietsen om te gooien. Gisteren wachtten ze niet eens tot middernacht. Al vanaf een uur of negen ging de vlam erin en werd de Mobiele Eeenheid van de Mossos met gebroken flessen bekogeld. Sinistere balans voor een avondje feesten: 104 gearresteerden en 119 lichtgewonden, waaronder 32 politieagenten. Veel van die Mossos waren trouwens niet als zodanig herkenbaar: opnieuw bleken Barça-shirtjes, capuchonnen en andere onruststoker-achtige kleding de perfecte vermomming voor de mannen in burger om die arrestaties uit te voeren. Probleem is natuurlijk dat je het ene kamp niet meer van het andere onderscheidt.

Het verhaal van de doden

Mij mag je na m’n dood cremeren, maar begraafplaatsen blijf ik overal op de wereld een bijzondere attractie vinden. Al zijn de mensen er zo dood als wat, zo’n oord vertelt wel heel levend de geschiedenis van de stad. Jaartallen, namen en vooral de manier waarop mensen zijn begraven zeggen heel veel over de gewoontes van elk land, elke stad. Topper blijft natuurlijk Père Lachaise in Parijs, vooral om alle beroemdheden die er liggen, maar ook omdat de familietombe’s er zo groot zijn dat je er zelfs kunt schuilen wanneer een hoosbui boven de stad losbarst en zelfs het graf van Jim Morrison er verlaten laat bijliggen.

De drie Saint Louis-begraafplaatsen zijn in New Orleans minstens zo beroemd als Père Lachaise in Parijs. Een toeristische attractie ook, binnen de geesten-, doden- en voodooroutes die talloze bureautjes er aanbieden. De zwarte slaven namen zowel uit Afrika als de Caribe hun voodoogebruiken mee naar Louisiana. Marie Laveau was in de 19e eeuw de absolute voodoo-queen van New Orleans en dat van haar is het beroemdste graf op St Louis I; aanbidders hebben de witte tombe volgetekend met drie kruisen, een manier om Laveau ook nu nog om een gunst te vragen. Opvallend klein trouwens, die drie begraafplaatsen, zeg maar één huizenblok tussen vier straten in groot. Op de weg naar het Louis Armstrong-vliegveld ligt de nieuwere, massale begraafplaats van de stad, die na de Katrina ook volledig onder water kwam te staan. Die herhaalde wateroverlast is trouwens hier de reden dat de doden niet onder de grond worden begraven.

 

Totaal het tegenovergestelde van Engeland, bijvoorbeeld, waar net als in Nederland de doden onder de zoden liggen. Op weg naar een voetbalwedstrijd van Chelsea op Stamford Bridge kwam ik eens, net aan de overkant van het brede spoor, langs de begraafplaats van Brompton, een speeltuin voor eekhoorntjes. Daar staan liefst 800 meter lang en 200 meter breed oneindige rijen kruisen in het soms woekerende gras. Ik was er zo een uurtje kwijt en het schijnt zelfs op de monumentenlijst te staan.

In Cárdenas, een authentiek stadje dichtbij het toeristenparadijs Varadero in Cuba, vallen de kleine huisjes op die op veel tombes zijn gebouwd, compleet met houten lijstjes met kleine ramen erin. Daarachter liggen, beschermd voor weer en wind, de bloemen maar ook de relikwieën die de doden mee hebben genomen hun graf in. Veel mensen die natuurlijk gestorven zijn voor de revolutie.

Om dit alles blijft voor mij het bezoek aan de begraafplaats van Montjuïc in Barcelona een absolute aanrader, al ligt hij een beetje uit de route. Op zondagmorgen rijdt de bus er niet alleen naar toe, maar gaat lijn 107 ook over de begraafplaats zelf heen, zo ongelooflijk groot en steil is het cementerio (een veel mooier synoniem is trouwens camposanto, zoals het ook in Italië heet), tegen de bergwand opgebouwd. Je kunt er aan de bovenkant naar binnen, niet ver bij het Olympisch stadion vandaan, of bij de hoofdingang aan de onderkant, aan de Ronda Litoral die langs de haven loopt. Ik noem het altijd een soort Bijlmermeer van de doden, maar dan een stuk mooier, natuurlijk. Wie niet helemaal naar Montjuïc wil kan ook de kleinere, maar oudere begraafplaats in Poblenou bezoeken, net achter het Olympisch dorp.

Baden in de olie

Het strand van de Almadrava (of Almadraba, op z’n Spaans) is een mooie plek. Meestal redelijk rustig, een leuke camping met de in/uitgang op het strand zelf, een rustige zee, een motorcircuit (Calafat) waar slechts sporadisch gebrom vandaan komt, wat bars en restaurantjes… Ideaal om een dagje op het strand door te brengen, lijkt het. Veel mensen doen het ook. Maar het heeft een probleem: als je naar links kijkt zie je er de reactor van de kerncentrale Vandellós liggen. Niet zomaar een reactor: geen centrale in Spanje die de laatste decennia zoveel incidenten heeft gekend als die van Vandellós; vooral de oudere van de twee centrale’s die hier liggen, net onder l’Hospitalet de l’Infant, en die is inmiddels ook gesloten. Was té onbetrouwbaar. Oké, radioactieve rampen als die van Tsjernobyl moet je hier niet verwachten, maar toch… ga je hier vrolijk het water in?

Ik moest aan Vandellós denken toen ik helemaal alleen op het weidse strand van Port Fourchon stond, de meest zuidelijke haven van Louisiana, op zo’n tweeëneenhalf uur rijden van New Orleans. Een vissersstrand ook, omdat je er de auto bijna op het zand kunt neerzetten. Er stond nu een politiewagen die de weg belemmerde; de in de auto met lopende motor (de airco moest aan) slapende (en dus wakker geklopte) jonge agent liet de verre bezoeker wel even door, maar het strand was gesloten, dat-ie dat maar wist.

Volgens de voorspellingen moest hier de olie van het ontplofte platform Deepwater Horizon op zo’n vier mijl uit de kust liggen. Vissen en zwemmen verboden, beschermende barrières werden aangelegd. Maar ook hier: vind je zwemmen zo wel lekker? Oké, natuur genoeg, mooie vogels vliegen voortdurend voorbij, de zee zit er bomvol met vis, maar al die olieplatforms, zo dichtbij, en in je rug een haven vol opslagplaatsen, een strand dat naar olie ruikt zonder dat het ermee besmeurd is. Geen plezante plek om te zwemmen.

In USA Today stond vandaag een ingezonden brief van een boze mevrouw uit Massachusetts; daar wordt na jaren van politieke gevechten een windmolenpark in zee gebouwd, voor het strand van Cape Cod. De krant illustreerde het met een foto van de turbine’s in zee bij Dronten, Flevoland. Vreselijk voor het uitzicht, vond de schrijfster. Is ook zo. Maar liever honderd keer dat dan een kernreactor of een olieplatform.

A brief encounter

Zij duurde nog geen halve minuut, de ontmoeting. Deze man, ik ken zijn naam niet eens, zat met drie andere kerels op leeftijd wat te pingelen op een terras in New Orleans. Ik zat, na een dag van zes uur in de auto en enkele uren extra in een gore havenstad die naar petroleum stonk, aan een verdiend biertje te nippen. Hij kwam wat geld ophalen, ik zat half in de zon, boven de 30º, een boek te lezen. Wat ik las, vroeg hij, nadat ik hem twee dollar had gegeven. Het is Nederlands, zei ik; ging hem maar niet zeggen dat de schrijver Thomas Verbogt heet. En toen kwam die piepkleine wereld waarin we leven weer om de hoek kijken.

-Ik ben vaak in Veenendaal geweest- zei hij, in het Engels natuurlijk.

-Da’s dicht bij mijn Utrecht- antwoordde ik.

-Ik repareerde Steinberg piano’s. Bij Ron Bole. Be o el ie.

Goed gehoord, Steinberg, die bestaan ook. Geen Steinway. Dat Bole had-ie fout. Blijkt Ron Bol te zijn, de man met de grootste pianowinkel van Europa.

-Jullie Nederlanders… Ik kwam er tegen die wel vijf talen spraken.

-Ja…

-Spreek jij ook vijf talen?

-Zes.

Oh my god. En dan ik met alleen mijn Engels.

Maar toen kwam hij met de allerbeste. Hij tikte op zijn saxofoon, prachtinstrument.

-Maar ík spreek deze taal- zei hij.

Tja. Die had ik ook zo graag willen spreken. Die van de sax, de muziek. Universeel.

Qué será, será…

Deze mannen, op de foto, heten van achteren Morales, Gonzalez en Anglada en zitten in de enige bar cq winkel van Delacroix Island, één van de vele plaatsen die kunnen doorgaan voor het einde van de wereld. Het zijn geen Mexicanen of Zuidamerikanen, praten zo Amerikaans als wat, een plat accent dat wel uit deze streek, Saint Bernard, van Louisiana zal komen. Het was een sportvisser die me er zaterdag op wees: “Ben je van een krant uit Spanje? Dan moet je naar de islenos aan de overkant van de rivier gaan.” Hij zei islenos, maar bedoelde isleños; die n-met-slangetje kennen ze natuurlijk niet

 En zo ontdek je opnieuw een volledig onbekende (voor mij dan) geschiedenis. Die isleños heten zo omdat ze van ‘de eilanden’ komen, de Canarische Eilanden. Hun voorouders werden eind 18e eeuw door de Spaanse koning verplicht naar de Verenigde Staten te emigreren om Louisiana tegen de vijand te verdedigen. Het grootste deel vestigde zich hier net onder New Orleans, aan de baai van Breton Sound, en in plaats van vechten gingen ze vissen. Nog altijd zijn de meeste isleños vissers.

Geen van deze mannen spreekt nog Spaans. Ze leerden het vroeger thuis, maar op de Amerikaanse school was het verboden. Hun ouders en grootouders hadden het nog gesproken, maar na ruim twee eeuwen is het bijna verdwenen. Wat woordjes, tot honderd tellen, een enkele zin. De halfblinde Erroll Nunez (ook de ñ al kwijt) kon zich niet goed meer herinneren van welk eiland zijn familie kwam. “Dat van de grootste vliegtuigramp uit de geschiedenis,” wist hij nog. Oh ja, Tenerife, dat kwam hem bekend voor.

Ongelooflijke verhalen hebben ze, van Judge Fernández, die me op blote voeten en een t-shirtje ontving maar voor de foto even de toga aandeed, tot Mabel Morales (89) en haar diepgebruinde zoon Frankie Campos. Over de Katrina vooral, die hier op deze laaggelegen, onbeschermde grond alles vernietigde. Geen huis stond er meer overeind, toen ze er na de storm terugkeerden. Van de 67.000 inwoners die de streek in 2000 had, zijn er nu 20.000 minder. Gewoon nooit teruggekeerd. Vandaar de zo lege highways ook, brede wegen waar slecht sporadisch huizen aan staan. En nu de olieramp eroverheen, dodelijk voor de vissers onder de isleños. Ze willen niet eens meer weten wat de toekomst hen zal brengen. Eentje kwam nog met een Spaanse zin, al stamt die uit een Italiaans-Engels liedje: Qué será, será. What ever will be.

De Franse wijk die eigenlijk Spaans is

Toch een beetje Spaans houden, dit blog. En in New Orleans is dat een eenvoudig inkoppertje. Want de Franse wijk van de stad is eigenlijk een heel Spaanse wijk. Ze doen ook geen moeite het te verbergen: op veel straathoeken zijn plakkaten te vinden waarin even kort wordt aangestipt dat deze straten tijdens de Spaanse overheersing iets andere namen hadden, de Spaanse versie ervan, zeg maar.

Even een korte geschiedenisles: de Spanjaarden waren de eersten die Amerika ontdekten. Vanuit La Florida verkenden ze ook de oevers van de Mississipi, een strategisch belangrijke rivier, maar het waren de Fransen die zich vanuit het noorden, Quebec, de rivier toeëigenden. Na één van de vele oorlogen, waarin Spanje steun verleende aan Frankrijk, gaven de Spanjaarden Florida aan de Engelsen weg en eisten zij Louisiana van de Fransen op.

Tijdens dat korte bewind van de Spanjaarden gebeurden er twee belangrijke dingen in New Orleans, dat vanaf zijn stichting door Fransen (in 1718) rond die centrale Franse wijk heeft gedraaid: twee keer vloog de wijk in brand en er gingen meer dan 1.000 woningen verloren. De Spanjaarden bouwden die weer op, in hun eigen stijl: met patio’s (de bekende binnenplaatsen) én de ijzeren balkons die het French Quarter zo karakteristiek maken. Maar ja, daarna werd de stad gewoon weer van de Fransen.

Tot slot even over de beroemdste van alle straten hier: er zijn zuiplappen (en daar zijn er heel veel van, op zaterdagaavond vooral) die denken dat de naam Bourbon van de whisky komt. Nee dus, al is er wel een indirect verband. De naam komt van het oorspronkelijk Franse koningshuis Bourbon (eerst een hertogdom uit hartje Frankrijk, met een kasteel in Bourbon-l’Archambault), dat zich later door incestueze huwelijken over half Europa verspreidde. Nu regeren alleen in Spanje nog de Bourbons, met weer die verandering van de naam: koning Juan Carlos is een Borbón.

Oh ja, en die link met de whisky? Die komt uit Kentuycky, de Bourbon-county, en die streek heeft óók zijn naam aan dezelfde  Franse koningen te danken.

De trieste blik van garnalenvissers

Het is een lange, eentonige weg door dorpen die geen dorpen zijn. De delta van de Mississipi, het laatste stuk ónder New Orleans voordat de rivier de Golf van Mexico bereikt, is een dunbevolkt gebied dat nogal gevoelig is voor de weersomstandigheden, natuurrampen en, zoals nu, ongelukken met boorplatformen. De foto van hierboven is van even voor zeven uur ’s morgens en de vrolijkheid straalt niet af van de gezichten van Sandy en Len. Zij bezitten een zaak die fresh seafood verkoopt in Empire, ergens halverwege. Er komen vooral (sport)vissers langs die een emmer garnalen kopen om daarmee forel en baars en andere vissen te vangen.

Twee jaar hadden ze erover gedaan om zich te herstellen van de Katrina-orkaan, die op dit stukje vlakken onbeschermde land, Plasquemines geheten, alles wegvaagde. Bijna alle woningen zijn er nieuw, opvallend veel van steen in plaats van het gebruikelijke hout; doet denken aan het verhaal van de drie biggetjes.

En nu dit weer, zuchten ze. Gealarmeerd door het nieuws, komt er geen sportvisser meer naar de delta van de Mississipi; op sommige plaatsen, die besmet zijn met de olie, mag niet eens gevist worden.

Dus varen ook de beroepsvissers nauwelijks uit, met hun typische boten om garnalen te vangen, het sterprodukt van dit stuk zee. Liefst 45% van alle garnalen die in de Verenigde Staten worden geconsumeerd komen uit Louisiana. De grootste haven is die van Venice, het laatste dorpje van de delta, maar die betoverende naam staat niet in verhouding met de harde werkelijkheid: geen toeristisch dorpje aan zee, maar een vrijwel verlaten haven waar slechts enkele vissers zijn gecontracteerd door BP om mee te helpen de olie op te ruimen. Ze krijgen er 200 euro per dag voor, een schrale trootst nu ze niet kunnen vissen in het net begonnen hoogseizoen. Maar dat is niet het ergste: niemand weet nog hoe lang het ecosysteem last zal blijven houden van het petroleum. “Van de Exxon Váldez zijn ze in Alaska nog altijd niet hersteld,” zei een visser over de tanker die in 1989 strandde.