Categorie archief: zon, zee en andere zaken

Waar de (dure) kerstboom vandaan komt

Weet niet wat die dingen nu in Nederland kosten, maar elk jaar weer verbaas ik me over de prijs die je in Spanje voor een natuurlijke kerstboom moet betalen. Wil ik een beetje een leuke boom hebben om de (3,50 meter hoge) huiskamer te decoreren, dan ben ik minimaal 45 euro kwijt. En dan doen ze ook nog, in het tuincentrum, of je een kerstboom met kluit krijgt die je zogenaamd daarna in je tuin kunt planten, maar uit die droom werd ik deze week geholpen: de bomen die werkelijk een kluit hebben en dus (terug)geplant kunnen worden staan in een enorm grote pot. De anderen zijn gewoon precies hetzelfde als een keurig afgesneden boom; dat laatste schijnen de Spanjaarden echter niet leuk te vinden, dus daarom verkopen ze ze hier met een klein kluitje en niet met die twee plankjes in de vorm van een kruis.

Alle bomen die hier worden verkocht komen uit Catalonië zelf en niet (meer) uit verre noordelijke landen. Toen in de jaren vijftig boeren in de buurt van Sant Hilari Sacalm (op de weg tussen Girona en Vic) zagen hoe tuinders uit Barcelona in december daarheen kwamen om dennebomen te kappen, dachten zij dat dat wel eens een goede markt zou kunnen zijn. Ze gooiden de aardappels uit hun tuinen en plantten er die dennebomen, die na drie jaar zo’n meter groot zijn en verkocht kunnen worden. In 2007, het topjaar, werden er liefst 1 miljoen van verkocht. En het zijn dus geen ‘zielige boompjes die zomaar gekapt zijn’, maar speciaal voor de Kerst gekweekt…

Sommige van die plantages staan gewoon midden tussen de huizen, zoals hier in Sant Hilari zelf. Het dorp ligt in Les Guilleries, een prachtig natuurgebied waar, door de kou in de winter en de nattigheid in de zomer (een Atlantisch microklimaat aan de Middellandse Zee), die dennebomen het goed doen. Eén van de tuinders zei me dat ze van zes tot 150 euro te koop zijn, maar die van zes heb ík nooit gezien.

De kerstboom werd overigens pas in 1870 in Spanje geïntroduceerd. De Russische aristocrate Sofia Troubetzkoy, afstammelinge van de tsaar, nam er één mee naar het paleis van haar man, de hertog van Sesto, Pepe Osorio, in het centrum van Madrid. Het duurde echter nog meer dan 100 jaar voordat de boom echt populair werd in Spanje.

In de winterzon, met 102 jaar en zonder rollator

Ook in Barcelona is het koud -wat is koud, een graadje of 10 deze winterse dagen-, maar als de zon ook maar een beetje schijnt -en dat doet hij meestal- gaat Ramón buiten op een stoel of bank op de Passeig de Sant Joan zitten, om het jeugdige leven nog eens aan zich voorbij te zien gaan. Ramón is 102 jaar, maar behalve een beetje doof nog zeer helder. Krant op zijn schoot, ironie en intelligentie in het hoofd. Adovaat geweest, en boekhouder. Ik zeg soms tegen de Spanjaarden dat ze zo oud worden omdat ze zó weinig punctueel zijn dat ze niet eens op tijd kunnen doodgaan. Ramón kon er wel om lachen.

Ik sprak hem aan over de seriemoordenaar van Olot, een verpleger die al 11 moorden op oudjes in een tehuis heeft bekend, allemaal sinds september vorig jaar begaan. Nooit ontdekt, tot bij het laatste slachtoffer brandwonden in de mond werden aangetroffen; ze had chloor gedronken. Of toegediend gekregen, door de verpleger, een stille 45-jarige man die altijd voor buren en bejaarden ‘oh zo aardig’ was geweest. Hij voelde zich soms God zei hij, en kreeg het licht binnen om zieke oudjes uit hun lijden te verlossen.

Nee, Ramón was niet bang voor de dood, of dat ze hem in zíjn bejaardenhuis iets zouden aandoen. “We krijgen goed te eten, want dan blijven we gezond en hebben ze minder werk aan ons dan wanneer we ziek zijn.” Ramón heeft met zijn 102 jaar slechts aan een wandelstok genoeg om zich voort te bewegen. Hij vindt dat, mocht de nakende dood hem doen lijden, hij best een handje geholpen mag worden, “maar natuurlijk niet door zo’n gek.” Maar hij gaat niet lijden, weet Ramón al. “Mijn vrouw was 95 en heel sterk toen ze een ochtend opstond en zei. ‘Ik ben niets meer waard’. De volgende dag was ze dood. Leven is voor mij inademen, rust nemen en ontspannen. Op een dag hou ik op met ademen en ga ik dood, maar dat merk ik niet eens.”

Ik mocht van de directie een kijkje nemen in de residencia waar Ramón al zeven jaar verblijft. In Spanje heb je er niet zoveel van , bejaarden- en verpleeghuizen, als in Nederland. En ‘aanleunwoningen’ en dat soort dingen kennen ze hier al helemaal niet. Aanleunen, dat doe je bij je eigen familie. Al zie je op straat steeds meer een ander verschijnsel: oude mensen die meestal in een rolstoel zitten of nog moeilijk kunnen lopen worden bijgestaan door een Zuidamerikaanse vrouw of man, een soort fulltime ongediplomeerde verpleger. Ze willen graag de straat op, die oudere mensen, nog een beetje genieten van die zon, dat leven. Je ziet ze rond het middaguur overal waar de zonnestralen nog komen. En niet één met een rollator, fenomeen dat hier nauwelijks bestaat. Misschien jammer voor sommigen, omdat zij zich iets eenvoudiger zouden kunnen verplaatsen, maar ik heb het idee dat het je in Nederland wel erg makkelijk wordt gemaakt om achter zo’n ding te gaan hangen.

‘Stokoudjes’ genoeg, trouwens, in de grote stad. Alleen al in de wijk Eixample zijn bijna 1.000 inwoners ouder dan 95 jaar.

De laatste dagen voor de beste foto’s

Een dag in 1955 besloot een aantal Nederlandse fotografen om de nationale prijs voor de persfotografie, de Zilveren Camera, voor één keer ook een internationaal tintje te geven. Beroepsfotografen uit de hele wereld mochten meedoen en de verrassende winnaar was de Deen Mogens von Haven met een actiefoto van een valpartij tijdens een motorcross.

Zó groot was de deelname en het succes van die editie, dat direkt de World Press Photo werd geboren en, naast de Zilveren Camera, een jaarlijks terugkerende editie kreeg. Ik ben er mee opgegroeid, al die jaarboeken van WPP die je enkele jaren na uitgave voor een paar euro bij De Slegte kon kopen, en als je erin terugkijkt beleef je elk jaar weer van begin tot einde mee.

Voor wie deze dagen in Barcelona is (het is hier komende week een héél lang weekeinde, 6 en 8 december zijn feestdagen): nog gedurende een week (tot en met die achtste december) is de expositie van de World Press Photo-winnaars nog te bekijken in het CCCB, dichtbij het Plaça de Catalunya in de Raval, naast het Macba. Vroeger was het gratis, maar er zijn helaas nauwelijks nog sponsors te vinden, zodat het entreekaartje nu €4,50 kost. Behalve op zondagmiddag, dan is het nog steeds gratis.

Ben er vanochtend even langs geweest, en al is het één van de beste bezochte exposities van het CCCB, het is er meestal lekker rustig. Stilte en duisternis om de platen op je te laten inwerken. Wie niet met een vervelend gevoel wil weggaan doet de harde nieuwsfoto’s -keihard, soms, zoals het moet- het eerst en eindigt met de plezante plaatjes van de sport en vooral de natuur. In totaal deden er in 2010 5.847 fotografen uit 128 landen mee met meer dan 101.000 foto’s. Zou veel ervan wel willen zien, maar ben toch blij dat de jury een selectie heeft gemaakt…

Een kleine regen van Michelin-sterren

Terwijl ik zat te lunchen (de eerste artisjokken van het seizoen en daarna cazón, een soort kleine haai) in een aardig restaurant dat ik nog niet kende, La Vaquería in de buurt van winkelcentrum l’Illa aan de Diagonal, daalde een kleine regen van nieuwe Michelin-sterren op andere restaurants in Barcelona neer. Maar eerst over die Vaquería, geen aspirant voor zo’n ster, maar dat hoeft ook niet. Een iets duurder dan gebruikelijk middagmenu (€20, de ambassade betaalde), maar vooral een typisch Catalaanse familiezaak in een oude koeienstal (één van de laatste stallen die er in een verstedelijkend Barcelona nog bestond, vandaar de naam) waar oude mannen nog domino spelen onder een schemerlamp en veel zakenmensen hun lunch komen nuttigen.

Ik kom er liever dan in enkele van de restaurants die hun eerste Michelin-ster hebben gekregen. Ze zullen wel goed zijn, maar drie van de vier die bekroond zijn zitten in een hotel: Dos Cielos op de 24ste verdieping van het vrij nieuwe hotel Me aan de noordkant van de Diagonal, Moments in het nóg nieuwere en nog veel meer luxueuze hotel Mandarin aan de Passeig de Gràcia en Caelis in het heropende hotel Palace, het vroegere Ritz. Heb er toch altijd wat tegen gehad, eten in ‘hotelrestaurants’, al mag je deze en anderen (Drolma in het Majestic, Evo in Hesperia Tower, Enoteca in het Arts, Moo in het Omm, allemaal één ster; Lasarte in het Condes de Barcelona, twee sterren) eigenlijk niet meer zo noemen, want juist die hotels contracteren de bekendste en beste chefs van het land om een mogelijk Michelin-restaurant te herbergen. De vierde nieuwkomer is Hisop, waardoor Barcelona nu een inmiddels aardige lijst van restaurants met één ster heeft: Abac (die er één heeft verloren), Alkimia, Cinc Sentits, Comerç24, Gaig, Hofmann, Lluçanés, Manairó, Neichel, Saüc, Via Veneto, plus die vier nieuwelingen en nog eentje op een onverwachte plek, voorstad Terrassa, Capritx waar Arthur Martínez net zoals veel jonge Catalaanse koks probeert zoveel mogelijk producten uit de omgeving te gebruiken.

En dan zie ik het lijstje en ontdek ik dat ik er ooit maar bij twee heb gegeten, waarschijnlijk vooral omdat je op zo ongelooflijk veel plaatsen in en rond Barcelona goed kunt eten zonder dat die Franse bandenmakers er een ster voor hoeven te geven en de prijs omhoogdrijven.

Vijftig…

Ze is vijftig geworden vandaag. Wilde het ver weg vieren. Het blijft nooit makkelijk, deze leeftijd, voor vrouwen, ook al zien ze er tien jaar jonger uit. Ook al zijn ze mooi, vrijgevochten, zelfstandig en gelukkig. Ook al hoeven ze geen hoofddoek om, zoals de duizenden vrouwen die we deze dagen in Istanbul tegenkomen. Ook al kunnen ze een stevig broodje makreel eten, en mezzes, en een Turkse pizza, en heel veel aubergine in olijfolie, en nóg meer rode wijn erbij, zonder een kilo bij te komen. Nou ja, één klein kilootje, maar dat zie je niet.

Soms is de dood van moeder nog te dichtbij om écht feest te vieren, maar zal dochterlief tegelijkertijd blij zijn als zijzelf straks die extra 33 jaar na haar vijftigste nog kan meepikken. Dat is niet iedereen gegund. Drieëndertig jaar… hoeveel kun je daarin nog doen, behalve werken? Soms is het onuitstaanbaar dat je eigen dochter je niet op je verjaardag mag bellen. Een vorm van eerwraak van narcistische (ex-)mannen. Dat maakt het allemaal niet eenvoudig, vijftig worden…

Het zal ook wel een leeftijd zijn om nóg meer na te gaan denken, over leven en dood, over wat je gedaan hebt en nog wilt doen. Wél een voorrecht om dat te kunnen doen, dat peinzen, op een drukke brug over de Gouden Hoorn of op de trappen van een onbekende stad, tussen duizenden Turken in, genietend van dat broodje makreel met ui en sla dat ze niet snel zal vergeten, ook al omdat het nog regelmatig via de slokdarm terugkeert in een klein briesje dat ontsnapt. En vanavond de gedachtes misschien verzetten in een restaurant dat 360 heet, om de graden die je om je heen kan kijken, over de hele stad. Daar wil ik ook wel vijftig worden, ietsje dichterbij een mooie hemel.

Weer Nederlandse comedy in Barcelona

Een jaar geleden zaten we met tientallen Nederlanderse uit Barcelona en omgeving gul te lachen bij Lebbis in een klein theater in Gràcia. Deze vrijdag, 19 november, gaat een nieuwe editie van het internationale Comedy Festival van Barcelona van start, allemaal buitenlandse cabaretiers en stand up-comedians die een voorstelling geven in hun eigen taal (dus eigenlijk niet voor het lokale publiek bedoeld, of voor de zes Catalanen die Nederlands studeren). Het feest start met een Nederlander, Jeffrey Spalburg, in de zaal Fahrenheit, aan Aribau met Roselló. Het is, opvallend, met klein verschil ook de duurste voorstelling van dit festival; toch iets Nederlands?

Zijn komst blijkt reden geweest om er continuïteit aan te geven, dat van het laten lachen van Nederlanders in Barcelona, die vaak niet veel op hebben met de humor op de Spaanse televisie of in de theaters, en al helemaal niet sinds de grootste van allen, Pepe Rubianes, dit jaar is overleden. Er gaat een Comedy Lounge ontstaan, zeg maar de Barcelonese versie van de Comedy Train die jaren geleden onder in het Amsterdamse Hilton werd geboren, met voorlopig optredens in januari, maart en mei van mannen die Henry van Loon, Roué Verveer en Jandino Asporaat heten. Ik ken/kende ze niet, maar misschien verandert dat…

Mijn kustweg zonder auto’s

We waren met bijna 3.000 man en vrouw vandaag, de zestiende editie van de Pedalada Popular Ecológica Barcelona-Sitges. Op de racefiets, mountainbike en een enkele stadfiets (die bestaan hier nauwelijks, 80% van de Catalanen die een fiets heeft heeft een mountainbike) van het Camp Nou naar mijn dorp, zo ongeveer de omgekeerde weg die ik enkele keren per week op de fiets afleg. Ik heb er (nog) geen foto’s van, maar elk jaar weer op een mooie dag in november (het heeft nog nooit geregend sinds ik meedoe) is het indrukwekkend, die lange sliert van fietsers (el serpiente multicolor, is het vreselijke Spaanse cliché, ‘de veelkleurige slang’) die, op de laatste 15 kilometer van de route, over mijn mooie kustweg van de Garraf rijdt, tussen Castelldefels en Sitges.

En moet je normaal het gebrom van auto’s en vooral vrachtwagens van de steengroeves achter je horen, het genot van deze toertocht is dat de Costas del Garraf volledig is afgesloten voor de rest van het verkeer. Heerlijk zwoegen naar boven (twee korte klimmetjes, de tweede zelfs op het grote blad -waarom moeten mountainbikers altijd zo belachelijk licht omhoog?) en over de twee rijbanen met een aangename snelheid de lange daling, bochten afsnijdend en geen getoeter van achter.

Vreemd in een land dat de beste profrenners te wereld heeft, maar het blijft hier vechten voor erkenning en begrip voor de fietsers. Alsof je gestoord bent op je fiets te stappen en door de stad, het dorp of over de wegen te rijden met een fragiele tweewieler. Oppassen ook: vooral niet zaterdag- of zondagmorgen heel vroeg op pad gaan, grote kans dat dronken automobilisten je te laat opmerken.

Er is nog veel educatief werk te doen, zoals (applaus!) met dit bord dat sinds kort op enkele plaatsen langs mijn vaste route staat: de Spaanse verkeerswet schrijft voor dat een automobilist een fietser op minimaal 1,5 meter afstand moet inhalen. Ja maar, hebben veel mensen me gezegd de laatste weken, deze weg is te smal om die afstand in acht te nemen. Ze weten niet dat je, bij het inhalen van fietsers, de doorgetrokken streep mag overschrijden, mits er natuurlijk geen auto van de andere kant komt…

Overbodige luxe: een jacht van drie ton

Voor de liefhebbers: dit (13/14 november) is het tweede en laatste weekeinde van de Salón Náutico in Barcelona, de grote watersportbeurs die in de Fira-Gran Vía wordt gehouden maar sinds enkele jaren ook een village in de de haven heeft. Een middagje langsgeweest (het is prachtig herfstweer in Barcelona) om me een beetje vergapen aan de ruim 120 jachten die er aangemeerd liggen en te bezichtigen cq te koop zijn. Op bordjes de prijzen van tweedehandsboten bekeken, van 7.900 euro voor een Glastron-sloep van 6,9 meter tot 2.990.000 voor een Sunseeker, de Princesa de Troya III, van 25,15 meter, inclusief twee kluizen met slot (tja, wat zou een kluis zonder slot zijn), 5 halogeenlampen, twee electrische barbecues en een lang etctera. Daartussenin, tientallen, honderden jachten van tussen de twee en zeven ton, of zoiets.

Typisch zo’n branche die heel erg veel last van de crisis heeft. De titel boven deze post is niet van mijzelf, maar van de commercieel directeur van een grote scheepsbouwer, Astondoa. “We zijn een totaal overbodig segment. Een huis of een auto heeft iedereen nodig, een jacht absoluut niet.” Dus zijn de verkopen van zijn bedrijf de laatste drie jaar met 70% gedaald en moeten sommige werven het zelfs met 90% minder productie doen. Zwaar weer, terwijl de lucht zo mooi blauw is.

Geniet Nederland vooral met de bootjes massaal op zijn binnenwateren – er schijnen heuse file’s voor bruggen en sluizen te ontstaan als het even mooi weer is – Spanje is natuurlijk een land van de open zee. Aan de costa’s zijn een totaal van bijna 130.000 ligplaatsen – wél een aantal dat alleen maar blijft stijgen -, waarvan hier in Catalonië verrweg het grootste deel, liefst 23,5%. Op enige afstand volgen de Balearen (17%) en de kusten van Valencia en Alicante (15%). Van de 355 jachthavens ligt 61% aan de Middellandse Zee.

Voor de goede orde: ik woon aan zee maar heb geen jacht. Behalve duur schijnt het ook nog enorm veel (onderhouds)werk te zijn. Een gevleugelde uitspraak hier is dat het mooiste jacht dat van een goede vriend is.

Muzikanten in de trein

Soms zijn ze een terreur, op de dagelijkse tocht in de trein (die trouwens steeds modernere treinstellen heeft, en dat met 21 euro voor een 10-rittenkaart voor mijn 45 km/3 zones; dat zijn 3 ritjes A’dam-Utrecht met de NS à €6,70…): de muzikanten. Ik weet niet hoe ik het doe, maar één tref ik er altijd, mijn persoonlijke Gheorghe Zamfir. Hij speelt niet alleen op zo’n panfluit en is vrijwel zeker een Roemeen, hij líjkt ook op die illustere voorganger die ons in de jaren zevntig het hoofd met zoetsappige melodietjes volblies. Zou deze treinfluiter een aan lager wal geraakte Zamfir zijn?

Meestal zit ik met mijn iPod op en haal ik een stevige hit van Muse of de Stones tevoorschijn om die muzikanten niet te horen. Maar vorige week, op een rustige tijd in een zeer lege trein, deed ik de oortelefoontjes direct uit toen ik de eerste tonen van drie tot dan onbekende jonge onbekende muzikanten hoorde. Vriendelijk gingen ze vlak voor me zitten, Patricio op de gitaar, Gonzalo op de dwarsfluit en Raúl met de cajón, de ‘percussiekist’ die in de flamenco wordt gebruikt. Ze speelden geen troep, zoals gebruikelijk is in de trein, en hun kwaliteiten stonden voor mijn verder ongeoefende oor buiten kijf, maar wat me pakte waren de herkenbare tonen van de die door de coupé sijpelden. Ik heb al eens eerder over mijn passie dat prachtige nummer, ooit samen door Paco de Lucía, Al di Meola en John McLaughlin geschreven: bekijk en beluister hier enkele video’s.

Ze traden in de trein op (iédereen gaf hen geld trouwens, kwaiteit loont), zeiden de drie me (de drie jongens, niet Paco, Al en John) omdat ze op straat steeds meer werden vervolgd. Door nieuwe regels van de gemeente Barcelona mag je niet zomaar overal muziek maken, anders worden je instrumenten in beslag genomen. Dat heeft tot enige opluchting geleid tijdens etentjes op terrassen bij het strand, waar nu niet meer elke tien minuten een andere zogenaamde muzikant voor je staat. Maar van mij mogen ze sommigen altijd en overal laten spelen.

Binnen een uur bij Dalí in Figueres

Het type passagiers in de trein valt direct op. Op de lijn Barcelona-Port Bou, de grensplaats met Frankrijk, zitten steeds minder rugzaktoeristen die aan hun treintocht door Europa bezig zijn, maar wel steeds meer Japanners. En je hoort ook Engels met Amerikaans accent praten. In Girona stappen de meeste passagiers uit, forensen die tussen deze stad en Barcelona pendelen. En in Figueres gaan die Japanners en Amerikanen van boord. Figueres, stadje van 43.000 inwoners, zou waarschijnlijk helemaal niets voorstellen als Salvador Dalí niet in 1967 besloten had daar in het oude theater zijn collectie ten toon te stellen. Nu – ik was er een eeuwigheid niet geweest – is er bijna het hele jaar door activiteit, zitten de terrasjes gezellig vol (ja, ook eind oktober nog; het is heerlijk weer, met een beetje meteorologisch geluk een mooie tijd om hier te zijn) en is het oude centrum mooi opgeknapt. Zou allemaal veel moeilijker zijn geweest zonder de economische inbreng van de toeristen. Aparte cijfers zijn er niet, maar vorig jaar werden de drie musea van Dalí (Figueres en zijn vroegere huizen in Pubol en Portlligat) door 1,23 miljoen mensen bezocht, wat er toch zo’n 4.000 per dag zijn (op maandag zijn de meeste musea gesloten).

Probleem is dat, ook al ligt Figueres maar iets meer dan 100 kilometer van Barcelona, je er met die trein zo lang over doet om er te komen, zeker als je de pech hebt de oude, oranjegekleurde Regional te pakken. Die stopt op de meest onooglijke, verlaten stations en doet er bijna tweeëneenhalf uur over. De modernere, snelle treinen leggen het traject in net iets meer dan twee uur af. Maar daar moet, als alles goed is, in 2012 verandering in komen. Dan gaat ook de hogesnelheidstrein tussen Barcelona en de Franse grens rijden en komt Figueres op iets minder dan een uur te liggen. Ideaal voor al die toeristen, die niet wakker zullen liggen van de iets hogere prijs voor het treinkaartje; het huidige retourtje kost €17,10.

Er is echter één probleem, vindt de gemeente. Het nieuwe station van de AVE (Alta Velocidad Española) ligt aan de westrand van de stad. Kom je nu aan in Figueres, dan stap je uit in het centrum en loop je door de oude stad naar het museum-theater. Straks gaat de wandeling door de wijk Sant Joan, eentje waar je niet vrolijk van wordt. Gebouwd in de jaren zeventig om de zigeuners uit de krotten een huis te geven. Velen wonen daar nog steeds, maar ze klagen erover dat er al jaren een slechte groep gitanos is neergestreken, die de wijk zo’n slechte naam bezorgen. Mensen komen er liever niet. Dus wil de gemeente nu de helft van de wijk slopen en de rest opknappen. En de bewoners over Figueres verspreiden, zodat de Dalí-bezoekers geen slechte indruk van het stadje krijgen.