Rookworst op nummer 1, erwtensoep volgt op 9

Vroeger gingen de vrouwen van in Barcelona gestationeerde Nederlandse voetballers er op een doordeweekse dag, terwijl manlief aan het trainen was, persoonlijk naar toe in de grote auto van de club: in Blanes, wisten ze, was een supermarkt waar je alles kon kopen dat je, net weg uit Nederland, in Spanje ongewtijfeld ging missen. De naam was ook niet zo moeilijk: Appie Hein; geen officieel kind van de grote Albert, trouwens. En zo hoefde de familie niet steeds van alles uit Nederland mee te nemen, nu je in de handbagage geen potten pindakaas meer mag vervoeren. We hebben het allemaal meegemaakt, vooral in het begin, die verzoeken om drop, hagelslag, zakjes Conimex, pakjes Fristie, stroopwafels. De vrouw van Kluivert kwam vooral voor enorme zakken Pandan-rijst, die ik hier in Barcelona bij de Chinese supermarkt op Nàpols-Consell de Cent koop – want inmiddels is het aanbod in Spanje een stuk groter dan 20 jaar geleden.

Maar omdat héél veel Nederlanders nog altijd een héleboel dingen missen als ze emigreren – kijk maar eens naar die Ik vertrek-drama’s op TV – heeft Appie Hein nog altijd bestaansrecht. En niet alleen dat: behalve zijn drie winkels in Blanes, Platja d’Aro en Salou, waar dus behalve Fleca (Catalaans) en Panadería (Spaans) ook Warme Bakker (Nederlands) op de deur staat, is initiatiefnemer Vincent Solleveld – de man die ons bij de ooit grote Koninginnedagvieringen van o.a. bloedhete bitterballen voorzag – sinds een jaar on-line. En met succes, zegt hij me, met inmiddels 3.000 klanten, niet alleen in Spanje, maar ook in Frankrijk en Portugal. En hij levert sinds kort ook door heel Europa, al vraag ik me af of je bij je Italiaanse buren in Toscane kunt aankomen met een portie gefrituurde bitterballen.

Op de website van Appie Hein klik ik maar eens op de lijst van ‘meest verkochte’ producten, om me weinig te laten verrassen, want wij Nederlanders staan internationaal bekend om onze verfijnde smaken. Op nummer 1, voor de koude wintermaanden aan de Mediterranee, staat de rookworst van Unox, gevolgd door een blikje Chocomel (terwijl de Colacao hier toch een bekend fenomeen is, maar de smaak zal wel anders zijn), en de goede nummer drie is natuurlijk een pakje Goudse stroopwafels. En waar kunnen we verder écht niet zonder? De top bestaat verder uit frikadellen, kroketten (nooit Spanjaarden zo vies zien kijken als ze voor het eerst een Hollandse kroket proefden; even wennen vooral), pindakaas, nasi-kruidenmix, bitterballen (daar zijn ze!), erwtensoep (ja, echt, ik heb eens in Torremolinos een winterse erwtensoepmiddag van Nederlandse pensionados meegemaakt ), krentenbollen, hagelslag, broodmix, satésaus en ontbijtkoek, die in het Spaans bizcocho de jengibre heet.

Solleveld, die ooit met Bar Amsterdam in Barcelona begon, heeft een mooi huis in het achterland van de Costa Brava – bij hem in de buurt is het prachtige rustplaatsje en restaurant Sant Pere del Bosc, op een steenworp afstand van Lloret de Mar – , en wij overige Spanje-gangers, van wie de ouders vroeger toch blikken vol campingboter meenamen naar het buitenland, maar denken waarom wíj dat nou nooit hadden kunnen bedenken, een Nederlandse supermarkt.

Advertenties

De hysterie rond Cruijff: wat Ajax van Barça kan leren

Ons Cruijff-verhaal voor het Oudjaars-AD vandaag, ter afsluiting van een hysterisch jaar bij Ajax. Doe het zoals hier in Barcelona, zou ik zeggen, een beetje lunchen en golfen. (Zie ook: Op bezoek bij Johan Cruijff / Waarom ze bij Barça zo mooi voetballen / Luisteren naar Johan Cruijff)

,,Laat Johan Cruijff zijn gang gaan, zoals hij ook Barcelona naar zijn hand heeft gezet.’’ Het is een veelgehoorde beredenering in de revolutie zoals die al maanden bij Ajax woedt. Maar hoe groot was de invloed van Cruijff werkelijk op het Barcelona van deze tijd? En; wat zijn de parallellen met het Ajax van nu? 

TEKST:  SJOERD MOSSOU EN EDWIN WINKELS

Het was de zomer van 2003, en de triomf van de Blauwe Olifant was compleet. Jarenlang had de beweging, met de welkome morele en publicitaire steun van Johan Cruijff, oppositie gevoerd tegen de man die al sinds 1978 voorzitter van FC Barcelona was geweest, Josep Lluís Núñez, en diens rechterhand en opvolger Joan Gaspart. 
Beiden beleefden, opvallend genoeg, hun einde met Louis van Gaal als hun trainer. Maanden na het ontslag van Van Gaal en het opstappen van Gaspart, won Joan Laporta, de aanvoerder van die Blauwe Olifant, de verkiezingen om presidente te worden. 
Kort na de verkiezingswinst kwam de ‘top’ van die vroegere samenzwering bij elkaar, in de tuin van het huis van Cruijff in Bonanova, een sjieke wijk in het ‘hoge’ deel  van de stad. Nu waren zij de baas, de dertigers en veertigers. Laporta, advocaat en vriend van Cruijff, als voorzitter. Sandro Rosell, oud-Nike-vertegenwoordiger, als vice-voorzitter belast met sportieve zaken. En nog enkele anderen, onder wie Txiki Begiristain, oud-speler van het dream team van Cruijff, nu technisch directeur op voorspraak van de Amsterdammer, die in de Bask altijd de meest intelligente speler van zijn dream team zag. 
In de schaduw van de bomen in de tuin bood Laporta zijn Nederlandse makker en idool een functie binnen de club aan. Wat hij maar wilde, hij kon het worden. En Johan zei ‘nee’, ook al omdat vrouw Danny meeluisterde. Terug in de hectiek van het voetbal, met sinds 1991een bypass in het hart, dat was in huize Cruijff verboden, uitgesloten. Laporta zou het nog vele malen proberen, tevergeefs. 
,,Laporta wilde hem hoe dan ook bij de club betrekken, maar keer op keer weigerde Johan dat. En dat was misschien maar beter ook. Op deze manier is Johan op zijn best, een bijeenkomst in de tuin, op de golfbaan, tijdens een diner. Dan luister je naar hem, en volg je zijn adviezen op of niet, dat is bij ons altijd heel vrijblijvend geweest. Je moet Johan nóóit, maar dan ook nóóit in een officiële functie benoemen,” zeggen twee bestuursleden uit het Laporta-tijdperk en leden van die vroegere Blauwe Olifant, die om anonimiteit vragen om vrijuit te kunnen praten over de rol van Cruijff bij Barcelona.
Luisteren naar Cruijff. Het is iets waar de Ajax-leiding onder voorzitter Uri Coronel en directeur Rik van den Boog enkele jaren terug doelbewust mee ophielden. Na lang geschipperd te hebben met het orakel uit Barcelona, vonden beide beleidsmakers het wel mooi geweest. Zeker toen een hervormingsplan van Cruijff in 2008 stukliep omdat trainer Marco van Basten zich er slechts gedeeltelijk in kon vinden.
Toen Cruijff al snel daarna afhaakte, knipte de top van Ajax gericht de lijnen door. De Amsterdamse club was beter af zonder Cruijff en zijn politiek, beredeneerden Coronel en Van den Boog. Zijn vrienden, zowel in de media als op de Toekomst, zorgden in hun ogen bovenal voor onrust. Als Cruijff opnieuw geen officiële functie wilde, dan moest het maar eens afgelopen zijn met die eeuwige spagaat waar de club mee worstelde. Het was graag en met volledige overgave, of niet.

In Barcelona ging dat anders. Laporta kreeg Cruijff niet in een officiële functie, maar schonk hem op het einde van zijn bewind uiteindelijk die van erevoorzitter, een positie zonder enige formele inhoud, maar wél met ceremoniële waarde. Eén van de bestuursleden: ,,Ik moest altijd naar de UEFA- en FIFA-vergaderingen. Daar had ik Cruijff graag bij gehad. Hij is natuurlijk een fantastisch clubsymbool, net als Beckenbauer bij Bayern. De voetbalwereld ligt nog altijd aan zijn voeten, iedereen op die bijeenkomsten vroeg me altijd naar hem.”

Het insigne van erevoorzitter leverde Cruijff direct in toen de al vroeg uit het Laporta-bestuur vertrokken Rosell anderhalf jaar geleden de nieuwe voorzitter werd. Nooit was de verhouding vloeiend tussen Cruijff en Rosell sinds die eerste beruchte vergadering in de tuin. Ze waren over mogelijke aankopen aan het praten, toen Rosell zich voortdurend met zijn mobiele telefoon afzonderde. ,,Kom je hier nou om mee te praten en te luisteren of niet?” snauwde Cruijff hem toe, met alle anderen erbij. Het kwam nooit meer goed. 

Zoals ook Uri Coronel, Rik van den Boog en Steven ten Have al snel het vertrouwen van Cruijff verloren – en nooit meer zouden herwinnen. Wie in de beleving van Cruijff niet openstaat voor zijn adviezen, wordt al snel een vijand.
Op dezelfde bijeenkomst in Bonanova kwam Cruijff met het eerste advies voor een aankoop: Barça moest van stadgenoot Espanyol Roger García terughalen, één van zijn lievelingsspelers. ,,Maar die goal heeft hij er niet bij ons ingeschoten,” zeggen de oud-bestuursleden lachend. Niemand wilde Roger, die was al in de nadagen van zijn carrière, zoals hij vervolgens bij Villareal bewees. Twee jaar later lukte het Cruijff wel om de speler bij Ajax te stallen, maar ook zijn verblijf daar was geen succes. 
Niet dat Begiristain, trainer Rijkaard, Laporta en de overige bestuursleden nooit naar Cruijff luisterden. Integendeel. ,,Hier hebben we hem nooit de Verlosser genoemd, zoals jullie in Nederland, maar voor ons allemaal is Cruijff altijd God geweest, en zijn woord is heilig. Kritiek hebben we ook nooit op zijn ideeën en voorstellen gehad, maar we hebben er lang niet altijd iets mee gedaan. Dat was ook geen enkel probleem, Johan werd echt niet boos als je zijn raad niet opvolgde. Hij deed suggesties, en wij mochten er mee doen wat we wilden.” 
Bij Ajax werkte dat in die tijd, zeg maar tussen 2003 en 2008, ook min of meer zo. Voorzitter John Jaakke en later directeur Maarten Fontein gingen eens in de zoveel tijd bij Cruijff langs in Barcelona, voor een barbecue of een partijtje golf. Ze luisterden naar hem toen Cruijff adviseerde om Henk ten Cate aan te stellen als coach, de Amsterdammer die succesvol had samengewerkt met Frank Rijkaard bij Barcelona. Omdat de chemie tussen Rijkaard en Ten Cate in Camp Nou was uitgewerkt, loste Cruijff daarmee ook direct een probleem op voor Barça. Tot glorie leidde het advies bij Ajax echter niet.

Cruijff hield zich destijds betrekkelijk koest in zijn columns in De Telegraaf, ondanks de vaak magere prestaties – en hield zich slechts op grote afstand bezig met Ajax. Slechts heel af en toe was hij present in Amsterdam.  
Met Barcelona en voorzitter Laporta was de band inniger. Sommige adviezen werden heel terloops uitgesproken, zoals die keer op een golfbaan. Eén van de bestuursleden herinnert zich een hole waar Cruijff met Laporta een balletje sloeg en over nieuwe spelers sprak. ,,Die Yaya Touré is wel wat,” opperde Cruijff. Niemand had ooit van de speler gehoord, een Afrikaanse voetballer die elk jaar ergens anders speelde, van Beveren via Metalurg Donetsk naar Olympiakos en Monaco. En enkele maanden later werd de speler gecontracteerd; drie seizoenen lang functioneerde hij perfect bij Barça. 
De benoemingen van de laatste twee, zeer succesvolle trainers van de club, Frank Rijkaard en Pep Guardiola, verliepen ook op die semi-toevallige manier. Toen Laporta aan de macht kwam –of nog eerder, toen hij kandidaat was-, vroeg hij natuurlijk aan Cruijff wie als trainer aan te trekken. De ‘doelpuntenprofeet’, zoals zijn bijnaam in Barcelona luidt, kwam met Hiddink en Ronald Koeman, maar geen van hen wilde of kon voor 1 miljoen euro per jaar naar het Camp Nou komen. ,,En die Rijkaard?” vroeg Laporta toen aan Cruijff, zich een ontmoeting met de oud-speler herinnerend. ,,Ja, geen slechte vent,” zei Cruijff. Ofwel: akkoord. 

Jaren later, na twee kampioenschappen en een Champions League, spraken een deel van het bestuur én Cruijff over het ontslag van Rijkaard, toen het al maanden minder ging. Eén van de aanwezigen bij de vergadering: ,,Laporta vroeg Johan of hij tijdelijk trainer zou willen worden, tot het einde van het seizoen. Maar dat was uitgesloten, in de eerste plaats omdat Danny dat niet wilde. Een fantastische vrouw, die als een hen over haar man waakt. Johan heeft vanwege haar veel dingen niet gedaan.” 

Maar Cruijff zelf kwam wel met een alternatief. Een bestuurslid: ,,We spraken over een andere optie, enkelen wilden Mourinho, die toen bij Chelsea trainde. Johan vond dat dat absoluut niet kon. ‘Waarom iemand van buiten zoeken, als je de trainer van de toekomst al in je eigen club hebt?’ zei hij. Toen kwam hij met Guardiola, trainer van Barça B. Veel van ons zagen dat niet zitten, iemand zonder ervaring. Wij wilden Pep ook niet, te jong, te onervaren, dachten we. Maar Laporta vond het wel een goed idee.”
Teruggekoppeld op Ajax is het een interessante gedachte: was er ooit zoiets als een fluwelen revolutie geweest als Coronel en Van den Boog de lijnen met Cruijff open hadden gehouden? Als ze zo eens in de zoveel tijd een advies van de legendarische Ajacied hadden opgevolgd, bijvoorbeeld door eerder een Cruijff-pupil aan te stellen in de top van de jeugdopleiding. Ze hadden daarmee wellicht concessies gedaan aan hun eigen opvattingen, maar tegelijk had het veel ellende kunnen schelen. 

Met de jeugdopleiding van Barça heeft Cruijff zich sinds zijn ontlsag als trainer, in 1996, nauwelijks meer bemoeid. Hij zag en ziet vooral dat het goed was, met vrijwel altijd ex-discipelen van hem aan het roer, zoals nu Amor. Het is niet zo dat Cruijff een heel legertje van vertrouwelingen heeft in de opleiding van Barça, zoals nu bij Ajax. Ook schreef hij geen technische rapporten voor de Catalaanse jeugdopleiding, of geeft hij specifieke adviezen. Hij ziet het van afstand aan. Zijn invloed bestaat er vooral in overdrachtelijke zin.

 

,,De basis hebben we begin jaren negentig gelegd, door alle jeugdelftallen op dezelfde manier als het eerste team te laten spelen. En al lieten trainers als Bobby Robson en Louis van Gaal hun elftal anders voetballen, die filosofie in het jeugdvoetbal veranderde niet,” zegt Cruijff zelf.

Toen Cruijff in 1988 als trainer bij Barcelona arriveerde had hij één seizoen nodig om het jeugdvoetbal volledig te hervormen, nadat in dat eerste jaar het B-elftal van Barça uit de tweede divisie was gedegradeerd. Cruijff zette twee van zijn vroegere ploeggenoten uit de jaren zeventig, Quique Costas en Toño de la Cruz, aan het hoofd van dat B-elftal en de A1-junioren. Bovendien eiste hij bij het bestuur een hoger salaris voor de jeugdtrainers, die hij dus allemaal opdroeg precies hetzelfde systeem te hanteren, het 3-4-3, als hij bij het eerste elftal deed, met de ‘nieuwe’ positie die hij als ‘de 4’ omschreef, de spelmaker vlak voor de driemans-verdediging, een plek waarop Milla, Amor en Guardiola zijn eerste lievelingen waren.

Tandenknarsend ging voorzitter Núñez akkoord met de meeste eisen, omdat Cruijff hem eraan herinnerde dat in zijn contact zijn functie als trainer-manager stond omschreven. Cruijff kreeg het zelfs voor elkaar een geheel nieuwe, derde juniorenploeg te creëren opdat zijn zoon Jordi wedstrijden kon spelen. Jordi mocht als buitenlander niet in de A1 en A2 meespelen omdat die in een landelijke divisie uitkwamen. In de regionale divisie kon hij met die A3 wél meedoen. Ook liet Johan twee extra F- en E-pupillenteams inschrijven om het basisvoetbal te verbreden.

In dat jeugdvoetbal waren ze dolblij met Cruijff als hoofdtrainer. Oriol Tort, die al sinds 1978 de hoofdverantwoordelijke was van de Masía, het jeugdinternaat én –voetbal, was in 1990 vol lof over de Amsterdammer: ,,Cruijff is enorm moedig, laat eindelijk jonge spelers uit de eigen jeugd debuteren, dat was vroeger onmogelijk. Toen debuteerden talenten als Calderé en Rojo pas op hun 25ste, als ze volgens de trainers sterk genoeg waren.” In zijn eerste drie seizoenen liet Cruijff 13 jongens uit het B-team meespelen, al braken ze niet allemaal door.

Cruijff zag het, net als Tort, zitten in technische voetballertjes, al waren ze nog niet groot en sterk. De toen broodmagere Guardiola was daar een voorbeeld van en de huidige Barça-coach geeft nu nog altijd Cruijff de credits voor de basis van het huidige droomvoetbal, het systeem en de successen. Want geen trainer was ooit zo betrokken bij de Masía. ,,Cruijff is heel vaak ‘s middags aanwezig bij de trainingen van de jeugdploegen, waar hij de coaches instructies geeft welke methodes ze moeten toepassen. Dat is een enorme stimulans. De vorige coaches zagen we nooit,” aldus Tort toen.

,,Iedereen luistert naar Cruijff, en doet er mee wat hij zelf wil,” herhaalt één van de oud-bestuursleden. Ook Guardiola belt af en toe met zijn vroegere trainer. ,,Of ze gaan golfen, maar dan hebben ze het alleen maar over voetbal in het algemeen, niet over opstellingen of tactieken.” 
Guardiola heeft de vroegere systemen van Cruijff geperfectioneerd, het team nóg gedurfder en aanvallender gemaakt. En net als Rijkaard bij Barça en Ten Cate bij Ajax of Van Basten bij Oranje heeft hij de analyses van Cruijff in de maandagse kranten in zijn voordeel. In zijn columns valt Cruijff zijn vroegere pupillen en vrienden nooit af, maar des te kritischer is hij voor zijn tegenstanders zijn, zoals de RvC van Ajax, Louis van Gaal, trainer Mourinho van Real Madrid of het huidige bestuur van Barça, nu niet Laporta maar Rosell er de baas is.

Niemand in Barcelona die daar echter hysterisch om doet. Ook dat is een wezenlijk verschil met Nederland, waar de macht van Cruijff, gepusht door zijn volgelingen in de media, veelal tot een wonderlijk soort stressreactie leidt. In Catalonië is dat amper het geval. ,,Zijn mening is lang niet voor iedereen heilig, daarvoor zijn de meningen rond Cruijff altijd te verdeeld geweest. Sinds zijn conflicten met Núñez slikt een deel van de aanhang hem nog altijd niet,” aldus een oud-bestuurslid. 
Het is om die reden, aldus die vroegere vicevoorzitters, dat Cruijff op de achtergrond het best op zijn plaats is. ,,Je moet geen etiket op hem plakken. Cruijff is Cruijff, en daar is alles mee gezegd. Een genie, waarvan je niet alle genialiteiten even serieus moet nemen.”

 

 

 

 

De uil die nooit slaapt

Enkele jaren geleden verbood Barcelona het grootste deel van de opvallende lichtreclames in de stad. Ooit hadden pleinen als Universitat en Francesc Macià (vroeger Calvo Sotelo) wel iets van Picadilly Circus, met enorme lichtende opschriften op de soms monumentale gebouwen. Het gemeentebestuur wilde een beetje orde scheppen en vooral de stadsarchitectuur behoeden voor dergelijke invasieve reclame (waarmee je zo’n Damrak-achtige lichtchaos een beetje voorkomt). Niet alleen moesten alle lichten uit, de volledige installaties moesten verdwijnen. Slechts een enkeling werden gespaard, zoals de zwarte stieren van Osborne ooit in het Spaanse landschap voor de sloop werden behouden.

De uil die boven de Diagonal uittorent, op de hoek met de straten Mallorca en Paseo de Sant Joan, is de bekendste reclame-uiting van de stad en wordt nu zelfs door de gemeente opgeknapt, om ongelukken te voorkomen. Licht geven de ogen niet meer, die vroeger zelfs knipperden of hypnotiserende cirkels uitstraalden.

Niemand weet meer precies wanneer de uil op het dak van het flatgebouw werd geplaatst. Hij was eigendom van Rótulos Roura, een bedrijf gespecialiseerd in… (licht)reclame. De onderneming was in hetzelfde pand gevestigd en bestaat nu niet meer als zodanig, maar is opgegaan in een groter bouwbedrijf.

Op het wat rommelige plein vóór de uil staat een standbeeld van Jacint Verdaguer, waar niemand ooit in de buurt komt om zijn gedichten op het voetstuk te lezen, want er loopt geen zebrapad naar toe. De naam van deze poëet is ook gegeven aan het metrostation dat daar ligt.

 

Nieuwe metro? Nieuwe prijzen!

Het moet, met 47,8 kilometer, de langste ondergrondse metrolijn van Europa worden, zeggen ze hier, al heb ik het vermoeden dat dat het Europese vasteland moet zijn, want enkele van de underground-trajecten in Groot-Londen lijken me ellenlang. De L-9 in Barcelona moet zo ongeveer het sluitstuk worden van het metronetwerk dat begin vorige eeuw gebouwd begon te worden. In 1924 werd de eerste lijn geopend, de (nu groene) L-3 tussen Catalunya en Lesseps. Deze nieuwe enorme L-9 moet eindelijk voor een metrolijn gaan zorgen aan de ‘hoge’ kant van de stad, de wijken Carmel, Sant-Gervasi, Sarrià en Pedralbes waar de ondergrondse nooit was aangelegd.

En niet alleen dat. Diezelfde L-9 moet de metro eindelijk tot het vliegveld brengen, waarvandaan je tot nu toe alleen met bus, trein of taxi naar de stad kunt reizen.

Maar er zijn problemen. Geld natuurlijk. Er is geen euro meer om een flink deel van die lijn te voltooien. Al jaren liggen er op sommige pleinen in de stad (niet zo toeristisch, ze heten Sanllehy, Maragall, El Putxet en Lesseps, onder anderen) en vlak naast het Camp No, enorme bouwputten waar de grote, hypermoderne stations moeten worden gebouwd. Enkele maanden geleden deed de Catalaanse regering, de Generalitat, echter de geldkraan dicht en werden die putten deels gedempt. Nu zullen ook de hekken worden verwijderd en de pleinen voorlopig weer als pleinen dienen, in afwachting van betere tijden. Dat kan wel na 2015 worden.

De verbinding met het vliegveld heeft trouwens wél prioriteit en daaraan zal blijven worden gebouwd, zodat we over enkele jaren de metro in een vrij lange reis kunnen nemen tot het grote nieuwe station Torrassa in L’Hospitalet, waar na een overstap de treinen en de rode L-1 ons naar het centrum kunnen brengen. Of een station verder, Collblanc, en daarvandaan de blauwe L-5.

De metro blijft de beste manier om je snel door een stad te verplaatsen. In Barcelona wordt hij elke dag door meer dan een miljoen mensen gebruikt, maar de overheden lijden er desondanks flink verlies op. Daarom worden per 1 januari de prijzen maar weer eens flink opgeschroefd. Het populairste biljet, de T-10 van 1 zone (10 reizen, niet persoonsgebonden) gaat 1 euro omhoog, van 8,20 naar 9,20. Maar met die 92 cent per rit blijft Barcelona nog altijd één van de goedkoopste metrolijnen in Europa. En je hoeft, zoals het in een toeristische stad betaamt, niet moeilijk te gaan doen met OV-chipkaarten of dat soort voor buitenlandse gasten altijd moeilijke dingen.

Barcelona met ‘scheve’ ogen

Dit duel kon ik alleen maar verliezen. De afspraak was op een minuscuul vluchtheuveltje op de drukke kruising waar Diagonal en Aragó elkaar tegenkomen. Hij met zijn indrukwekkende grote Canon (weet het model niet meer) en ik met mijn PowerShot S95, wat overigens een fantastisch cameraatje is. Maar het bijzondere bij fotograaf Rob Becker is dat hij er een tussenlens op schroeft die een opvallende ‘truc’ met de foto uithaalt: de lens stelt scherp over een lange strook die bijvoorbeeld diagonaal over de foto loopt, maar het maakt niet uit op hoeveel afstand het onderwerp zich van die lens bevindt; ik bedoel, zowel een blaadje op een halve meter als een uil op 50 meter is even scherp, zoals op dit voorbeeld te zien is (die uil, daar ga ik  binnenkort eens over schrijven, trouwens); en de rest van de foto is juist onscherp. Is geen photoshop-truc, maar gebeurt dus direct op camera.

Op deze manier heeft Rob onder anderen bekende en minder bekende plekken en mensen in en rond Barcelona gefotografeerd. En dáár maakt hij weer een origineel fotoboek van dat volgend jaar zal uitkomen en waarvan we natuurlijk een exemplaar willen hebben. En ikzelf, dolblij met een foto die ik graag eens van mezelf wilde hebben: op mijn oude Alpinestars de auto’s op drukke straten als Diagonal en Aragó een uitdagen en weerstaan…

Schaatsen in Barcelona

Moest er als journalist én als Nederlander natuurlijk toch even op, op de schaatsbaan van het Plaça de Catalunya. In de eerste plaats: dat terras waar ik me zo op verheugde, stelt niet veel voor. Alsof je in een sportkantine zit, onder een tent, en niet in het hart van Barcelona. Maar schaatsen is leuk, al zijn het kleine rondjes op een baantje van 30×40 meter waar de meeste mensen dus níet kunnen schaatsen. Vermakelijk. Heerlijk om vaders voor het eerst op het ijs te zien staan en hoe zij zich aan de boarding vasthouden. Elk half uur kun je het ijs op, al zijn de wachttijden op vrije- en feestdagen groot; het is een beetje een gekkenhuis. Maar vanmiddag om drie uur kon ik al na 5 minuten het ijs op. Handschoenen zijn verplicht; heb je die niet, dan krijg je ze voor 1 euro – en je mag ze houden, dus wéér een bezoek aan de Zara bespaard. En niet zeuren over de slechte kwaliteit van het ijs, met diepe groeven… Het was vanmiddag nog steeds zonnig en 17 graden. Geen ijstemperatuur, natuurlijk.

IJsbaan en terrasjes op het Plaça de Catalunya

Ik denk niet dat het de eerste bestemming zal zijn als je deze winter als Nederlandse of Belgische toerist in Barcelona neerstrijkt. De stad wil in 2022 de Olympische Winterspelen herbergen – samen met, natuurlijk, de ski-stations in de Pyreneeën -en wil alvast in de stemming komen door à la New York een heuse ijsbaan op een centrale plek te installeren, op het centrale deel van het Plaça de Catalunya. (En al lijkt de beroemde ijsbaan in het Rockefeller Center het grote voorbeeld, ík heb nooit zo mooi geschaatst -mooi om de omgeving, niet om mijn stijl- als op de Wollman Rink in het Central Park.)

Dus opent Barcelona misschien al vrijdag, en anders in het weekeinde, zijn eerste tijdelijke ‘openlucht’ ijsbaan, naast de twee al bestaande banen, die van FC Barcelona en de Skating aan de straat Roger de Flor. Nou is dat ‘openlucht’ een beetje bedriegelijk, want de temperaturen zijn in Barcelona ook in de winter veel te hoog om er goed een ijsvloer te kunnen onderhouden. Dus wordt de piste, van 30 bij 40 meter, overdekt om binnenin de temperatuur wat lager te kunnen houden dan die +10 of soms zelf +20 graden buiten. Ga je toch de baan op (voor 8 euro/uur krijg je de schaatsen en handschoenen) dan moet je rekening houden met maximaal 350 stuntelende locals.

Leuker dan die ijsbaan zelf is misschien het terras dat ernaast wordt gebouwd, deels binnen, deels in de openlucht. Want daar heeft zo’n centraal plein als dat van Catalunya een hopeloos gebrek aan, aan authentieke terrassen. Zurich is natuurlijk een klassieker, in 1920 al geopend, maar sinds dat terras van de 30 tafeltjes voor de oude deur na de verbouwing werd uitgebreid tot meer dan 70 tafels, is een deel van de charme verloren gegaan. Verder heb je op het plein nauwelijks iets: twee terrasjes van ijssalon Farggi, en één van een bar-restaurant dat Catalunya heet, maar waar je toch ook niet snel gaat zitten.

Dat is wel eens anders geweest. Begin vorige eeuw was het Plaça de Catalunya zo’n Parijs-achtig plein waar allemaal grand café’s met hun terrassen talrijke klandizie trokken. De eerste was toevallig eentje precies op de plaats waar nu de ijsbaan komt, het Gran Café del Siglo XIX, in 1888 geopend ter gelegenheid van de Wereldtentoonstelling. De grote ‘kiosk’, hier midden, achter op de foto, kreeg de bijnaam La Pajarera, de vogelkooi.

Nog vóórdat het plein in de jaren 20 zijn huidige vorm kreeg, was er ook al het klassieke, immens populaire Maison Dorée, dat lag op het stukje tussen de Rambla en het doodlopende straatje Rivadeneyra, zeg maar naast het huidige Hard Rock Café. Het waren de Franse broers Pompidor die die klassieker aan het plein openden. Ernaast lagen El Continental en Munich, waar nu, op Pelai met Rambla, de Burger King en McDonalds liggen. Een klein verschil…

Diagonaal aan de overkant van het plein, op de hoek met Passeig de Gracia (waar  nu Banco Español de Crédito op de gevel staat), lag het majestueuze Hotel Colon, waar we het hier recent over hadden. En op de hoek met de Rambla de Catalunya kwam vanaf 1909 La Lluna. Plus dus Zurich vanaf 1920, op de volgende hoek, met Pelai. En waar nu de immense Corte Inglés het beeld van dit ‘centrum’ van Barcelona bepaalt, lag tot 1962 het Casa Vicenç Ferrer, met daarin hotel Victoria, hier links op een foto uit 1931. Later, na de Burgeroorlog, kwam daar dans- en theesalon Rigat, in die grauwe naoorlogse jaren nog één van de weinige plekken van vermaak mét terras op het Plaça de Catalunya; de rest was in de oorlog allemaal gesloten. En in plaats van al die prachtige hotels en grand café’s kwamen er talloze bankgebouwen die nu nog altijd in meerderheid zijn.