Categorie archief: zon, zee en andere zaken

De Pyreneeën zijn nu al niet wit meer

In november waren ze dolblij in de skigebieden in de Pyreneeën. Vroeger dan ooit vielen er flinke pakken sneeuw en het skiseizoen kon niet vroeg genoeg beginnen. In La Molina, het bij Barcelonezen zo populaire skistation omdat het maar op anderhalf uur rijden ligt, verheugden ze zich mede op een fantastisch wereld-kampioenschap snowboard, in januari. Dat is het nu, januari, en dat WK is bezig, zonder publiek bijna, maar vooral zonder sneeuw. De enige sneeuw die er is ligt op de piste’s en wordt kunstmatig in leven gehouden. ‘Suikersneeuw’ noemde Nicolien Sauerbreij het vandaag, de Nederlandse sportvrouw van het jaar die in het troosteloze La Molina, als Olympisch kampioene, al in de achste finales werd uitgeschakeld.

Het is een warme winter, in Noord-Spanje. Dat plus wat regen hebben de sneeuw doen verdwijnen, de bergen zijn geel, bruin en een beetje groen. Al zeggen ze dat de komende dagen de temperaturen sterk gaan dalen. Maar sneeuw zal er nauwelijks vallen. Geen seizoenstoerisme dat zo sterk aan het klimaat is gebonden. Nog een wonder dat dankzij de techniek zo’n WK nog doorgang kan vinden… Waardoor ik weer heb geleerd wat een double cork in de half pipe is, of zoiets.

We gaan Spanje toch weer leuk vinden…

Een rij bij 7 (Set) Portes, een gebruikelijk dagelijks beeld voor dit klassieke, monumentale Catalaanse restaurant aan de haven van Barcelona. Locals, maar vooral toch toeristen ook. Een teken dat het weer wat beter gaat met het toerisme in Spanje? Na twee jaar van voortdurende dalingen is er in 2010 weer een kleine winst geboekt, wat aantal buitenlandse bezoekers betreft, al zal het nog enige tijd duren om de klap van 2009 te boven te komen. Na een record van 58,7 miljoen toeristen in 2007, daalde dat naar 57,2 miljoen in 2008 en volgde een jaar later de hecatombe: Spanje raakte nog eens vijf miljoen toeristen kwijt: 52,2 miljoen. De definitieve cijfers over vorig jaar zijn nog niet bekend, maar het aantal zal net boven de 53 miljoen komen te liggen.

En wie blijken het in 2010 het beste te hebben gedaan? Na Russen (bijna +20%) en Italianen (+11,7%) steeg het aantal Nederlanders het meest, met ruim 10%. Bijna 2,5 miljoen landgenoten zochten Spanje op, waarschijnlijk goed nieuws ook voor de talloze Nederlandse ondernemers, vooral in de toeristische wereld, die door het hele land in hun boerderijen, masías, hotelletjes en bars en restaurants keihard aan het werk zijn. Er zitten onder hen nogal wat lezers van dit blog, vandaar de opbeurende en lovende woorden; maar misschien zeggen zij wel dat 2010 toch óók weer een rampjaar was, want volgens mij is een ondernemer in de horeca of het toerisme nooit tevreden.

Nederlanders drinken meer wijn dan Spanjaarden

Het zal wel aan mijn opvoeding gelegen hebben, of aan de andere tijden die het toen waren, of aan een vader die altijd veel meer van bier dan van wijn heeft gehouden, maar ik kan me niet herinneren dat er vroeger ooit om kwart voor zes bij de gekookte aardappelen met draadjesvlees en bloemkool een fles wijn op tafel kwam. Ik bedoel: dertig, veertig jaar terug dronken we in Nederland nauwelijks wijn. Anders was het in Spanje: in de jaren zeventig dronken ze hier zeventig liter per persoon per jaar. Niet altijd even goede wijn -pas de laatste 15 jaar zijn er veel prestigieuze DO’s (denominación de origen) bijgekomen-, maar dat wijntje (met gazeuse er doorheen als de tafelwijn wel een erg stevig bocht was) hoorde er gewoon altijd bij.

Schrikbarend zijn dan ook de allerlaatste statistieken: dronk Spanje in 2000 nog slechts 35 liter wijn per persoon per jaar, afgelopen jaar is dat nóg eens met de helft gedaald en zitten ze op slechts 16 à 17 liter. In Europa drinken slechts de Noren minder, waarschijnlijk omdat het daar zo peperduur is (de wijn schenken ze er trouwens meestal uit vijf liter-pakken, en daar zitten goede bodega’s bij). Ter vergelijking: in 2009 dronk de Nederlander gemiddeld 21,7 liter. Weg dus met de mythe van nog geen tien jaar geleden: toen vertelden de Nederlandse Barça-voetballers Frank de Boer, Cocu en Koeman me dat zij in Spanje wijn hadden leren drinken, dat ze dat thuis in Nederland nooit hadden gedaan.

 De cijfers zijn extra zuur voor Spanje omdat het na Frankrijk en Italië het derde wijn producerende land van Europa is. En als je landgenoten al niet eens die wijn meer drinken, hoe raak je al die flessen dan kwijt op een steeds meer versplinterde internationale markt? Eén van de verklaringen voor die enorme teruggang is het gegroeide aantal alcoholcontroles in het verkeer. Vroeger bestonden die niet eens en toen reden, mede door die alcohol, meer dan 6.000 Spanjaarden per jaar zich dood. Nu is iedereen doodsbang voor die controles, is het aantal verkeersdoden naar minder dan 1.900 gedaald (in 2010) en komt er bij de lunch en het diner in restaurants en bij vrienden steeds minder wijn op tafel.

Ik zit trouwens, vrees ik, dik boven het gemiddelde van de jaarlijkse wijnconsumptie, zowel voor Spanjaarden als voor Nederlanders…

Op bezoek bij opa of oma

Het is de dag dat het bijna onmogelijk is, na twee uur ’s middags, te parkeren in één van de straten van de Eixample, 7,5 vierkante kilometer die op de dag van Driekoningen worden overspoeld door auto’s met vaders en kinderen die bij opa en/of oma op bezoek gaan. Je kan een half uur rondjes rijden, maar zelfs alle ‘illegale’, doorgaans verboden parkeerplekjes (voor vuilcontainers, op parkeerplaatsen voor motoren, op de fietspaden) zijn bezet. Dat heeft een reden: die kadootjes, natuurlijk, want de kleinkinderen gaan kijken of de drie koningen ook nog bij opa en oma langs zijn geweest; daar wordt tegelijk het familie-etentje aan verbonden. Én de Eixample is de, in leeftijd, meest verouderde wijk van de stad. Hier wonen liefst 24% van álle inwoners van Barcelona die ouder dan 90 zijn en in totaal heeft de Eixample, op een bevolking van 267.000 -ja, meer dan heel Utrecht dus in één wijk- ruim 55.000 inwoners die 70+ zijn. Het is ook nog eens de wijk met de hoogste bevolkingsdichtheid (bijna 36.000 inw/km2), de meeste voertuigen (172.000) én de hoogste personenautodichtheid, 13.670 wagens/km2… Mooie staaltjes statistiek: in de praktijk betekent dat dat het vandaag, terwijl de straten verder helemaal leeg waren en de toeristen verdwaasd door een stille stad liepen, gewoon moeilijk was te parkeren hier.

Kadootjes op het allerlaatste moment

Een maand na hun Nederlandse leeftijdsgenootjes zijn de Spaanse kinderen aan de beurt. Oké, die hier in Catalonië hebben op Kerstavond al wat gehad van de Tió, een kadootjes-poepende boomstam, en in de rest van Spanje laat ook de Papa Noël wel eens wat achter, maar Driekoningen is toch dé magische avond voor de Spaanse kinderen, of ochtend eigenlijk: ze moeten op 5 januari gewoon naar bed, het liefst zo vroeg mogelijk, want op 6 januari staan ze hypernerveus nóg vroeger dan ooit op om te kijken wat de Reyes voor hen hebben gebracht.

Traditioneel in de dagen voor Driekoningen is in Barcelona al sinds 59 jaar het bezoek aan de grote ‘speelgoedmarkt’ die aan de zijkanten van de Gran Vía wordt gehouden. Veel mensen doen nog altijd op het allerlaatste moment hun inkopen, waardoor deze markt vooral op de avond van 5 januari een groot gekkenhuis is; hij blijft zelfs tot een uur of vier ’s nachts open voor de wel héél late kopers.

Althans, dat was nog niet zo lang geleden, maar alles verandert, ook hier. Niet alleen door de crisis… Het speelgoed wordt steeds meer door grote warenhuizen en speciale ketens verkocht en het trationele bezoek aan deze markt loopt daardoor terug. Zo sterk zelfs, dat van de 300 kraampjes nog geen twintig speelgoed verkopen; daarnaast zijn er nog wat stands met poppen, videospellen en snoep. En de elf churrerías natuurlijk. Maar dan is het wel gedaan met de authentieke kraampjes: kleren, bijouterie en allerlei kado-artikelen, van zout uit de Himalaya tot anti-vlektafelkleden hebben de overhand genomen, van de kinderillusie is weinig meer over.

Je moet er ook maar zin in hebben, twee weken rond Kerst en Nieuwjaar hier gaan staan, vele uren lang niets verkopen en alleen maar wachten op die laatste, magische avond waarop 60% van de totale omzet van die twee weken wordt gedraaid. En het kost ook wat: een nog ouderwetse speelgoedverkoopster vertelde me vandaag dat ze 6.000 euro aan haar stand kwijt is, van vergunning tot en met licht.

Niet meer roken in de restaurants

Zoek op 1 januari altijd de zee op, zo blijkt uit mijn post op deze zelfde dag, maar dan van 2010. Uitwaaien op een duffe dag, heette die. Waaien deed het vandaag niet, maar de zee reinigt de op Oudjaarsnacht geteisterde oren, ogen en longen. Dat laatste, passief meeroken, is trouwens, vanaf vandaag, definitief voorbij: Spanje was één van de eerste landen met een anti-rookwet, maar die bleek uiteindelijk maar halfslachtig en werd nauwelijks nageleefd; een beetje op z’n Brabants dus. Vanaf nu is het allemaal veel strenger: nergens in bars en restaurants mag nog gerookt worden – speciale zones voor rokers worden afgeschaft -, maar ook niet, bijvoorbeeld, op straat bij de ingang van een ziekenhuis of een school, of op een speelplaatsje van kinderen.

Dus zullen veel bars en restaurants nóg meer dagen hun terrasjes open laten, zoals Salamanca vandaag, Nieuwjaarsdag, in de Barceloneta. En vol met eters, natuurlijk, bij een temperatuur van net boven de 15 graden. Eigenlijk hebben de rokers in Spanje nauwelijks te klagen; het is veel erger roker in de winterse kou in Nederland of Engeland te zijn.

En wij niet-rokers – nooit gedaan – zijn er blij mee. Vooral omdat jezelf niet nog aan de paella zit terwijl de buurman aan het naburige tafeltje dat wel verdomd dichtbij staat al zijn sigaretje aan het paffen is en de rook nét tussen je bord en je neus voorbijwaait… En uit hotel Omm, waar we vannacht op onder anderen de Trammps (Disco Inferno) en natuurlijk de overal herdachte Bobby Farrell (Ma Baker is zéér dansbaar) hebben staan swingen, kwamen we zonder dat de kleren van de nicotinelucht geïmpregneerd waren.

Vanachter de bar verdeelde hij 180 miljoen…

Dit is José, Joselito voor zijn vrienden. 44 jaar. En vandaag verreweg de gelukkigste man van Spanje. De populairste kroegbaas van het land. Zoals elk jaar had José voor flink wat geld ritsen loten met hetzelfde nummer voor de Kerstloterij gekocht. Liefst voor 12.000 euro kocht hij in, 60 series van 10 loten van één nummer, 79.250, om (zonder winst of toeslag) aan zijn vaste klanten door te verkopen. Elk lot van 20 euro bracht de winnaar 300.000 euro op, dus verspreidde José vanachter de bar liefst 180 miljoen euro aan prijzengeld aan minimaal 600 vaste klanten… Het blijft het leukste van deze prijs, de Gordo, dat er niet een miljoenenbedrag naar één iemand gaat, maar drie ton naar belachelijk veel dolgelukkige mensen.

Ik dus, zoals bijna elk jaar, weer op weg naar het dorp van de winnaars, dit keer het voorstadje Pallejà, op zo’n 15 km van Barcelona, waar José al jaren zijn bar, Nuevo Maldonado, heeft. De oude Maldonado bestaat ook, en is van zijn oom. Maldonado is hun achternaam. Wij journalisten schrijven meestal over nieuws, en vaak is dat geen goed nieuws. En al is die Kerstloterij elk jaar weer hetzelfde, met dezelfde taferelen, dezelfde spuitende champagne en dezelfde uitspraken, je wordt er in ieder geval vrolijk van, temidden van nóg vrolijker mensen. Feel good news.

En die van vanochtend was denk ik de vrolijkste viering die ik ooit heb meegemaakt. Alsof alle winnaars waren komen opdagen; veel arbeiders die hun werk even in de steek hadden gelaten om te komen vieren. Veel werklozen ook. Het is geen rijk stadje, Pallejà, ingeklemd tussen snelwegen en treinsporen en industrieën. Iedereen kuste elkaar, omhelsde elkaar, schreeuwde naar elkaar. De champagne was snel op, de voorraad bier ging er anderhalf uur later helemaal doorheen. Mensen die geen WW-uitkering noch bijslag meer ontvangen, sommigen die op het punt stonden hun huis uit te worden gezet omdat ze de hypotheek niet meer konden betalen, jongelui die zojuist op de onmogelijke Spaanse arbeidsmarkt verdwaald waren geraakt… Drie ton doen heel goed.

Pallejà is vandaag in één klap 180 miljoen euro rijker. En José, zo vertelde hij, had nog nooit van zijn leven zo enorm moeten huilen.

Heuse hoedenwinkels

Bijna iedereen blijft er stilstaan, op dit magische voetgangerskruispuntje in de oude stad, waar de straten Boqueria, Banys Nous en Call (el Call is de oude Joodse wijk van Barcelona) elkaar treffen, dichtbij het Plaça de Sant Jaume. Op bijna-winteravonden als deze (hoewel, gisteren om 20 uur, het moment van de foto, was het nog 15 graden) geeft het kunstlicht van Sombrería Obach de hoek én de etalage een onweerstaanbaar panorama. Een heuse hoedenwinkel, deze weken stampvol omdat de kou een beetje gekomen is en omdat een hoed of pet een uitstekend kado-artikel blijkt te zijn. Én omdat, heb ik de indruk, er meer én jongere kale of volledig kaalgeschoren mannen dan vroeger zijn…

Obach zit er al sinds 1924 en was lange tijd één van de drie historische hoedenwinkels van de stad. Nu zijn er nog maar twee, want twee jaar terug sloot El Rey de la Gorra (de koning van de pet) dichtbij het Plaça Espanya. De andere klassieker, ook al vier generaties van dezelfde familie, is Sombrería Mil, sinds 1917 op Fontanella, tussen de pleinen van Catalunya en Urquinaona. Ook heel erg druk, deze dagen.

Lange tijd werden er in Barcelona nauwelijks hoeden gedragen. Volgens mij doe je het ook niet zo makkelijk, zo’n van buiten imponerende winkel binnenstappen, op zoek naar je eerste pet of hoed, waar in het Spaans talloze verschillende woorden voor bestaan: sombrero, gorra, gorro, bombín, boina, txapela… (de laatste woorden zijn Catalaans respectievelijk Baskisch). Maar de jeugd heeft de hoeden en petten ontdekt, en heeft ook winkeltjes zoals de populaire Hatquarters (op de foto, in winkelcentrum l’Illa) die wat toegankelijker zijn. Daar doen vooral de modieuze Goorin-petten het goed (zo’n model dat DJ Giel Beelen altijd op z’n kop had), maar een échte modestijl is er niet, zeiden ze me bij Mil. Soms doen films een mode opleven, zoals de laatste Sherlock Holmes en, een tijd terug, Gangs of New York.

De Amerikaanse vloot in Barcelona

Sinds 1987 heeft er geen Amerikaans oorlogsschip meer aangelegd in de haven van Barcelona, maar in de 36 jaar daarvóór was de Zesde Vloot een vaste bezoeker van de stad. Het was de roerige, ruige en rijke tijd van de Raval, waar de hoertjes hun handen vol hadden aan de honderden, soms duizenden marinemannen die per keer de stad overspoelden. De eerste kroeg  die ze steevast tegenkwamen, in het eerste zijstraatje (Arc de Teatre) onderaan de Rambla, was een bar waar ze zich vanwege de naam direkt thuisvoelden: Kentucky. Een toevalstreffer van de eigenaar, trouwens. Kort voordat de eerste schepen op 9 januari 1951 aanlegden had hij de naam, La Flor, in dit stevig Amerikaans klinkende woord veranderd, zonder te weten dat die Amerikanen, na een akkoord met generaal Franco, de haven mochten gebruiken.

Bar Kentucky bestaat nog steeds. Het is een échte nachttent geworden, één die alleen op donder-, vrij- en zaterdag vanaf 10 uur ’s avonds opengaat en pas sluit als de laatste gasten zijn verdwenen. Achterin staan twee stokoude jukeboxen, en achter de bar hangen tientallen foto’s die de Amerikaanse mariniers hebben achtergelaten, vooral van hun schepen. Foto’s die zwart zijn geworden door tientallen jaren zware rook. Prachtige relikwieën, net als de bandjes van de matrozenpetten waarop de namen van de verschillende fregatten en vliegdekschepen staan.

Toen dichter en antropoloog Xavier Theros die foto’s zag kwam hij op het idee een boek te maken over het beruchte verblijf van de Amerikaanse mariniers in Barcelona. Vandaag presenteerde hij het resultaat, La sisena flota a Barcelona,  met ook prachtige foto’s van toen maar vooral een overvloed aan anecdotes. Zoals deze: Barcelona was voor de Amerikanen niet alleen de goedkoopste stad, maar ook de haven waar zij het meest een geslachtsziekte opliepen. Zó goedkoop vonden zij de stad, dat ze de obers het geld uit hun pet lieten pakken dat zij dachten dat de consumpties hadden gekocht. Een ober van de Jamboree aan de Plaça Reial lukte het zo binnen twee jaar redelijk rijk met pensioen te gaan. Ook de Tequila ( die eveneens nog bestaat) aan de Carrer Escudellers was één van de favoriete kroegen van de Amerikanen. Daar waren de banken iets hoger dan gebruikelijk, omdat de stevige marinejongens groter waren dan de gemiddelde Spanjaard. En er stonden geen stoelen, opdat zij elkaar niet daarmee te lijf konden gaan.

Prachtige naam van een groep trouwens, in de jukebox: Earl & his Hoedowners. Jaren vijftig, uit Texas.

Schoenen halverwege de hemel

Sommigen zijn verdwenen, de laatste maanden, maar in bepaalde wijken van de vooral oude stad zijn ze weer in opkomst: de schoenen die overal in Barcelona -en ik weet niet hoeveel andere steden in de wereld – over telefoon-, electriciteits- en andere kabels ver boven de straat hangen, soms wel op zo’n tien meter hoogte. Gymschoenen vooral, met de veters aan elkaar vastgebonden, die er zo lang zullen bungelen als die veters niet slijten, of tot er een schoonmaakbrigade van de gemeente komt. Er doen nogal wat legende’s de rondte over dit fenomeen, dat al een heuse naam heeft, shoefiti, ofwel grafiti geschreven met shoes. En uit naam van deze zogenaamde kunstvorm proberen sommige artiesten een straat te decoreren. Het zal wel.

Het meest gehoorde en gevreesde verhaal in Barcelona is dat een paar hoog hangende schoenen een verkooppunt van drugs markeren, of het territorium van een dealer in die straat of buurt aanduiden. Bij de meeste van de bungelende schoenen zal dat verhaal echter niet meer opgaan, lijkt me, anders had de politie, die het verhaal toch ook wel gehoord zal hebben, veel van die dealers eenvoudig kunnen oppikken. Wel is hte bekend dat in de Verenigde Staten zulke schoenen in buitenwijken vaak ene verkooppunt van crack signaleerden.

De meest lugubere versie van de oorsprong van de schoenen komt óók uit de VS: wanneer er ergens een lid van een gang werd vermoord, hingen zijn vrienden zijn schoenen aan een draad in de wijk, schoenen halverwege de hemel die hij toch nooit meer zou kunnen aantrekken. Aan het andere uiterste van de hypotheses zegt de meest onschuldige versie van het fenomeen dat het gewoon een kwajongensstreek is, jochies die elkaar pesten door hun gympies af te pikken, aan elkaar te knopen en over een draad proberen te gooien.

In Spanje vierden vroeger de jonge soldaten het einde van hun (in 2001 afgeschafte) militaire dienst door hun boots aan een kabel bij de kazerne te hangen. Iets wat een beetje lijkt op onze Nederlandse uitdrukking, wanneer we iets, óók onze voetbalschoenen bijvoorbeeld, aan de wilgen hangen.

Eén van de meest plausibele verklaringen voor de opkomst van shoefiti in de laatste jaren komt denk ik uit de filmwereld. In het magistrale Big Fish liet regisseur Tim Burton in 2003 de mensen in een idyllisch dorpje wonen waar alle straten uit gras bestonden en de nieuwe inwoners, bij aankomst, hun schoenen over een lange kabel gooiden, want dat schoeisel hadden ze toch nooit meer nodig. Burton was trouwens niet de eerste regisseur die die vondst bedacht: zes jaar eerder liet Barry Levinson in Wag the Dog duizenden Amerikanen hun schoenen over draden gooien ter eerbetoon aan een soldaat die op de Balkan was gesneuveld en William Old Shoe Schumann heette…