
Een plein in Cornellà, één van de vele voorstadjes van Barcelona. Nou ja, stadjes: l’Hospitalet heeft meer dan 200.000 inwoners, net zoveel als Utrecht, en Badalona zit boven de 150.000. En in l’Hospitalet, en Badalona, en Cornellà, en veel van die andere steden en wijken vol Andalusische immigranten, in de jaren zestig naar de grote stad in het noorden getrokken, kom je ze tegen: de mannen, meestal gepensioneerd, met hun vogelkooien. Bedekt tijdens de wandeling van en naar huis, opdat de beestjes niet schrikken van het verkeersgeweld onderweg, en zichtbaar voor het publiek tijdens de urenlange zit ergens op een plein in de stad. In l’Hospitalet is er een plein dat zelfs zo heet, de Plaza de los Pajaritos, van de vogeltjes die er elke dag in hun kooien staan tentoongesteld.
Meestal zijn het kanaries, in alle kleuren, en af en toe jilgueros, wat volgens het woordenboek een puttertje of distelvink is. Zingt mooier, langer en beter dan de kanariepiet. De mannen scheppen er genoegen uit, zo’n halve ochtend of middag op straat zitten en hun vogeltjes uitlaten. Kan me herinneren dat m’n oma er vroeger één had, in de kooi thuis in het Utrechtse Tuinwijk. Zal wel Pietje geheten hebben. Of Kees, naar één van haar zonen, want als die het huis uit zijn kun je nog altijd hun naam dagelijks roepen, tegen een kanarie. Maar die zat dus altijd binnen, op dezelfde plaats. Weet niet waar de gewoonte vandaan komt, maar deze mannen laten hun vogeltjes, elke dag weer, een klein beetje van de wereld zien. Hun wereld.
UPdate: kanarie veroorzaakt verkeersongeluk. Tja, ook toeval.

Het begon allemaal in 1945, toen tijdens de dorpsfeesten enkele groepjes elkaar spontaan met tomaten en andere zaken begonnen te bekogelen. Ze hadden ruzie gekregen en grepen naar al het fruit uit een fruitstalletje dat even verderop stond. Het jaar erop wilden ze de ‘oorlog’ herhalen en namen de jongeren de tomaten zelf van huis mee. Zo ging dat jaren door, af en toe waren er protesten van de bewoners, maar in 1956 werd de tomatenoorlog officieel onderdeel van de dorpsfeesten en sinds 1970 is het de gemeente die voor de rode munitie zorgt.
´
Moest aan Mohammed denken nu gisteren weer de maand van de ramadan is begonnen. Een extra zware maand. De ramadan loopt niet gelijk met onze jaarkalender en elk jaar schuift de vastenmaand zo’n vier weken naar voren. Dat maakt deze ramadan extra moeilijk voor de moslims (en die van volgend jaar nog veel zwaarder): de zon is vroeg op en weer laat onder. Op de klok in een slagerij in de Raval (dé moslimwijk) in Barcelona (hierboven) staat bij Faj (al-Fajr, de dageraad) hoe laat het vasten begint en bij Mag (al-Maghreb, de zonsondergang) wanneer er weer gegeten mag worden. Zestieneeneenhalf uur zonder eten en drinken, en dat bij een temperatuur van nog steeds boven de 30 graden en veel Marokkanen en Pakistaniërs die hier in de bouw werken…
Was vandaag op twee van die parkeerplaatsen. Word je niet vrolijk van, ook al omdat het weer eens boven de 35 graden was. En op één van de twee was geen enkele schaduw. De Pont del Diable heet die, de Duivelsbrug, een Romeins aquaduct in de buurt van Tarragona. Inderdaad, een hel, die parkeerplaats. Niemand stopte er. Van de auto’s die er kwamen, dachten de bestuurders dat het de afrit naar Tarragona was; ze reden na het ontdekken van hun vergissing direct door, zagen het historische aquaduct niet eens.

geweest en slechts vier dagen onder de 30. De laatste dagen is het voor Spaanse begrippen een echte hittegolf: 34,4º, 33,4º, 32,3º, 35,8º en, vandaag, 35,9º. Ik ga niet stoer doen: dat is écht heet, de laatste twee dagen. Vooral als je in Barcelona zelf woont en daar de temperatuur ’s nachts ook maar niet wil dalen. Vannacht werd het niet koeler dan 25,7 graden in de stad, dus waren er heel veel mensen die niet konden slapen, want lang niet iedereen heeft airco. Behalve tropische dagen dus ook tropische nachten.

Barcelona schijnt er, qua regelgeving, niets aan te kunnen doen. In principe is zelfs het volldige blootlopen door de stad geoorloofd en er is één oudere man die er elke dag met genoegen van gebruik maakt, van die toestemming. In Sitges hebben ze wel de gemeentwet aangepast. Er hangen ook affiches om de toeristen erop te attenderen: buiten het strand, t-shirt aan. Degene die halfbloot door het dorp loopt wordt er door agenten op gewezen toch maar iets iets aan te trekken. Degene die dan alsnog weigert, kan een boete van 350 euro tegemoet zien. Is misschien, en helaas, de enige manier om een heel klein beetje beschaving bij te brengen.
Dat bestaat nog steeds (dat depot, niet het fonteintje) en achter één van de aangrenzende huizenblokken staat ook nog een heuse watertoren.

Om te beginnen vond hij het een vreselijke naam. Copito de Nieve, of Floquet de Neu op z’n Catalaans. Sneeuwvlokje. Een vlokje dat later overigens een enorme vlok van 200 kilo zou worden. Het aapje heette Nfumu Ngui, zei Jordi Sabater Pi tegen de gemeenteambtenaren van de dierentuin van Barcelona, ‘witte gorilla’ in de lokale taal van Ikunde, ergens in het oerwoud van Ecuatoriaal Guinea. Maar het beest werd Sneeuwvlokje, voor altijd, tot de aap in 2003 op ongeveer 40-jarige leeftijd overleed.




Grappig is dat ze elkaar eigenlijk al sinds 1994 kennen, toen ze beiden debuteerden in de veelgeprezen film Jamon jamon van Bigas Luna, met een Bardem die met een stevige ham begint te slaan als één van de beroemdste scènes. De andere is die van intense liefde tussen de twee onder één van die grote Osborne-stieren die nog altijd langs sommige wegen staan. Bij de première (foto hieronder) waren beiden aanwezig en in het kleine Spaanse filmwereldje kwamen ze elkaar natuurlijk regelmatig tegen. Uiteindelijk deelden ze niet alleen hun politieke idealen (Bardem is nóg iets linkser dan Pé, hij komt uit een beroemde artiestenfamilie die onder Franco te lijden had, zij uit een Madrileens arbeidersgezin, pa verkocht auto’s, moeder was kapster) maar ook hun liefde.