Auteursarchief: edwin

Onbekend's avatar

Over edwin

Schrijver, journalist, fotograaf. Woon en werk sinds 1988 in en rond Barcelona.

De stad van de mooie gevels

“Ik wilde je toch nog even laten weten: Wat is Barcelona een prachtige stad! Niet alleen de publiekstrekkers, maar ook de gewone gevels van huizen, gebouwen. Wat is het er nog steeds een heerlijk weer! Uit met die Parijse winterjas! Wat eet en drink je er lekker! En voor de helft van de prijs die we hier betalen…”

Deze opmerkingen zijn niet van mij, maar van collega Frank Renout, die vanuit Parijs hetzelfde doet als ik, schrijven en bloggen. Hij was een weekeinde over met het gezin, vorige maand. Ik wil het vandaag even bij die eerste opmerking houden, over de gevels, waar ze in Parijs toch ook niet over te klagen hebben. Maar ik denk dat in Barcelona de verscheidenheid onnoemelijk veel groter is, wat gevels betreft. Stijlen bestrijden en overrompelen elkaar.

Die op de foto is één van de gebouwen die me altijd heeft bekoord, mijn aandacht heeft getrokken, me steeds weer heeft doen afvragen wát voor een gevel dit nou precies is, wie hem ooit heeft bedacht. Dus dan ga je eens op onderzoek uit. Eerste conclusie, niet iedereen vindt ‘m mooi, deze gevel op de hoek van de straten Consell de Cent en Muntaner in de Eixample. Sommigen vinden hem zelfs de lelijkste van de stad. Toch, die kleuren, dat geel en groen met wat roodkleurige streken er doorheen, die vallen in ieder geval op. Deze dagen zijn ze vooral in de late middagzon, tussen vier en vijf, heel mooi en in contrast met de blauwe lucht (nee, geen sneeuw in Barcelona):

Het gebouw heet het Casa China, het Chinese huis, en is gebouwd in 1929. Architect was Joan Guardiola uit Valencia, die in Barcelona architectuur was komen studeren, onder leiding van Antoni Gaudí, onder anderen. Eind jaren twintig was het modernisme in Barcelona al lang voorbij, en ook het noucentisme liep op zijn einde. Deze gevel wordt ondergebracht bij de Art Déco, waarvan in Barcelona nauwelijks iets bestaat. Architect Guardiola (twee broers van hem waren de bouwers) inspireerde zich in zijn talloze reizen over de wereld, dus zijn de zuilen op de begane grond Ionisch, zie je boven de bovenste ramen Arabische sporen en zijn de tekeningen van Oosterse aard. Een combinatie die voor de puriteinen totaal onmogelijk en dus heel lelijk is.

Op de begane grond zit trouwens één van de beroemdste en oudste lampenwinkels van Barcelona, Monsó i Benet, die ook op de Rambla de Catalunya zit. Hier opende Vicente Monsó in 1929 zijn eerste winkel, en daar trof ik deze week zijn dochter Montserrat aan. Ze is nu 84, maar staat nog elke dag achter de toonbank. “Wat moet ik thuis doen?” zei ze. En ze vertelde me vervolgens een groot deel van het verhaal van dit Casa China, waar ze zelf ook woont. Regelmatig laten de eigenaren-bewoners de gevel schilderen, soms met behulp van een uniek gemeentelijk project in Barcelona dat deze week zijn 25ste verjaardag vierde: Barcelona posa’t neta, ofwel Barcelona maak je mooi. Met subsidie en sponsoring – vaak hangen er grote reclamezeilen aan de steigers – worden de gevels schoongemaakt, worden o.a. de sporen van tientallen jaren autogassen gewist. Zo zijn in die 25 jaar als 27.000 gebouwen ‘behandeld’.

De Amerikaanse vloot in Barcelona

Sinds 1987 heeft er geen Amerikaans oorlogsschip meer aangelegd in de haven van Barcelona, maar in de 36 jaar daarvóór was de Zesde Vloot een vaste bezoeker van de stad. Het was de roerige, ruige en rijke tijd van de Raval, waar de hoertjes hun handen vol hadden aan de honderden, soms duizenden marinemannen die per keer de stad overspoelden. De eerste kroeg  die ze steevast tegenkwamen, in het eerste zijstraatje (Arc de Teatre) onderaan de Rambla, was een bar waar ze zich vanwege de naam direkt thuisvoelden: Kentucky. Een toevalstreffer van de eigenaar, trouwens. Kort voordat de eerste schepen op 9 januari 1951 aanlegden had hij de naam, La Flor, in dit stevig Amerikaans klinkende woord veranderd, zonder te weten dat die Amerikanen, na een akkoord met generaal Franco, de haven mochten gebruiken.

Bar Kentucky bestaat nog steeds. Het is een échte nachttent geworden, één die alleen op donder-, vrij- en zaterdag vanaf 10 uur ’s avonds opengaat en pas sluit als de laatste gasten zijn verdwenen. Achterin staan twee stokoude jukeboxen, en achter de bar hangen tientallen foto’s die de Amerikaanse mariniers hebben achtergelaten, vooral van hun schepen. Foto’s die zwart zijn geworden door tientallen jaren zware rook. Prachtige relikwieën, net als de bandjes van de matrozenpetten waarop de namen van de verschillende fregatten en vliegdekschepen staan.

Toen dichter en antropoloog Xavier Theros die foto’s zag kwam hij op het idee een boek te maken over het beruchte verblijf van de Amerikaanse mariniers in Barcelona. Vandaag presenteerde hij het resultaat, La sisena flota a Barcelona,  met ook prachtige foto’s van toen maar vooral een overvloed aan anecdotes. Zoals deze: Barcelona was voor de Amerikanen niet alleen de goedkoopste stad, maar ook de haven waar zij het meest een geslachtsziekte opliepen. Zó goedkoop vonden zij de stad, dat ze de obers het geld uit hun pet lieten pakken dat zij dachten dat de consumpties hadden gekocht. Een ober van de Jamboree aan de Plaça Reial lukte het zo binnen twee jaar redelijk rijk met pensioen te gaan. Ook de Tequila ( die eveneens nog bestaat) aan de Carrer Escudellers was één van de favoriete kroegen van de Amerikanen. Daar waren de banken iets hoger dan gebruikelijk, omdat de stevige marinejongens groter waren dan de gemiddelde Spanjaard. En er stonden geen stoelen, opdat zij elkaar niet daarmee te lijf konden gaan.

Prachtige naam van een groep trouwens, in de jukebox: Earl & his Hoedowners. Jaren vijftig, uit Texas.

Ontdekkingen dankzij de tapa’s

Ja, en als er dan een soort tapa-wedstrijd is (zie vorige post), dan moet je ze ook maar eens gaan uitproberen, al is het voor de krant – vreselijk vak toch. Ben vandaag in drie van de 49 tentjes geweest die voor deze week een bijzondere tapa hebben bedacht en die je samen met een biertje in een leuk, speciaal glas (de échte caña-maat – een pilsje dus, en niet de halve liter die je voor 8 euro op de Rambla krijgt voorgezet, óók als je om een caña hebt gevraagd…) voor 2,40 euro tot je neemt. En ze stelden niet teleur, óók niet de twee die ik ver buiten het toeristische centrum opzocht, het redelijk gewone Tres Vilas in de carrer Berlin en het zeer bescheiden Cal Pinxo (niet te verwarren met de beroemde Cal Pinxo’s in de Barceloneta en Sitges) op de hoek van Mallorca met Dos de Maig, waar eigenaresse Laura de tapa live bereidde; kan ook niet anders, met een klein kalfshaasje met bacon en mosterdsaus.

Maar de ontdekking, want redelijk dicht in de buurt en in het centrum, was Bona Sort (Goed Geluk) in wat ik altijd één van de meest authentieke straten van Barcelona heb gevonden, de Carrer de Carders die de wijk La Ribera doorsnijdt. Een kwartelei op kleine frietjes met inktvisjes, groene asperges en paddestoelen… Mar i montanya heet dat hier, zee en bergen in één gerecht.

De Carders (op de foto het smalle deel, later wordt het straatje wat breder en lichter) móet je een keer doorheen zijn gelopen. Vroeger liep hier in de buurt ook het water van het Rec Comtal en in de omgeving daarvan vestigde zich vooral de textielindustrie. Veel straten in de Ribera zijn vernoemd naar de ambachten die er werden bedreven; carders waren zoiets als wevers. De Carrer dels Carders, die trouwens ongemerkt overgaat in die van de Corders (dat heeft iets met dradenmakers te maken, niet met het Spaanse corderos, lammetjes), is nu een afwisseling van Dominicaanse kappers, moderne barretjes, Pakistaanse supers en talloze curieuze winkeltjes.

Een tapa en een biertje voor €2,40

Ik ben ervan overtuigd dat de tapa met groot verschil het populairste exportprodukt van Spanje is. Een export, trouwens, waar het BNP van het nog altijd ploeterende land geen eurocent beter van wordt, want iedereen overal ter wereld denkt maar zomaar tapa’s te kunnen opdienen zonder copyright te betalen. Hoeft ook niet, natuurlijk, maar ze zouden wel eens aan minimum kwaliteitseisen mogen voldoen, al die tenten die je van Tokio tot San Francisco een ‘echte tapa’ serveren. Hoewel, ook in Spanje zelf houdt de kwaliteit natuurlijk niet altijd over.

En om dat te stimuleren houdt Barcelona voor de tweede keer in een jaar een soort tapa-wedstrijd. In bijna 50 barretjes en restaurants, door de hele stad verspreid, kun je vanaf morgen (en tot en met komende zondag) een biertje en een tapaatje bestellen voor 2,40 euro en mag je die hap ook nog beoordelen. (Onder de ‘recensenten worden gastronomische uitstapjes en notebooks verloot.) Uiteindelijk zal er één tapa als de beste worden gekozen; in mei was dat een tempura van garnaal met romescosaus die ze bij El Reloj hadden bedacht, een populaire tent aan de bovenkant van de Via Laietana, dichtbij het Palau de la Música.

Hier een foto van groot formaat (erop klikken voor de maximale versie), om te zien wie deze week wat precies hoe en waar serveert:

Het zo serveren, een vaste tapa bij een biertje, is trouwens de authentieke oorsprong van het nu wereldberoemde hapje. En op sommige plaatsen in Barcelona doen ze dat nog steeds (al is het meer een gewoonte in plaatsen als sevilla en Madrid); laatst, op 20 meter van de krant, een eenvoudig barretje dat wij ‘el gallego’ noemen, zette bij onze cañas van het lekkere bier Estrella Galicia een bordje vlees en één met vijf calamares-ringen neer. We moesten 4,30 betalen…

Schoenen halverwege de hemel

Sommigen zijn verdwenen, de laatste maanden, maar in bepaalde wijken van de vooral oude stad zijn ze weer in opkomst: de schoenen die overal in Barcelona -en ik weet niet hoeveel andere steden in de wereld – over telefoon-, electriciteits- en andere kabels ver boven de straat hangen, soms wel op zo’n tien meter hoogte. Gymschoenen vooral, met de veters aan elkaar vastgebonden, die er zo lang zullen bungelen als die veters niet slijten, of tot er een schoonmaakbrigade van de gemeente komt. Er doen nogal wat legende’s de rondte over dit fenomeen, dat al een heuse naam heeft, shoefiti, ofwel grafiti geschreven met shoes. En uit naam van deze zogenaamde kunstvorm proberen sommige artiesten een straat te decoreren. Het zal wel.

Het meest gehoorde en gevreesde verhaal in Barcelona is dat een paar hoog hangende schoenen een verkooppunt van drugs markeren, of het territorium van een dealer in die straat of buurt aanduiden. Bij de meeste van de bungelende schoenen zal dat verhaal echter niet meer opgaan, lijkt me, anders had de politie, die het verhaal toch ook wel gehoord zal hebben, veel van die dealers eenvoudig kunnen oppikken. Wel is hte bekend dat in de Verenigde Staten zulke schoenen in buitenwijken vaak ene verkooppunt van crack signaleerden.

De meest lugubere versie van de oorsprong van de schoenen komt óók uit de VS: wanneer er ergens een lid van een gang werd vermoord, hingen zijn vrienden zijn schoenen aan een draad in de wijk, schoenen halverwege de hemel die hij toch nooit meer zou kunnen aantrekken. Aan het andere uiterste van de hypotheses zegt de meest onschuldige versie van het fenomeen dat het gewoon een kwajongensstreek is, jochies die elkaar pesten door hun gympies af te pikken, aan elkaar te knopen en over een draad proberen te gooien.

In Spanje vierden vroeger de jonge soldaten het einde van hun (in 2001 afgeschafte) militaire dienst door hun boots aan een kabel bij de kazerne te hangen. Iets wat een beetje lijkt op onze Nederlandse uitdrukking, wanneer we iets, óók onze voetbalschoenen bijvoorbeeld, aan de wilgen hangen.

Eén van de meest plausibele verklaringen voor de opkomst van shoefiti in de laatste jaren komt denk ik uit de filmwereld. In het magistrale Big Fish liet regisseur Tim Burton in 2003 de mensen in een idyllisch dorpje wonen waar alle straten uit gras bestonden en de nieuwe inwoners, bij aankomst, hun schoenen over een lange kabel gooiden, want dat schoeisel hadden ze toch nooit meer nodig. Burton was trouwens niet de eerste regisseur die die vondst bedacht: zes jaar eerder liet Barry Levinson in Wag the Dog duizenden Amerikanen hun schoenen over draden gooien ter eerbetoon aan een soldaat die op de Balkan was gesneuveld en William Old Shoe Schumann heette…

Waar de (dure) kerstboom vandaan komt

Weet niet wat die dingen nu in Nederland kosten, maar elk jaar weer verbaas ik me over de prijs die je in Spanje voor een natuurlijke kerstboom moet betalen. Wil ik een beetje een leuke boom hebben om de (3,50 meter hoge) huiskamer te decoreren, dan ben ik minimaal 45 euro kwijt. En dan doen ze ook nog, in het tuincentrum, of je een kerstboom met kluit krijgt die je zogenaamd daarna in je tuin kunt planten, maar uit die droom werd ik deze week geholpen: de bomen die werkelijk een kluit hebben en dus (terug)geplant kunnen worden staan in een enorm grote pot. De anderen zijn gewoon precies hetzelfde als een keurig afgesneden boom; dat laatste schijnen de Spanjaarden echter niet leuk te vinden, dus daarom verkopen ze ze hier met een klein kluitje en niet met die twee plankjes in de vorm van een kruis.

Alle bomen die hier worden verkocht komen uit Catalonië zelf en niet (meer) uit verre noordelijke landen. Toen in de jaren vijftig boeren in de buurt van Sant Hilari Sacalm (op de weg tussen Girona en Vic) zagen hoe tuinders uit Barcelona in december daarheen kwamen om dennebomen te kappen, dachten zij dat dat wel eens een goede markt zou kunnen zijn. Ze gooiden de aardappels uit hun tuinen en plantten er die dennebomen, die na drie jaar zo’n meter groot zijn en verkocht kunnen worden. In 2007, het topjaar, werden er liefst 1 miljoen van verkocht. En het zijn dus geen ‘zielige boompjes die zomaar gekapt zijn’, maar speciaal voor de Kerst gekweekt…

Sommige van die plantages staan gewoon midden tussen de huizen, zoals hier in Sant Hilari zelf. Het dorp ligt in Les Guilleries, een prachtig natuurgebied waar, door de kou in de winter en de nattigheid in de zomer (een Atlantisch microklimaat aan de Middellandse Zee), die dennebomen het goed doen. Eén van de tuinders zei me dat ze van zes tot 150 euro te koop zijn, maar die van zes heb ík nooit gezien.

De kerstboom werd overigens pas in 1870 in Spanje geïntroduceerd. De Russische aristocrate Sofia Troubetzkoy, afstammelinge van de tsaar, nam er één mee naar het paleis van haar man, de hertog van Sesto, Pepe Osorio, in het centrum van Madrid. Het duurde echter nog meer dan 100 jaar voordat de boom echt populair werd in Spanje.

Spaanse vliegvelden gesloten!

Een beetje laatste nieuws maar eens: het grootste deel van het Spaanse luchtruim is zojuist om 18 uur vrijdagavond gesloten. De vliegvelden van Madrid, Mallorca en Canarische Eilanden zijn dicht, Barcelona kampt met vertragingen en annuleringen. De verkeersleiders zijn een wilde staking begonnen -ze mogen geen overuren maken, zodat ze niet meer aan de +200.000 euro salaris komen- die in ieder geval tot 1 uur vannacht duurt. En dat op de avond van de grote uittocht, het begin van de Puente de la Constitución, de vakantieweek die veel Spanjaarden benutten. Vanaf Schiphol zijn de avondvluchten naar Spanje officieel ‘vertraagd’, maar ze zullen geschrapt worden. Voorlopig zijn 150.000 reizigers getroffen.

In de winterzon, met 102 jaar en zonder rollator

Ook in Barcelona is het koud -wat is koud, een graadje of 10 deze winterse dagen-, maar als de zon ook maar een beetje schijnt -en dat doet hij meestal- gaat Ramón buiten op een stoel of bank op de Passeig de Sant Joan zitten, om het jeugdige leven nog eens aan zich voorbij te zien gaan. Ramón is 102 jaar, maar behalve een beetje doof nog zeer helder. Krant op zijn schoot, ironie en intelligentie in het hoofd. Adovaat geweest, en boekhouder. Ik zeg soms tegen de Spanjaarden dat ze zo oud worden omdat ze zó weinig punctueel zijn dat ze niet eens op tijd kunnen doodgaan. Ramón kon er wel om lachen.

Ik sprak hem aan over de seriemoordenaar van Olot, een verpleger die al 11 moorden op oudjes in een tehuis heeft bekend, allemaal sinds september vorig jaar begaan. Nooit ontdekt, tot bij het laatste slachtoffer brandwonden in de mond werden aangetroffen; ze had chloor gedronken. Of toegediend gekregen, door de verpleger, een stille 45-jarige man die altijd voor buren en bejaarden ‘oh zo aardig’ was geweest. Hij voelde zich soms God zei hij, en kreeg het licht binnen om zieke oudjes uit hun lijden te verlossen.

Nee, Ramón was niet bang voor de dood, of dat ze hem in zíjn bejaardenhuis iets zouden aandoen. “We krijgen goed te eten, want dan blijven we gezond en hebben ze minder werk aan ons dan wanneer we ziek zijn.” Ramón heeft met zijn 102 jaar slechts aan een wandelstok genoeg om zich voort te bewegen. Hij vindt dat, mocht de nakende dood hem doen lijden, hij best een handje geholpen mag worden, “maar natuurlijk niet door zo’n gek.” Maar hij gaat niet lijden, weet Ramón al. “Mijn vrouw was 95 en heel sterk toen ze een ochtend opstond en zei. ‘Ik ben niets meer waard’. De volgende dag was ze dood. Leven is voor mij inademen, rust nemen en ontspannen. Op een dag hou ik op met ademen en ga ik dood, maar dat merk ik niet eens.”

Ik mocht van de directie een kijkje nemen in de residencia waar Ramón al zeven jaar verblijft. In Spanje heb je er niet zoveel van , bejaarden- en verpleeghuizen, als in Nederland. En ‘aanleunwoningen’ en dat soort dingen kennen ze hier al helemaal niet. Aanleunen, dat doe je bij je eigen familie. Al zie je op straat steeds meer een ander verschijnsel: oude mensen die meestal in een rolstoel zitten of nog moeilijk kunnen lopen worden bijgestaan door een Zuidamerikaanse vrouw of man, een soort fulltime ongediplomeerde verpleger. Ze willen graag de straat op, die oudere mensen, nog een beetje genieten van die zon, dat leven. Je ziet ze rond het middaguur overal waar de zonnestralen nog komen. En niet één met een rollator, fenomeen dat hier nauwelijks bestaat. Misschien jammer voor sommigen, omdat zij zich iets eenvoudiger zouden kunnen verplaatsen, maar ik heb het idee dat het je in Nederland wel erg makkelijk wordt gemaakt om achter zo’n ding te gaan hangen.

‘Stokoudjes’ genoeg, trouwens, in de grote stad. Alleen al in de wijk Eixample zijn bijna 1.000 inwoners ouder dan 95 jaar.

De laatste dagen voor de beste foto’s

Een dag in 1955 besloot een aantal Nederlandse fotografen om de nationale prijs voor de persfotografie, de Zilveren Camera, voor één keer ook een internationaal tintje te geven. Beroepsfotografen uit de hele wereld mochten meedoen en de verrassende winnaar was de Deen Mogens von Haven met een actiefoto van een valpartij tijdens een motorcross.

Zó groot was de deelname en het succes van die editie, dat direkt de World Press Photo werd geboren en, naast de Zilveren Camera, een jaarlijks terugkerende editie kreeg. Ik ben er mee opgegroeid, al die jaarboeken van WPP die je enkele jaren na uitgave voor een paar euro bij De Slegte kon kopen, en als je erin terugkijkt beleef je elk jaar weer van begin tot einde mee.

Voor wie deze dagen in Barcelona is (het is hier komende week een héél lang weekeinde, 6 en 8 december zijn feestdagen): nog gedurende een week (tot en met die achtste december) is de expositie van de World Press Photo-winnaars nog te bekijken in het CCCB, dichtbij het Plaça de Catalunya in de Raval, naast het Macba. Vroeger was het gratis, maar er zijn helaas nauwelijks nog sponsors te vinden, zodat het entreekaartje nu €4,50 kost. Behalve op zondagmiddag, dan is het nog steeds gratis.

Ben er vanochtend even langs geweest, en al is het één van de beste bezochte exposities van het CCCB, het is er meestal lekker rustig. Stilte en duisternis om de platen op je te laten inwerken. Wie niet met een vervelend gevoel wil weggaan doet de harde nieuwsfoto’s -keihard, soms, zoals het moet- het eerst en eindigt met de plezante plaatjes van de sport en vooral de natuur. In totaal deden er in 2010 5.847 fotografen uit 128 landen mee met meer dan 101.000 foto’s. Zou veel ervan wel willen zien, maar ben toch blij dat de jury een selectie heeft gemaakt…

Barça-Real, 5-0… Opnieuw

De 4-0 was mooi, maar die vijfde móest komen. Una manita, noemen ze dat hier. Een handvol doelpunten. Piqué – Piquenbauer voor de Catalanen – stak die hand op, in de 92ste minuut. Het publiek volgde zijn gebaar.

Het was weer een memorabele avond in het Camp Nou. Elke gouden ploeg van Barcelona moet eens zo’n 5-0 tegen Real meemaken. Johan Cruijff en zijn kompanen deden dat in februari 1974, ín Madrid zelfs. Cruijff als trainer deed het 20 jaar later nog eens over, in eigen stadion, met een magistrale Romário in dat dream team. En nu heeft Guardiola ook zijn 5-0, al had hij al de ultieme 2-6 van anderhalf jaar terug in het Bernabéu. “We koesteren de erfenis van Cruijff,” zei Guardiola na afloop.

We waren erbij, natuurlijk, in het Camp Nou, want sommige wedstrijden wil je nooit missen. Bovendien moest er gewerkt worden: een verslag voor het AD, dat 20 minuten voor het einde van de wedstrijd naar de redactie gemaild moest worden, om de deadline te halen en de lezers enkele uren later te informeren. Bij een 4-0 stand, gelukkig, dus eenvoudiger te schrijven dan bij 1-1. Hierbij het originele stuk, dus zónder de 5-0 van Jeffren en de rode kaart voor Ramos wegens een schandalige tackle op Messi… (En om de lezers een idee te geven hoe knap het toch is van al die voetbalverslaggevers van ochtendkranten, om onder een enorme tijdsdruk een stukje te produceren waarin niet al te veel grote fouten staan.) Hoop dat ze op de krant die laatste details keurig hebben toegevoegd, maar dat zal wel.

BARCELONA – Hard, vernederend hard viel Real Madrid gisteren van de troon die het zich al aan de kop van de Primera División had geschapen. Een wonderschone exhibitie in het Camp Nou bracht Barcelona in extase, om een nieuwe historische uitslag aan zijn clásicos toe te voegen: 4-0.

 EDWIN WINKELS

 Wonderdokter José Mourinho heeft wat meer tijd nodig om zijn Real Madrid op het duizelingwekkend hoge niveau van FC Barcelona te krijgen. Op een regenachtige avond stond er gisteren geen maat op de balkunstenaars uit het Camp Nou. In een wervelende voetbalshow maakten de blaugranas van Pep Guardiola duidelijk dat in het duel tussen de twee beste ploegen te wereld er één nog altijd veel beter dan de ander is.

De socio’s geloofden hun ogen niet. Zij hadden gevreesd voor een herboren Real, de trucs van Mourinho, het einde van een reeks van vier overwinningen op de aartsrivaal. Maar na de 2-6 in het Bernabéu van anderhalf jaar geleden mochten de blancos een nieuwe vernedering ondergaan.

Elk seizoen weer wordt de clásico door de hysterische sportkranten en steeds voetbalgekkere TV-journaals in Spanje als ‘de wedstrijd van de eeuw’ bestempeld, maar gisteren had iedereen vooraf het idee dat dit werkelijk een heel bijzondere editie was, met de twee, op dit moment, best voetballende ploegen vol wereldkampioenen en Gouden Bal-kandidaten.

Twee wereldploegen met een eigen stijl. Barça met, in de basis, acht spelers uit de eigen jeugd, Real met een, op Casillas na, bijeengekochte ploeg. Pep Guardiola voorzag een voorspelbare wedstrijd. Niet wat het scoreverloop betreft, wel het spelbeeld. ,,Wij vallen aan, Real speelt op de counter. Er is geen ploeg in de wereld die beter op de counter speelt als Madrid,” zei de Barça-coach vooraf, ongetwijfeld terugdenkend hoe Mourinho hem, via die tegenaanval, vorig seizoen met Inter Milaan te grazen nam.

En zo ging het, maar zonder dat dit Real op Inter leek. De opening gaf precies het beeld dat Guardiola had voorspeld, echter met een veel groter verschil in de krachtsverhoudingen dan verwacht. Zijn ingespeelde Barça stond mijlenver voor op een Real in opbouw. Waar zijn eigen ploeg het eigen spel om een onwaarschijnlijk hoog niveau uitvoerde, kon Real maar sporadisch uit het blauwpaarse web ontsnappen. Het benutte alleen niet de twee kansjes die het via zo’n gevreesde counter kreeg.

Barcelona deed dat wel. Het had aanvankelijk niet eens Messi, die al na vijf minuten de bal uit een onmogelijke hoek op de paal lobde, nodig om de wedstrijd al binnen 18 minuten te beslissen, of in ieder geval een levensgrote stap in de richting van de zege te zetten. De vlijmscherpe passes, prachtige eentweetjes en onwaarschijnlijke driehoeken die op het licht natte veld werden geweven eindigden in twee verdiende doelpunten.

Eerst was het na negen minuten Iniesta die zijn voetballende tweelingbroer Xavi haarscherp en keihard in het strafschopgebied aanspeelde. Na de verbijsterde verdediging had ook Casillas het nakijken. Nog eens negen minuten later ging Villa eenvoudig Ramos aan de achterlijn voorbij en kon Pedro zijn harde voorzet intikken. Zelfs die 2-0 leidde niet onmiddelijk tot een reactie van Real, dat verzoop in de zeeën van ruimte die Barça voor zichzelf creëerde.

Pas toen de bezoekers na een half uur het conflict gingen opzoeken, met een duw van Ronaldo tegen coach Guardiola en een halve elleboog van Carvalho op Messi leken zij Barcelona even van slag te kunnen brengen. Er vielen viif gele kaarten in vijf minuten, maar in de rust kon Guardiola zijn spelers er oogenschijnlijk van overtuigen vooral weer te gaan doen wat zij zo onwaarschijnlijk goed kunnen, voetballen. Dat leidde binnen elf minuten tot de 3-0 en 4-0 van een Villa, die op twee splijtende passes van Messi op het nippertje aan buitenspel ontsnapte en de Real-defensie voor de zoveelste maal belachelijk maakte.