Categorie archief: zon, zee en andere zaken

De jacht op de piraten

Soms worden voorbijgangers in Barcelona opgeschrikt door een grote groep meestal Afrikaanse jongemannen die met hele grote zakken hard de straat of de stoep over rennen. Niet schrikken, ze doen niets. Ze lopen slechts hard weg met hun nagemaakte zonnebrillen, handtasjes, DVD’s en andere spullen opdat de politie, die hen weer even is komen ‘pesten’, de hele handel niet in beslag neemt. Vanmiddag vroeg een verslaggever van het Duitse RTL, die me interviewde voor een programma over Barcelona als zakkenrolhoofdstad van de wereld, waarom de politie die ‘arme jongens’ achterna zat en niet de lui die zo’n 120.000 zakken per jaar rollen. (Dat is het aantal aangiftes…) 

Tja. Barcelona mag dan een paradijs voor de kruimeldieven zijn, heel Spanje is het walhalla voor de piraten. De culturele piraten vooral, zij die illegaal muziek, film, videogames en boeken kopiëren. Nergens ter wereld schijnen zóveel mensen zóveel illegaal te downloaden als in Spanje. De branchorganisatie kwam vandaag met wat cijfers, die inderdaad niet vrolijk stemmen (al zullen ze een beetje gekleurd zijn om de eigen belangen voorop te stellen): 95% van de muziek op het Spaanse internet is er illegaal terecht gekomen, 83% van de films op DVD die de mensen kijken is ook illegaal, 52% van de videogames is een piraten-kopie en 19% van de boeken zijn onheuse kopieën. In totaal, zo zegt de branche, derven de ondernemers 5 miljard euro aan inkomsten. Of de regering even wil bijspringen, maar dat is moeilijk in deze tijden van bezuinigingen.

Een gesponsorde etterbak

Eigenlijk zouden we geen woord aan ‘m moeten vuilmaken, maar het fenomeen Jimmy Jump verdient toch een korte uitleg. De 36-jarige Catalaan Jaume Marquet heeft er een sport van gemaakt om iets te doen wat eigenlijk heel erg gemakkelijk is: bij een groot evenement over hekken of reclameborden springen en hopen dat de camera’s zich op hem richten. Natuurlijk is er altijd wel beveiliging, maar als we iets niet meer willen in, bijvoorbeeld, voetbalstadions dan zijn dat van die hoge hekken. Of een rij politie- of veiligheidsagenten voor het podium van het Eurovisiesongfestival waar de ijdele Jimmy/Jaume zaterdag zijn faam definitief in heel Europa vestigde, toen hij het optreden van de Spaanse deelnemer Diges verstoorde. “Ik keek in mijn ooghoeken naar hem om zeker te weten dat hij geen mes of zoiets bij zich had,” zei de zanger. Je weet maar nooit. Dat hele festival is natuurlijk niks aan, maar in dat verre Oslo kenden ze die achtelijk Jimmy Jump niet, konden ze het ook niet zien aankomen, al deden de veiligheidsagenten er lang over de ‘springer’ van het podium te halen; misschien dachten ze dat hij onderdeel van de show was…

In principe is Jimmy een onschuldig type, zonder mes op zak, met op het hoofd het Catalaanse barretina en meestal ook iets van zijn favoriete voetbalclub FC Barcelona, zoals in 2004 tijdens de EK-finale tussen Portugal en Griekenland. Catalonië noch Barça zijn blij met hem. Ze schamen zich voor een figuur dat een eigen website heeft en af en toe een sponsor om zijn zorgvuldig geplande daad uit te voeren. En ook al wil hij geen kwaad, hij kan anderen behoorlijk aan het schrikken maken. En nou vraagt hij via Facebook ook nog of mensen hem willen helpen in Oslo, waar hij een nacht in de cel zat, een boete van 1.800 euro te betalen.

Op de vloed van het smeltwater

Heb het zelf nog nooit gedaan, maar als je de acht mannen en vrouwen gillend in de boot hoort is de verleiding groot. De dit jaar overvloedig gevallen sneeuw in de Pyreneeën is massaal aan het smelten – toch, boven de 2.000 meter liggen er nog dikke muren op de bergwanden – en dat zorgt voor wilde stromen van de anders zo rustige beekjes in de dalen van het massief. De foto is van gisteren in Axat, een dorpje aan de Franse kant van de Pyreneeën, maar zo ver (bijna 3 uur) hoef je vanuit Barcelona niet te rijden om met vrienden een potje te gaan raften.

Vooral in de soms prachtige gargantas (of gorgues in het Frans), letterlijk vertaald ‘kelen’, die door het eeuwige water uitgeholde kloven tussen woeste bergwanden, in het noorden van de provincie Lleida kun je wild en minder wild varen. Je leest weinig over (dodelijke) ongevallen, dus het reële gevaar zal wel meevallen. Als er iets gebeurt, is het meestal domme pech. Kan niet één concreet bedrijf aanbevelen, maar het grotere dorpje Pont de Suert is één van de bekendste rafting-centra. Je kunt ook iets dieper de Pyreneeën inrijden, naar Llavorsí, Vielha, Bassella of Esterri d’Áneu, het laatste dorpje voor je de in de winter altijd dichtgesneeuwde Bonaigua-pas over moet.

De renner, 32 jaar later

Duurde het 51 jaar om De donkere kamer van Damocles van WF Hermans in het Spaans vertaald te krijgen, Tim Krabbé zal zich er net zo over verwonderen dat hij deze week in Madrid de presentatie houdt van de Spaanse versie van zijn historische De Renner, volgens velen van ons nog altijd het beste boek in het Nederlands dat ooit over wielrennen, of de fiets, is geschreven. En dat was in 1978…

Een kleine uitgeverij, Los Libros del Lince, die geen geld heeft om Krabbé ook nog naar Barcelona op promotietour te sturen, heeft het aangedurfd de kleine roman – 157 pagina’s in het Spaans – in dit wielergekke land uit te brengen. Wéér een leuk kado erbij voor onze Spaanse en Catalaanse relaties die ook nog een beetje van fietsen houden.

Jazz bij de kasteelheer (2)

Heb er dit jaar al eens eerder over bericht, maar toen nog zonder kennis van zaken, of zonder praktijkervaring. Dus afgelopen vrijdag maar eens op bezoek geweest bij Albert Diks in zijn Castell d’Empordà, een uit ruïnes miraculeus herrezen kasteel in keramiekstad La Bisbal d’Empordà waar ook eindelijk de zwoele mei-avonden zijn aangebroken om in het halfduister in de tuin iets te drinken. Of om vooral die kleine deur door te gaan naar El Celler, de kelder waar elke vrijdagavond een optreden binnen het kader van het II Nederlandse Jazzfestival van de Costa Brava plaatsvindt.

Vrijdag was het de beurt aan Zuco 103, de band die op herhaling ging, want hier vorig jaar al was. Ook niet fout, voor zo’n band natuurlijk, om even uit Nederland over te komen en op zo’n bijzondere plek een intiem optreden te geven. Nou ja, intiem… Als je veel Nederlanders bij elkaar hebt dan wordt die intimiteit al gauw slachtoffer van een golf van steeds harder wordend geroezemoes. Terwijl de lokale bevolking naar het optreden kwam lúisteren, en zelfs een beetje swingen, zijn wij Nederlanders er heel goed in onrespectvol te blijven doorouwehoeren, zodat het spelen én horen van rustige nummers een martelgang wordt.

Ik wil de komende maand nog wel een keer op herhaling (ook al omdat op het jazz-menu uitstékend eten wordt geboden en een al even fantastische Merlot uit Argentinië…) en kan kiezen uit Eric Vaarzon Morel (4 juni), Ruben Hein (11 juni), Rob van de Wouw (18 juni) en het Benjamin Herman Quartet (25 juni), maar hoop dan van harte dat het publiek enig respect voor de muzikanten kan opbrengen.

De katholieke kerk wordt oud

Dat ’t niet goed gaat met de katholieke kerk is een pleonasme. Dat het heel erg slecht gaat was zondag te zien in de mis van het kleine dorpje Sant Miquel de Fluvià, in de provincie Girona. Tot ontsteltenis van de gelovigen begon Mosén Viñás zich uit te kleden. Niet om kleine jongetjes te bespringen of zo, maar gewoon omdat hij steeds zieker is. In zijn lijf en in zijn hoofd.

Al tientallen jaren is hij de priester van dit en andere dorpen uit de omgeving. Op zijn 75ste jaar vroeg hij aan het bisdom of hij met pensioen kon, maar de superieuren smeekten hem in ieder geval nog twee parochieën te blijven bedienen. ‘Viñas,’ zeiden ze, ‘je kent ons probleem. Er zijn nog zó weinig priesters. Er is gewoon geen vervanging.’

Dus ging hij nog even door, want hij voelde zich nog fit. Maar daar is het laatste jaar verandering in gekomen. Hij kreeg probleempjes, zijn lichaam protesteerde. Om het nog een beetje respectvol te zeggen: soms ontsnapte er een wind die in de kerk behoorlijk echode. En hij waste zich niet elke dag even grondig. Maar dat van zondag was nieuw. Hij begon te praten over zijn overleden ouders, liet een jeugdfoto van zichzelf zien, trok zijn habijt en bovenkleren uit en stond op het punt zijn riem af te doen om zich daarmee te gaan geselen. Hij wilde zo boeten voor wat hij fout had gedaan. De misdienaars en enkele gelovigen konden hem op tijd afstoppen.

De katholieke kerk wordt oud. Heel oud.

Spaanse trots

Dit technologische wonder moet me iets sneller in Barcelona brengen. Misschien ouderwets, maar ik vind het wel wat hebben, het kopen van lokale of nationale produkten die niet voor de internationale concurrentie hoeven onder te doen. Dus waarom een modieuze Trek, of Cannondale, of Cervélo aanschaffen als Spanje zijn Orbea heeft? Bovendien geeft dat nog een extra voordeel: ik kocht hem in Vilanova i la Geltrú in de winkel van Celestino Prieto, een oud-wielrenner van historische ploegen als Kas (met Sean Kelly) en Reynolds (Delgado, Indurain). Hij stopte net met fietsen toen ik de Tour de France ging verslaan. We kenden elkaar niet, maar hebben wederzijdse vrienden. En dát is Spanje: “Oh, ken je hem ook? Dan krijg je de fiets voor zoveel mee.” En dan gaat er ineens 500 euro van de officiële verkoopprijs af, bijna 25%. Zou met een buitenlands merk niet kunnen, daarop is de winstmarge voor de winkelier veel kleiner. (Wat? Zóveel voor een fietsje, hoor ik de leken al zeggen. Tja; diepte-investering in de eigen gezondheid, en toch stukken goedkoper dan een Picasso.)

Dus ik dolblij met mijn Orbea Onix van 57 cm, 8,8 kilo, Shimano Ultegra-‘versnellingsbak’, wielen van hetzelfde merk. Vannacht staat hij (of zij, la bicicleta) in de slaapkamer, vind het zonde haar nu al in de vochtige garage te zetten. Nu nog zelf wat kilo’s eraf en het carbonfiber vliegt ongeremd over de heuvels langs de Middellandse Zee.

De vooruitziende blik van Picasso

Je weet nooit hoe waarheidsgetrouw zo’n anecdote is, en hoeverre hij in een eeuw tijd alleen maar mooier is gemaakt, maar de legende blijft de moeite waard: begin 20ste eeuw at Pablo Picasso met enkele vrienden in de brasserie La Coupole, zo’n plaats waar je eens gegeten moet hebben, aan de Boulevard Montparnasse, in de tijd dat de schilder uit Málaga in Parijs woonde en daar inspiratie opdeed. De maitre herkende Picasso en zei hem dat niemand aan tafel het diner hoefde te betalen als Picasso voor hem een tekening op de achterkant van de placemat maakte. Dat deed de schilder, die graag gratis wilde eten, maar toen hij de tekening overhandigde zei de maitre hem dat hij hem niet had ondertekend. “Nee,” antwoordde Picasso, “ik betaal hiermee alleen maar het eten, ik koop niet het hele restaurant…”

Picasso had een vooruitziende blik, al kan hij nooit vermoed hebben hoeveel op de wereld ooit voor zijn schilderijen betaald zou worden. In 1951 verkocht hij voor 19.800 dollar zijn schilderij Nude, green leaves and bust, de Engelse naam van het werk dat morgen bij Christie’s in New York onder de hamer gaat. Het is één van zijn grote schilderijen die nog in een privécollectie behouden waren en daarom een flink bedrag moeten opleveren: het veilinghuis verwacht dat dat tussen de 70 en 90 miljoen dollar zal zijn. Crisis? “In moeilijke tijden is een Picasso een goede investering,” zegt de veilingmeester. Het record staat, ook op naam van Picasso, op 104 miljoen dollar, gevangen in 2004. Wie dat geld niet heeft, kan trouwens ook naar het Metropolitan: daar worden op dit moment 300 werken van Picasso tentoongesteld.

UPDATE: Het schilderij is gisteravond verkocht voor 106,4 miljoen dollar (81 miljoen euro).

Truman Capote in Palamós

Op een dag als vandaag, precies 50 jaar geleden, dus op 26 april 1960, arriveerde Truman Capote voor het eerst in Palamós. Met het schip Flandre was hij uit Washington naar Le Havre gevaren en een autoreis van vijf dagen brachten hem en zijn vriend Jack Dunphy, een siamese kat, een blinde poedel, een oude bulldog en 25 koffers in het vissersplaatsje aan de Costa Brava. Vandaag werd die ‘historische dag’ in Palamós herdacht, al was er in 1960 niemand, maar dan ook helemaal niemand die enige aandacht schonk aan de beroemde Amerikaanse schrijver, ook al omdat Breakfast at Tiffany’s in Spanje nog niet was verschenen en zijn wereldfaam juist ná zijn verblijf aan de Costa Brava gevestigd zou worden.

Want Capote had in zijn bagage ook 8.000 volgeschreven vellen papier bij zich. Notities die hij had gemaakt bij zijn bezoek, in 1959, aan het dorpje Holcomb, in Kansas. De schrijver was geïntrigeerd door een bericht van 335 woorden in The New York Times over de moord op boer Herbert Clutter, zijn vrouw en hun twee kinderen. Gedurende weken deed Capote research, sprak hij met alle betrokkenen en ook met de twee verdachten, die uiteindelijk de moordenaars bleken te zijn en jaren later werden geëxecuteerd.

Truman Capote wist dat hij ‘goud’ in handen had, dat dit het materiaal was voor wat zijn beste boek moest worden. Maar hij had rust nodig om het allemaal te kunnen ordenen en opschrijven, en hij moest verdwijnen uit de wereld van drank, drugs en sex van Manhattan. Een bevriende journalist uit Washington, die een huis in Sant Antoni de Calonge bezat, raadde hem aan naar Palamós te gaan.

En daar verbleef Capote, bijna anoniem, drie hele lange zomers lang, van april tot oktober, om voor een groot deel het boek te schrijven dat algemeen als zijn meesterwerk wordt beschouwd, In cold blood, dat in 1965 werd gepubliceerd en wordt gezien als de eerste grote non-fictie roman uit de geschiedenis.

Elk jaar koos Capote een ander huis uit om in te verblijven. De Catalaanse journalist Márius Carol heeft de weinige gegevens uit die tijd gebruikt om het verblijf van Capote aan de Costa Brava te novelleren in L’home dels pijames de seda (De man met de zijden pyama’s), vooral omdat het hem opviel dat in de biografieën van de in 1984 gestorven schrijver bijna nauwelijks enige aandacht aan de Mediterraanse rust en inspiratie van Capote is besteed.

De gemeente Palamós, op zijn beurt, opende vandaag de expositie La ruta Capote, een eerbetoon aan de Costa Brava van de jaren zestig, toen talloze filmsterren, schrijvers, intellectuelen, kunstenaars en andere beroemdheden door de magie van de Woeste Kust werden aangetrokken.

Een dag om vrolijk van te worden

Je moet op een blog niet in herhalingen vallen, maar ook al schreef ik vorig jaar al over de dag van vandaag, Sant Jordi blíjft de moeite waard om er enkele woorden aan te wijden. Het is weer een gekkenhuis in Barcelona, over de Rambla lopen is nog veel minder een pretje dan het normaal al is, maar als je een beetje buiten de grootste drukte blijft, is de 23ste april een dag om van te genieten. Ik geniet vooral van de aanblik: bijna elke vrouw op straat loopt met een roos, gekregen van haar geliefde, vader, broer, collega of gewoon een vriend. Een vrouw zónder roos ga je bijna zielig vinden en zelfs de toeristen blijken niet aan de koorts te ontkomen en kopen voor 3 tot 5 euro zo’n roos. Het ándere cadeau wat bij deze dag hoort, een boek, wordt voor hen wat moeilijker, want bijna alles wat te koop wordt aangeboden is in het Spaans en Catalaans.

Het is net als Koninginnedag in Amsterdam, maar dan nóg erger, nóg drukker, zei een Nederlandse disgenoot vanmiddag. Eén verschil merkte hij echter wel op, in het voordeel van Barcelona: op Koninginnedag beginnen mensen in de middag agressief te worden omdat ze de hele (zonnige) dag al hebben lopen zuipen; hier hoort drank niet bij het feest, al kregen we in het restaurant (héél leuk, h-Original, schuin tegenover het Macba, mét terras op de Plaça dels Àngels) een glaasje cava cadeau.

Nee, agressief is Sant Jordi niet, al vocht diezelfde Jordi succesvol tegen een vuurspuwende draak. Het is meer een idyllisch feest; commercieel ook, natuurlijk, want de boekwinkels draaien vandaag zo’n 10% van hun omzet van het hele jaar, en die prijs voor één roos is belachelijk, maar ondanks dat alles lijkt iedereen vandaag een stuk vrolijker (al is dat, sorry, niet op de bovenste foto aan die vrouwen af te zien). En dat terwijl het wel een gewone werkdag is, maar wel eentje om iets langer dan normaal van kantoor te ontsnappen of iets eerder met werken te stoppen.