Categorie archief: reizen

Een mooie druilerige middag in Amsterdam

Bekend fenomeen als je emigreert: thuis, het land waar je vroeger woonde, is het helemaal niks, alles waardeloos, koud en nat en agressief en dat oervervelende doei! Kom je ook wel overheen; na verloop van tijd ga je sommige dingen weer waarderen. Zelfs een druilerige vrijdagmiddag in Amsterdam, de vochtige vooravond van het begin van de lente, maar tevens het einde, schijnt, van drie maanden snijdende kou. Die mooie blauwe avondlucht, die hebben ze lang niet gezien.

Kreeg van Peter, hier voor zijn deur aan de Herengracht, op 14 nummers van wijlen Hans van Mierlo, op 40 nummers van het partijkantoor van de PvdA, een fiets mee. Heb zelf helaas nooit in Amsterdam gewoond, maar een middag fietsen over grachten, glibberige klinkers en tussen nog altijd verraste toeristen blijkt/blijft een waar genoegen. Kan me ook levendig voorstellen, als sporadisch bezoeker, waarom de stad die buitenlanders zo blijft bekoren. Net een poppenhuis waar alles lieflijk en klein en knus is; over de werkelijke waarheid van Nederland de komende maanden meer, wanneer ik voor de verkiezingen regelmatig naar het ‘land van Wilders moet’.

Een middagje fietsen door Amsterdam, op zo’n prachtig stevige ouderwetse opoefiets met achteruittraprem, leidt je snel langs de dichtbij elkaar gelegen boekhandels van Scheltema en het Atheneaum, naar lunches in De Jaren of Het Land van Walem, naar journalistenborrels in De Pels of Scheltema, naar talloze modernere tenten die ik niet ken, en eindigt met een pilsje, een Koninckje, of twee, of drie, bij Café de Prins van Huisdichter Cornelis, de dichtende kroegbaas die behalve grote wielerfan ook nog eens fanatiek supporter van FC Barcelona is. (Hij vroeg me om kaartjes voor het duel tegen Arsenal; dat gaat niet lukken, vrees ik. De socio’s gaan voor, en dat zijn er inmiddels heel erg veel.) Groot verschil trouwens, tussen de Nederlandse kroegen en die in Spanje: zag in Amsterdam bijna nergens een TV-scherm staan… Heeft Nederland dus tóch nog dingen die je gaat waarderen.

Helletocht door de sneeuw naar de grens

Zal ik op zoek gaan naar mensen die vast zijn komen te zitten en de nacht in hun auto of sporthallen doorbrengen? Aardig voorstel, dacht ik, aan mijn redactiechefs, en dat heb ik geweten. Opdracht: vindt ze, waar dan ook, hulpeloos in de sneeuw. Doel: probeer tot in La Jonquera te komen, de Spaanse grensplaats die volgens de nieuwsberichten van de buitenwereld is afgesloten. Tijdstip van vertrek: middernacht.

Eerste voordeel: nog nooit zo’n stille snelweg richting Frankrijk gezien. De grote gekte van de uren daarvoor is voorbij, uren waarin enkele van mijn lezers (zie hun reacties op de vorige post) net als duizenden anderen er héél lang over hebben gedaan om een paar kilometer af te leggen en thuis te komen. De snelweg AP-7, dat wist ik, was bij Maçanet afgesloten; een hoogspanningskabel was op de weg gevallen. Daar de N-II op, richting Frankrijk, maar na twee kilometer stond er al politie: onbegaanbaar. Een omweggetje, via Santa Coloma de Farners en via de Eix Transversal naar Girona. Het is inmiddels twee uur als ik daar kom.

Dan begint het pas echt, een tussen hoge muren sneeuw en verlaten auto’s en gestrande vrachtwagens schoongeveegd spoor richting Figueres dat enkele tientallen auto’s door het holst van de nacht verder richting noorden leidt. Sneeuwkettingen zijn, gelukkig, niet nodig. Rond half vier heb ik het ergste stuk achter me. Op de laatste rotonde vóórdat de weg, een beetje omhoog, naar La Jonquera begint staat de pas vierde patrouille van de Mossos d’Esquadra die ik die nacht tegenkom. Niemand mag er door, maar daar hebben we een perskaart voor. Verhaaltje maken? Oké, rij maar door. Maar bij Frankrijk heeft de Gendarmerie de weg afgesloten, waarschuwen ze.

Ik wil niet naar Frankrijk. Ik wil naar la Jonquera, een gigantisch vrachtwagenkerkhof in de sneeuw, met werkelijk duizenden trailers overal en nergens geparkeerd. Ik kom er rond half vijf aan, viereneenhalf uur na vertrek. Valt nog mee. Het is bijna overal stikdonker; met het vallen van die hoogspanningsmasten is ook de stroom aan en rond de Costa Brava uitgevallen. Geen hond op straat; het is twee graden, valt nog mee, maar de wind raast over de sneeuw. In een sporthal hebben 700 man toevlucht gezocht, maar de verwarming doet het niet. Ze krijgen dekens, broodjes en water.

Alle hotels zijn volgeboekt, een recepcionist biedt me een koffie aan. Urenlang zwerf ik door een triest La Jonquera, dat opvrolijkt als met de dageraad ook de zon doorkomt. Mensen beginnen tevoorschijn te komen, gaan op zoek naar de auto die zij hebben moeten achterlaten. Halverwege de ochtend is het tijd terug te keren, naar Barcelona, zonder geslapen te hebben (een beetje natuurlijke adrenaline en twee bakkies koffie houden me op de been, daar is geen XTC of iets sterkers voor nodig). De grens naar Frankrijk, zowel op de snelweg als de nationale weg, is dan nog gesloten. Zij, waarvan sommigen als 48 uur vastzitten, weten niet wanneer ze verder kunnen. Op de terugweg zijn de file’s van vrachtwagens kilometerslang. Om 14 uur zeggen ze op de radio dat de snelweg weer helemaal opengaat, maar het zal nog lang onrustig blijven.

Jazz bij de kasteelheer aan de Costa Brava

Deze week een mailtje gestuurd naar Albert Diks, kasteelheer in Bisbal d’Empordà, waar hij en zijn Margo jaren geleden het Middeleeuwse Castell d’Empordà kochten, opknapten en transformeerden in een wonderbaarlijk mooi hotel en restaurant. De mail moest gaan over het tweede Nederlandse Jazz-festival dat Diks, jazz-liefhebber, net als vorig jaar in de kelder van het kasteel organiseert. Vorig jaar kon ik helaas niet op één van de mooie vrijdagavonden waarop de concerten van, dit keer, Zuco103, Ruben Hein, Michiel Bortslap, Hans Dulfer, Eric Vaarzon Morel, Rob van de Wouw, Benjamin Herman met zijn band en good old Rita Reys (zij is iets duurder dan de rest, 20€ ipv de zeer schappelijke 12€) zullen plaatsvinden. Zal het dit jaar goedmaken, en daar ging die mail over.

Albert heeft nog niet geantwoord, want hij zal het wel druk hebben. Want ik had mijn mail nog niet vertstuurd of ik las het bericht/gerucht dat Nederlands populairste tortelduifjes (duifjes, want in lengte blinkt het stel niet echt uit) in het normaal bloedhete augustus in het Castell d’Empordà gaan trouwen. Ik had met de Nederlandse kasteelheer te doen; niet om die bruiloft, want dat is altijd mooie publiciteit, maar om de stroom van telefoontjes van roze nieuwsjagers die wat meer willen weten. Diks bevestigde trouwens niets.

Wrang, trouwens, dat je beroemder wordt door een eenmalig huwelijk dan door jarenlange gastvrijheid of een jaarlijks jazzfestival…

Dode dorpen zonder kinderen

Op reportage in la Catalunya profunda, van die plaatsen waar je bijna nooit komt, omdat er gewoon niets te zoeken is. Niemand komt er en iedereen vertrekt er, dat is hun grote probleem. En dit gebied, tussen de snelweg AP-2 en de autoweg A-2 (beide van Barcelona naar Lleida), is niet eens zo enorm afgelegen, heeft een paar redelijke stadjes (Tàrrega en Cervera) in de buurt, maar raakt toch volledig ontvolkt. Het is het gebied in Catalonië waar de minste kinderen wonen. In Passanant, op de foto boven, staan er nog zeven geregistreerd, op een totale bevolking van 175. Maar in het nabijgelegen Forès zijn het er nul, niks. Alleen maar oudere mensen.

De gemiddelde statiestiek voor heel Catalonië is dat er 15% kinderen tot 15 jaar wonen, 69% aan mensen tussen de 15 en 64 jaar en 16% ouderen dan 60. Maar in deze dorpen en streken zijn de verhoudingen 5-60-35.

Zo weinig kinderen zijn er, dat de meeste dorpen geen school meer hebben. Deze, links, is het schooltje van Guimerà. In totaal wordt er aan negen kinderen les gegeven, van een 3-jarige peuter tot een 11-jarig jochie dat na de zomer naar de middelbare school, 20 kilometer verderop, moet. Twee jaar terug woonde hij nog in Barcelona, nu verveelt hij zich dood; er is geen leeftijdgenoot om mee te spelen. Negen kinderen, één vaste juffrouw/directrice en verder ‘reizende leerkrachten’ met bepaalde specialisaties (Engels, gym) die deze ‘landbouwscholen’ langsgaan om er les te geven.

In Zuid-Spanje bruisen zelfs dit soort dorpen nog van leven, is iedereen er altijd op straat, mede dankzij het zachte weer. Maar hier, in maart, kun je een uur door kleine, soms prachtige, stokoude straatjes lopen zonder er iemand tegen te komen. En ineens zie je een vent in zijn garage staan, de slaap nog in zijn ogen, en die verhaalt je van hoe het vroeger was, toen er nog drie bakkers, drie ijzersmeden en twee kleine supermarktjes waren. Nu is er slechts nog een bar, maar die gaat alleen maar in het weekeinde open. ‘Zonder bar is er zelfs voor ons gepensioneerden,’ zei Joan (op de foto onder), ‘hier helemaal niets te doen.’

Gijón-Sevilla, over het pad van de Romeinen

Afgelopen zaterdag in AD Reiswereld, vandaag (exclusief, nou ja) op deze blog. Met enige maanden vertraging (op de Spaanse krant zeggen we dat zo’n verhaal in de ijskast ligt, in Nederland hebben we het over ‘op de plank’ liggen) de reportage over de wonderbaarlijke Zilverroute van Gijón naar Sevilla, en omgekeerd. Een zilverroute zonder zilver, trouwens…

Twee vroegere Romeinse wegen doorkruisen Spanje, het toenmalige Hispanië. Terwijl langs de zuid- en oostkust de Via Augusta nu de hoofdweg N-340 langs havensteden als Cadiz, Alicante, Cartagena, Tarragona en Barcelona is, volgt de Vía de la Plata een bij toeristen veel minder bekende route, van Sevilla naar Gijón, tegenwoordig de A-66. Een tocht door het spectaculaire Spaanse binnenland.

 EDWIN WINKELS

Vroeger leerden de Spaanse kinderen op school dat eeuwen geleden een eekhoorntje van Cádiz, het uiterlijke zuiden van het land, tot in de Pyreneeën kon komen, 1.100 kilometer noordelijker, zonder de grond te raken. Zoveel bomen, eiken vooral, stonden er in Spanje. Op lange stukken van de weg van Gijón naar Sevilla, een bijna rechte lijn door het westen van Spanje, daar waar 2100 jaar geleden Hispanië en Lusitanië in elkaar overgingen, is nog te zien hoe dat geweest moet zijn. Eerst hoge, deels begroeide bergen, de onweerstaanbare Picos de Europa, en daarna alleen maar bomen op groene glooiende heuvels.

Maar even vaak wordt duidelijk hoe de tijd, de erosie en de mens hun sporen hebben achtergelaten. Geen bomen meer, maar kilometerslange geel- en goudkleurige graanvelden. Niet minder overweldigend trouwens, die oneindigheid aan de horizon. Of olijfbomen die zo ver van elkaar zijn geplant dat een eekhoorntje nooit meer van de ene naar de andere zou kunnen springen. En wijnranken, steeds meer, daar waar een rivier de route kruist die de Romeinen ooit met grove stenen aanlegden.

De Ruta de la Plata. Letterlijk vertaald: de Zilverroute. Maar dat imposante pad waarover de Romeinen dat moeilijk toegankelijke deel van Spanje vanuit Hispalis (Sevilla) en Emerita Augusta (Mérida) ontsloten, zag nooit enig zilver voorbijkomen. Mijnen waren er wel, in de bergen bij Gijón en Astorga (een kleine plaats in de provincie León waar de oorspronkelijke Zilverroute eindigde), maar er kwam nooit enig edelmetaal uit. De naam Plata komt dan ook niet van het zilver, maar van het Arabische balat, dat staat voor een gepaveide weg, het fenomeen waarin de Romeinen keien waren.

Van de oorspronkelijke Romeinse weg zijn nog weinig sporen over. Geen hobbelige Via Appia in Spanje, waar eerst de Arabieren en daarna de christenen hun best deden alle sporen van hun voorgangers uit te wissen. Mérida is een goed voorbeeld, en een uitzondering tegelijk. Het was als hoofdstad van Lusitanië (het huidige Portugal) één van de drie grote Romeinse kapitalen op het Iberisch schiereiland, samen met Tarraco (Tarragona) en Corduba (Córdoba). Pas toen iemand in 1912 besloot te gaan graven onder de enorme vuilnisbelt net ten noorden van het centrum, werd ontdekt wat voor een eeuwenoude rijkdom die grond verborgen had gehouden.

Lees verder

Herinneringen aan Nepal

Een dagje geen Barcelona, Catalonië of Spanje. Bijna een jaar geleden vertrok ik naar Nepal, zaterdag stond het verhaal erover in de Reiswereld-bijlage van het AD. Bij deze, voor degenen die erover denken zo’n trek te maken, de reproductie ervan; vanaf deze maand is het weer een mooie periode om te gaan.

POKHARA – De lucht is helder en blauw, de toppen van de Himalaya eeuwig wit. Tijd voor een onvergetelijke tocht langs de voet van de Annapurna. Soms hevig hijgend, maar meestal met een tevreden glimlach op de lippen.

// Drukte in de terminal van de binnenlandse vluchten in Nepal. Veel rugzakken, groepen meer tot minder ervaren bergbeklimmers en -wandelaars. Het populairst is de vlucht naar Lukla, vertrekpunt voor trektochten van twee weken naar het basiskamp van de Mount Everest. Pokhara is precies de andere kant op, naar het westen. Het is een vroeger hippie-paradijs aan een meer aan de voet van het Annapurna-massief, met de Dhaulagiri (8167 meter), de Annapurna I (8091) en  de betoverende Machapuchare (6993), ofwel ‘vissenstaart’.
De een na de andere vlucht wordt geannuleerd. Vervuiling, in combinatie met een grote grauwe zandwolk vanuit India die boven het halve land hangt. Het gevolg van maanden zonder regen. Snel regelt het agentschap een auto met bestuurder om naar Pokhara te rijden, want een dag later moet de Poon Hill-tocht beginnen.
Lees verder

Naar Azië zonder over te stappen

Zo wordt het natuurlijk nooit wat met het vliegveld El Prat van Barcelona en zal het vaker zo leeg blijven, óók de splinternieuwe terminal T-1 zoals ik die laatst voor een reis naar Dubai aantrof. Ik vertrok van de bovenverdieping, daar waar een paspoortcontrole is voor passagiers naar landen buiten het ‘Schengen-Europa’ waar die middag/avond slechts zeven ‘verre’ vluchten stonden geprogrammeerd: Istanboel, Casablanca, Algiers, Mexico, Kopenhagen en twee naar Londen. Ik maakte een foto (boven) van de benedenverdieping, waar de regionale vluchten vertrekken; net zo leeg. Dit jaar verliest BCN 5 miljoen passagiers…

Ondernemers, politici, ingenieurs, iedereen in Barcelona wil eigenlijk een zelfstandig vliegveld, één dat niet in handen is van het staatsbedrijf AENA, dat alle vliegvelden in Spanje beheert. Want AENA beschermt de positie van Madrid, waar vooral veel intercontinentale vluchten naar Zuid-Amerika vertrekken. En dat is precies het obstakel van El Prat om groter te groeien: het krijgt bijna geen intercontinentale vluchten.

Op dat verzoek van meer zelfstandigheid heeft het ministerie vandaag geantwoord met een halfslachtige oplossing: de regionale en lokale autoriteiten mogen El Prat mede gaan beheren, maar AENA moet aan alles zijn goedkeuring geven. De directeur van het vliegveld van Barcelona cijferde vandaag uit dat BCN elk jaar een half miljoen passagiers niet rechtstreeks naar hun bestemming in de Verenigde Staten, Azië en Zuid-Amerika kan vliegen; alles moet via Madrid, Parijs, Amsterdam, Londen.  Barcelona hoopte vooral het Spaanse of Mediterraanse vertrekpunt naar het Midden-Oosten en Azië te kunnen worden, maar dat zit er voorlopig niet in. Of een klein beetje: vanaf maart kun je er naar Qatar vliegen.

Van moskeeën tot bordelen

Maak me er even gemakkelijk vanaf… Sorry, een blog over Barcelona, en dan foto’s van Dubai plaatsen. Een Madrileense architect die ik sprak in Dubai herinnerde het me nog eens: ik zei hem dat ik Dubai stedebouwkundig gezien een ramp vindt, alle wolkenkrabbers zijn lukraak neergekwakt, maar een goed uitgedacht stratenpatroon om al het verkeer in  goede banen te leiden, bijvoorbeeld, bestaat er niet. Tja, zei hij, dat is zo; maar wat wil je als je in Barcelona woont, de stad die al 150 jaar profiteert van het Plan Cerdà, een stedebouwkundige revolutie die nu nog altijd als voorbeeld voor studenten en leraren geldt… Dan vind je elke andere stad een chaos, ook al is ze heel fotogeniek.

Fotogeniek, ja. Van het immense hotel Atlantis op de kop van het beroemde Palmeiland Jumeirah waar de Catalaanse 3-sterrenkok Santi Santamaria (El Racó de Can Fabes, Sant Celoni) een eigen restaurant (Ossianis) met een enorm aquarium heeft…

…een aquarium met roggen en haaien die ook mensen van buiten het hotel mogen bezoeken (er loopt een monorail van het vasteland naar de punt van het palmeiland).

Sinds september heeft Dubai ook een al 30 km lange metrolijn (hoewel de meeste stations nog niet open zijn), waarmee je je met prachtige uitzichten (er is geen bestuurder in de computer-bestuurde trein, dus kun je gewoon achter de voorruit gaan staan) kunt verblijden, maar ook tegelijk kunt concluderen dat de stad wel heel strak en koud is…

…maar het zijn juist dit soort dingen, de hypermoderne kantoren, de mogelijkheid ongestraft alcohol te drinken of naar de hoeren te gaan, de kapitalistische invloeden, die Dubai heel populair maken bij andere Arabieren en moslims, die thuis (het strenge Saudi-Arabië of Iran) niet de zonden mogen of kunnen begaan (of met gevaar voor eigen leven) die er in dit emiraat van de Al Maktoum-dynastie wel overal bestaan. Een tegenstelling die mooi te zien is op de laatste foto, de traditionele moskee met, op de achtergrond, het 330 meter hoge 7-sterrenhotel Burj Al Arab.

Weekendje in de woestijnduinen

Eén van de Catalanen bekende het uiteindelijk wel. Fantastisch leven in Dubai, zei hij zoals iedereen. Je kunt er de sleutels in de auto laten, de huisdeur ‘s nachts open laten, de kinderen kunnen er veilig op straat spelen (tussen oktober en april, wanneer het nog  niet boven de 40 graden is) en ze leren e rook nog accentloos Engels, wat straks in Spanje een enorm voordeel is. Je hebt er een aardig huis, een tuin op woestijnzand, mooie stranden, betaalt als bedrijf noch als werknemer belasting, gaat er met Catalaanse vrienden wedstrijden van Barça via de satelliet bekijken, etcetera. Maar toch, zei Oriol, een jonge makelaar in een Audi Q7, het weekeinde, hè? “Ik kan me voorstellen dat Britten, Russen en Iraniërs het helemáál geweldig vinden in Dubai, maar wij hebben thuis toch de baaitjes aan de Costa Brava en de bergen en het groen in de Cerdanya. Wij zijn wel heel erg verwend.”

Daarom zal voor de meesten een emigratie naar Dubai wel tijdelijk zijn. Maar nu, zeggen ze allemaal, is het nog geen tijd om terug te gaan. De verhalen over de crisis zijn in het buitenland opgeblazen. Jaloezie jegens Dubai, het succes van de laatste jaren. Nog werk en toekomst genoeg.

Jaloers? Nee. De zandstorm was gaan liggen, de strakke wind kwam uit zee, de lucht was zeldzaam helder, het uitzicht vanaf het dak boven een ikweetniethoeveelste verdieping van de gloednieuwe Arenco Tower weids en indrukwekkend, maar het kloppende hart van Dubai blijkt moeilijk te vinden. Misschien in Deira, de ‘oude’ stad, met zijn specerijenmarkt waar niet eens zoveel specerijen meer te vinden zijn. Smalle straatjes, mooie verlichting, Arabische mannen. Dát is de stad, maar Dubai heeft daar maar weinig van. Want vraag je de taxichauffeur je naar het City Centre van Deira te rijden, dan zet hij je af bij zo’n enorme shopping mall.

Terug naar huis.

Slapen als god in Nederland

Is ook leuk als je ‘ver weg’ woont en af en toe terugkomt in Nederland: ga je (soms) slapen in hotels waar je anders, als inwoner van het kleine Nederland, nooit zou zijn verbleven. Je kunt natuurlijk bij je ouders, broer of andere familie gaan logeren, wat natuurlijk altijd de beste en goedkoopste optie is, met de ouderwetse gezelligheid, het ontbijt aan de keukentafel, en waarbij je dan maar even moet vergeten dat de meeste mensen in Nederland in dit soort slaapsteden wonen waar je na zes uur ’s avonds zelfs geen eenzame hond meer over straat ziet lopen, maar waar het ook overdag heel erg stil kan zijn.

Maar soms gaat de (werk)dag en de gastronomische avond in Amsterdam of Rotterdam nog heel lang door en is het handig dáár te kunnen blijven in plaats van een gore nachttrein te nemen en van uitzichten te gaan genieten waar normaal gesproken alleen de toeristen zich nog maar voor interesseren.

Prachtig is het, in goed gezelschap vanzelfsprekend, te gaan slapen in Hotel Pincoffs van mijn oud-collega’s Karen en Edwin aan de Rotterdamse Stieltjesstraat, dichtbij het al sinds mensenheugenis gekraakte Poortgebouw, en vóór het sluiten van de gordijnen nog even een blik te werpen, vanuit comfortabele fauteuils, op de winderige Maas en het Noordereiland. Mensen die veel gereisd hebben weten wat een hotel écht moet hebben om je op je gemak te voelen…

Datzelfde gevoel overvalt me bij mijn vaste, jaarlijkse bezoek aan Ambassade Hotel in Amsterdam, waar ik altijd van de uitgeverij (Nieuw Amsterdam;  ja, sorry, even wat her en der reclame maken) mag overnachten. Heb er na talloze bezoeken nog nooit op dezelfde kamer geslapen en geen kamer is gelijk aan de anderen, in het rijtje herenhuizen waar je vanuit de ene kamer zicht heb op de Herengracht en uit de andere op de Singel. De mooiste? Helemaal bovenin, kamers met een trapje en onder één van de authentieke Amsterdamse daken.

Dan wordt Nederland toch wel een beetje leuk, ook al is het windkracht 9.