Gisteravond in het Castell d’Empordà, waar Ab Diks in zijn ongelooflijke kasteel/hotel in Bisbal d’Empordà zijn tweede editie van het Nederlandse Jazz-festival met succes afsloot, en vanavond in de Jamboree, één van de historische ondergrondse muziekpaleizen van Barcelona, aan het Plaça Reial. Het Benjamin Herman Quartet heeft een plaatsje op de overvolle agenda van de Jamboree kunnen veroveren, deze zaterdagavond om 21 en 23 uur. Dat van gisteren beloofde veel, dus kunnen we nu, dichterbij huis, op herhaling. Het leuke van zo’n zaaltje: van heel dichtbij kijken en luisteren naar Herman zelf, een virtuoze en vrolijke Anton Goudsmit op gitaar, Ernst Glerum op de bas en Joost Patocka, medeorganisator van het jazz-festival, op de drums. Op de website van Turisme de Barcelona worden ze op een mooie manier aangekondigd. Enige probleem is dat veel Barcelonezen dit lange weekeinde de stad uit zijn; maar toeristen ten over.
Categorie archief: mijn Barcelona
Het geheim van de pleinen
De straten zijn bijna altijd druk, iedereen is er onderweg, van links naaa rechts, van boven naar beneden. Straten zijn vluchtig, we zijn er allemaal passanten, momentopnamen. Pas op de pleinen staan we stil, gaan we zitten, komen we tot rust. Op de pleinen vindt ook meestal het echte leven plaats, van de jonge spelende kinderen tot de kwebbelende of dommelende bejaarden, 80 jaar leven in een notendop. Op een plein is ook bijna altijd een terras, een barretje, een restaurant. (Las zaterdag trouwens met verschrikking een reportage in NRC Handelsblad over Vinex-wijk Leidsche Rijn; het stond slechts in een tussenzin, maar toch: er staan na 10 jaar al meer dan 20.000 huizen, ‘maar er is nog geen horeca…’ Een stad zonder barretje, hoe kan dat? Misschien, en dat zou best kunnen, zijn er ook geen pleinen. Nieuwe pleinen zijn bovendien verdomd moeilijk goed aan te leggen, kijk naar het Museumplein in Amsterdam.) Maar dit gaat over de pleinen in Barcelona. Er is net een leuk boekje over uit, de geheimen van enkele van de tientallen pleinen, met anecdotes, verhalen over de oorsprong van de naam. Wel in het Catalaans, trouwens. Er komen veel bekende, maar ook onbekende pleinen in voor. Hieronder een paar van mijn favorieten, buiten die ik al eerder op mijn weblog heb genoemd, zoals topper Sant Felip Neri, Sant Agustí Vell of toch nog altijd de Plaça Reial (of Real), het relatieve rustpunt aan de Rambla. En tips zijn natuurlijk welkom!
De Plaça de Prim, nog een stukje autenticiteit in een voor een groot deel gesloopt Poblenou. Prachtpleintje met zijn drie Argentijnse bomen, de bellasombras of ombús, en nu de zomer eindelijk gekomen is het terras van Els Pescadors.
Vlak achter de boulevard Joan de Borbó en toch zo weinig bezocht: ruimte, een historische tapastent (Can Ganassa) en een goed restaurant, Botavara, waarvan eigenaar Joan me eens zei dat hij de 1.800.000 hondenrassen van de wereld kent “want al die honden zijn hier wel eens langsgekomen”.
Het plein Duc de Medinaceli is een kleine oase aan de drukke Passeig de Colom en vooral bekend onder de mensen in Barcelona omdat het bevolkingsregister er zich bevindt. Vooral indrukwekkend door zijn enorme palmbomen en de oude gebouwen. Even verderop het leukste pleintje van El Born, de Plaça de les Olles, met twee, soms drie leuke terrasjes en vooral het idee dat Barcelona soms nog een dorp is.
Heel goed verstopt achter het oude postkantoor, toegankelijk vanuit liefst vijf smalle straatjes, kun je op het Plaça dels Traginers, in de Gothische wijk, iets drinken of eten bij La Luna de Jupiter in de schaduw van een deel van de oude Romeinse muur van Barcelona.
Gràcia is de wijk van de pleintjes; tallozen zijn er, ze hebben zelfs al eens een eigen boek gekregen. Keus genoeg, bijna allemaal even leuk. Als voorbeeld de eerste die ik ooit ontdekte, de terrasjes op de hoek van de Plaça de la Virreina, waar, zoals op zoveel pleinen, een kerk staat.
En je hoeft niet in het centrum te blijven om leuke pleinen te vinden. Alle historische wijken (Les Corts, Sants, Horta) waren vroeger aparte dorpjes en hadden dus hun eigen centrale plein, zoals dit Plaça Major de Sarrià, één van de verschillende pleinen in deze luxe wijk die je elke middag en op zondagochtend een prachtig levendig beeld van de buurtbewoners bezorgen.
Eten in de tuin van de nonnen
Een bezoek aan de Esade (zie vorige post) brengt je ook af en toe op plaatsen waar je anders nauwelijks komt, zoals de, wat we hier noemen, parte alta van Barcelona, ofwel de wijken Pedralbes, Sarrià en Bonanova. Dat alta, wat ‘hoog’ betekent, kun je op twee manieren uitleggen: deze wijken liggen aan de ‘hoge kant’ van de stad, het verst van de zee vandaan, daar waar de flanken van de Tibidabo en het bos van Collserola beginnen. Maar ook de volskwijken Roquetes, Vall d’Hebron, Guineueta en Vallbona liggen aan die hoge kant, maar die noemen
we geen parte alta. Want dat ‘hoog’ kunnen we ook betrekken op de stand van de inwoners, de bourgeousie, de rijkeren, de nette mensen die hier op vrij discrete wijze, want verstopt achter anoniem lijkende flats die van binnen 300 m2 groot blijken te zijn, hun welvaart tonen. Typisch Catalaans.
Al die flats hebben natuurlijk hun eigen parkeergarage, want voor de bezoekers is het een ramp hier te parkeren. Ik kon mijn auto toevallig kwijt op een prachtig verstopt pleintje, bestraat met klinkers, waar de gebruikelijke rust van Pedralbes nóg groter is. Het is het plein vóór het Klooster van Pedralbes, altijd een bezoekje waard; de Bus Turístic heeft een halte bijna voor de deur, net achter het poortje op deze foto.
En voor degenen die in deze verder vrij verlaten buurt ook nog wat willen eten, is er een stukje verder naar boven toe een restaurant dat vooral beroemd is om zijn enorme tuin, waar je op zonnige dagen kunt lunchen en op zwoele zomeravonden romantisch kunt dineren, mits je accepteert dat de clientele duidelijk uit deze buurt komt. Bovendien blijf je in de Jardí de l’Abadessa (de tuin van de overste van een nonnenklooster) in de religieuze sferen. Geen idee trouwens, hoe de kwaliteit van het eten er is.
Op de Avinguda de Pedralbes zagen we trouwens ook een bloesem waar we al lang naar op zoek waren, maar niet meer in Barcelona konden terugvinden: die prachtige, unieke purperen kleur kom je bijna nergens anders tegen; als mijn zoektocht op internet me niet heeft doen verdwalen, is deze boom, op de grote foto boven, een Japanse Lagerstroemia indica, die ze hier ook wel de Boom van Jupiter noemen.
Het heilige geloof in zakendoen
Een ochtend bij de Esade – Inspiring Futures staat er groot op de buitenmuur – wat voor een alfa als ik meestal toch een exclusief en totaal onbekend terrein is. En een eigenlijk toch uniek fenomeen voor Spanje, dat van de exclusieve Business Schools. Want de Spaanse universiteiten zul je niet eenvoudig tussen ’s werelds besten aantreffen, maar de drie grote scholen van het land waar ondernemers en managers worden opgeleid of in hun kennis worden geperfectioneerd zitten in de absolute wereldtop. Sterker, als je alleen Europa bekijkt, staan de IE (Madrid), Esade en IESE (beide Barcelona) in de top-5. En dit soort rankings in de Financial Times zijn van vitaal belang voor deze instituten om welvarende studenten uit de hele wereld te blijven trekken of het vertrouwen te houden van (grote) bedrijven die hun managers er een extra en meestal peperdure opleiding laten volgen.
Ik was er een ochtend met MBA-studenten van de Rotterdam School of Management van de Erasmus Universiteit, die ik elk jaar met een praatje een beetje voorbereid op wat ze in Barcelona en Catalonië kunnen aantreffen als ze er een ruime week lang wetenschappelijk en/of sociaal onderzoek moeten doen. Ze maken elk jaar een vergelijking tussen een Nederlands en een Catalaans bedrijf of instelling, zoals dit keer de brandweer, de dierentuin, het restaurantwezen en een kindertelevisiekanaal, ofwel Het Klokhuis tegenover Clubs Super 3. En omdat Esade en RSM tot die wereldtop behoren, ontvangen ze elkaar graag, lenen ze ook docenten uit.
Bijna alle groten uit de Catalaanse economie komen van de Esade of de IESE. Maar dat is niet het enige opvallende. Wat bij mij altijd de aandacht trekt is de diep religieuze achtergrond van beide Business Schools, het opvallende raakvlak tussen het katholieke en het kapitalistische geloof. De Esade is ooit opgericht door de Jezuïeten, de IESE is één van de belangrijkste uithangborden van de Opus Dei. Daar ze op die laatste school het strengst in de leer zijn, moet je er als leerling maar vooral als docent je naar die christelijke waarden en normen gedragen. Echtscheiding, abortus, euthanasie… Laat ze niet ontdekken dat je er voorstander van bent en laat het natuurlijk helemaal niet in je eigen gezin of familie gebeuren, dan kun je het op de IESE wel vergeten.
Maar doorloop je de volledige opleiding, dan lijkt succes gewaarborgd: 100% van de studenten heeft binnen drie maanden een baan.
File om 0.53 uur
Afgelopen week in Nederland weer eens kunnen ontdekken hoe eenvoudig kilometerslange file’s kunnen ontstaan: een paar regendruppels, een kleine kop-staart botsing op de A-2 bij Maarssen, één rijbaan gesperd en een file tot Abcoude; moet meer dan 20 kilometer zijn geweest. Even verderop, hetzelfde op de A-9 bij Amstelveen; 10 kilometer. Gelukkig reed ik aan de overkant en was ik redelijk snel op Schiphol.
Maar ik mag niet meer zeiken over Nederland. Schrijf je een keer dat het in Rotterdam om negen uur ’s avonds wel érg leeg en eenzaam is, krijg je allemaal bewijzen dat het op andere plaatsen in het land wél een levendige maandagavond was. Toch, zoals gisteren in Barcelona heb ik het in Nederland nooit gezien. Het was niet eens zo’n zwoele avond, hoewel de thermometer 23º aangaf, en op de Moll de la Fusta, langs de oude haven, stond van de kruising met Laietana tot Colon één lange rij zwijgende auto’s. Het was, zo bewijst de foto, even voor één uur ’s nachts.
Waar ze allemaal heen gingen of vandaan kwamen? Geen idee. Misschien kwamen ze van het grote feest dat 36 uur lang op de Parallel is gevierd, de oude theaterboulevard van Barcelona die veel van zijn charme van vroeger heeft verloren; het feest was bedoeld om de straat en zijn bewoners weer wat zelfvertrouwen te geven.
Of misschien gingen de automobilisten naar één van de feestjes op het strand van Barceloneta. Wij waren er op de gezamenlijke verjaardag van Karin, Josefina en Naomi. Een soort botellón van twintigers, dertigers en veertigers (wordt wel een beetje erg zo, één van de oudsten op de party te zijn) en zo te zien waren wij niet de enigen. Het strand blijkt een geliefde plek een biertje of wijntje open te trekken en zelfs wat te eten, ook ver nadat de zon is ondergegaan. Nu moet het alleen nog écht warm worden, ook ’s nachts.
Trouwens, niets zo lekker om na middernacht op je fiets door de Barceloneta, over die Moll de la Fusta en door een enorm levendig Raval te rijden…
Allergisch voor toeristen
’t Is een bekend fenomeen in steden die populair zijn bij toeristen en er soms door overstroomd worden: de lokale bewoners, ondanks dat het hen (indirect) enige welvaart bezorgt, zijn de kleurige korte broeken, bungelende camera’s en wapperende stadsplattegronden op een gegeven moment helemaal zat. Enrico, een jonge Italiaanse stagiair op de krant, komt uit Florence, maar is zelf al jaren niet meer in het kleine stukje binnenstad rond de Duomo, Uffizi en Ponte Vecchio geweest. Want juist in zo’n kleine stad met grote attracties merk je het overschot aan toeristen eerder dan in grotere metropolen.
Deze week verschenen in drie straten van Barcelona in het Barri Gòtic plotseling deze ‘schilderingen’ op straat. Ironisch bedoeld, maar zij wakkeren het debat opnieuw aan: er is een stad voor toeristen en een stad voor de locals, dus zouden van die ‘aparte’ voetpaden nog niet eens zo’n gek idee zijn.
De grote groepen Japanners zouden er ongetwijfeld aan gehoorzamen.
Helemaal origineel is het idee trouwens niet; vorige maand verscheen een zelfde soort opschriften in New York, op de hoek van Fifth Avenue en 22nd Street. Op een weblog begon iemand over de gelijkenis met Nederland, omdat daar aparte fietspaden zijn. Ja maar, schreef een ander, ‘die zijn er omdat fietsers en voetgangers verschillende snelheden hebben’. Dat is echter voor toeristen en locals, beide te voet, meestal ook zo. Nog nooit een toerist stevig zien doorlopen.
Het leukste terrasje van de stad
Dat van dat ‘leukste’, dat is natuurlijk heel persoonlijk. Iedereen heeft z’n favoriete plekken. En dit is er niet eens één waar ik heel erg veel kom. Maar juist dat sporadische, dat maakt elk bezoek weer extra aangenaam. Zeker op dagen als deze, met net als in Nederland mooi strandweer.
Joanet zit al sinds mensenheugenis op de Plaça Sant Agustí Vell, dichtbij de markt Santa Catarina, op het einde van één van de leukste straten van de binnenstad, Carders. Joan en zijn vrouw bleven ook open toen dit pleintje, zo’n 10 tot 15 jaar geleden, een no go area was. De drugshandel tierde er welig, nooit zette hier enige toerist zijn voet en de lokale bewoners waren doodsbenauwd voor de handelaars en junks. Joan klaagde vandaag nog altijd over de chusma, het tuig dat hij elke dag voor zijn terrasje ziet hangen, maar tóch is ook hij intens verliefd op deze plek, onder de schaduw van de torenhoge almeces, die we als de ‘Europese netelbomen’ zouden moeten vertalen.
Bij Joanet eet je authentiek, uitstekende tapa’s maar ook, doordeweeks, een prima menu. Met mensen uit de buurt, klanten sinds tientallen jaren, en wat verdwaalde toeristen. Bejaarden en jonge gezinnen. Het is er net alsof je, middenin de stad, op 5 minuten van het Picasso-museum, ergens op een Spaans dorpspleintje zit. En ondanks dat ‘tuig’ dat Joan altijd ziet, is het er redelijk veilig geworden; veiliger dan op de Rambla, denk ik. Wat stadsvernieuwing in de directe omgeving en vooral het nieuwe leven dat deze wijk door talloze winkeltjes is ingeblazen hebben een positief effect gehad.
Zit Joanet vol, en die kans is groot, dan kun je trouwens ook aan de overkant, bij l’Económic. En ’s avonds voor een biertje bij een beruchte bar op de hoek, Mundial.
De jacht op de piraten
Soms worden voorbijgangers in Barcelona opgeschrikt door een grote groep meestal Afrikaanse jongemannen die met hele grote zakken hard de straat of de stoep over rennen. Niet schrikken, ze doen niets. Ze lopen slechts hard weg met hun nagemaakte zonnebrillen, handtasjes, DVD’s en andere spullen opdat de politie, die hen weer even is komen ‘pesten’, de hele handel niet in beslag neemt. Vanmiddag vroeg een verslaggever van het Duitse RTL, die me interviewde voor een programma over Barcelona als zakkenrolhoofdstad van de wereld, waarom de politie die ‘arme jongens’ achterna zat en niet de lui die zo’n 120.000 zakken per jaar rollen. (Dat is het aantal aangiftes…)
Tja.
Barcelona mag dan een paradijs voor de kruimeldieven zijn, heel Spanje is het walhalla voor de piraten. De culturele piraten vooral, zij die illegaal muziek, film, videogames en boeken kopiëren. Nergens ter wereld schijnen zóveel mensen zóveel illegaal te downloaden als in Spanje. De branchorganisatie kwam vandaag met wat cijfers, die inderdaad niet vrolijk stemmen (al zullen ze een beetje gekleurd zijn om de eigen belangen voorop te stellen): 95% van de muziek op het Spaanse internet is er illegaal terecht gekomen, 83% van de films op DVD die de mensen kijken is ook illegaal, 52% van de videogames is een piraten-kopie en 19% van de boeken zijn onheuse kopieën. In totaal, zo zegt de branche, derven de ondernemers 5 miljard euro aan inkomsten. Of de regering even wil bijspringen, maar dat is moeilijk in deze tijden van bezuinigingen.
Een namaakstrand
Twee foto’s van ongeveer dezelfde plaats: deze is van gisteren…
en deze van zo’n 50 jaar geleden…
Ik heb er al eens eerder over geschreven, maar omdat het één van mijn allereerste berichten was, met toen ongeveer acht lezers van mijn blog, volgt nu een wat uitgebreidere, actuelere uitleg. Op de foto boven zijn ze bezig de stranden van Barcelona te verrijken met 45.000 kuub vers zand, ergens anders voor de kust van de zeebodem gehaald. Het moet zo ongeveer de definitieve zandinjectie zijn, nu er in de zee, vlak voor de kust, enkele dammen onder water zijn aangelegd die de grootste golven tijdens de herfst- en voorjaarsstormen moeten afremmen, waardoor het water niet al dat zand weer teruggeeft aan de zee.
Al dat extra zand is nodig omdat de stranden van Barcelona niet echt zijn. Eigenlijk ligt er voor de stad aan de Middellandse Zee een schrale strook van kiezelstenen waar vroeger slechts vissersbootjes lagen en één van de grootste krottenwijken van de stad, Somorrostro. Die verdween pas eind jaren zestig, maar nog bijna 20 jaar lang bleef de kust, van de stad gescheiden door een muur en het spoor, een plaats waar bijna niemand kwam,
behalve het stukje strand en de restaurantjes, de chiringuitos, net voor de Barceloneta. Bij de Olympische Spelen van 1992 kon de atleten een heus ‘privéstrand’ worden geboden en sindsdien ligt er zes kilometer zand waar de stad en zijn toeristen zich kunnen verbranden (het is deze dagen goed te zien dat het warm is: de helft van de toeristen loopt met verbrande benen en hoofden…)
In de voetsporen van Zafón en Falcones
Over boeken gesproken: de aantrekkingskracht tussen de schrijvers hier (Barcelona, Catalonië, Spanje) en de lezers dáár blijft groot. Zie dat zojuist De kunst van verliezen (Saber perder) van de héél leuke en aardige regisseur, columnist en schrijver David Trueba in het Nederlands is uitgekomen (hier een interview met hem), én dat het Instituut Jeroen Bosch twee al wat ‘oudere’ boeken uit de kast haalt, megabestsellers De schaduw van de wind en De kathedraal van de zee, om er een een literair weekeinde in Barcelona aan vast te knopen. Op deze blog hadden we vanzelfsprekend al over de ‘plaatsen der delict’ van zowel Carlos Ruiz-Zafón als over Ildefonso Falcones bericht, maar niets is natuurlijk zo leuk als het zelf ook beleven, mét of zónder literaire gids.

















