Categorie archief: mijn Barcelona

De fauna van de Rambla

De Rambla is altijd een verzameling beesten van allerlei soorten pluimage geweest. Maar de échte dieren, de oorspronkelijke, die zijn aan het uitsterven. Op dit moment zijn er nog maar twee van de ouderwetse pajarerías over, die stalletjes waar je, middenin de stad, diverse beestjes kon kopen. Toeristen zeiden dat ze het allemaal zo zielig vonden, die konijntjes in te kleine kooien, net als de hamsters, cavia’s, vogels en, in het water, vissen en schildpadden; maar tegelijkertijd oefenden die beestjes een onweerstaanbare aantrekkingskracht op die toeristen uit, én op vooral de jeugdige lokale bevolking.

De gemeente Barcelona heeft nooit goed geweten wat het ermee aanmoest, met die beestenbende. Er kwamen acties van dierenbeschermers, het werd steeds politiek incorrecter om op de drukste boulevard van de stad kooien vol dieren te hebben, en uiteindelijk werd besloten ze te hervormen. Er kwam een nieuw ontwerp en daarin konden de eigenaren totaal andere dingen gaan verkopen. Sinds enkele maanden staan er nu kleurrijke – en daarmee is alles wel gezegd – kiosken die turron, coques, ijsjes en andere zoetwaren verkopen. Stands die totaal uit de toon vallen bij de rest van de kiosken (kranten, bloemenstallen) die al sinds mensenheugenis de Rambla opsieren. Daar is de gemeente nu ook achter gekomen, dat het eigenlijk helemaal niet staat, die veel te hoge fel verlichte dingen op de Rambla.

Dus moeten ze weer weg. Ja, net gebouwd, de stad heeft er zo’n 280.000 euro in gestoken, de ondernemers hebben contracten met leveranciers afgesloten en waren blij met hun nieuwe bestemming, maar nu moeten ze toch weg… Vandaag deelden ze carbón uit, bestemd voor de burgemeester. Die zwarte (en zoete) ‘kolen’ is wat hier de stoute kindertjes met Driekoningen krijgen – gelukkig worden ze niet in een zak mee naar Nederland genomen. Ook zijn ze handtekeningen aan het verzamelen. Om de definitieve dood van de dieren op de Rambla te voorkomen.

Kadootjes op het allerlaatste moment

Een maand na hun Nederlandse leeftijdsgenootjes zijn de Spaanse kinderen aan de beurt. Oké, die hier in Catalonië hebben op Kerstavond al wat gehad van de Tió, een kadootjes-poepende boomstam, en in de rest van Spanje laat ook de Papa Noël wel eens wat achter, maar Driekoningen is toch dé magische avond voor de Spaanse kinderen, of ochtend eigenlijk: ze moeten op 5 januari gewoon naar bed, het liefst zo vroeg mogelijk, want op 6 januari staan ze hypernerveus nóg vroeger dan ooit op om te kijken wat de Reyes voor hen hebben gebracht.

Traditioneel in de dagen voor Driekoningen is in Barcelona al sinds 59 jaar het bezoek aan de grote ‘speelgoedmarkt’ die aan de zijkanten van de Gran Vía wordt gehouden. Veel mensen doen nog altijd op het allerlaatste moment hun inkopen, waardoor deze markt vooral op de avond van 5 januari een groot gekkenhuis is; hij blijft zelfs tot een uur of vier ’s nachts open voor de wel héél late kopers.

Althans, dat was nog niet zo lang geleden, maar alles verandert, ook hier. Niet alleen door de crisis… Het speelgoed wordt steeds meer door grote warenhuizen en speciale ketens verkocht en het trationele bezoek aan deze markt loopt daardoor terug. Zo sterk zelfs, dat van de 300 kraampjes nog geen twintig speelgoed verkopen; daarnaast zijn er nog wat stands met poppen, videospellen en snoep. En de elf churrerías natuurlijk. Maar dan is het wel gedaan met de authentieke kraampjes: kleren, bijouterie en allerlei kado-artikelen, van zout uit de Himalaya tot anti-vlektafelkleden hebben de overhand genomen, van de kinderillusie is weinig meer over.

Je moet er ook maar zin in hebben, twee weken rond Kerst en Nieuwjaar hier gaan staan, vele uren lang niets verkopen en alleen maar wachten op die laatste, magische avond waarop 60% van de totale omzet van die twee weken wordt gedraaid. En het kost ook wat: een nog ouderwetse speelgoedverkoopster vertelde me vandaag dat ze 6.000 euro aan haar stand kwijt is, van vergunning tot en met licht.

Niet meer roken in de restaurants

Zoek op 1 januari altijd de zee op, zo blijkt uit mijn post op deze zelfde dag, maar dan van 2010. Uitwaaien op een duffe dag, heette die. Waaien deed het vandaag niet, maar de zee reinigt de op Oudjaarsnacht geteisterde oren, ogen en longen. Dat laatste, passief meeroken, is trouwens, vanaf vandaag, definitief voorbij: Spanje was één van de eerste landen met een anti-rookwet, maar die bleek uiteindelijk maar halfslachtig en werd nauwelijks nageleefd; een beetje op z’n Brabants dus. Vanaf nu is het allemaal veel strenger: nergens in bars en restaurants mag nog gerookt worden – speciale zones voor rokers worden afgeschaft -, maar ook niet, bijvoorbeeld, op straat bij de ingang van een ziekenhuis of een school, of op een speelplaatsje van kinderen.

Dus zullen veel bars en restaurants nóg meer dagen hun terrasjes open laten, zoals Salamanca vandaag, Nieuwjaarsdag, in de Barceloneta. En vol met eters, natuurlijk, bij een temperatuur van net boven de 15 graden. Eigenlijk hebben de rokers in Spanje nauwelijks te klagen; het is veel erger roker in de winterse kou in Nederland of Engeland te zijn.

En wij niet-rokers – nooit gedaan – zijn er blij mee. Vooral omdat jezelf niet nog aan de paella zit terwijl de buurman aan het naburige tafeltje dat wel verdomd dichtbij staat al zijn sigaretje aan het paffen is en de rook nét tussen je bord en je neus voorbijwaait… En uit hotel Omm, waar we vannacht op onder anderen de Trammps (Disco Inferno) en natuurlijk de overal herdachte Bobby Farrell (Ma Baker is zéér dansbaar) hebben staan swingen, kwamen we zonder dat de kleren van de nicotinelucht geïmpregneerd waren.

Heuse hoedenwinkels

Bijna iedereen blijft er stilstaan, op dit magische voetgangerskruispuntje in de oude stad, waar de straten Boqueria, Banys Nous en Call (el Call is de oude Joodse wijk van Barcelona) elkaar treffen, dichtbij het Plaça de Sant Jaume. Op bijna-winteravonden als deze (hoewel, gisteren om 20 uur, het moment van de foto, was het nog 15 graden) geeft het kunstlicht van Sombrería Obach de hoek én de etalage een onweerstaanbaar panorama. Een heuse hoedenwinkel, deze weken stampvol omdat de kou een beetje gekomen is en omdat een hoed of pet een uitstekend kado-artikel blijkt te zijn. Én omdat, heb ik de indruk, er meer én jongere kale of volledig kaalgeschoren mannen dan vroeger zijn…

Obach zit er al sinds 1924 en was lange tijd één van de drie historische hoedenwinkels van de stad. Nu zijn er nog maar twee, want twee jaar terug sloot El Rey de la Gorra (de koning van de pet) dichtbij het Plaça Espanya. De andere klassieker, ook al vier generaties van dezelfde familie, is Sombrería Mil, sinds 1917 op Fontanella, tussen de pleinen van Catalunya en Urquinaona. Ook heel erg druk, deze dagen.

Lange tijd werden er in Barcelona nauwelijks hoeden gedragen. Volgens mij doe je het ook niet zo makkelijk, zo’n van buiten imponerende winkel binnenstappen, op zoek naar je eerste pet of hoed, waar in het Spaans talloze verschillende woorden voor bestaan: sombrero, gorra, gorro, bombín, boina, txapela… (de laatste woorden zijn Catalaans respectievelijk Baskisch). Maar de jeugd heeft de hoeden en petten ontdekt, en heeft ook winkeltjes zoals de populaire Hatquarters (op de foto, in winkelcentrum l’Illa) die wat toegankelijker zijn. Daar doen vooral de modieuze Goorin-petten het goed (zo’n model dat DJ Giel Beelen altijd op z’n kop had), maar een échte modestijl is er niet, zeiden ze me bij Mil. Soms doen films een mode opleven, zoals de laatste Sherlock Holmes en, een tijd terug, Gangs of New York.

De stad van de mooie gevels

“Ik wilde je toch nog even laten weten: Wat is Barcelona een prachtige stad! Niet alleen de publiekstrekkers, maar ook de gewone gevels van huizen, gebouwen. Wat is het er nog steeds een heerlijk weer! Uit met die Parijse winterjas! Wat eet en drink je er lekker! En voor de helft van de prijs die we hier betalen…”

Deze opmerkingen zijn niet van mij, maar van collega Frank Renout, die vanuit Parijs hetzelfde doet als ik, schrijven en bloggen. Hij was een weekeinde over met het gezin, vorige maand. Ik wil het vandaag even bij die eerste opmerking houden, over de gevels, waar ze in Parijs toch ook niet over te klagen hebben. Maar ik denk dat in Barcelona de verscheidenheid onnoemelijk veel groter is, wat gevels betreft. Stijlen bestrijden en overrompelen elkaar.

Die op de foto is één van de gebouwen die me altijd heeft bekoord, mijn aandacht heeft getrokken, me steeds weer heeft doen afvragen wát voor een gevel dit nou precies is, wie hem ooit heeft bedacht. Dus dan ga je eens op onderzoek uit. Eerste conclusie, niet iedereen vindt ‘m mooi, deze gevel op de hoek van de straten Consell de Cent en Muntaner in de Eixample. Sommigen vinden hem zelfs de lelijkste van de stad. Toch, die kleuren, dat geel en groen met wat roodkleurige streken er doorheen, die vallen in ieder geval op. Deze dagen zijn ze vooral in de late middagzon, tussen vier en vijf, heel mooi en in contrast met de blauwe lucht (nee, geen sneeuw in Barcelona):

Het gebouw heet het Casa China, het Chinese huis, en is gebouwd in 1929. Architect was Joan Guardiola uit Valencia, die in Barcelona architectuur was komen studeren, onder leiding van Antoni Gaudí, onder anderen. Eind jaren twintig was het modernisme in Barcelona al lang voorbij, en ook het noucentisme liep op zijn einde. Deze gevel wordt ondergebracht bij de Art Déco, waarvan in Barcelona nauwelijks iets bestaat. Architect Guardiola (twee broers van hem waren de bouwers) inspireerde zich in zijn talloze reizen over de wereld, dus zijn de zuilen op de begane grond Ionisch, zie je boven de bovenste ramen Arabische sporen en zijn de tekeningen van Oosterse aard. Een combinatie die voor de puriteinen totaal onmogelijk en dus heel lelijk is.

Op de begane grond zit trouwens één van de beroemdste en oudste lampenwinkels van Barcelona, Monsó i Benet, die ook op de Rambla de Catalunya zit. Hier opende Vicente Monsó in 1929 zijn eerste winkel, en daar trof ik deze week zijn dochter Montserrat aan. Ze is nu 84, maar staat nog elke dag achter de toonbank. “Wat moet ik thuis doen?” zei ze. En ze vertelde me vervolgens een groot deel van het verhaal van dit Casa China, waar ze zelf ook woont. Regelmatig laten de eigenaren-bewoners de gevel schilderen, soms met behulp van een uniek gemeentelijk project in Barcelona dat deze week zijn 25ste verjaardag vierde: Barcelona posa’t neta, ofwel Barcelona maak je mooi. Met subsidie en sponsoring – vaak hangen er grote reclamezeilen aan de steigers – worden de gevels schoongemaakt, worden o.a. de sporen van tientallen jaren autogassen gewist. Zo zijn in die 25 jaar als 27.000 gebouwen ‘behandeld’.

De Amerikaanse vloot in Barcelona

Sinds 1987 heeft er geen Amerikaans oorlogsschip meer aangelegd in de haven van Barcelona, maar in de 36 jaar daarvóór was de Zesde Vloot een vaste bezoeker van de stad. Het was de roerige, ruige en rijke tijd van de Raval, waar de hoertjes hun handen vol hadden aan de honderden, soms duizenden marinemannen die per keer de stad overspoelden. De eerste kroeg  die ze steevast tegenkwamen, in het eerste zijstraatje (Arc de Teatre) onderaan de Rambla, was een bar waar ze zich vanwege de naam direkt thuisvoelden: Kentucky. Een toevalstreffer van de eigenaar, trouwens. Kort voordat de eerste schepen op 9 januari 1951 aanlegden had hij de naam, La Flor, in dit stevig Amerikaans klinkende woord veranderd, zonder te weten dat die Amerikanen, na een akkoord met generaal Franco, de haven mochten gebruiken.

Bar Kentucky bestaat nog steeds. Het is een échte nachttent geworden, één die alleen op donder-, vrij- en zaterdag vanaf 10 uur ’s avonds opengaat en pas sluit als de laatste gasten zijn verdwenen. Achterin staan twee stokoude jukeboxen, en achter de bar hangen tientallen foto’s die de Amerikaanse mariniers hebben achtergelaten, vooral van hun schepen. Foto’s die zwart zijn geworden door tientallen jaren zware rook. Prachtige relikwieën, net als de bandjes van de matrozenpetten waarop de namen van de verschillende fregatten en vliegdekschepen staan.

Toen dichter en antropoloog Xavier Theros die foto’s zag kwam hij op het idee een boek te maken over het beruchte verblijf van de Amerikaanse mariniers in Barcelona. Vandaag presenteerde hij het resultaat, La sisena flota a Barcelona,  met ook prachtige foto’s van toen maar vooral een overvloed aan anecdotes. Zoals deze: Barcelona was voor de Amerikanen niet alleen de goedkoopste stad, maar ook de haven waar zij het meest een geslachtsziekte opliepen. Zó goedkoop vonden zij de stad, dat ze de obers het geld uit hun pet lieten pakken dat zij dachten dat de consumpties hadden gekocht. Een ober van de Jamboree aan de Plaça Reial lukte het zo binnen twee jaar redelijk rijk met pensioen te gaan. Ook de Tequila ( die eveneens nog bestaat) aan de Carrer Escudellers was één van de favoriete kroegen van de Amerikanen. Daar waren de banken iets hoger dan gebruikelijk, omdat de stevige marinejongens groter waren dan de gemiddelde Spanjaard. En er stonden geen stoelen, opdat zij elkaar niet daarmee te lijf konden gaan.

Prachtige naam van een groep trouwens, in de jukebox: Earl & his Hoedowners. Jaren vijftig, uit Texas.

Ontdekkingen dankzij de tapa’s

Ja, en als er dan een soort tapa-wedstrijd is (zie vorige post), dan moet je ze ook maar eens gaan uitproberen, al is het voor de krant – vreselijk vak toch. Ben vandaag in drie van de 49 tentjes geweest die voor deze week een bijzondere tapa hebben bedacht en die je samen met een biertje in een leuk, speciaal glas (de échte caña-maat – een pilsje dus, en niet de halve liter die je voor 8 euro op de Rambla krijgt voorgezet, óók als je om een caña hebt gevraagd…) voor 2,40 euro tot je neemt. En ze stelden niet teleur, óók niet de twee die ik ver buiten het toeristische centrum opzocht, het redelijk gewone Tres Vilas in de carrer Berlin en het zeer bescheiden Cal Pinxo (niet te verwarren met de beroemde Cal Pinxo’s in de Barceloneta en Sitges) op de hoek van Mallorca met Dos de Maig, waar eigenaresse Laura de tapa live bereidde; kan ook niet anders, met een klein kalfshaasje met bacon en mosterdsaus.

Maar de ontdekking, want redelijk dicht in de buurt en in het centrum, was Bona Sort (Goed Geluk) in wat ik altijd één van de meest authentieke straten van Barcelona heb gevonden, de Carrer de Carders die de wijk La Ribera doorsnijdt. Een kwartelei op kleine frietjes met inktvisjes, groene asperges en paddestoelen… Mar i montanya heet dat hier, zee en bergen in één gerecht.

De Carders (op de foto het smalle deel, later wordt het straatje wat breder en lichter) móet je een keer doorheen zijn gelopen. Vroeger liep hier in de buurt ook het water van het Rec Comtal en in de omgeving daarvan vestigde zich vooral de textielindustrie. Veel straten in de Ribera zijn vernoemd naar de ambachten die er werden bedreven; carders waren zoiets als wevers. De Carrer dels Carders, die trouwens ongemerkt overgaat in die van de Corders (dat heeft iets met dradenmakers te maken, niet met het Spaanse corderos, lammetjes), is nu een afwisseling van Dominicaanse kappers, moderne barretjes, Pakistaanse supers en talloze curieuze winkeltjes.

Een tapa en een biertje voor €2,40

Ik ben ervan overtuigd dat de tapa met groot verschil het populairste exportprodukt van Spanje is. Een export, trouwens, waar het BNP van het nog altijd ploeterende land geen eurocent beter van wordt, want iedereen overal ter wereld denkt maar zomaar tapa’s te kunnen opdienen zonder copyright te betalen. Hoeft ook niet, natuurlijk, maar ze zouden wel eens aan minimum kwaliteitseisen mogen voldoen, al die tenten die je van Tokio tot San Francisco een ‘echte tapa’ serveren. Hoewel, ook in Spanje zelf houdt de kwaliteit natuurlijk niet altijd over.

En om dat te stimuleren houdt Barcelona voor de tweede keer in een jaar een soort tapa-wedstrijd. In bijna 50 barretjes en restaurants, door de hele stad verspreid, kun je vanaf morgen (en tot en met komende zondag) een biertje en een tapaatje bestellen voor 2,40 euro en mag je die hap ook nog beoordelen. (Onder de ‘recensenten worden gastronomische uitstapjes en notebooks verloot.) Uiteindelijk zal er één tapa als de beste worden gekozen; in mei was dat een tempura van garnaal met romescosaus die ze bij El Reloj hadden bedacht, een populaire tent aan de bovenkant van de Via Laietana, dichtbij het Palau de la Música.

Hier een foto van groot formaat (erop klikken voor de maximale versie), om te zien wie deze week wat precies hoe en waar serveert:

Het zo serveren, een vaste tapa bij een biertje, is trouwens de authentieke oorsprong van het nu wereldberoemde hapje. En op sommige plaatsen in Barcelona doen ze dat nog steeds (al is het meer een gewoonte in plaatsen als sevilla en Madrid); laatst, op 20 meter van de krant, een eenvoudig barretje dat wij ‘el gallego’ noemen, zette bij onze cañas van het lekkere bier Estrella Galicia een bordje vlees en één met vijf calamares-ringen neer. We moesten 4,30 betalen…

Schoenen halverwege de hemel

Sommigen zijn verdwenen, de laatste maanden, maar in bepaalde wijken van de vooral oude stad zijn ze weer in opkomst: de schoenen die overal in Barcelona -en ik weet niet hoeveel andere steden in de wereld – over telefoon-, electriciteits- en andere kabels ver boven de straat hangen, soms wel op zo’n tien meter hoogte. Gymschoenen vooral, met de veters aan elkaar vastgebonden, die er zo lang zullen bungelen als die veters niet slijten, of tot er een schoonmaakbrigade van de gemeente komt. Er doen nogal wat legende’s de rondte over dit fenomeen, dat al een heuse naam heeft, shoefiti, ofwel grafiti geschreven met shoes. En uit naam van deze zogenaamde kunstvorm proberen sommige artiesten een straat te decoreren. Het zal wel.

Het meest gehoorde en gevreesde verhaal in Barcelona is dat een paar hoog hangende schoenen een verkooppunt van drugs markeren, of het territorium van een dealer in die straat of buurt aanduiden. Bij de meeste van de bungelende schoenen zal dat verhaal echter niet meer opgaan, lijkt me, anders had de politie, die het verhaal toch ook wel gehoord zal hebben, veel van die dealers eenvoudig kunnen oppikken. Wel is hte bekend dat in de Verenigde Staten zulke schoenen in buitenwijken vaak ene verkooppunt van crack signaleerden.

De meest lugubere versie van de oorsprong van de schoenen komt óók uit de VS: wanneer er ergens een lid van een gang werd vermoord, hingen zijn vrienden zijn schoenen aan een draad in de wijk, schoenen halverwege de hemel die hij toch nooit meer zou kunnen aantrekken. Aan het andere uiterste van de hypotheses zegt de meest onschuldige versie van het fenomeen dat het gewoon een kwajongensstreek is, jochies die elkaar pesten door hun gympies af te pikken, aan elkaar te knopen en over een draad proberen te gooien.

In Spanje vierden vroeger de jonge soldaten het einde van hun (in 2001 afgeschafte) militaire dienst door hun boots aan een kabel bij de kazerne te hangen. Iets wat een beetje lijkt op onze Nederlandse uitdrukking, wanneer we iets, óók onze voetbalschoenen bijvoorbeeld, aan de wilgen hangen.

Eén van de meest plausibele verklaringen voor de opkomst van shoefiti in de laatste jaren komt denk ik uit de filmwereld. In het magistrale Big Fish liet regisseur Tim Burton in 2003 de mensen in een idyllisch dorpje wonen waar alle straten uit gras bestonden en de nieuwe inwoners, bij aankomst, hun schoenen over een lange kabel gooiden, want dat schoeisel hadden ze toch nooit meer nodig. Burton was trouwens niet de eerste regisseur die die vondst bedacht: zes jaar eerder liet Barry Levinson in Wag the Dog duizenden Amerikanen hun schoenen over draden gooien ter eerbetoon aan een soldaat die op de Balkan was gesneuveld en William Old Shoe Schumann heette…

In de winterzon, met 102 jaar en zonder rollator

Ook in Barcelona is het koud -wat is koud, een graadje of 10 deze winterse dagen-, maar als de zon ook maar een beetje schijnt -en dat doet hij meestal- gaat Ramón buiten op een stoel of bank op de Passeig de Sant Joan zitten, om het jeugdige leven nog eens aan zich voorbij te zien gaan. Ramón is 102 jaar, maar behalve een beetje doof nog zeer helder. Krant op zijn schoot, ironie en intelligentie in het hoofd. Adovaat geweest, en boekhouder. Ik zeg soms tegen de Spanjaarden dat ze zo oud worden omdat ze zó weinig punctueel zijn dat ze niet eens op tijd kunnen doodgaan. Ramón kon er wel om lachen.

Ik sprak hem aan over de seriemoordenaar van Olot, een verpleger die al 11 moorden op oudjes in een tehuis heeft bekend, allemaal sinds september vorig jaar begaan. Nooit ontdekt, tot bij het laatste slachtoffer brandwonden in de mond werden aangetroffen; ze had chloor gedronken. Of toegediend gekregen, door de verpleger, een stille 45-jarige man die altijd voor buren en bejaarden ‘oh zo aardig’ was geweest. Hij voelde zich soms God zei hij, en kreeg het licht binnen om zieke oudjes uit hun lijden te verlossen.

Nee, Ramón was niet bang voor de dood, of dat ze hem in zíjn bejaardenhuis iets zouden aandoen. “We krijgen goed te eten, want dan blijven we gezond en hebben ze minder werk aan ons dan wanneer we ziek zijn.” Ramón heeft met zijn 102 jaar slechts aan een wandelstok genoeg om zich voort te bewegen. Hij vindt dat, mocht de nakende dood hem doen lijden, hij best een handje geholpen mag worden, “maar natuurlijk niet door zo’n gek.” Maar hij gaat niet lijden, weet Ramón al. “Mijn vrouw was 95 en heel sterk toen ze een ochtend opstond en zei. ‘Ik ben niets meer waard’. De volgende dag was ze dood. Leven is voor mij inademen, rust nemen en ontspannen. Op een dag hou ik op met ademen en ga ik dood, maar dat merk ik niet eens.”

Ik mocht van de directie een kijkje nemen in de residencia waar Ramón al zeven jaar verblijft. In Spanje heb je er niet zoveel van , bejaarden- en verpleeghuizen, als in Nederland. En ‘aanleunwoningen’ en dat soort dingen kennen ze hier al helemaal niet. Aanleunen, dat doe je bij je eigen familie. Al zie je op straat steeds meer een ander verschijnsel: oude mensen die meestal in een rolstoel zitten of nog moeilijk kunnen lopen worden bijgestaan door een Zuidamerikaanse vrouw of man, een soort fulltime ongediplomeerde verpleger. Ze willen graag de straat op, die oudere mensen, nog een beetje genieten van die zon, dat leven. Je ziet ze rond het middaguur overal waar de zonnestralen nog komen. En niet één met een rollator, fenomeen dat hier nauwelijks bestaat. Misschien jammer voor sommigen, omdat zij zich iets eenvoudiger zouden kunnen verplaatsen, maar ik heb het idee dat het je in Nederland wel erg makkelijk wordt gemaakt om achter zo’n ding te gaan hangen.

‘Stokoudjes’ genoeg, trouwens, in de grote stad. Alleen al in de wijk Eixample zijn bijna 1.000 inwoners ouder dan 95 jaar.