Categorie archief: mijn Barcelona

Droog weer in Barcelona? In november!

Terug in Barcelona ontvangen door de regen, gisteren (vandaag is het weer mooi zonnig). En dus vroeg ik me af of het de laatste tijd wat natter is, hier, want da gevoel heb ik een beetje. Ja, dus; althans vorig jaar in ieder geval, zo leren de  meteorlogische samenvattingen van het observatorium van Fabra, halverwege de Tibidabo. Vroeger had ik altijd het idee dat ik hooguit een week per jaar in de regen door Barcelona moest fietsen, maar perceptie en realiteit liggen nogal eens ver uit elkaar. Barcelona heeft gemiddeld rond de 100 dagen per jaar met (een beetje) neerslag, maar 2010 werd met 128 regen- (en een klein beetje sneeuw-)dagen het natste sinds lange tijd, liefst een maand meer regen, bij elkaar, dan bijvoorbeeld in 2006 en 2007, toen er ‘slechts’ op 95 respectievelijk 97 dagen druppels vielen. In totaal was 2010 goed voor 720 mm neerslag, wat niet ver onder de 801 mm ligt die er gemiddeld over heel Nederland viel, al heeft ons ‘kikkerlandje’ ook jaren gekend met meer dan 900 mm. Opvallend, het aantal dagen dat er in 2009 in Nederland neerslag viel was 132, niet zo veel méér dus dan in Barcelona, maar die statistiek blijkt een beetje verraderlijk: dat zijn alleen dagen dat er in NL méér dan 1 mm valt, terwijl in BCN élke druppel wordt gemeten. Het aantal dróge dagen in en rond De Bilt was 133, dus bleven er nog eens 130 over waarop het miezerde.

Maar het verschil tussen Barcelona en Nederland blijken we dus vooral in de temperatuur en de zonneschijn te moeten zoeken: moet Nederland het gemiddeld met bijna 1.600 uren zon per jaar doen, in Barcelona hadden we hem vorig jaar 2.596 uur aan de hemel staan, en duizend uur extra zon is veel, heel veel.

Wie trouwens vrijwel zeker wil zijn van een droog uitstapje naar Barcelona (vandaar de kop boven deze post) moet trouwens behalve in redelijk droge maanden als juni of juli vooral in november komen: in het overzicht van de laatste tien jaar ontdekte ik dat het hier in november gemiddeld nog geen vijf dagen regent. Vorig jaar was de maximale temperatuur in die maand bovendien nog 23º, en dát allemaal maakt het verschil juist in zo’n herfstperiode met Nederland het grootst. November dus…

UPDATE: De herfst is dit jaar (2011) héél laat ingetreden in en rond Barcelona; pas op 20 oktober is het een beetje begonnen met regenen. Deze maand november zou dus wel eens heel wat natter dan het gemiddelde kunnen zijn. En dit blog, natuurlijk, is niet aansprakelijk voor in het water gevallen vakantietjes…

 

 

 

 

 

Met pijl en boog op de ‘stadszwijnen’ jagen

Ze beginnen een serieus probleem voor de hogere delen van Barcelona te worden: tussen januari en september vorig jaar werden 540 incidenten met everzwijnen geteld, vooral in de wijken Sarrià-Sant Gervasi, Gràcia (het bovenste deel, niet de populaire straatjes rond de Carrer Verdi) en Horta-Guinardò, buurten die half tegen de Tibidabo aanleunen en grenzen aan het beschermde natuurpark Collserola. Incidenten betekent in dit geval dat ze vuilniszakken kapotvraten, tuinen binnendrongen of voor verkeersproblemen op straat zorgden.

De populatie zwijnen in Collserola schijnt in de laatste jaren verdrievoudigd zijn en de beesten hebben nu de stad ontdekt om aan voldoende voedsel te komen. Eten dat ook nog eens door de mensen wordt gegeven, want we vinden het zo leuk, van die halfwilde beesten op straat. De schatting is dat er in Collserola bijna 900 wonen. Te veel , zeggen de deskundigen van de Catalaanse regering, dus mag er op ze gejaagd gaan worden, maar alleen op een bijzondere, ouderwetse manier.

Een klopjacht, die al eens in 2004 werd georganiseerd,  schijnt niet zo effectief te zijn: één beest wordt misschien omgelegd, maar de rest vlucht na het horen van de schoten diep het park in. Bovendien moet zo’n jacht overdag plaatsvinden, wanneer Collserola vol zit met wandelaars. Dus is besloten dat er ’s nachts gejaagd moet  worden, en alleen maar met pijl en boog. Wat niet betekent dat iedereen nu zomaar in het donker de berg op kan met zijn pijl en boog; er worden speciale vergunningen voor afgegeven en de selectie is streng. Als wandelaar zou ik me deze maand februari, de jachtmaand, me ’s nachts in ieder geval niet op Tibidabo wagen.

De dierenbeschermers zijn al in opstand gekomen. De regio die een half jaar terug nog het stierenvechten verbood gaat nu de everzwijnen aan een langzame dood blootstellen, zeggen zij. We zijn in afwachting van de reportage over de jacht, kijken of we dat nog wel kunnen, op die ouderwetse manier en in het donker, waarin de zwijnen zich zo thuisvoelen.

Het laatste Franco-monument is verdwenen

Dit is de obelisk op het drukke kruispunt van de Diagonal met de Passeig de Gràcia, in de volksmond el lápiz, het potlood, geheten. Een ‘kale’ obelisk, sinds vandaag. De dranghekken zijn nog de enige resten van het weghalen, vanochtend, van een dame die er ruim 70 jaar heeft gestaan. Victoria, heette zij. Zij was het symbool van de overwinning van de Franco-troepen toen die in 1939 over de Diagonal Barcelona binnentrokken en het laatste rode bastion in Spanje veroverden. Om duidelijk te maken wie er de baas was, werd er aanvankelijk helemaal bovenop de obelisk een typische Franco-adelaar geplant. Hoewel, érg typisch was die niet. De Franco-aanhangers beklaagden zich erover dat het wel een magere papegaai leek in plaats van een stevige adelaar, en de bliksem had het beest ook nog geteisterd. Dus werd enkele jaren later de adelaar verwijderd.

De obelisk was toevallig drie jaar eerder, net vóór het begin van de Burgeroorlog, door de later vermoorde Catalaanse president Lluís Companys (althans, hij werd in 1940 na een pantomime-rechtszaak door de franquisten gefusilleerd) onthuld. Het was een eerbetoon ter ere van de president van de Eerste Republiek, Pi i Margall; ook hij kreeg een (blote) vrouw als standbeeld, zij stelde de republiek voor, maar ze moest dus later plaatsmaken voor de kuisere Victoria. Dat eerste beeld is in 1990 trouwens teruggevonden en staat nu op het Plaça Llucmajor.

De obelisk staat nu, kaal, op een plein dat Joan Carles I heet, een plein dat verder geen huisnummers heeft en dus eigenlijk bijna niet bestaat, iets wat de koningsgezinden weer niet zo leuk vinden. “We moeten niet met trots herdenken wat een enorme nederlaag was,” zei burgemeester Hereu vanochtend bij afbreken van vrouwe Victoria. Maar meer dan dat gevoel – de meeste mensen wisten echt niet meer wat dat beeld nou voorstelde – is de Wet op het Historisch Geheugen de reden van het verwijderen. Hieronder, als opfrissertje, een stukje dat ik onlangs voor de VARAgids schreef over die wet.

Sommige sporen van het dictatoriale verleden van Spanje zullen wel nooit kunnen worden gewist. In het centrum van het land, ergens langs de oneindige wegen die Don Quichot ooit bereed, liggen dorpjes die Llanos del Caudillo en Villanueva de Franco heten: de Vlaktes van de Leider en het Nieuwe Dorp van Franco, nederzettingen die generaal Francisco Franco tijdens zijn bewind liet bouwen en naar zichzelf liet noemen. En in andere plaatsen zijn er nog genoeg straatnamen die naar generaals en andere duistere figuren van de dictatuur verwijzen, al heet de majestueze, 11 kilometer lange Avinguda Diagonal die Barcelona doorkruist al dertig jaar geen Avenida del Generalísimo Franco meer.

Beetje bij beetje probeert Spanje de sporen van dat grijze, grauwe verleden te wissen uit het openbare leven. Maar tegelijkertijd doet het land zijn best niet te vergeten. Tientallen jaren lang leek dat laatste het beste recept om na de dood van Franco in 1975 de overgang, de wereldwijd geroemde Transición, naar de democratie te maken. Zonder haat en wraak. Vergeten. Of er zo weinig mogelijk over praten.

Maar uiteindelijk bleek dat vaak bloedige boek niet zo eenvoudig te sluiten voor de miljoenen Spanjaarden die de gevolgen van de Burgeroorlog en de daaropvolgende repressie aan den lijve of in hun familie- en vriendenkring hadden ondervonden. De tussen de 80.000 en 130.000 vermisten, in vaak anonieme massagraven onder de grond langs wegen waar zij zonder enige vorm van proces waren gefusilleerd of waar zij als soldaat waren gevallen, schreeuwden om erkenning en herkenning.

Het lokaliseren en openen van die massagraven was één van de meest ambitieuze doelen van de Wet op het Historisch Geheugen die de Spaanse socialistische regering in oktober 2007 door het parlement loodste. Dankzij getuigenissen van overlevenden is er inmiddels een soort landkaart met duizenden van die graven opgesteld, maar tot nu toe zijn slechts enkele tientallen geopend om de botten via het dna een naam en een waardig graf te kunnen geven. Het beroemdste graf, dat van dichter Garcia Lorca in de buurt van Granada, is na lang speuren en spitten overigens nooit gevonden.

Dankzij de wet is er ook een inventarisatie gemaakt van de Franco-symbolen die ruim 35 jaar na de dictatuur nog altijd op straat bestaan. Alleen al op overheidsgebouwen zijn er meer dan 440 gevonden, ruim 300 daarvan bij gebouwen en vooral kazernes van het ministerie van Defensie. Het minst opvallend, en het meest aanwezig, zijn de tienduizenden bordjes die bij de portieken van flatgebouwen door het hele land hangen, goedkope woningen die door het ministerie van Volkshuisvesting van Franco werden gebouwd.

Verder moet je op straat in de Spaanse steden goed kijken om nog een ‘adelaar’ of het beroemde juk met vijf pijlen van Franco tegen te komen. Santander was in 2009 de laatste stad die een standbeeld van de dictator, gezeten op een paard, liet verwijderen. En in de beruchte Valle de los Caídos, de vallei en basiliek bij Madrid waar Franco begraven ligt, heeft de regering elke ‘viering’ van het dictatoriale verleden verboden. Niettemin togen daar elk jaar op 20 november, de sterfdag van de Caudillo, nog duizenden nostalgische aanhangers naar toe, maar enige politiek gewicht heeft extreem-rechts in Spanje allang niet meer. 

Tapas van Adrià aan de Paral·lel

De Avinguda Paral·lel (die letter, die ze hier de elle germinada noemen, een dubbele l met een puntje op halve hoogte ertussen, is een typische Catalaanse vondst; daarmee spreek je de dubbele l níet uit als j) heeft altijd iets van vergane glorie gehad. De lange en brede straat van de Plaça de Espanya naar de haven was één van de laatsten waar de klinkers uit het straatbeeld van Barcelona verdwenen en is altijd beroemd geweest om zijn theaters en cabarets aan de ‘onderkant’ (hoe dichter bij de zee, hoe lager de straat, dus de beneden- of onderkant). Sommige zijn verdwenen, anderen net opgeknapt en uit de as herrezen (El Molino), en een deel is gewoon een disco annex concertzaal geworden (Apolo). Omdat het een tijd niet goed ging met die theaters, leek de Paral·lel verwaarloosd de raken en was het alsof iedereen haar links liet liggen, ook de gemeente.

Nog altijd is het niet de mooiste avenue van de stad. Het is er vooral druk met auto’s en voor de leuke straatjes moet je even afslaan, zoals de wijk Poble Sec in, tegen de flanken van de Montjuïc aan. Daar kun je bijvoorbeeld, in de straat Vila i Vila, nog de resten vinden van de ooit intense band met de haven. De straat komt net als de Paral·lel uit op de grote rotonde die Drassanes heet, maar in de volksmond de Plaza de la Carbonera is, het kolenplein. Alle kolenboeren gingen met paard en wagen vanuit de haven de stad in en in de straat Vila i Vila bonden ze hun paarden vast voor de talloze eethuisjes die allemaal een trog voor de beesten op straat hadden staan, als die bars in dorpjes uit het wilde westen. Eén restaurant heet nog altijd zo, de trog: El Abrevadero.

Nou ja, lange omweg om te komen bij het feit waaróm de Paral·l deze maand in het nieuws is: twee beroemde broers, Ferran en Albert Adrià, hebben er, aan de ‘bovenkant’ (dus dichtbij de Plaça de Espanya) hun nieuwste tapas-restaurant geopend, de Tickets Bar, die er ook nog een cocktailbar bij krijgt, 41º. Het is eigenlijk een voortzetting van Inopia, de tapasbar die Albert Adrià jaren terug enkele straathoeken verderop startte maar eigenlijk te klein was om het enorme succes te kunnen verwerken. Inopia ging dicht, Tickets komt ervoor in de plaats. Het plan werd overigens uitgevoerd samen met de broers Iglesias van het nabijgelegen Rias de Galicia, samen met de Botafumeiro in Gràcia en Casa Dario in de Eixample één van de klassieke, beroemde Galicische (vis)restaurants in de stad. Tickets zit in een vroegere showroom van een autoverkoper en de naam is een eerbetoon aan de entreekaartjes van die theaters aan de Paral·lel.

De meeste doden waren weer motorrijders

Hier rijd ik, rondjes draaiend op een Honda 650, wat niet zo makkelijk is als het lijkt als je al bijna 30 jaar niet meer op de motor hebt gezeten. Maar ook voor de andere deelnemers aan de cursus, mannen die wél regelmatig rijden, waren sommige proeven der bekwaamheid niet eenvoudig te volbrengen. Het bleek het aardige te zijn van de eendaagse cursus ‘veilig rijden’ die we kregen op het terrein van Honda, in Santa Perpètua de Mogoda, een industrieel voorstadje van Barcelona: veel mensen blijken al jaren ‘verkeerd’ te rijden op de motor en werden daarop voortdurend gecorrigeerd. De meest voorkomende fout: motorrijders kijken niet ver genoeg vooruit, dus niet naar het einde van een bocht maar slechts naar het begin ervan… Te veel het hoofd omlaag, in plaats van trots omhoog.

Zo’n bijspijkercursus (85 euro, geloof ik) is hard nodig, voor velen. Misschien óók voor de vele Nederlanders die in Barcelona wonen en hebben ontdekt dat de motor of scooter de gemakkelijkste, snelste en meest comfortabele manier van verplaatsen is in de miljoenenstad (ikzelf hou het bij de fiets). De cijfers van het aantal verkeersslachtoffers in de stad in 2010 zeggen weer genoeg: 39 doden vielen er – de meeste op de kruisingen in de Eixample, waar velen te snel optrekken (met het stoplicht nog op rood) terwijl anderen te laat remmen (oranje of ook al rood) – en 17 daarvan waren motorrijders, terwijl er twee als ‘pakketje’ achterop zaten. Zestien voetgangers werden dodelijk aangereden, slechts vier doden waren automobilisten. Fietsers, niet één.

Terwijl op het wegennet buiten de steden het aantal doden drastisch is gedaald, blijft het in de straten van Barcelona al jaren op ongeveer dezelfde hoogte. Een groot aandeel daarin hebben de ‘nieuwelingen’ op scooters van 125cc, mannen en vrouwen die hun autorijbewijs hadden en, als ze minstens drie jaar auto hebben gereden, sinds 2005 zonder examen of wat dan ook op zo’n motor/scooter tot 125cc mogen gaan rijden, zonder te beseffen dat ze ineens veel kwetsbaarder zijn.

Met hun massale komst – parkeren met de auto is steeds moeilijker, die laten ze dus thuis of verkopen ze – is het aantal motorrijders in Barcelona alleen maar gegroeid. Hoewel in absolute aantallen Rome het Vespa-paradijs is, is Barcelona de Europese stad met relatief gezien de meeste motoren/scooters: 173 per 1.000 inwoners. Tja, en dan gaat er wel eens wat fout. Ik vind het altijd weer hartverscheurend, zo’n gevelde motorrijder op het wegdek van een kruising in de Eixample te zien liggen, in afwachting van een ambulance. De jongen op de foto, één van twee broers op dezelfde motor, overleefde het niet.

Barcelona voor de helft van de prijs

Nog een verzoeknummer: een lezeres vraagt of er een herhaling komt van de Barcelona Restaurant Week, waarbij je een jaar geleden, voor het eerst, in top-restaurants een vast menu voor 25 euro kon bestellen. Antwoord: ja, komende week al, van 28 januari tot 6 februari, maar onder een andere naam, omdat het allemaal veel uitgebreider moet. De vondst heet nu BCNOW!, wat weer een afkorting van Barcelona Opportunity Week is.

Behalve de talloze restaurants die opnieuw menu’s voor 25 euro (excl. BTW en drank) aanbieden (wél vooraf reserveren, niet het héle restaurant willen ze met deze koopjes-zoekers vullen), kun je ook voor de helft van de prijs slapen in 40  van de beroemdste hotels van de stad, waaronder (boven op de foto) het bij internationale beroemdheden immens populaire Hotel W of Hotel Vela. Verder bieden de kraampjes op de overdekte levensmiddelenmarkten goedkopere producten aan, kun je bij sommige winkels een boeket bloemen voor 11 euro kopen (bloemen zijn hier altijd blachelijk veel duurder dan bijvoorbeeld een bos op de Nederlandse markt) en bieden theaters, biocopen, concertzalen etcetera goedkopere avonden aan. Omdat het allemaal te veel is om op te noemen, kun je als geïnteresseerde het best naar de website gaan, die ook in het Engels en Frans is.

De nieuwe zuilen van Montjuïc

,,Die hebben daar altijd al gestaan,” zei een voorbijganger tegen een lezeres van dit weblog, toen zij vroeg naar de vier witte zuilen bij de ‘magische fontein’ van Montjuïc. Dat ‘altijd’ van die voorbijganger is vrij relatief. Ja, ze stonden er al in 1919, toen de beroemde architect Puig i Cadafalch met de pilaren een allegorie maakte op de vier rode strepen op de Catalaaanse vlag. Er zijn ook veel foto’s van toen, van die symbolische zuilen, de zoveelste uitdrukking van de Catalaanse trots en vooral het nationalisme, toen ten tijde van de tweede republiek.

Maar ze hebben er niet altijd gestaan. In 1928, slechts negen jaar later dus, liet de fascistische generaal en Franco-voorganger Primo de Rivera de zuilen weer naar beneden halen; het bewind moest niets hebben van welke uiting van regionaal nationalisme dan ook. De toeristen die tot en met vorige zomer in Barcelona zijn geweest en jonger zijn dan 83 jaar hebben die zuilen dus ook nooit kunnen zien. Uiteindelijk besloot het gemeentebestuur, na een voorstel van de republikeinen van de partij ERC, de ionische zuilen weer in ere te herstellen, wat niet zonder kritiek is gegaan. Immers, niemand die ze nog miste en door ze weer op te richten zou het toch mooie uitzicht vanaf de Plaça de Espanya op het Palau Nacional worden bedorven. Uit esthetisch oogpunt werd daarom besloten de zuilen iets lager te maken, 18,7 meter in plaats van de originele 20. Zo passen ze beter in hun omgeving, is de uitleg.

Sinds november staan ze daar dus weer, Les Quatre Columnes. Alsof ze niet 82 jaar zijn weggeweest.

Van Andalusisch naar Zuidamerikaans

Ik groeide op op het Utrechtse Kanaleneiland, in de jaren zeventig een arbeiderswijk vol met blonde kinderen; nu is het één van de wijken met de hoogste concentratie allochtonen in heel Nederland, maar ik kan er, anders dan in bijvoorbeeld Franse banlieu’s, maar geen ghetto in ontdekken. Zal ook wel komen door het groen dat er nog altijd is. Hetzelfde is gebeurd met mijn eerste woonplaats in Spanje, l’Hospitalet de Llobregat (257.000 inwoners), alleen heeft de verandering daar nog veel sneller plaatsgevonden, al is het aantal buitenlanders (zo’n 25%) er nog altijd veel lager dan in de Nederlandse ‘zwarte’ wijken.

Kom er nog regelmatig, in La Florida, de dichtstbevolkte wijk van Europa waar we van 1988 tot ’93 leefden. Er wonen 77.500 mensen per vierkante kilometer (in absolute aantallen is dat minder, de wijk is 0,38 km2 groot); ter vergelijking: de dichtstbevolkte wijk in Nederland schijnt het Delfste Veenhof te zijn met zo’n 23.000 inwoners/km2. Vriend Anton vond het er altijd wel gezellig, in La Florida, zag er het authentieke Spanje: klein flatje, wat palmbomen voor de deur op mijn Avenida Masnou en heel veel terrasjes en mensen op straat.

Hospitalet groeide, net als andere voorsteden van Barcelona, explosief in de jaren zestig met de komst van Andalusische emigranten naar Catalonië. In de jaren zeventig was tweederde van de inwoners afkomstig uit Andalusië, Extremadura en andere regio’s, slechts éénderde was in Catalonië zelf geboren. Buitenlanders waren er nauwelijks, en zeker als (niet eens zo blonde) Nederlander was je op de markt van La Florida een exotische verschijning. 

Er wonen nog altijd veel Andalusiërs in La Florida, al zijn de kinderen van die eerste emigranten in Catalonië geboren; charnegos is daar de bijnaam voor. In 2008 kwamen 9.800 inwoners uit Catalonië, 3.900 uit Andalusië en… 11.000 uit het buitenland. Vooral uit Zuid-Amerika, dat voor 65% van alle ‘allochtonen’ in l’Hospitalet zorgt. De cijfers zijn spectaculair: in 1997 woonden er 50 Ecuadoranen en 21 Bolivianen in de stad. Tien jaar later waren dat er 14.000 respectievelijk 10.500. Ik noem het nu een ‘klein Quito’, het Andalusische accent is er vervangen door de Zuidamerikaanse tongval. Veel Europeanen zullen niet snel het verschil zien tussen een Spanjaard en Zuidamerikaan, maar de mensen hier zien dat maar al te best. En horen het. Het levert ook problemen op al zijn die, en dat verbaast me, nooit zo gemeengoed en wijdverbreid als in de Nederlandse probleemwijken.

Stilte op de biechtstoel

Zag ‘m vanochtend vroeg al zitten, nog vóór tien uur. Een enorm licht in de relatieve duisternis van de grote Gothische kathedraal van Barcelona. Er was een kleine mis aan de gang, ter ere van Sant Ramon de Penyafort, de beschermheilige van Rechten-studenten, advocaten en iedereen die iets met justitie en rechtspraak doet. En terwijl zijn collega’s het bekende verhaal ophingen, zat hij geduldig te wachten in het biechthokje. Kort erna kwam een vrouw met rasse scheden aanlopen en gingen de deuren der discretie dicht.

De Spanjaarden worden met het jaar iets minder katholiek. Eergisteren was er een nieuwe enquête: 73,6% zegt katholiek te zijn, maar daarvan gaat natuurlijk lang niet iedereen regelmatig naar de kerk. Ruim 13% zegt vrijwel elke zondag of feestdag naar de mis te gaan, 16% doet dat ‘enkele keren per jaar’ en 10% heel af en toe. Ja, bij trouwerijen en het dopen van kinderen, dan staan sommigen voor het eerst sinds jaren weer voor het altaar. Een ander soort gelovigen is er in Spanje maar nauwelijks: 2,5% hangt een andere religie aan, en dat zal vooral de islam zijn. Protestanten heb je hier nauwelijks, vooral wat Zuidamerikanen van Pinkstergemeenschappen. Ruim 22% van de Spanjaarden (of de mensen die hier wonen) is atheïst of agnost.

Op bezoek bij opa of oma

Het is de dag dat het bijna onmogelijk is, na twee uur ’s middags, te parkeren in één van de straten van de Eixample, 7,5 vierkante kilometer die op de dag van Driekoningen worden overspoeld door auto’s met vaders en kinderen die bij opa en/of oma op bezoek gaan. Je kan een half uur rondjes rijden, maar zelfs alle ‘illegale’, doorgaans verboden parkeerplekjes (voor vuilcontainers, op parkeerplaatsen voor motoren, op de fietspaden) zijn bezet. Dat heeft een reden: die kadootjes, natuurlijk, want de kleinkinderen gaan kijken of de drie koningen ook nog bij opa en oma langs zijn geweest; daar wordt tegelijk het familie-etentje aan verbonden. Én de Eixample is de, in leeftijd, meest verouderde wijk van de stad. Hier wonen liefst 24% van álle inwoners van Barcelona die ouder dan 90 zijn en in totaal heeft de Eixample, op een bevolking van 267.000 -ja, meer dan heel Utrecht dus in één wijk- ruim 55.000 inwoners die 70+ zijn. Het is ook nog eens de wijk met de hoogste bevolkingsdichtheid (bijna 36.000 inw/km2), de meeste voertuigen (172.000) én de hoogste personenautodichtheid, 13.670 wagens/km2… Mooie staaltjes statistiek: in de praktijk betekent dat dat het vandaag, terwijl de straten verder helemaal leeg waren en de toeristen verdwaasd door een stille stad liepen, gewoon moeilijk was te parkeren hier.