Auteursarchief: edwin

Over edwin

Schrijver, journalist, fotograaf. Woon en werk sinds 1988 in en rond Barcelona.

Schaatsen in Barcelona

Moest er als journalist én als Nederlander natuurlijk toch even op, op de schaatsbaan van het Plaça de Catalunya. In de eerste plaats: dat terras waar ik me zo op verheugde, stelt niet veel voor. Alsof je in een sportkantine zit, onder een tent, en niet in het hart van Barcelona. Maar schaatsen is leuk, al zijn het kleine rondjes op een baantje van 30×40 meter waar de meeste mensen dus níet kunnen schaatsen. Vermakelijk. Heerlijk om vaders voor het eerst op het ijs te zien staan en hoe zij zich aan de boarding vasthouden. Elk half uur kun je het ijs op, al zijn de wachttijden op vrije- en feestdagen groot; het is een beetje een gekkenhuis. Maar vanmiddag om drie uur kon ik al na 5 minuten het ijs op. Handschoenen zijn verplicht; heb je die niet, dan krijg je ze voor 1 euro – en je mag ze houden, dus wéér een bezoek aan de Zara bespaard. En niet zeuren over de slechte kwaliteit van het ijs, met diepe groeven… Het was vanmiddag nog steeds zonnig en 17 graden. Geen ijstemperatuur, natuurlijk.

IJsbaan en terrasjes op het Plaça de Catalunya

Ik denk niet dat het de eerste bestemming zal zijn als je deze winter als Nederlandse of Belgische toerist in Barcelona neerstrijkt. De stad wil in 2022 de Olympische Winterspelen herbergen – samen met, natuurlijk, de ski-stations in de Pyreneeën -en wil alvast in de stemming komen door à la New York een heuse ijsbaan op een centrale plek te installeren, op het centrale deel van het Plaça de Catalunya. (En al lijkt de beroemde ijsbaan in het Rockefeller Center het grote voorbeeld, ík heb nooit zo mooi geschaatst -mooi om de omgeving, niet om mijn stijl- als op de Wollman Rink in het Central Park.)

Dus opent Barcelona misschien al vrijdag, en anders in het weekeinde, zijn eerste tijdelijke ‘openlucht’ ijsbaan, naast de twee al bestaande banen, die van FC Barcelona en de Skating aan de straat Roger de Flor. Nou is dat ‘openlucht’ een beetje bedriegelijk, want de temperaturen zijn in Barcelona ook in de winter veel te hoog om er goed een ijsvloer te kunnen onderhouden. Dus wordt de piste, van 30 bij 40 meter, overdekt om binnenin de temperatuur wat lager te kunnen houden dan die +10 of soms zelf +20 graden buiten. Ga je toch de baan op (voor 8 euro/uur krijg je de schaatsen en handschoenen) dan moet je rekening houden met maximaal 350 stuntelende locals.

Leuker dan die ijsbaan zelf is misschien het terras dat ernaast wordt gebouwd, deels binnen, deels in de openlucht. Want daar heeft zo’n centraal plein als dat van Catalunya een hopeloos gebrek aan, aan authentieke terrassen. Zurich is natuurlijk een klassieker, in 1920 al geopend, maar sinds dat terras van de 30 tafeltjes voor de oude deur na de verbouwing werd uitgebreid tot meer dan 70 tafels, is een deel van de charme verloren gegaan. Verder heb je op het plein nauwelijks iets: twee terrasjes van ijssalon Farggi, en één van een bar-restaurant dat Catalunya heet, maar waar je toch ook niet snel gaat zitten.

Dat is wel eens anders geweest. Begin vorige eeuw was het Plaça de Catalunya zo’n Parijs-achtig plein waar allemaal grand café’s met hun terrassen talrijke klandizie trokken. De eerste was toevallig eentje precies op de plaats waar nu de ijsbaan komt, het Gran Café del Siglo XIX, in 1888 geopend ter gelegenheid van de Wereldtentoonstelling. De grote ‘kiosk’, hier midden, achter op de foto, kreeg de bijnaam La Pajarera, de vogelkooi.

Nog vóórdat het plein in de jaren 20 zijn huidige vorm kreeg, was er ook al het klassieke, immens populaire Maison Dorée, dat lag op het stukje tussen de Rambla en het doodlopende straatje Rivadeneyra, zeg maar naast het huidige Hard Rock Café. Het waren de Franse broers Pompidor die die klassieker aan het plein openden. Ernaast lagen El Continental en Munich, waar nu, op Pelai met Rambla, de Burger King en McDonalds liggen. Een klein verschil…

Diagonaal aan de overkant van het plein, op de hoek met Passeig de Gracia (waar  nu Banco Español de Crédito op de gevel staat), lag het majestueuze Hotel Colon, waar we het hier recent over hadden. En op de hoek met de Rambla de Catalunya kwam vanaf 1909 La Lluna. Plus dus Zurich vanaf 1920, op de volgende hoek, met Pelai. En waar nu de immense Corte Inglés het beeld van dit ‘centrum’ van Barcelona bepaalt, lag tot 1962 het Casa Vicenç Ferrer, met daarin hotel Victoria, hier links op een foto uit 1931. Later, na de Burgeroorlog, kwam daar dans- en theesalon Rigat, in die grauwe naoorlogse jaren nog één van de weinige plekken van vermaak mét terras op het Plaça de Catalunya; de rest was in de oorlog allemaal gesloten. En in plaats van al die prachtige hotels en grand café’s kwamen er talloze bankgebouwen die nu nog altijd in meerderheid zijn.

De heiligschennis van Ruiz Zafón

Knoeien aan foto’s van Francesc Català-Roca, dat doe je niet, ook niet als je een miljoenen verkopende bestseller-auteur bent. Dat dachten ook de twee zonen van Català Roca toen ze in El Periódico de omslag van het nieuwste boek van de auteur van De Schaduw van de Wind en Het Spel van de Engel zagen. El Prisionero del Cielo (De Gevangene van de Hemel) heeft, net als die vorige twee romans, een foto van de beroemdste Spaanse fotograaf van de vorige eeuw op de cover. Maar, wat blijkt, de politieagent op de hoek van Via Laietana met Jaume I, heeft plaatsgemaakt voor een bevallige dame van stijl.

Nou is de foto prachtig bewerkt, is het licht mooier en zijn de personages duidelijker, maar het is niet het origineel. En zelfs dát zou niet erg zijn als de erfgenamen van Català-Roca, die tevens al het copyright van hun vader bezitten,  in ieder geval om toestemming was gevraagd om het origineel zo te photoshoppen. Dat was niet gebeurd, dus konden de zoons Català-Roca twee dingen doen: of eisen dat de oplage van liefst een miljoen reeds gedrukte boeken zou worden vernietigd, of een torenhoge schadevergoeding aan uitgeverij Planeta eisen. Ze zijn echter de slechtsten niet en er tussenin gaan zitten: al die miljoen boeken worden nu verspreid met een brede boekenlegger waarop óók de originele foto staat en een lovende tekst van Ruiz Zafón: “Elk beeld van Català-Roca heeft een in licht geschreven verhaal in zich.” In latere drukken zullen foto en tekst ín het boek zelf moeten komen te staan. Én er zal natuurlijk wel wat geld mee zijn gemoeid.

Niet meer de wagons van goederentreinen tellen

Nooit zie je nog een goederentrein door Barcelona rijden. Zelfs een gewone trein is al moeilijk te zien, maar van die prachtige, lange goederenkonvooien waarvan je als klein kind altijd het aantal wagons begon te tellen als de dreunende locomotief voorbij stampte, die zie je echt nooit meer, of je moet op wel heel verlaten of onaangename plaatsen gaan staan, zoals op de foto hierboven, ergens op de grens van de Zona Franca en de haven van de stad.

Decennialang stoomden de goederentreinen door Barcelona. Vooral over het beruchte spoor in Poblenou, dat de stad van de zee scheidde tot de olympische opknapbeurt 20 jaar geleden. Daar waren ook de bekendste spoorwegovergangen van de stad, aan een avenida Icaria die nu de centrale straat van het Vila Olímpica is, en ter hoogte van Pere IV. Een ook die overgangen met toeters en bellen heb je nog nauwelijks, althans niet meer tussen de huizen. De laatste in een woonwijk lag ergens op de grens tussen l’Hospitalet en Esplugues. In 1985 viel daar nog een dode.

Nog wat jaren eerder reden de goederentreinen zelfs dwars door wat nu de oude haven (Port Vell) is, zoals op deze foto, op de plaats waar nu dagelijks duizenden toeristen van de Rambla naar het Maremagnum lopen. Ik kan me nog wel de rails herinneren die hier tot een jaar of 10 geleden nog lagen, geloof ik. Maar nu maken de treinen uit de haven een grote omweg om naar het noorden te kunnen rijden. Ze worden geladen in het station van Morrot, vlak onder de Montjuïc, en vertrekken dan eerst richting zuiden, om via Molins de Rei en Castellbisbal het binnenland in te trekken en via Sant celoni richting Frankrijk. En het zijn er niet eens zo veel. In de toekomst moet het goederenverkeer daar een stuk drukker worden nu de Europese Commissie o.a. Barcelona via de Corredor Mediterráneo (die begint in het verre Algeciras en langs Cartagena en Valencia loopt) beter op het Europese netwerk wil aansluiten.

Passagierstreinen zie je trouwens ook nog weinig door de stad rijden. Bijna overal is het treinverkeer hier onder de grond gestopt, om slechts aan de einders van de stad weer uit de tunnels in de openlucht te komen. In L’Hospitalet, la Sagrera en een klein stukje tussen het olympisch dorp en het Estació de França.  Voor de treingekken: de plaats het dichtst bij het centrum waar je nog treinen voorbij kunt zien trekken zijn de korte, steile viaducten boven het spoor in de straten Pujades en Pallars, dichtbij Marina:

Spookhotels aan de Costa Brava

Al jarenlang torent boven het oude centrum van het idyllische Sant Feliu de Guíxols (spreek uit: gkiésjoels) aan de Costa Brava een groot, verlaten hotel waarvan de luiken altijd dicht zijn. Veel toeristen vragen zich altijd af wat dat enorme Panorama Park Hotel daar doet, in zijn onafwendbare proces van aftakeling. En als die toeristen verder in het dorp goed uit hun ogen kijken, komen ze nog meer van dat soort spookhotels tegen: hotel Les Noies aan de centrale Rambla, Rex I en Rex II, Avenida, Regente, Montserrat, Regina, Mediterráneo… negen in totaal, allemaal op slot sinds de zomer van 2003.

Het verhaal van die hotels is dat van de vreemde broers Francisco en Joan Anlló, die beiden in 2002 aan een ziekte stierven. Hun hele leven hadden zij gegeven aan het bouwen, kopen en runnen van deze hotels in hun geliefde vakantiedorp; zelf woonden zij in een luxeflat van 200 vierkante meter aan de Diagonal in Barcelona. Ze waren in de zeventig toen ze stierven. Nooit waren ze getrouwd geweest, ze hadden geen kinderen… sterker nog: ze hadden helemáál geen familie. En ze lieten geen testament achter.

Tegen de talloze werknemers hadden ze wel eens gezegd: als wij er niet meer zijn, is het hotel van jullie. Maar dat stond niet op papier. Dus kwam die enorme erfenis (ook nog wat parkeergarages en appartementen) uiteindelijk terecht bij de Catalaanse overheid. En omdat de bureaucratische molen nogal langzaam draait, zijn er jaren nodig geweest om te beslissen wat er met al die hotels moest gebeuren. Ze worden nu geveild. Slechts drie mogen er als hotel blijven bestaan, de rest wordt gesloopt of opgeknapt, en er komen woningen op die plaatsen.

De veiling van al dat vastgoed zou zo’n 12 miljoen euro moeten opleveren. De flat aan de Diagonal is al voor 600.000 euro van de hand gegaan. En in Zwitserland hadden de broers Anlló nog eens 820.000 euro op een rekening staan. Nooit genoten ze van die rijkdom, ze dachten slechts aan werken. Terwijl al die werknemers uiteindelijk niks van dat geld noch eigendommen hebben gezien, gaat nu de opbrengst van de veiling, volgens de Catalaanse wet, via de overheid naar sociale projecten die de gemeente van Sant Feliu de Guíxols kan uitvoeren.

11 miljoen op 11/11/11

Het nummer 11.111 was als eerste uitverkocht, daarna volgden alle andere nummers die op 11 eindigden. En dat om mogelijk een een prijs te winnen van 11 miljoen euro, of  één van de 11 prijzen van één miljoen euro. En dat allemaal op 11/11/11.

Het is niet voor niets dat de beroemde Spaanse blindenloterij ONCE morgen groot uitpakt met een speciale trekking, met grotere prijzen dan op de andere vier werkdagen van de week. Want ONCE is niet alleen de afkorting van de Nationale Organisatie van Spaanse Blinden, maar betekent ook gewoon ‘elf’.

De organisatie, die ongeveer 20.000 blinde, slechtziende of op een andere wijze gehandicapte verkopers in heel Spanje in dienst heeft, benut die unieke elfde november van 2011 om niet alleen extra prijzen uit te delen, maar vooral om extra inkomsten te genereren in een crisistijd waarin zelfs de gokgekke Spanjaarden bezuinigen op hun dagelijkse en wekelijkse lootjes.

De organisatie, opgericht in 1938 om de belangen van de blinden te berhartigen, had in 2000 zijn absolute topjaar, toen de loterij liefst 2,4 miljard euro aan inkomsten genereerde. En daarmee had de ONCE niet eens meer dan 9,8% van het totale marktaandeel van het spelen en gokken in Spanje. Nu is dat aandeel tot 6,5% gezakt. Verreweg het grootste deel van het gokgeld, meer dan 44%, gaat naar de tragaperras, ofwel de fruitautomaten die overal in de barretjes staan.

In de laatste jaren is er bij de ONCE gekort op personeel en zijn er zo’n 3.000 verkopers van de straat verdwenen, maar de kleine blauwe vierkante verkoophokjes, waar net een stoel in past, staan nog altijd op talloze straathoeken door het hele land en verlokken vaak zelfs toeristen tot het kopen van een lot van twee euro, al nemen sommigen dat lot mee naar hun eigen land en kunnen ze daarom de eventuele prijs niet innen.

De ‘zwaluwen’ die niet vliegen maar varen

Elke stad aan het water heeft zijn boottochten. Manhattan en Istanboel krijgen een ander perspectief, vanaf het water. In Barcelona zijn die boottochten veel minder populair onder toeristen, en dat terwijl de Golondrinas al sinds 1888, of eigenlijk al sinds 1884, vanaf dezelfde plaats vertrekken, het Portal de la Pau, recht vanaf het einde van de Rambla naar de zee, bijna onder de wijsvinger van Columbus. Misschien komt het omdat Barcelona vanaf zee niet zoveel meer betoverend is dan op het land zelf, of dat de stad tot 1992 met zijn rug naar die zee leefde.

Golondrinas betekent zwaluwen. Het was de naam die mevrouw Feliciana Goñi in 1888 bedacht toen zij ter gelegenheid van de Wereldtentoonstelling twee toeristische route’s met kleine stoombootjes door de haven bedacht: één naar het einde van de pier (de rompeolas of escullera die nu doormidden is ‘gezaagd’; één helft loopt vanuit de Barceloneta langs hotel W, de andere gaat verder bij de Pont d’Europa, waar de cruiseschepen aanmeren), de tweede route naar de Barceloneta. Die laatste route werd al sinds 1884 onderhouden door Leopold Herrera, die badgasten vanuit de stad naar de Barceloneta bracht. Toen in de 20ste eeuw de tram naar de visserswijk sneller ging dan het bootje, werd deze route opgeheven.

Maar de Golondrinas varen nog altijd, en al meer dan een eeuw met dezelfde naam voor de bootjes, de naam van drie vrouwen: Encarnación, Lolita en Maria del Carmen. Bijna alle Barcelonezen beleefden als kinderen hun ‘zeedoop’ op deze bootjes, en alle kinderen wilden natuurlijk op het bovendek, het Imperial, de tocht door de haven beleven. Inmiddels heeft het bedrijf drie grotere schepen in zijn floot, voor de wat langere tochten buiten de haven, maar een korte excursie van 35 minuten door de haven op die oorspronkelijke bootjes is het meest authentiek, al zie ik dat er voor een dag als vandaag maar drie vertrektijden zijn: 12.15, 14.30 en 16.15, wat wel het winterschema zal zijn.

Bijna-beste blog over Spanje?

Met dank aan de (anonieme) lezer die dit blog heeft genomineerd bij het Spaans Verkeersbureau in Nederland. Vandaag kreeg ik deze mail (maar ja, misschien zijn we wel met 58 finalisten):

“Geachte heer Winkels. Het Spaans Verkeersbureau reikt dit jaar voor de eerste keer de Blogprijs Proef Spanje uit. En met veel genoegen kunnen wij u mededelen dat u tot de finalisten behoort.  Bij deze hebben wij het genoegen u, samen met uw partner, uit te nodigen voor de officiële uitreiking van deze persprijs door de Spaanse ambassadeur in Nederland de heer Javier Vallaure de Acha, op woensdag 30 november a.s. in zijn ambtswoning in Den Haag.”

Nogmaals, met dank aan die ene attente lezer, maar ook aan alle anderen die dit blog inmiddels honderdduizenden malen hebben bekeken.

Vijf miljoen werkozen

De laatste twee weekeinden was ik met Nederlandse stellen in Barcelona wat aan het eten, en allen zeiden hetzelfde, toen we het over de enorme crisis hadden die Spanje in de greep heeft (al spreekt iedereen nu over Griekenland; maar als dat land ‘valt’, vrezen we hier ook het ergste). Ik noemde het ongelooflijke werkloosheidscijfer, nu op de rand van de nooit verwachte vijf miljoen, ofwel bijna 22% van de actieve bevolking, en hun antwoord was: je ziet er niets van op straat. Tja, inderdaad, wat moet je er van zien, van de groeiende armoede, van de gezinnen die steeds meer problemen hebben om rond te kopen, van de 350.000 gezinnen die sinds 2007 hun woning zijn kwijtgeraakt omdat ze de hypotheek niet meer konden betalen: het huis kwijt, vervolgens geveild en meestal door de schuldeisende bank opgekocht voor een veel lager bedrag dan die resterende hypotheek; dus mensen zitten zónder huis én met een torenhoge schuld; sommigen pleiten voor het Amerikaans systeem: je verlaat je huis, laat de sleutels achter, maar hoeft de hypotheekschuld niet meer te betalen.

Natuurlijk, in een stad als Barcelona zitten veel restaurants nog vol (maar minder dan vijf jaar geleden), maar dat komt vooral omdat de toeristen het beeld een beetje vertekenen. Vijf miljoen werklozen, dat kun je niet meer verbergen. En onder de jeugd tot 25 jaar is zelfs 48% werkloos. Onder de buitenlanders is het 32%.

Deze keiharde cijfers zeggen eigenlijk genoeg. Met zóveel werklozen, wordt de consumptie lager, hebben winkels en bedrijven en fabrieken daar last van, moeten er meer mensen worden ontslagen en blijft dat aantal werklozen groeien… Eén voorbeeld: nooit eerder werden zo weinig auto’s verkocht als deze maand oktober en inmiddels zijn bij de dealers 50.000 banen verloren gegaan. Je hoeft echt geen econoom te zijn om de wanhopige toestand te begrijpen.

Op dit moment zijn er 1,4 miljoen gezinnen in Spanje waar géén van de leden een baan dus inkomen heeft. Én er zijn steeds meer langdurige werklozen, die al drie jaar of langer zonder baan zitten en dus geen uitkering noch bijstand krijgen. En die bedragen zijn ook niet om het lang vol te houden: in Spanje krijg je maximaal twee jaar een WW-uitkering, die maximaal 1.397 euro is als je twee of meer kinderen hebt, maar voor de meesten veel minder, omdat hun salaris nog geen 1.000 euro was en ze 70-80% daarvan als uitkering ontvangen. Na die twee jaar (of een minder lange periode, ligt eraan hoe lang je hebt gewerkt) betaalt de regering nog 425 euro per maand. Daarna is er niets meer, de absolute leegte.

P.S. Mijn 18-jarige zoon zoekt al maanden een baan in de horeca, na een jaar in Londen eindelijk eens een beetje Engels te hebben geleerd; maar zelfs die extra taal (naast Spaans, Catalaans en Nederlands) helpt niet eens meer in de horeca- cq. toeristenindustrie… Hij is één van de 5 miljoen die zich, om voor cursussen en projecten in aanmerking te komen, bij de Oficina de Empleo als werkloze heeft ingeschreven.

 

Spanje is 2 uur later klaar met werken

Ze zeggen altijd dat het de beroemde siësta is, maar ik probeer dat altijd een beetje te ontkrachten, want lang niet iedereen in Spanje heeft doordeweeks de tijd nóch de geschikte plaats om een middagdutje te doen. (Hoewel, voor deze bouwvakkers, hartje zomer, was zelfs een kruiwagen al genoeg.) De Spaanse lobby die zich al jaren inzet voor een ‘rationalisering’ van het dagelijkse tijdschema in Spanje, een Europeser maken van de werk- en leefgewoonten, ARHOE in het kort, bracht vandaag een studie naar buiten waarvan de uitkomst weinigen zal verrassen: de Spanjaarden komen gemiddeld twee uur later van het werk dan hun Eurozone-collega’s. En dat is niet omdat ze onderweg nog een tijd in de kroeg blijven hangen, maar omdat ze van de baas gewoon pas laat wegmogen. Waar de meeste Europeanen tussen 17 en 18 uur het kantoor of welke werkplek dan ook verlaten, doen de Spanjaarden dat rond 19 uur. En daarin zijn de mensen van winkels en winkelcentra niet meegerekend: die mogen pas tussen 19 en 22 uur naar huis.

Dat heeft alles te maken met de beruchte dagindeling, die inderdaad niks Europees heeft.  Boven de Pyreneeën hebben de werklui genoeg aan een lunchpauze van 30 tot 60 minuten, in Spanje is dat anderhalf tot twee uur. En niet vrijwillig: veel bedrijven gaan gewoon op slot, in die tijden, zo tussen 14 en 16 uur, en de werknemers zijn niet welkom. (Al proberen veel multinationals hier een nieuwe cultuur in te brengen; bij veel van hen mogen werknemers zelf kiezen hoe lang ze over de lunch doen. Hoe sneller ze klaar zijn, hoe eerder ze ’s avonds naar huis mogen.)

Grote probleem van die lange, tot het uiterste opgerekte werkdagen, is volgens de ARHOE dat de Spaanse werknemers er nauwelijks een normaal gezinsleven op na kunnen houden. Ook al eten we hier laat, kinderen die elke dag tussen zeven en acht uur moeten opstaan om naar school te gaan zijn écht wel moe, ’s avonds. En zij, net zo min als veel volwassen Spanjaarden, houden écht een siësta ’s middags. Dat is meer iets voor de warme zomermaanden, in de vakantie, of in de weekeinden, na een zware lunch.