
Niemand leest dit meer, natuurlijk, want iedereen is na een hectische, hysterische week Dirk Scheringa volledig zat, maar ik voelde me toch verplicht mijn bijdrage te leveren, mede op verzoek van het AD. Bij Pauw&Witteman zei de volksbankier dat-ie alleen z’n huis in Spanje nog kon verkopen om zelf wat geld over te houden. Vanaf dat moment begon mijn zoektocht, via internet, met het alarmerende resultaat dat (bijna) alles te vinden is, en dus openbaar. Big brother is watching you, en die Orwelliaanse voorspelling is van 1948…
Een korte cursus googlen: eerst gezocht naar pagina’s in het Spaans over “Dirk Scheringa” (altijd met aanhalingstekens werken, doen te weinig mensen) en er kwamen allemaal Spaanse krantenberichten over de roof in zijn museum van een schilderij van Dalí.
Maar middenin die chaos lichtte een document van de gemeente El Campello op: Dirk Scheringa (en daar zijn er niet veel van, het is geen Jan de Vries) had een huis in de urbanización Cova del Llop Marí in El Campello bij Alicante.
Eerst, via de Spaanse telefoongids, de mensen gebeld die er volgens het kadaster-nummer naast wonen (zo’n dubbele achternaam vergemakkelijkt het zoeken van het juiste nummer). Inderdaad, het huis naast hen was nog steeds van ‘die Nederlander’ die zij niet kenden.
Dus verder zoeken via het nummer van het kadaster, dat niet helemaal compleet in dit document uit 2002 staat. Er komen allemaal cijfers en letters achter die betrekking hebben op El Campello en de wijk. De volledige combinatie is uiteindelijk met enige logica eenvoudig te vinden en die tik je vervolgens in op de website van het Spaanse kadaster.
Haleluja, in beeld verschijnen de exacte plaats én de gegevens van het betreffende huis: 289 vierkante meter, gebouwd op een terrein van 845 m2. Begane grond en één verdieping. Géén zwembad, dat ligt een paar huizen verderop, ogenschijnlijk voor alle bewoners uit de wijk. Slechts de waarde staat niet aangegeven (die zou, volgens het kadaster, toch niet meer actueel zijn); nu zou dat huis zo’n 750.000 euro kunnen opbrengen.

Zelfs zo’n ouderwets kadaster is zó modern geworden, dat het je tegelijk de mogelijk biedt om de betreffende woning per google maps of google earth te lokaliseren.

Dát is dus uiteindelijk het vrij anonieme Spaanse huis van Dirk Scheringa, binnen een half uur vanuit Nederland of waar dan ook op te sporen.
Als je maar de goede methode’s gebruikt, want een fout zit in een klein hoekje. Surfend op internet kwam ik de website van de slimme krijtstreepgoeroe en goedgebekte Jort Kelder tegen en die had Scheringa in Spanje via een telefoongids opgezocht; de straat was goed, het huisnummer klopte alleen niet, dus gaf nine to five gisteren een woning in El Campello aan die schuin tegenover het werkelijke huis van de DSB-verschoppeling ligt. Nét niet goed. Moet je mee oppassen, dus. Pas dingen publiceren als ze 100% zeker zijn, maar in het internet-tijdperk gebeurt dat steeds minder.
Afijn. De trouwe én nieuwe lezers van Het Barcelona-gevoel weten nu waar Dirk Scheringa tijdens zijn Spaanse vakanties huisde. Interessant? Ik betwijfel het. Maar het blijft een leuk bericht, toch?

Eind juli werd de zaak openbaar, viel de politie de kantoren van het Palau binnen. Papieren die de agenten toen niet vonden, werden een dag later door een employée stiekem opgehaald, zo lieten veiligheidscamera’s zien. Vandaag, bijna drie maanden later, moest het duo eindelijk voor de rechter verschijnen. Heel Catalonië wil hen de cel in hebben, de verontwaardiging over dit soort luxe-boeven is groot, maar omdat er weinig vluchtgevaar zou bestaan, mogen ze op vrije voeten blijven. Bovendien, meneer Millet is over de zeventig; in een cel stoppen, dat doe je een oude man niet meer aan, zegt justitie. De Catalaanse Madoff wordt-ie al genoemd. Maar díe zit wél in het gevang; al gaat de vergelijking een beetje mank. Madoff ruïneerde talloze mensen, Millet niet. Maar hij heeft wel z’n halve leven gejat en komt er waarschijnlijk met een lichte straf mee weg.

Het verhindert me niet naar optredens in het Palau te gaan. Sterker nog, ik verheug me nú al op mijn volgende bezoek. Net de kaartjes gekocht; nog genoeg plaats, weer bijna vooraan, bij Jimmy Cobb. Wie? Cobb is drummer en de enige ‘overlevende’ van een historisch sextet, de mannen die precies 50 jaar geleden met Miles Davis één van de beste, meest invloedrijke én vernieuwende platen uit de muziekgeschiedenis opnamen. En als eerbetoon en herinnering aan mooie tijden doet Cobb het nog een keertje over. Tuurlijk, geen Miles Davis op de trompet, maar Wallace Roney schijnt er ook wat van te kunnen en voor weinig geoefende oren als de mijne zal ook deze versie ongetwijfeld betoverend klinken. Op Kind of Blue trouwens een nummer met een opvallende naam, en daarmee de band met Spanje: Flamenco Sketches. Davis was nooit in Spanje geweest, maar had een flamenco-LP bij een vriend thuis gehoord en raakte er door geïnspireerd.
Ben je een (redelijk) onbekende schrijver, dan heeft het eigenlijk geen zin een manuscript in te zenden. De winnaars zijn, zeker de laatste jaren, óf grote mensen uit de Spaanse literatuur óf in de media zeer aanwezige personen geweest; sommige TV-presentatoren wonnen zo met hun romandebuut de Planeta. Van de recente winnaars (Fernando Savater – op de foto boven -, Juan José Millas, Maria de la Pau Janer en Lucia Etxebarria) zijn andere boeken in het Nederlands vertaald, maar slechts van de winnaar van 2006, Alvaro Pombo, is ook het prijswinnende boek, Het fortuin van Matilda Turpin, in het Nederlands te krijgen. Heb ’t niet gelezen, dus kan ’t ook niet aanbevelen.
Uitgaande van de traditionele vier hoeken zit er op één hoek een barretje of klein restaurant, op een tweede hoek een apotheek en op de twee resterende hoeken bankfilialen. Geen Europeaan die zoveel tijd als de Spanjaard doorpbrengt in de bar, de apotheek en de bank, hoewel de volgorde meestal bank, bar, apotheek zal zijn. In de Gouden Gids van Barcelona is een paginalange wandeling nodig om een schatting van het aantal banken, barretjes en apotheken te maken. De officiële cijfers van de overkoepelende verenigingen spreken van1.200 apotheken, ruim 4.900 kantoren van banken en spaarbanken en zo’n 11.000 bars en restaurants, net zoveel als er taxi’s zijn. Dat op de kruispunten toch meer banken dan bars zitten, heeft alles met prestige te maken. Een bareigenaar neemt vaker genoegen met een bescheiden en goedkopere gevel op een recht stuk straat, iets waartoe bijna geen bankdirecteur zich zal verlagen, want hij wil zichtbaar zijn vanuit allebei de straten die op het kruispunt samenkomen. 
De Spaanse bar is een mannenwereld. Het is het favoriete ontmoetingspunt, zeker daar waar de werkloosheid en het aantal gepensioneerden hoog ligt. Een caña, een klein tapbiertje, kost er niet meer dan een euro, dus de uitkering – mocht die er zijn – lijdt er niet te veel onder. Vaak wordt ‘s avonds al, te vroeg, het avondeten in de bar genuttigd, zijn de biertjes overgegaan in drankjes met gin en whisky, waarop de volgende ochtend voor een aspierientje of paracetamolletje de oversteek naar de volgende hoek moet worden gemaakt, de apotheek, die in Spanje meer een kruising is tussen een Nederlandse apotheek en drogisterij, want je kunt er ook zonder recept van alles krijgen, zelfs een beetje doping. Niet voor niets is de Spanjaard de grootste medicijnenslikker van Europa, wat dus ook nog een reden zou kunnen zijn voor die langere levensverwachting: de dozen met pilletjes die de dood een beetje uitstellen.
Er zijn mensen die zeggen dat ze niet zonder de seizoenen zouden kunnen, dat ze het nodig hebben, het gure herfstweer dat over vlakke akkers raast, zo mooi bezongen door Jacques Brel.

Barcelona zit vol met Nederlanders. Gisteren was hún dag, al kon je niet overal tegelijk zijn. De
En bijna aan de overkant, in het majestueuze maar door corruptie geplaagde (dat verhaal zal ik nog wel eens vertellen) Palau de la Música, opende het Rotterdams Philharmonisch Orkest officieel het seizoen. Het was de reden dat de burgemeester na zijn lange toespraak niet met de leden van de Kring kon naborrelen: de volledige Catalaanse burgerij wachtte om het Palau een hart onder de riem te steken; dirigent Yannick Nézet-Séguin deed dat, onder anderen, met een mooie Negende van Mahler.
Zeven goden (en/of planeten) staan er in het mozaïek, en in het Spaans zijn die dagen soms iets eenvoudiger te herkennen in hun namen dan in het Nederlands, dat zich bovendien af en toe op de Germaanse taal richt.
Geen pretje voor de mensen die dachten de augustusdrukte te ontvluchten en in de doorgaans prettige maand september de stranden van 

Het valt in ieder geval uit de toon bij de omringende huizen, allemaal gebouwd in de Cubaanse of Caribische stijl die de vroegere Catalaanse emigranten, de americanos of indianos, mee terug naar Catalonië namen. Eén van de beste voorbeelden is de Casa Josep Freixa, gebouwd tussen 1919 en 1923, en als je goed kijkt lijkt het bovengenoemde huis er wel een beetje een slechte kopie van.
Aan de overkant van de straat, en van dezelfde architect (Josep Maria Martino Arroyo), het al jaren leegstaande huis van, zeg maar, mijn achterburen, het Casa Casimiro Barnils, ook van rond 1919, maar wel veel strakker gebouwd. Het staat nog steeds te koop, voor zo’n 10 miljoen euro, al lijkt de
Het meest opvallende uit dit rijtje, en eentje die uit de toon lijkt te vallen, is El Barco (De Boot), een enorm wit en strak huis, een beetje Le Corbusier-achtig. De oorspronkelijke versie dateert al van 1934, bedacht door Francesc Mitjans (architect van het Camp Nou), die zijn tijd net zo ver vooruit leek als Gerrit Rietveld in Utrecht. Er bestaat nog een enkel fotootje
uit de jaren zestig (hiernaast) van hoe het huis oorspronkelijk was. De nieuwe eigenaar liet het in 1997 slopen en begon al met het bouwen van een nieuw pand toen hij van de gemeente te horen kreeg dat hij een monumentaal en beschermd huis tegen de vlakte had gegooid. Hij werd verplicht er een huis neer te zette dat exact gelijk was aan dat uit 1934. Maar die sloop zal niet in één dag zijn gebeurd, dus vraag je je af waarom de gemeente niet eerder reageerde.