
Vriend vroeg waarom de werkloosheid in Spanje zo belachelijk hoog is (las hij in Herald Tribune, dat nivo), maar mijn antwoord, over de telefoon geïmproviseerd, vond hij maar matig. Bij deze een nieuwe poging, al zal die ook niet te diepgravend zijn. Economie is niet mijn sterkste punt. Eén op de vijf mensen van tussen de 18 en 65 jaar die je in Spanje op straat tegenkomt heeft dus geen werk; 20% van de beroepsbevolking betekent 3,5 miljoen mensen. Ruim een miljoen meer dan een jaar geleden. Waar komt dat miljoen ineens vandaan? Uit de bouw vooral. Jarenlang bouwde Spanje meer dan Frankrijk en Duitsland bij elkaar, nu ligt vrijwel alles stil. Geen mens die nog een flat of huis koopt, en grote investeerders durven enorme bouwprojecten niet af te maken.
Toch is het niet die bouw alleen, want die bedrijfstak is goed voor ‘slechts’ 995.000 van alle werklozen. Liefst twee miljoen komen uit de dienstverlenende sector. Daar hoort onder anderen het toerisme bij, en daar word je dit jaar ook niet vrolijk van. Normaal vliegen in de zomermaanden de werkloosheidscijfers omlaag, nu is er sprake van slechts een minimaal herstel. Er komen 20% minder Britten dan vorig jaar, en Britten zijn met 27% dé grootste markt voor Spanje. Sommigen zullen er dolblij mee zijn, dat er minder Engelsen op de boulevard lopen, de bar- en pubeigenaars in Salou, Benidorm, Mar Menor en Torremolinos zijn doodongelukkig.
Gisteren kwam een bank, la Caixa, met nieuewe gegevens. Niet alleen de bouw is verantwoordelijk, of het toerisme, ook het feit dat héél erg veel van de werklozen heel laag zijn opgeleid en daardoor niet snel een andere baan vinden. Slechts een minimaal deel van de werkloze 50-plussers heeft ooit de middelbare school afgemaakt. In Scandinavië krijgen ook de werkloze oudere mensen een cursus of herscholing om nieuwe kansen te creëren, in Spanje worden ze aan hun lot overgelaten. En dat lot is ook financieel moeilijk te dragen: liefst 1 miljoen van die 3,5 miljoen werklozen hebben geen uitkering. Ze hebben er geen recht op, omdat ze niet voldoende tijd hebben gewerkt (op een legaal contract, dus met de noodzakelijke sociale lasten om later een WW-uitkering te kunnen krijgen), of de periode waarin ze recht hadden op een uitkering (maximaal twee jaar) is al verstreken.

Andere sporen zijn iets moeilijker uit te wissen: er bestaan in het centrum van Spanje nog kleine dorpjes met opvallende namen, zoals Villanueva de Franco (Nieuwedorp van Franco) en, nóg mooier, Llanos del Caudillo, de Vlaktes van de Führer (Caudillo betekent Leider, maar Führer past in dit opzicht wat beter). Enkele jaren geleden stemden de 700 bewoners van dit laatste gat, ergens in de provincie Ciudad Real op de weg van Madrid naar het zuiden, tegen een naamswijziging van het oord, dat in 1956 met financiële steun van de dictator werd gesticht.



andere landen. In de eerste plaats de overige klassieke wijnproducenten, Italië en Spanje. Ondanks een sterke terugval in crisis-2008, bleef Italië vorig jaar met 17,2 miljoen hectoliter de grootste exporteur. Opvallend is dat Spanje, dat wél een lichte vooruitgang boekte, voor het eerst Frankrijk voorbij streefde: met 16,5 miljoen hectoliter tegen 13,6 miljoen. Gezamenlijk hebben de drie landen trouwens nog altijd 53% van de totale exportmarkt in handen.
het land had, net als de Europese buren, wel last van minder goed weer en een, in kwantiteit, veel mindere oogst: met 4,6 miljoen hectoliter minder produceerde Frankrijk het minst sinds 1991.



