Categorie archief: mijn Barcelona

Barcelona met ‘scheve’ ogen

Dit duel kon ik alleen maar verliezen. De afspraak was op een minuscuul vluchtheuveltje op de drukke kruising waar Diagonal en Aragó elkaar tegenkomen. Hij met zijn indrukwekkende grote Canon (weet het model niet meer) en ik met mijn PowerShot S95, wat overigens een fantastisch cameraatje is. Maar het bijzondere bij fotograaf Rob Becker is dat hij er een tussenlens op schroeft die een opvallende ‘truc’ met de foto uithaalt: de lens stelt scherp over een lange strook die bijvoorbeeld diagonaal over de foto loopt, maar het maakt niet uit op hoeveel afstand het onderwerp zich van die lens bevindt; ik bedoel, zowel een blaadje op een halve meter als een uil op 50 meter is even scherp, zoals op dit voorbeeld te zien is (die uil, daar ga ik  binnenkort eens over schrijven, trouwens); en de rest van de foto is juist onscherp. Is geen photoshop-truc, maar gebeurt dus direct op camera.

Op deze manier heeft Rob onder anderen bekende en minder bekende plekken en mensen in en rond Barcelona gefotografeerd. En dáár maakt hij weer een origineel fotoboek van dat volgend jaar zal uitkomen en waarvan we natuurlijk een exemplaar willen hebben. En ikzelf, dolblij met een foto die ik graag eens van mezelf wilde hebben: op mijn oude Alpinestars de auto’s op drukke straten als Diagonal en Aragó een uitdagen en weerstaan…

Schaatsen in Barcelona

Moest er als journalist én als Nederlander natuurlijk toch even op, op de schaatsbaan van het Plaça de Catalunya. In de eerste plaats: dat terras waar ik me zo op verheugde, stelt niet veel voor. Alsof je in een sportkantine zit, onder een tent, en niet in het hart van Barcelona. Maar schaatsen is leuk, al zijn het kleine rondjes op een baantje van 30×40 meter waar de meeste mensen dus níet kunnen schaatsen. Vermakelijk. Heerlijk om vaders voor het eerst op het ijs te zien staan en hoe zij zich aan de boarding vasthouden. Elk half uur kun je het ijs op, al zijn de wachttijden op vrije- en feestdagen groot; het is een beetje een gekkenhuis. Maar vanmiddag om drie uur kon ik al na 5 minuten het ijs op. Handschoenen zijn verplicht; heb je die niet, dan krijg je ze voor 1 euro – en je mag ze houden, dus wéér een bezoek aan de Zara bespaard. En niet zeuren over de slechte kwaliteit van het ijs, met diepe groeven… Het was vanmiddag nog steeds zonnig en 17 graden. Geen ijstemperatuur, natuurlijk.

IJsbaan en terrasjes op het Plaça de Catalunya

Ik denk niet dat het de eerste bestemming zal zijn als je deze winter als Nederlandse of Belgische toerist in Barcelona neerstrijkt. De stad wil in 2022 de Olympische Winterspelen herbergen – samen met, natuurlijk, de ski-stations in de Pyreneeën -en wil alvast in de stemming komen door à la New York een heuse ijsbaan op een centrale plek te installeren, op het centrale deel van het Plaça de Catalunya. (En al lijkt de beroemde ijsbaan in het Rockefeller Center het grote voorbeeld, ík heb nooit zo mooi geschaatst -mooi om de omgeving, niet om mijn stijl- als op de Wollman Rink in het Central Park.)

Dus opent Barcelona misschien al vrijdag, en anders in het weekeinde, zijn eerste tijdelijke ‘openlucht’ ijsbaan, naast de twee al bestaande banen, die van FC Barcelona en de Skating aan de straat Roger de Flor. Nou is dat ‘openlucht’ een beetje bedriegelijk, want de temperaturen zijn in Barcelona ook in de winter veel te hoog om er goed een ijsvloer te kunnen onderhouden. Dus wordt de piste, van 30 bij 40 meter, overdekt om binnenin de temperatuur wat lager te kunnen houden dan die +10 of soms zelf +20 graden buiten. Ga je toch de baan op (voor 8 euro/uur krijg je de schaatsen en handschoenen) dan moet je rekening houden met maximaal 350 stuntelende locals.

Leuker dan die ijsbaan zelf is misschien het terras dat ernaast wordt gebouwd, deels binnen, deels in de openlucht. Want daar heeft zo’n centraal plein als dat van Catalunya een hopeloos gebrek aan, aan authentieke terrassen. Zurich is natuurlijk een klassieker, in 1920 al geopend, maar sinds dat terras van de 30 tafeltjes voor de oude deur na de verbouwing werd uitgebreid tot meer dan 70 tafels, is een deel van de charme verloren gegaan. Verder heb je op het plein nauwelijks iets: twee terrasjes van ijssalon Farggi, en één van een bar-restaurant dat Catalunya heet, maar waar je toch ook niet snel gaat zitten.

Dat is wel eens anders geweest. Begin vorige eeuw was het Plaça de Catalunya zo’n Parijs-achtig plein waar allemaal grand café’s met hun terrassen talrijke klandizie trokken. De eerste was toevallig eentje precies op de plaats waar nu de ijsbaan komt, het Gran Café del Siglo XIX, in 1888 geopend ter gelegenheid van de Wereldtentoonstelling. De grote ‘kiosk’, hier midden, achter op de foto, kreeg de bijnaam La Pajarera, de vogelkooi.

Nog vóórdat het plein in de jaren 20 zijn huidige vorm kreeg, was er ook al het klassieke, immens populaire Maison Dorée, dat lag op het stukje tussen de Rambla en het doodlopende straatje Rivadeneyra, zeg maar naast het huidige Hard Rock Café. Het waren de Franse broers Pompidor die die klassieker aan het plein openden. Ernaast lagen El Continental en Munich, waar nu, op Pelai met Rambla, de Burger King en McDonalds liggen. Een klein verschil…

Diagonaal aan de overkant van het plein, op de hoek met Passeig de Gracia (waar  nu Banco Español de Crédito op de gevel staat), lag het majestueuze Hotel Colon, waar we het hier recent over hadden. En op de hoek met de Rambla de Catalunya kwam vanaf 1909 La Lluna. Plus dus Zurich vanaf 1920, op de volgende hoek, met Pelai. En waar nu de immense Corte Inglés het beeld van dit ‘centrum’ van Barcelona bepaalt, lag tot 1962 het Casa Vicenç Ferrer, met daarin hotel Victoria, hier links op een foto uit 1931. Later, na de Burgeroorlog, kwam daar dans- en theesalon Rigat, in die grauwe naoorlogse jaren nog één van de weinige plekken van vermaak mét terras op het Plaça de Catalunya; de rest was in de oorlog allemaal gesloten. En in plaats van al die prachtige hotels en grand café’s kwamen er talloze bankgebouwen die nu nog altijd in meerderheid zijn.

Niet meer de wagons van goederentreinen tellen

Nooit zie je nog een goederentrein door Barcelona rijden. Zelfs een gewone trein is al moeilijk te zien, maar van die prachtige, lange goederenkonvooien waarvan je als klein kind altijd het aantal wagons begon te tellen als de dreunende locomotief voorbij stampte, die zie je echt nooit meer, of je moet op wel heel verlaten of onaangename plaatsen gaan staan, zoals op de foto hierboven, ergens op de grens van de Zona Franca en de haven van de stad.

Decennialang stoomden de goederentreinen door Barcelona. Vooral over het beruchte spoor in Poblenou, dat de stad van de zee scheidde tot de olympische opknapbeurt 20 jaar geleden. Daar waren ook de bekendste spoorwegovergangen van de stad, aan een avenida Icaria die nu de centrale straat van het Vila Olímpica is, en ter hoogte van Pere IV. Een ook die overgangen met toeters en bellen heb je nog nauwelijks, althans niet meer tussen de huizen. De laatste in een woonwijk lag ergens op de grens tussen l’Hospitalet en Esplugues. In 1985 viel daar nog een dode.

Nog wat jaren eerder reden de goederentreinen zelfs dwars door wat nu de oude haven (Port Vell) is, zoals op deze foto, op de plaats waar nu dagelijks duizenden toeristen van de Rambla naar het Maremagnum lopen. Ik kan me nog wel de rails herinneren die hier tot een jaar of 10 geleden nog lagen, geloof ik. Maar nu maken de treinen uit de haven een grote omweg om naar het noorden te kunnen rijden. Ze worden geladen in het station van Morrot, vlak onder de Montjuïc, en vertrekken dan eerst richting zuiden, om via Molins de Rei en Castellbisbal het binnenland in te trekken en via Sant celoni richting Frankrijk. En het zijn er niet eens zo veel. In de toekomst moet het goederenverkeer daar een stuk drukker worden nu de Europese Commissie o.a. Barcelona via de Corredor Mediterráneo (die begint in het verre Algeciras en langs Cartagena en Valencia loopt) beter op het Europese netwerk wil aansluiten.

Passagierstreinen zie je trouwens ook nog weinig door de stad rijden. Bijna overal is het treinverkeer hier onder de grond gestopt, om slechts aan de einders van de stad weer uit de tunnels in de openlucht te komen. In L’Hospitalet, la Sagrera en een klein stukje tussen het olympisch dorp en het Estació de França.  Voor de treingekken: de plaats het dichtst bij het centrum waar je nog treinen voorbij kunt zien trekken zijn de korte, steile viaducten boven het spoor in de straten Pujades en Pallars, dichtbij Marina:

De ‘zwaluwen’ die niet vliegen maar varen

Elke stad aan het water heeft zijn boottochten. Manhattan en Istanboel krijgen een ander perspectief, vanaf het water. In Barcelona zijn die boottochten veel minder populair onder toeristen, en dat terwijl de Golondrinas al sinds 1888, of eigenlijk al sinds 1884, vanaf dezelfde plaats vertrekken, het Portal de la Pau, recht vanaf het einde van de Rambla naar de zee, bijna onder de wijsvinger van Columbus. Misschien komt het omdat Barcelona vanaf zee niet zoveel meer betoverend is dan op het land zelf, of dat de stad tot 1992 met zijn rug naar die zee leefde.

Golondrinas betekent zwaluwen. Het was de naam die mevrouw Feliciana Goñi in 1888 bedacht toen zij ter gelegenheid van de Wereldtentoonstelling twee toeristische route’s met kleine stoombootjes door de haven bedacht: één naar het einde van de pier (de rompeolas of escullera die nu doormidden is ‘gezaagd’; één helft loopt vanuit de Barceloneta langs hotel W, de andere gaat verder bij de Pont d’Europa, waar de cruiseschepen aanmeren), de tweede route naar de Barceloneta. Die laatste route werd al sinds 1884 onderhouden door Leopold Herrera, die badgasten vanuit de stad naar de Barceloneta bracht. Toen in de 20ste eeuw de tram naar de visserswijk sneller ging dan het bootje, werd deze route opgeheven.

Maar de Golondrinas varen nog altijd, en al meer dan een eeuw met dezelfde naam voor de bootjes, de naam van drie vrouwen: Encarnación, Lolita en Maria del Carmen. Bijna alle Barcelonezen beleefden als kinderen hun ‘zeedoop’ op deze bootjes, en alle kinderen wilden natuurlijk op het bovendek, het Imperial, de tocht door de haven beleven. Inmiddels heeft het bedrijf drie grotere schepen in zijn floot, voor de wat langere tochten buiten de haven, maar een korte excursie van 35 minuten door de haven op die oorspronkelijke bootjes is het meest authentiek, al zie ik dat er voor een dag als vandaag maar drie vertrektijden zijn: 12.15, 14.30 en 16.15, wat wel het winterschema zal zijn.

De drukste architect van de stad

Hij is bij de mensen niet zo bekend als zijn modernistische tijdgenoten Gaudí, Puig i Cadafalch en Domènech i Montaner die Barcelona met hun prachtige gevels zo aantrekkelijk maken, maar Enric Sagnier (1858-1931) was een stuk productiever en veelzijdiger, kreeg veel meer opdrachten van vooral de Catalaanse bourgeoisie, de rijken van de stad. De één na de ander ‘bestelde’ bij hem een heel ‘flatgebouw’ van vier of vijf hoog in de Eixample, of een prachtig chalet aan de ‘bovenkant’ van de stad, in de sjieke wijken van Bonanova, Sant Gervasi en Tibidabo. En daarnaast waren er nog de bedrijven en overheden die bij hem aanklopten.

In Caixafòrum, één van de weinige musea in de stad dat óók op maandag geopend is én altijd gratis toegankelijk, is er een kleine expositie over de architect die ongeveer 500 gebouwen ‘naliet’ aan de stad. Van hele grote, zoals het Paleis van Justitie dichtbij de Arc de Triomf of het oude douanekantoor bij het beeld van Columbus, tot religieuze (de kerk bovenop de Tibidabo), tot betoverende chalets, zoals, ook op de Tibidabo, dat huis dat iedereen aan een spookhuis of sprookjeshuis doet denken, El Pinar, gemaakt voor een bankier, Evarist Arnus. Sagnier is alom aanwezig in Barcelona, en ontwierp gebouwen in allerlei soorten stijlen. Deze week zag ik wat privé-huizen van hem die me deden denken aan woningen uit de Alpen-landen; de architect maakte eind negentiende, begin twintigste eeuw talloze treinreizen door Europa en deed daar zijn inspiratie op, onder anderen in de tijden van de Belle Époque.

Op een gegeven moment leek bijna heel het Plaça de Catalunya van hem, maar naast het gebouw op de hoek van de Rambla (waar nu winkel Sfera zit) en eentje precies in diagonaal aan de andere kant (op de Ronda Sant Pere en Passeig de Gràcia, tegenover de Corte Inglés) is zijn belangrijkste creatie verdwenen, het beroemde hotel Colon, ook op de hoek met Passeig de Gràcia, en waar later Banesto kwam te zitten (en dat nu in volledige renovatie is). Hotel Colon was tijdens de Burgeroorlog de plaats waar de republikeinen kantoor hielden; de vakbonden zaten er en de ‘rode’ soldaten namen er hun toevlucht. Dus was de sloop van dat monumentale ‘communistische’ hotel één van de eerste besluiten van overwinnaar Franco. Jammer, want het zou nog altijd een majestueze pleisterplaats zijn geweest.

“A la ville de… Barcelona”

Barcelona herdenkt een heuglijk feit, vandaag. Op 17 oktober 1986, precies 25 jaar geleden dus, kreeg de stad de Olympische Spelen toegewezen. In de stemming in Lausanne vielen Amsterdam en Birmingham kansloos af in de eerste twee rondes. In de derde ronde had Barcelona al de meerderheid (47 stemmen, tegen 23 Parijs, 10 Brisbane en 5 Belgrado) en kon IOC-voorzitter Juan Antonio Samaranch, Catalaan en inwoner van Barcelona, de magische woorden uitspreken: de Spelen van 1992 gaan naar ‘la ville de Barcelona’, woord dat hij met een sterk Catalaans accent uitsprak: Barsalona.

Er is al heel veel geschreven, ook door mij, over hoe de stad is veranderd dankzij die Spelen, van de verbeterde infrastructuur tot de massale toestroom van toeristen. Wat het uiteindelijk kostte? De directe investering was (omgerekend) 5 miljard euro, waarvan ruim éénvijfde deel naar de ronda’s ging, de ringweg van 35 kilometer die direct aan héél veel verkeersopstoppingen in de stad een einde maakte. Mensen die hier ná 1992 zijn komen wonen kunnen het zich nauwelijks voorstellen, maar vroeger deed ik er zo’n anderhalf uur over om van mijn flat in Hospitalet naar het labyrinth-park in Horta te rijden, over onder anderen een eeuwig verstopte Paseo de la Bonanova.

 

 

 

 

Vandaag hebben we in El Periódico enkele veelzeggende staatjes over de stad van toen en nu, cijfers die aantonen dat Barcelona vooral profijt heeft gehad van die Spelen, misschien meer dan welke andere stad dan ook in de moderne Olympische geschiedenis; maar ook hóe de stad veranderd is. Hier een paar op een rij, met éérst het getal uit 1986 en daarna van 2011 (of 2010, soms):

Inwoners: 1.703.744 / 1.619.337  (waarvan buitenlanders: 8.932 / 282.794)

Stadsgroen: 5,9 miljoen m2 / 10,8 miljoen m2; Sportinstallaties: 111 / 1.809

Hotels: 283 / 525; hotelbedden 25.078 / 61.776

Toeristen: 738.011 / 7.133.524; passagiers vliegveld: 6 miljoen / 30 miljoen

Passagiers haven: 380.658 / 1.184.165; passagiers treinen: 11,3 miljoen / 52,6 miljoen

Auto’s: 606.097 / 597.618; motoren 89.263 / 137.710

 

Bijna 100 jaar staand een heerlijk hapje eten

Was er een eeuwigheid niet geweest, en dat is altijd jammer. Quimet & Quimet ligt buiten de typische toeristische route’s, maar vanzelfsprekend hebben de buitenlanders de stokoude taveerne uit 1914 allang ontdekt, dichtbij de metro Paral·lel. Voor mij was het altijd een vaste pleisterplaats vóór een concert of spektakel ergens op de Montjuïc, waarvan de flanken aan het einde van dit straatje (Poeta Cabanyes) omhoog beginnen te gaan, of voor een theatervoorstelling aan die Paral·lel zelf.

Er is, natuurlijk, vrijwel niets veranderd. Is ook geen ruimte voor, met twee tafeltjes om aan te staan, een bar en een soort tweede, smalle bar aan de andere kant. Twintig, 25 man, hooguit, kunnen ze er kwijt, dus het kan wel eens dringen of wachten zijn. Maar dan heb je ook wat, van raciones (bordjes) van tapas tot de montaditos (heerlijke dingen op een minuscuul broodje, zoals de tonijn met zeeëgel) en de conservas (hapjes uit blik, en dat moet je lekker vinden; de chipirones vielen een beetje tegen). En dat alles overgoten met één van de honderden verschillende wijnen die je er kunt krijgen voor prijzen die soms zelfs ónder die van de supermarkten liggen; het zijn in ieder geval geen restaurantprijzen. Wij kozen op een warme middag – en het blíjft 28 graden en zonnig, deze week! – natuurlijk voor een albariño, met een mooie tekst over Galicië op de binnenkant van het etiket: Tierra de lluvia que gota a gota riega el cuerpo e inunda el alma (land van regen die druppel na druppel het lichaam besprenkelt en de ziel overstroomt).

Het is alweer de vierde generatie van Quimets (verkleinwoord voor het Catalaanse Joaquim) die de taveerne leidt. Sommigen zeggen dat de bar zijn oorspronkelijke karakter van wijk-taveerne heeft verloren, dat de locals zijn verdwenen, maar ik ken veel mensen uit Barcelona die er nog altijd komen. Zij zijn ook niet gek en laten zich niet door een paar toeristen wegjagen.

Net achter de Rambla

Het was één van de eerste Spaanse liedjes die ik voortdurend hoorde, vlak voor mijn komst naar Barcelona in 1988: La negra flor van Radio Futura, band die toen enorm in de mode was. Gaat over een wandeling van de hoofdpersoon met zijn ‘zwarte bloem’, een donker meisje, naar het einde van de Rambla. Zwarte bloemen zijn er nog altijd, op en rond de Rambla, maar de meesten zijn slachtoffers van de Nigeriaanse maffia die meisjes onder valse voorwendselen naar Europa lokt. In Barcelona vormen zij één van de grootste en meest opdringerige groepen prostituees. Kwam twee jaar geleden El País met de eerste niets verhullende foto’s over hoe de meisjes hun klanten midden op straat afwerken, vandaag is het de beurt aan mijn El Periódico.

Was toen de Boqueria-markt het strijdtoneel, nu hoefde onze fotograaf Ferran Nadeu maar één nacht te posten in het kokette Petritxol-straatje om talloze standjes en vluggertjes te kunnen fotograferen. Meestal zijn het toeristen die vanaf de Rambla worden meegelokt; soms worden ze nog beroofd ook, zeker als ze flink dronken zijn. Dat het juist in Petritxol is, is voor veel Barcelonezen schokkend, omdat het overdag zo’n veilig, gezellig straatje lijkt met talloze antiquairs en chocolade-zaakjes. Stille getuige op de afwerkplaats is bovendien een beeld van de stadsheilige Mercè.

In de krant vandaag redelijk gejuiste foto’s. In ons digitaal archief heb ik de niets verhullende plaatjes kunnen zien. Dat joch met die geruite blouse op de pagina bovenaan is wel heel erg herkenbaar. Zeker weten dat zijn moeder niet weet wat hij allemaal in Barcelona uitvoert.

Een zondag voor een stijve nek

Altijd goed voor files op de Ronda Litoral, waar de uitritten geblokkeerd zullen worden, en duizenden mensen die dringen in de metrostations. Festa del Cel, het feest van de hemel, is al 20 jaar een grote publiekstrekker in Barcelona, met 350.000 mensen die een stijve nek riskeren. Het klinkt heel lief, dat hemelfeest, maar het zijn toch vooral ‘oorlogsvliegtuigen’ die liefst zes uur lang, van 11 tot 17 uur, over de kustlijn van Barcelona scheren. Fietste er gisteren toevallig langs, en zag één van die stuntpatrouilles een repetitie uitvoeren, vermoedelijk de Spaanse patrouille Aguila, die morgen (zondag) 25 minuten lang voor het slotstuk zal zorgen. Gratis vermaak, dat wel, en talloze toeristen die zich verbaasden over de acrobatische vluchten boven het strand. (Over toeristen gesproken, ik hoor deze dagen in Barcelona alleen maar Duits praten – zeker vakantie daar.)

Voor de chauvinisten onder ons, er is ook een kleine Nederlandse inbreng: van 14.43 tot 14.55 zal een F-16, die volgens mij een enorme teringherrie maakt (ooit hadden we bij Cindy, een meisje van het gymnasium, historische feestjes thuis, en zij woonde tegenover de vliegbasis Soesterberg; we werden wakker van de straaljagers), een show verzorgen.