Categorie archief: mijn Barcelona

Augustus, en geen trein naar strand noch vliegveld…

Als er in Spanje iets ingrijpends moet worden gedaan, iets wat de dagelijkse gang van zaken behoorlijk dwarsboomt, dan doen ze dat vooral in augustus. Al zullen er met deze diepe crisis steeds minder mensen op vakantie gaan, augustus blijft de maand waarin het in en rond Barcelona ineens een stuk stiller is. Niet zo stil als 20 jaar geleden, toen echt álles dichtging en de metropool bijna plat lag en er nog niet zoveel toeristen kwamen, maar wél stiller dan de andere maanden van het jaar. Wij, degenen die in augustus meestal doorwerken, krijgen dus de grootste onderhoudswerkzaamheden aan weg en spoor voor onze kiezen.

Informatie voor degenen die komende maand met de trein naar het vliegveld of (het strand van) mijn Sitges of andere dorpen aan de zuidkant van Barcelona willen: dat kan niet. Nou, het kan wél, maar niet zo eenvoudig en rechtstreeks als het normaal kan. Vanaf 4 augustus wordt net ten zuiden van het station van Sants eindelijk het spoor overdekt, over een kilometer lang. En dus kunnen de treinen (behalve de AVE naar Madrid, die al overdekt de stad uit rijdt) bijna een maand lang niet rijden.

Gisteren probeerde ik al even het alternatief uit dat spoorwegmaatschappij Renfe ons aanbiedt. In tijd kostte het me niet heel veel meer (zo’n 15 minuten extra), maar in beslommeringen en obstakels wel. Om nu met Rodalíes/Cercanías naar het zuiden te reizen moet je niet naar Passeig de Gràcia of Sants, maar naar Plaça Espanya. Daar beginnen verschillende lijnen van de Ferrocarrils de la Generalitat (FFGG). Uitstappen bij het derde station (Gornal), waar op 100 meter het Renfe-station van Bellvitge ligt. Alle treinen starten of eindigen in augustus in Bellvitge.

Alle? Nee, de regionale treinen doen het weer anders. Dat zijn de treinen die, bijvoorbeeld, uit Salou en Tarragona komen. Hun traject loopt door het binnenland (via Vilafranca del Penedès) en eindigt in Hospitalet Centre. daar voor de deur is het station van de rode metrolijn (L1), Rambla Just Oliveras – zo’n 20 minuten later sta je op de Plaça de Catalunya.

Om van en naar het vliegveld van El Prat te reizen kun je de trein beter helemaal niet nemen. Gewoon de Aerobus die vanaf Plaça de Catalunya, Sants en Plaça Espanya naar het vliegveld gaat. Dat scheelt een hoop gedoe in overstappen.

En ik? Misschien toch maar de auto pakken, in augustus, wanneer Barcelona een beetje stiller wordt: 

Tarantino in de open lucht

Maandagavond en stampvol. Tweeduizend kaartjes hebben ze, en een half uur voor het begin van de voorstelling waren ze al uitverkocht. Gek, voor Spanjaarden, die altijd te laat komen en een film binnenstormen als die al vijf minuten onderweg is. Maar naar de bioscoop in Sala Montjuïc is anders. In de open lucht, om te beginnen, bij uiterst aangename temperaturen – al koelt het boven op de berg altijd af, ’s nachts. Naar de openluchtbios op Montjuïc (alle maan-, woens- en vrijdagen tot begin augustus naast het Castillo, hélemaal bovenaan) is meer dan en film alleen kijken. Die begint om tien uur, als de ‘zaal’ donker is geworden, maar om negen uur is er al een liefkozend concert. Plus die honderden mensen in een picknick-sfeer op het gras. Iedereen neemt z’n eten, drinken en dekens mee, je kunt er halve ligstoeltjes huren en koel bier kopen (ook eten, en niet slecht), en er ontstaat een vrolijke sfeer van vooral twintigers en dertigers en heel veel Europese immigranten – de film is in VO, originele versie, ondertiteld, en niet de vreselijke nasynchronisatie. Al kan dat bij een film als maandag een beetje problemen opleveren, voor de slechts Engelstaligen: Inglorious basterds van Tarantino is niet alleen in het Engels, maar ook in het Frans en Duits. Plus Spaans ondertiteld. Een heerlijke mengelmoes. Honderden liefhebbers moesten buiten blijven, en bouwden op de flanken van de berg, met prachtig zicht op de lichtjes van Barcelona, hun eigen feestje, want de drank en het eten moesten toch op.

PS. Weekje weg, naar de Tour, zes avonden in de Avondetappe met Mart Smeets. Doe misschien op mijn woensdagse debuutavond als bruggetje van Barcelona naar Toulouse een Tarantino-shirt aan…

Hollandse iep aan de drukste straat

Ben er ongetwijfeld al tientallen keren langsgelopen, maar het was me nooit opgevallen. Ineens, op de grond, een klein signaal, zoals ze dat in Barcelona wel vaker doen om bomen te identificeren; toch aardig voor iemand als ik die totaal geen botanisch verstand heeft. En ineens, op de hoek van Aragó met Bailén, niet ver van Bar Amsterdam vandaan, zag ik deze liggen: Olmo holandés. Nou moet ik een online-woordenboek raadplegen om te weten wat olmo in het Nederlands is, en dat blijkt dus een iep te zijn. Een Hollandse iep, midden in Barcelona. Daar weerstaat dit exemplaar het drukke verkeer op de zeven rijbanen van Aragó, en dat mag een wonder heten. Want ik kom er, bij het zoeken van de naam, achter dat de ‘Hollandse-iepziekte’ één van de meest dodelijke voor bomen is.

Let er dus op, als je door Barcelona wandelt, op deze groene bordjes voor sommige bomen op de grond. Onderstaande boom krijgt ook een naamplaatje, maar dan wat groter, omdat het zo’n bijzonder exemplaar is. Weggestopt in een klein hoekje in het hart van de wijk Sant Gervasi, in de straat Arimón, staat deze azufaifo, beter bekend onder de Catalaanse naam ginjoler. Een wat? In het Nederlands (nou ja, Nederlands) heet deze boom een jujube, al is de botanische naam het mooist: ziziphus zizyphus, of zizyphus jujube. Van deze grote bestaan er maar twee exemplaren in heel Barcelona, de ander staat in één van de prachtige tuinen (die van Joan Maragall) op de Montjuïc. En in heel Catalonië is er ook nog maar één, ergens aan de Costa Brava. Verder schijnt-ie vooral in zuidelijker Spanje wat vaker voor te komen. Buren protesteren nu vanwege de werkzaamheden op de brakke grond ernaast, omdat de wortels van de monumentale boom (tussen de 150 en 200 jaar) door midden worden gesneden om er een kelder aan te leggen..

Voor zover ik weet heeft Anne Frank nooit op deze boom uitgekeken, dus zal de boom uiteindelijk redelijk anoniem sterven.

 

Barcelona is niet socialistisch meer

Barcelona was één van de laatste ‘rode’ bolwerken in heel Spanje. Ging Madrid al eind jaren tachtig over naar een conservatieve gemeenteraad en burgemeester (die wordt hier via de stembus gekozen) kort nadat de immens populaire socialistische burgemeester Tierno Galván in 1986 was overleden, nu heeft de hoofdstad van Catalonië een kleine ruk naar rechts gemaakt. Liefst 32 jaar – sinds de eerste verkiezingen na Franco (die natuurlijk zelf de burgemeesters benoemde) – was de PSC aan de macht in Barcelona, met als populairste burgemeester Pasqual Maragall, die voor zijn stad de Olympische Spelen van 1992 binnenhaalde,  later president van de Generalitat werd en nu vooral bekedn is als Alzheimer-patiënt.

Vandaag moest de synpathieke, maar weinig charismatische veertiger Jordi Hereu het stokje overgeven aan de goedige opa Xavier Trias van de Catalaanse nationalisten van CiU: liefst zes voorgangers van de 65-jarige Trias hadden zich in de verkiezingsstrijd stukgebeten op de socialistische rivaal, dus was de dag van vandaag een ongelooflijke triomf voor de nationalisten, die net als de Partido Popular in de rest van Spanje vooral profiteerden van de diepe economische malaise waarin het land verkeert en waar de socialisten van premier Zapatero voor verantwoordelijk worden gehouden.

Geen idee wat het nieuwe stadsbestuur ons gaat brengen. Hereu, die gisteren zijn laatste spullen inpakte, heeft het niet slecht gedaan. Vreemd echter dat je als burgemeester van een stad als Barcelona zo redelijk anoniem kunt blijven. Lijkt mij een heerlijke stad om te besturen, om faam in de hele wereld op te bouwen, maar dat was aan Hereu niet besteed. Aan opvolger Trias lijkt me trouwens ook niet.

 

120 euro boete voor een blote bast

 

Kwestie van smaak, natuurlijk, en vaak ook van leeftijd. Als ik als toerist naar Rome ga, naar Venetië, of zelfs naar Amsterdam, en het is in die plaatsen bloedheet, dan komt het geen moment in mijn hoofd op mijn t-shirt uit te trekken en lekker halfbloot over de Foro Romano, de Piazza San Marco of de Kalverstraat te gaan lopen. Bah! Maar niet iedereen denkt zo, natuurlijk. Barcelona heeft er nogal last van, van die mensen die denken dat het strand tien kilometer breed is en je dus overal door de stad, tot in de winkels en musea aan toe, met een ontbloot bovenlijf kunt gaan lopen (de mannen) of in een klein bikinitopje. Winkels en musea kunnen die mensen natuurlijk zelf corrigeren of weigeren, maar op straat is dat moeilijker.

Dus is Barcelona met een verordening gekomen die op 1 juni is ingegaan: buiten het strand is het officieel verboden dat bovenlijf te ontbloten, maar deze bloedhete week in de stad bewijst dat zo’n verbod nauwelijks effect heeft, ook al omdat geen toerist er iets van weet. Agenten hebben meestal andere dingen te doen: in totaal hebben ze in deze eerste maand 116 mensen gevraagd een shirtje aan te trekken. Slechts negen kregen een boete, omdat ze dat weigerden of het misschien wel erg bont maakten. De laagste boete voor dit vergrijp is 120 euro, de hoogste 500, en die is voor mensen die helemáál bloot gaan, een ‘straatnudisme’ dat tot voor kort in de stad was toegestaan.

Overigens komt het mooiste woord voor het lopen in een blote bast – wat volgens mij weer een mooie oude nederlandse uitdrukking is, blote bast – uit Italië: daar noemen ze het torsonudisme.

De achterkant van het kerkhof

De magie van de Montjuïc, een berg die steeds completer wordt, met aan de zeekant sinds kort het hotel Miramar (vroegere TV-studio’s van TVE) en het park (Jardines de Mossén Costa i Llobera) waar de mooiste cactussen van de stad zijn te bewonderen, heb ik al vaker beschreven hier. En vooral de voor velen toch onbekende begraafplaats. Was er deze week op een plek waar ik tot nu toe nog nooit was geweest: helemaal aan de zuidwestkant, waar er aan de straat Mare del Deu del Port een half verstopte ingang is die je net als de anderen óók met de auto kunt binnenrijden (blijft uniek, dit cementerio, omdat je het met de auto kunt bezoeken). Dichtbij die ‘achteringang’ (je hebt ook een ingang helemaal aan de bovenkant, dichtbij het Olympisch stadion en de botanische tuin, maar die is slechts voor voetgangers) ligt de Fossar de la Pedrera, het grote massagraf van Barcelona. Naar schatting liggen er zo’n 4.000 mensen begraven, de meeste van hen slachtoffers van het Franco-regime, mannen en vrouwen die door de troepen van de generaal werden gefusilleerd en anoniem hier werden ‘gedumpt’.

Pas na de komst van de democratie in 1975 werd er hard aan gewerkt om deze historische plaats een waardiger aanzien te geven, want lange tijd was het een braakliggend terrein met wat witte kruisen erop, en een datum (maar geen naam) van de dag van overlijden. Ook liggen er mensen begraven waarvan de familie vroeger geen geld had om hen een persoonlijk graf in één van de 200.000 nissen op de Montjuïc te geven.

Er staan verschillende monumenten op de Fossar de la Pedrera, zoals pilaren met meer dan 2.000 namen van Franco-slachtoffers, plus een herdenkhoek van de doden van de Tweede Wereldoorlog, plus een apart graf voor de oud-president van de Catalaanse regering, Lluís Companys, die ook werd gefusilleerd. Sinds zaterdag staat er bovendien een nieuw monument, voor de vele politieke doden van de anrchistische vakbond CNT, die zijn 100-jarig bestaan viert.

 

 

 

Barcelona, een eeuw geleden

Heerlijk, oude foto’s van Barcelona, zoals deze, de tram naar Collblanc-Sants Estació op de Gran Vía, net voor het Golferichs-huis op de hoek met Viladomat. Kan er nooit genoeg van krijgen, dus zal het een genot zijn vanaf morgen de expositie in het CCCB te bezoeken waar er 300 foto’s worden tentoongesteld van Josep Brangulí, een fotograaf die de stad tussen 1909 en 1945 uitgebreid op beeld vastlegde. In totaal moesten de conservatoren een selectie maken uit liefst 500.000 negatieven. De expo is in verschillende thema’s onderverdeeld, zoals belangrijke gebeurtenissen of bbouwprojecten, maar ook het dagelijks leven op het strand, het vervoer op straat of bokswedstrijden.

Naar aanleiding van de expositie, die tot eind oktober te zien is, wordt er ook een fotowedstrijd georganiseerd waaraan iedereen met een Flickr-account mag meedoen; Brangulí va ser aquí is Catalaans voor Brangulí was here en nodigt mensen uit de stad te portretteren zoals die fotograaf dat een eeuw geleden deed. Alle foto’s die ná 2000 zijn gemaakt mogen meedingen voor één van de tien plaatsen op de expositie. Het leukste is natuurlijk naar dezelfde plaatsen te gaan die Brangulí afbeeldde…

 

De beroemdste schoenen, op de Passeig de Gràcia

Op het eerste gezicht hebben de foto en de kop boven deze post niets met elkaar te maken. Dit, op de foto, is het terras van het hotel Mandarin Oriental, vorig jaar geopend aan de Passeig de Gràcia (ik zal nog wel een bericht besteden, binnenkort, aan de mode om ’s avonds op deze fabuleuze hotelterrassen te vertoeven, óók als je er geen kamer hebt), en helemaal op de benedenverdieping, die er zo uitziet…

is deze week een nieuwe schoenenwinkel geopend, net zo luxueus als dit hotel. Vanaf de straat kun je de winkel niet eens zien, er is geen etalage, maar dat is ook niet nodig. Het zijn de schoenen waar sjiek-Barcelona al jaren op wachtte en de koopsters zullen de winkel vanaf nu blind weten te vinden, op zoek naar de Manolo die hen het beste past.

De Manolo’s zijn de beroemdste schoenen ter wereld, vooral nadat Jessica Parker er al in het eerste seizoen van in Sex and the City haar diepe liefde voor betuigde, voor de meest elegante hyperhoge hakken die er zijn, volgens kenners. Elke vrouw die er in Hollywood en omstreken toe doet heeft een paar Manolo’s in de kast staan. De schoenen zijn ontworpen door Manolo Blahnik, een Spanjaard met een Tsjechische achternaam, land waar zijn vader vandaan kwam toen hij op de Canarische Eilanden verliefd werd op een Spaanse. Vreemd genoeg had Blahnik lange tijd geen enkele eigen winkel in Spanje; pas sinds kort opende er één in Madrid, in de calle Serrano, en nu deze in Barcelona, met hoge hakken van 400 tot 3.000 euro. Er zijn ook nog duurdere paren, maar die worden slechts op bestelling gemaakt, en daarvoor bestaat een wachtlijst van verschillende maanden.

Dat Manolo nooit in Spanje te koop was komt waarschijnlijk omdat hij al op jonge leeftijd in het buitenland triomfen begon te vieren. Al in 1973 opende hij zijn eerste schoenenwinkel in Londen, Zapata in de wijk Chelsea. Manolo Blahnik, 68 jaar jong, weet of vreest al wat er ooit op zijn grafsteen komt te staan, de beroemde zin die Madonna ooit aan zijn schoenen wijdde: “De Manolo’s zijn beter dan sex”.

De erfenis van Akzo in El Prat

Jarenlang werd je bij aankomst in Barcelona, op de korte weg van het vliegveld naar de stad, verwelkomd door een smerige lucht van rotte eieren. Heerlijke stad, dacht je dan altijd; net geland, en nu al zo’n stank. De schuldige was een Nederlands bedrijf, La Seda, gelegen aan de Autovía de Castelldefels, eigendom van Akzo. La Seda (Het Zijde) werd al in 1925 opgericht en begon met het maken van draad, bijna altijd onder de multinationale leiding van Akzo, of vroeger AKU/HKI. Ik kan me nog herinneren, kort na mijn komst in Barcelona, hoe boos de werknemers, de vakbonden, maar ook heel het stadje El Prat de Llobregat waren op die Nederlandse broodheer toen het wat slechter ging en Akzo besloot met de staart tussen de benen te vertrekken en het bedrijf als een wees te dumpen – zo voelden ze dat hier.

Vandaag, tijdens een ochtend in het overigens aangename El Prat, ontdekte ik een ander deel van de erfenis van Akzo, behalve die fabriek die overigens allang niet meer stinkt. Aan de andere kant van het stadje ligt een wijk die ‘Les cases de la Seda’ heet, de huisjes die er voor de arbeiders werden gebouwd toen in de jaren 50 een grote, nieuwe fabriek werd neergezet. Opvallende huisjes, zeker voor Spanje, met die tuintjes en luiken voor de ruimen; meer Noord-Europees dan Spaans. Nog altijd wonen er die (gepensioneerde) werknemers van toen, of hun kinderen.

Achter El Prat ligt trouwens één van de mooiste natuurgebieden in de buurt van Barcelona, rond de delta van de Llobregat-rivier, el Remolar. Een lange, langs rotondes slingerende weg leidt je er naar toe, waarbij je vlak onder de landende vliegtuigen doorrijdt – een belevenis; er staan zelfs stenen banken om op te liggen en de vliegtuigen op 50 meter hoogte oorverdovend over te zien komen -. In het moerasachtige gebied ligt ook het gloednieuwe centrum CRAM, waar gewonde zeedieren worden verpleegd voordat ze weer in de natuur worden teruggezet, de Catalaanse versie van het zeehondencentrum in Pieterburen. Een helemaal aan het einde van de weg kom je bij het opgeknapte strand van El Prat, met zijn brede duinen; één van de meest ongerepte stranden bij Barcelona, maar met het nadeel dat die delta van de Llobregat toch ook smerig water de zee in spuugt…

De vage en drukke grens met l’Hospitalet

Mijn eerste woonplaats in Spanje was l’Hospitalet de Llobregat. Ik dacht, zoals veel mensen, dat het gewoon een wijk van Barcelona was, tot ik ontdekte dat het een stad is (de zestiende in grootte van Spanje, de tweede van Catalonië) met 260.000 inwoners, groter dan mijn Utrecht dus. Stad van de Andalusische immigranten toen, nu van de Zuidamerikaanse. Nergens is echter te zien waar Barcelona in l’Hospitalet in elkaar overgaan, slechts één bord langs de 9.800 meter lange grens tussen beide steden markeert die lijn, boven de Travessera de les Corts, vlakbij het Camp Nou. Verder merk je nooit wanneer je in BCN of L’H bent. Schizofreen is de situatie in de straat Riera Blanca, een oude rivierbedding die vroeger de gemeentes scheidde en waar nu op de ene stoep vuilcontainers van Barcelona staan en aan de andere kant die van l’Hospitalet. Ook de parkeerwachters van beide gemeenten treffen elkaar daar.

Ik ben eens met een fotograaf op stap geweest langs die grens, en we legden een lang rood lint op opvallende plaatsen. Zoals de receptie van het hotel AC Som, dat precies bovenop de grens ligt, net als de nieuwe Ciutat de Justicia, het immense complex van Justitie. En de Fira, de beurs aan de Gran Vía, die ook ‘gesplitst’ wordt. Veel Barcelonezen zeiden me vroeger dat ze niet naar l’Hospitalet durfden, dat het een onveilige stad was. Grote onzin, het leven was er op straat nog leuker en drukker dan in Barcelona. Voor wie één keer dat leven daar wil ontdekken: neem de blauwe metrolijn, stap uit in Pubilla Cases en ga vroeg in de avond naar het straatje Luarca: zo’n twintig terrasjes met heerlijke tapa’s zitten er altijd bomvol met de lokale bevolking. Nooit een toerist te zien, natuurlijk.