Categorie archief: intussen, in Spanje

Jazz bij de kasteelheer (2)

Heb er dit jaar al eens eerder over bericht, maar toen nog zonder kennis van zaken, of zonder praktijkervaring. Dus afgelopen vrijdag maar eens op bezoek geweest bij Albert Diks in zijn Castell d’Empordà, een uit ruïnes miraculeus herrezen kasteel in keramiekstad La Bisbal d’Empordà waar ook eindelijk de zwoele mei-avonden zijn aangebroken om in het halfduister in de tuin iets te drinken. Of om vooral die kleine deur door te gaan naar El Celler, de kelder waar elke vrijdagavond een optreden binnen het kader van het II Nederlandse Jazzfestival van de Costa Brava plaatsvindt.

Vrijdag was het de beurt aan Zuco 103, de band die op herhaling ging, want hier vorig jaar al was. Ook niet fout, voor zo’n band natuurlijk, om even uit Nederland over te komen en op zo’n bijzondere plek een intiem optreden te geven. Nou ja, intiem… Als je veel Nederlanders bij elkaar hebt dan wordt die intimiteit al gauw slachtoffer van een golf van steeds harder wordend geroezemoes. Terwijl de lokale bevolking naar het optreden kwam lúisteren, en zelfs een beetje swingen, zijn wij Nederlanders er heel goed in onrespectvol te blijven doorouwehoeren, zodat het spelen én horen van rustige nummers een martelgang wordt.

Ik wil de komende maand nog wel een keer op herhaling (ook al omdat op het jazz-menu uitstékend eten wordt geboden en een al even fantastische Merlot uit Argentinië…) en kan kiezen uit Eric Vaarzon Morel (4 juni), Ruben Hein (11 juni), Rob van de Wouw (18 juni) en het Benjamin Herman Quartet (25 juni), maar hoop dan van harte dat het publiek enig respect voor de muzikanten kan opbrengen.

Een spannende film

Er was een tijd dat ETA (hier in Spanje zeggen ze niet dé ETA) buiten de grenzen, dus ook in Nederland, nog sympathie opriep, ondanks de talloze aanslagen. Nog altijd zijn er kranten en persbureau’s die het ‘de Baskische afscheidingsbeweging’ noemen, een eufemisme voor terreurbeweging. In die tijd (1979) kon er ook een spectaculaire Italiaans-Spaanse film over één van de beruchtste aanslagen van ETA gemaakt worden. Operación Ogro gaat over de minutieuze voorbereiding en prfecte uitvoering van de aanslag op generaal Carrero Blanco, eind 1973. Hij was rechterhand en beoogde opvolger van Franco. De auto van de man – wat op het fragment boven is te zien is écht gebeurd – werd over een flatgebouw heengezwiept door een ontstellend zware lading explosieven die ónder het asfalt was verborgen. Carrero Blanco overleefde het, vanzelfsprekend, niet.

Dat heroïsche en romantische is er natuurlijk allang af; één ding is een fascistische dictatuur bestrijden, iets heel anders een democratisch land. Ik zou nu wel eens een film van de ‘andere kant’ willen zien, ook ongelooflijk spannend ongetwijfeld: over hoe de veiligheidsdiensten er de laatste jaren elke keer weer in slagen de ETA-kopstukken te lokaliseren en arresteren. Vandaag was de zoveelste ‘nummer één’ aan de beurt; hij had net twee maanden de leiding. De politie is vooral blij met de ontstellende hoeveelheid documenten die zijn aangetroffen, want de hele top-drie was aan het vergaderen, in het huis in Bayonne. De ETA-leden deden of er niemand woonde, slechts een niet-geregistreerd lid kwam af en toe buiten om boodschappen te doen.

ETA weet dat ze geïnfiltreerd is door agenten, maar juist daardoor zijn de voorzorgsmaatregelen én het wantrouwen van de terroristen steeds groter. Mooie film, nogmaals, over zo’n agent of spion die misschien al jaren een zogenaamd ETA-lid is…

De joodse erfenis van Girona

Vroeger reed ik er langs over de snelweg, in de auto of een Iberbus, of kwam er doorheen met de trein, en dacht ik altijd dat het een gore, bevuilde stad was omdat er een grijze deken van fabrieksrook boven leek te hangen. Hetzelfde idee had ik óók altijd van Lyon, totdat ik de stad zelf eens in moest, en toen bleek het een heerlijke Franse terrassenstad te zijn. Dat overkomt je ook met Girona, de stad waar ik het nu over heb: van dichtbij blijkt het alle vooroordelen te logenstraffen, al zijn dit niet de beste maanden om Girona te bezoeken; de aanleg van de hogesnelheidslijn voor de trein (AVE) werpen een stoffige, onneembare barrière op die tot flink wat opstoppingen leidt.

De onophoudelijke regen van maandag was trouwens ook geen uitnodiging om door de stad te gaan lopen. Vol met Nederlanders, trouwens, waarschijnlijk weggeregend aan de Costa Brava in het begin van hun mei-vakantie. Opvallend, trouwens, hoeveel Nederlanders nog de 1.500 km naar Spanje met de eigen auto rijden; de parkeergarage stond vol met gele kentekens.

Girona, samen met Vitoria de stad in Spanje met het beste leefklimaat (volgens enquêtes onder de inwoners)  is vooral El Call, de oude joodse wijk, de doolhof van smalle straatjes waar ook opvallend veel leuke restaurantjes zitten en waar wielrenner Lance Armstrong lange tijd een half paleisje bezat, om van daaruit te gaan trainen. El Call – de Catalaanse naam; in de rest van Spanje heette de wijk een judería of aljama – was het economische centrum van de stad. In tegenstelling tot in de rest van Europa waren hier de ghetto’s niet van de buitenwereld afgesloten, maar ontstond er een druk verkeer tussen joden en christenen.

Tot 1492, natuurlijk. De Reyes Católicos en hun meest fanatieke jodenvervolger, Torquemada, dwongen de joodse gemeenschappen óf zich tot het katholicisme te bekeren óf uit Spanje te vertrekken. Dat laatste deden de meesten, en zij staan sindsdien bekend als sefardís, de nakomelingen van de Spaanse joden. Gelukkig lieten de christenen veel van de aantrekkelijke joodse wijken (óók Barcelona heeft er één, een heel kleine, net achter de Plaça Sant Jaume, met een straat genaamd Call ook) bestaan en kunnen we er nog rondlopen, maar het liefst in de zon of op een zwoele avond.

25 euro voor 5 dagen werk

Op zoek naar werklozen. Dat is, helaas, niet moeilijk in Spanje. Vroeger ging je naar een arbeidsbureau, wachtte je mensen op die naar buiten kwamen lopen en vroeg je hen vriendelijk of je wat over hun situatie mocht weten. Nu ga je gewoon naar elk willekeurig dorp, Castelldefels in dit geval, en kijk je rond een uur of 12 ’s middags goed om je heen. Dan zie je een jong jochie met twee afgedekte vogelkooitjes lopen. Dat was een hobby die tot voor kort was voorbehouden aan gepensioneerde mannen die alle tijd hadden hun vogeltjes (bijna altijd jilgueros, ofwel putters of distelvinken) uit te laten en uren op een pleintje in dorp of stad met anderen te praten terwijl de vogels op een muurtje rond konden kijken, zonder trouwens de vogel naast hen te mogen zien.

Ja, zei Alex, hij was 18 jaar, werkloos en had helaas tijd genoeg. De meest getroffen groep, in de diepduikelende Spaanse economie, zijn deze schoolverlaters, vaak zonder diploma. Van jongens en meiden tussen de 16 en 24 die niet meer op school zitten zijn meer dan 40% werkloos. “Ga met me mee naar het plein, daar zitten werklozen genoeg,” zei de aardige jongen ook nog. En daar waren ze, aan de bar met een cognacje, op het terras met een spel kaarten of domino, op straat met een babbeltje: 4,6 miljoen werklozen zijn héél veel werklozen.

Terwijl heel Europa zich zorgen maakt over welk land na Griekenland als volgende instort en miljarden euro’s hulp gaat vragen, Portugal of Spanje, hebben deze mensen geen boodschap aan macro-economische spookbeelden. Hun dagelijkse leven is een trieststemmende aaneenschakeling van frustrerende ervaringen. Ergens een CV’tje afgeven is al ontmoedigend: óf er ligt al een enorme stapel A4-tjes in een bak te wachten tot iemand hen leest, óf het bedrijf doet de deur niet eens meer open en vraagt via de intercom het CV maar in de brievenbus te stoppen. Bijna nergens is er werk meer. Álex kon vijf dagen aan de slag op een kleine kermis, hij moest een attractie een beetje in de gaten houden, op de kinderen passen, van vier uur ’s middags tot na middernacht. Aan het einde kreeg hij 25 euro, voor die 5 dagen. “Ik voelde me gepakt, had toch wel minimaal 40 euro verwacht.”

De slachting van Puerto Hurraco

Soms komt het verleden ineens weer terug, onverwacht, uit het niets, jaren later. Zoals met het krantenbericht van afgelopen weekeinde: ‘Antonio Izquierdo, de laatste nog levende moordenaar van Puerto Hurraco, hangt zich op in zijn cel.’ Degenen die die zomer van 1990 al in Spanje woonden, zullen het nooit vergeten; voor hen en de ‘nieuwkomers’ heb ik uit mijn archief het verhaal opgedoken dat ik destijds voor de VNU-dagbladen schreef, eentje over la España negra,  ‘donker Spanje’, het geïsoleerde platteland dat bijna elke maand wel in het nieuws was door familievete’s, vreemde moorden, geheimzinigge rituelen… Puerto Hurraco, een klein dorpje in Extremadura, was het dieptepunt. Negen doden en acht gewonden kwamen op het conto van de broers Antonio en Emilio (op de foto, tijdens zijn arrestatie) Izquierdo. Zij werden elk tot 344 jaar cel veroordeeld. Hun zussen kwamen in een gekkenhuis terecht en stierven daar een natuurlijke dood. Emilio overleed in de gevangenis, in 2006, door een hartaanval. Nu volgde Antonio, vijf jaar voor hij vrij zou komen.

Hieronder het verhaal van toen.  

Tweehonderd mensen waren er die avond in augustus. Normaal wonen er minder, maar veel immigranten waren die vakantiemaand bij hun familie op bezoek. Het vier dagen durende dorpsfeest was net voorbij. Het was tien uur en de temperatuur in Puerto Hurraco liep nog altijd tegen de dertig graden. Iedereen zat buiten, voor de deur pratend met de buren. Of op het terrasje van de ene bar op het dorpsplein. Daar waren ook de kinderen aan het spelen op de paar schommels die er stonden. Dat plein en een lange straat, dat was het hele dorp.

Verder waren er nog wat doelloze steegjes en uit één ervan kwamen de broers Antonio en Emilio Izquierdo lopen. Twee landarbeiders van 58 en 59 jaar oud, met een wat primitieve oogopslag. Ze droegen ieder een repeteergeweer. Ze hadden een jachtvergunning. “We gaan jullie allemaal vermoorden,” was het enige dat ze riepen, volgende de ooggetuigen die het volgende half uur overleefden. Twee spelende zusjes van 13 en 14 jaar vielen als eersten dood neer.

Lees verder

Truman Capote in Palamós

Op een dag als vandaag, precies 50 jaar geleden, dus op 26 april 1960, arriveerde Truman Capote voor het eerst in Palamós. Met het schip Flandre was hij uit Washington naar Le Havre gevaren en een autoreis van vijf dagen brachten hem en zijn vriend Jack Dunphy, een siamese kat, een blinde poedel, een oude bulldog en 25 koffers in het vissersplaatsje aan de Costa Brava. Vandaag werd die ‘historische dag’ in Palamós herdacht, al was er in 1960 niemand, maar dan ook helemaal niemand die enige aandacht schonk aan de beroemde Amerikaanse schrijver, ook al omdat Breakfast at Tiffany’s in Spanje nog niet was verschenen en zijn wereldfaam juist ná zijn verblijf aan de Costa Brava gevestigd zou worden.

Want Capote had in zijn bagage ook 8.000 volgeschreven vellen papier bij zich. Notities die hij had gemaakt bij zijn bezoek, in 1959, aan het dorpje Holcomb, in Kansas. De schrijver was geïntrigeerd door een bericht van 335 woorden in The New York Times over de moord op boer Herbert Clutter, zijn vrouw en hun twee kinderen. Gedurende weken deed Capote research, sprak hij met alle betrokkenen en ook met de twee verdachten, die uiteindelijk de moordenaars bleken te zijn en jaren later werden geëxecuteerd.

Truman Capote wist dat hij ‘goud’ in handen had, dat dit het materiaal was voor wat zijn beste boek moest worden. Maar hij had rust nodig om het allemaal te kunnen ordenen en opschrijven, en hij moest verdwijnen uit de wereld van drank, drugs en sex van Manhattan. Een bevriende journalist uit Washington, die een huis in Sant Antoni de Calonge bezat, raadde hem aan naar Palamós te gaan.

En daar verbleef Capote, bijna anoniem, drie hele lange zomers lang, van april tot oktober, om voor een groot deel het boek te schrijven dat algemeen als zijn meesterwerk wordt beschouwd, In cold blood, dat in 1965 werd gepubliceerd en wordt gezien als de eerste grote non-fictie roman uit de geschiedenis.

Elk jaar koos Capote een ander huis uit om in te verblijven. De Catalaanse journalist Márius Carol heeft de weinige gegevens uit die tijd gebruikt om het verblijf van Capote aan de Costa Brava te novelleren in L’home dels pijames de seda (De man met de zijden pyama’s), vooral omdat het hem opviel dat in de biografieën van de in 1984 gestorven schrijver bijna nauwelijks enige aandacht aan de Mediterraanse rust en inspiratie van Capote is besteed.

De gemeente Palamós, op zijn beurt, opende vandaag de expositie La ruta Capote, een eerbetoon aan de Costa Brava van de jaren zestig, toen talloze filmsterren, schrijvers, intellectuelen, kunstenaars en andere beroemdheden door de magie van de Woeste Kust werden aangetrokken.

De dikke Tarzan en de kleine Jane

Het is één van die plekken waar je door trotse Catalaanse vrienden of familie naar toe wordt gevoerd als je de rest van de grote trekpleisters in en rond Barcelona al hebt gezien: tijd voor Catalunya en Miniatura in Torrelles de Llobregat, op 15 minuten van Barcelona. Voor mij moet dat iets van 25 jaar geleden zijn geweest en ik probeerde mijn teleurstelling toen maar voor die vrienden en/of familie verborgen te houden: in vergelijking met ons Madurodam was dit parkje maar een slap aftreksel, met vaak slechtgemaakte miniaturen van Cataloniës bekendste gebouwen.

Vanochtend zijn we er weer eens teruggeweest, een grote groep ouders van een Barcelonese school met zes- tot achtjarige kinderen. Het bezoeken van het Catalaanse Madurodam – sterk verbeterd in die tijd – bleek op het einde van het programma te staan, ná het onvermijdelijke eten, want het hoogtepunt van de dag was de ochtend. Miniatuurgebouwtjes alleen blijken allang niet voldoende meer om toeristen te trekken, dus heeft dit park een Bosc Animat toegevoegd; het één heeft totaal niet met het ander te maken, maar allez

Vooral een ijzersterke oefening om je hoogtevrees te overwinnen (ja, écht, ík ben het die hier met Joanna boven op een miniscuul vlonder staat), want draden, kabels en slingerende trappen brengen je steeds hoger de pijnbomen in, met ook nog eens de grote verantwoordelijkheid het kleine kind dat zowel vóór je zit als achter je aan komt voortdurend goed in de veilige klimbeugels te hangen. Je wilt toch niet dat een schoolvriendje dat jouw kind niet is door jouw toedoen die 10 meter hoog uit de boom valt. (Nee, natuurlijk, ook je eigen kind moet er niet uit donderen natuurlijk.

Er waren mensen die halverwege door hulpzame assistenten van een hoog platform moesten worden gehesen omdat ze het toch niet meer zagen zitten, iets wat de papa’s en mama’s voor de ogen van hun kinderen natuurlijk nooit zullen doen… Goed ook om je even weer jonger te voelen dan je eigenlijk bent. Ook hingen de bomen vol met tieners en twintigers trouwens, in groepjes erop uit, met zijn allen in de zwaarste van de drie parkoersen door de takken.

En als de geteisterde longen, de geschaafde armen en het door de hitte bevangen hoofd van de inspanning zijn bijgekomen en het koude biertje met meer genot dan ooit de slokdarm heeft verkoeld, kan zélfs nog dat miniatuur-Catalonië zonder enig risico worden bezocht.

Barbecue in plaats van meubelboulevard

Eentje over tradities, waar ik niet zo goed in ben. Bovendien – en dat bewijst weer eens dat Spanje niet één land is, maar gewoon verschillende volken op hetzelfde schiereiland – kan iets hier in Catalonië traditie zijn en in de rest van Spanje niet. Paasmaandag, bijvoorbeeld. Rond Madrid staan op dit moment, zondagavond, enorme file’s van mensen die terugkeren na een lang weekeinde dat daar al op Witte Donderdag begon; morgen moet er weer gewerkt worden. Maar in Catalonië, Aragón en Valencia, die pas op Goede Vrijdag vrijaf namen, is Paasmaandag gewoon nog een vrije dag. De dag van de mona.

Ook wij hebben er vandaag alvast één gekocht, maar hij is voor morgen bedoeld. (Alle banketbakkers maken weer heerlijk gebruik van de traditie: de monas zijn peperduur; er staan er zelfs van meer dan 250 euro te koop…) De mona is een taart, meestal van chocola, met allerlei figuurtjes erop, en vaak ook de eieren die in Nederland zo typisch zijn, deze dagen. Je hebt hele kunstwerken, afbeeldingen van huizen, auto’s, mensen of tekenfilmhelden, zoals deze, gemaakt door de Barcelonese bakker-kunstenaar Escribá.

De traditie wil dat de peetvader de mona kado doet aan zijn peetdochter of -zoon, die op zijn beurt de paastak van domingo de ramos aan zijn peetvader geeft. Met die mona komt op maandag de hele familie bijeen; de taart is het toetje van een uitgebreide maaltijd met veel wijn. Liefst in de buitenlucht. De mona, afkomstig van een Arabisch woord dat ‘mondproviand’  betekent, staat voor de afsluiting van de cuaresma, de Vastentijd.

Dus gaan wij deze maandag aan de calçots en daarna, op dezelfde barbecue, de lamskoteletjes. Een paar flessen stevige rode wijn en het zal een luie, lome middag worden, in ieder geval stukken aangenamer dan in de file op een meubelboulevard lopen…

De moskee die geen moskee mag zijn

Ik weet dat er in Rotterdam twee grote jongens met minaretten zijn neergezet (hoewel de ene, op Zuid, na jarenlange vertragingen nog altijd niet af is, geloof ik), maar de allermooiste moskee in Europa, de grootste ook buiten de Arabische wereld, zal altijd die van Córdoba blijven. Sterker nog, het is met 23.000 m2 de vierde moskee ter wereld, na die in Mekka, Istanboel en Casablanca… Van buiten redelijk onopvallend – geen minaretten meer – is de schoonheid binnen overweldigend, met zijn 1300 pilaren en 365 roodwitte bogen.

Zes Oostenrijkse moslims  deden gisteren wat redelijk normaal lijkt als je zo’n schat van een moskee bezoekt. Ze deden hun schoenen uit, zoals een katholiek een kruisje slaat als hij een kathedraal bezoekt. Daarna wilden de zes ergens bidden, waarschijnlijk voor de mihrab, de heilige poort die in dit geval niet naar Mekka maar naar het zuiden wijst. Toen kwamen de bewakers in actie, die ook nog eens de politie waarschuwden. Bidden volgens het islamitische geloof, dat is in de moskee van Córdoba absoluut verboden. Twee moslims verzetten zich zo tegen het verbod, dat zij vanochtend nog altijd in de politiecel zaten.

Altijd hetzelfde probleem met die religies, ze kunnen elkaar niet uitstaan. Toen de moskee van Córdoba in de achtste eeuw werd gebouwd op de plaats waar daarvoor een kerk stond, nadat de moslims Zuid-Spanje hadden veroverd, werd enkele jaren geprobeerd gesloopt om moslims en christenen gezamenlijk op die heilige plaats te laten bidden, maar dat ging al snel fout. En toen de moslims zes eeuwen later weer uit Al-Andalus werden verdreven, werd de moskee weer omgedoopt tot kathedraal. Voor het meest absurde besluit moest echter nog twee eeuwen gewacht worden: toen werd besloten middenin de moskee een kathedraal in een totaal andere stijl, die uit de renaissance, te planten. We mogen nog blij zijn dat de christenen toen niet de hele moskee hebben gesloopt, maar het resultaat van die combinatie blijft absurd: de enorme reeks pilaren wordt in het centrum onderbroken door een traditionele katholieke kerk met zijn banken en altaar. Een adelaar van brons lijkt over de toegang te waken.

Het mooiste, zo pleit de Islamische Raad van Córdoba al jaren, zou zijn als er in de mezquita  onbelemmerd de twee religies beleefd zouden mogen worden. Een raad die gisteren met wijze woorden kwam: noch de bewakers zouden zo lomp moeten optreden tegen onwetende gelovigen, noch de moslims hadden zich zo hardhandig tegen het verbod moeten verzetten.

Eén advies: bezoek de moskee als een agnostische toerist; een genot. (Trouwens, toen wij er waren was het buiten 44º en binnen heerlijk koel…)

UPDATE: Zo onwetend waren die moslims niet. Lees net het rapport van de rechter, en het bleek om een gecoördineerde actie van bijna 120 Oostenrijkse moslims te gaan om massaal te bidden in de mezquita terwijl er een katholieke Paasmis bezig was. De bewaker die hen sommeerde daarmee te stoppen werd met een 10 cm lang mes bedreigd… De twee arrestanten zijn trouwens weer op vrije voeten, van de messentrekker is het paspoort ingetrokken.

Sporten in Reus, zuipen en neuken in Salou

OK, de kop is nogal plat, ordinair, maar zo ziet Salou er deze dagen ook een beetje uit… Het Saloufest is aan de gang, een gigantisch feest van studenten van 150 Britse universiteiten die massaal (4.500 deze week, nog eens 4.000 volgende week) naar het badplaatsje aan de Costa Dorada komen voor hun jaarlijkse uitje: overdag sporten ze (althans, zij die er nog toe in staat zijn; veel gebruiken de sportzaal om de roes uit te slapen) op complexen in het naburige stadje Reus, maar ’s avonds en ’s nachts wordt het pas écht leuk voor ze, in Salou.

Allemaal zijn ze dronken, heel erg dronken. De remmen gaan los, Sodom en Gomorra treffen elkaar op het strand, in uitgewoonde appartementen, op de WC van de disco of op een gore parkeerplaats. De plaatselijke ondernemers zijn dolblij, de inkomsten kunnen zij goed gebruiken, ook al bieden ze drie flesjes Stella voor 5 euro aan, maar de gemeente doet deze dagen zijn uiterste best de imagoschade beperkt te houden. Want Salou is ook een badplaats voor gezinnen, niet alleen voor de dronken jeugd, zo is de boodschap. Een beetje vreemd ook – en daarin heeft de gemeente gelijk – dat het Saloufest dit jaar ineens  in het nieuws komt, terwijl het al jarenlang wordt gehouden. Jaloezie vanuit Calella, zeggen ze bij de gemeente, want dat dorp is dit jaar een deel van het evenement kwijtgeraakt.

Incidenten zijn er niet geweest, benadrukt het gemeentebestuur ook. Klagende inwoners? Ja, het was drukker op straat, en een grote kans dat je om vijf uur ’s morgens lallende jongeren hoort, net nu het mooier weer is geworden en je ’s nachts de ramen van de slaapkamer weer openlaat… Het probleem is, denkt iedereen, de manier waarop deze reis in Engeland wordt gepromoot: voor 250 euro vijf dagen zuipen, strand, seks en sport. Welke hardstuderende student wil nu even niet zo ontsnappen?