
De foto maakte ik op het kerkhof van Cervera, in het Catalaanse binnenland. Het kruis staat er eenzaam, op een droge grasgrond, temidden van de gebruikelijke nissen met doden. Hier, onder de grond, ligt ene JMF, overleden op 21 juli 1938. Hij ligt er niet alleen. Naast, op en onder hem moeten nog eens zo’n 400 doden liggen, aldus de opzichter van de begraafplaats. Net als JMF slachtoffers van de Burgeroorlog, republikeinse soldaten die zich aan één van de Catalaanse fronten verzetten tegen de oprukkende Nationalen van generaal Franco. Ze raakten gewond, werden naar het ziekenhuis van Cervera achter de linies gebracht en als ze overleden gingen ze naar hetzelfde grote graf op deze begraafplaats. Zonder naam, zonder steen, zonder eigen nis. Daar was allemaal geen tijd voor.
De Catalaanse regering besloot gisteren het openen van dit soort massagraven uit de Burgeroorlog te bekostigen. De experts hebben 179 massagraven gelokaliseerd, maar niet allemaal zullen ze worden geopend. In sommigen liggen niet meer dan vier soldaten of burgers, overleden in de strijd of geëxecuteerd langs de weg of tegen een muur. Nabestaanden weten of vermoeden waar hun opa of vader omkwam en zouden hem graag een goede laatste rustplaats gunnen. Anderen geven er de voorkeur aan de doden met rust te laten en er slechts een kruis of herdenkingsteken te plaatsen. En op een begraafplaats als die van Cervera, of die van het bisdom in Tarragona, is er geen beginnen aan: je gaat niet 400 of zelfs 700 mensen ineens opgraven.
In heel Spanje zouden zo nog tussen de 120.000 en 160.000 doden anoniem onder de grond liggen. Het beroemdste massagraf ligt in de buurt van Granada, met daarin een schoolmeester, twee stierenvechters en dichter Federico García Lorca. Samen gefusilleerd door de Franco-aanhangers op 18 augustus 1936. De familie van de meester wil zijn botten laten opgraven, die van García Lorca liever niet. Het tekent, 70 jaar na dato, de tweestrijd in Spanje over zijn eigen, pijnlijke geschiedenis.
Voor het AD en El Periódico schreef ik er een grote reportage over. Zal proberen de tekst te achterhalen, zodat het leesbaar is. 

Maar waarom doen ze het eigenlijk? De oorsprong is, zoals met veel feesten en tradities, religieus. Het is Corpus Christi, ofwel Sacramentszondag. Wikipedia moet de agnost verlossing bieden: “Sacramentszondag wordt gevierd op de tweede zondag na Pinksteren. Op dit feest wordt gevierd dat Jezus Christus zich in de gedaante van brood en wijn aan de gelovigen wil geven als voedsel en voortdurend onder de mensen wil blijven door middel van zijn waarachtige tegenwoordigheid (Sua realis praesentia) in de geconsacreerde offergaven. De eerbied die in de Rooms-katholieke Kerk voor de geconsacreerde hostie bestaat, wordt op deze feestdag benadrukt.” Tja. (In het Spaans is de hostia trouwens niet alleen dat koekje uit de kerk, maar ook een flinke klap én een kreet van verbazing. Hostia!)
Eerste vraag die bij een Nederlander opkomt, natuurlijk: zou Beatrix dat ook doen?
De meeste kranten drukten de plaat op de voorpagina af. Waarom ook niet? Het enige bloed zit op de rug van de stier en zoiets hoort bij het stierenvechten: soms wint de stier, al is dat altijd een Pyrrus-overwinning. En als Lancho was overleden? Zou het beeld nóg dramatischer maken, maar ook dát hoort er bij. Zo zijn er nooit beelden geweest van het moment van de dood van de historische Manolete in de arena van Linares, 62 jaar geleden. Een dood die misschien opnieuw beleefd zou kunnen worden in fictie, maar de al twee jaar geleden gedraaide film van de Nederlandse regisseur Menno Meyjes, met Adrian Brody als Manolete en penelope Cruz als diens verloofde, is door problemen van de producent nog altijd niet in première gegaan.

Minister Trillo, door een paraplu beschermd tegen de motregen, ging de dag erna poolshoogte nemen en droeg de meegevlogen forensen van het leger op om zo snel mogelijk alle bijna onherkenbare lijken te identificeren, omdat de regering drie dagen later een mooie staatsbegrafenis in Madrid wilde organiseren. Zo gezegd, zo gedaan. Turkse patholoog-anatomen hadden al 32 van de 62 kadavers van de soldaten geïntificeerd, maar de moeilijkste gevallen bleven over. Die werden door hun Spaanse collega’s willekeurig in lijkzakken en -kisten gestopt met een al even willekeurige naam erop.

Waar vroeger water liep, ligt nu de Ciutat de les Arts i les Ciencies, de wonderbaarlijke witte stad van de kunst en de wetenschappen, met ‘onmogelijke’ constructies van onder anderen de plaatselijke wereldarchitect Santiago Calatrava.



De korte Paasvakantie – Semana Santa heet dat hier – was altijd zo’n zwarte periode op de weg. Iedereen die op hetzelfde moment de weg op gaat (donderdagmiddag- of avond) en iedereen die op dezelfde dag en tijdstip weer terugkeert. Talloze mensen reden zichzelf of elkaar dood, meestal door gevaarlijk in te halen, uit de bocht te vliegen of in slaap te vallen. Maar de cijfers van deze laatste dagen zijn ook hoopgevend, zo is op de grafiek uit El Periódico te zien: kwamen in 1999 nog 176 mensen in slechts vijf dagen om het leven, dit jaar staat de Paas-teller op 45. Nog altijd 45 te veel natuurlijk, maar de nul zal wel altijd een utopie blijven (hoewel het Spanje dit jaar al enkele keren is gelukt een weekeinde zónder verkeersdoden af te sluiten).