Categorie archief: intussen, in Spanje

Zijn we Spanje-moe?

Vond iedereen  in Nederland in januari de sneeuw voor de deur zo leuk dat niemand meer op reis wilde? Las iedereen de weerberichten uit Spanje – overstromingen op de Canarische Eilanden en in Zuid-Spanje, kou en sneeuw in het noorden en midden, drie van de vijf dagen motregen in Barcelona – en besloot dat het niet het moment was hier naartoe te komen? Moet ik deze weblog maar sluiten omdat we de belangstelling voor Barcelona, Catalonië en Spanje snel aan het verliezen zijn?

Het  Spaanse ministerie van Industrie maakte vandaag de maandelijkse cijfers van toestroom van toeristen bekend en was blij omdat dat aantal na 18 maanden van voortdurende dalingen voor het eerst weer een lichte lijn omhoog liet zien, al was het maar 1,1%. Vooral de Italianen (+19%), Belgen (+6%) en Fransen (+5%), kwamen in grotere getallen, maar naast Britten en Duitsers lieten de Nederlanders het opnieuw totaal afweten: we kwamen met z’n 83.881-en naar Spanje (het cijfer lijkt heel nauwkeurig, maar blijft een schatting, natuurlijk) en dat waren er 18% minder dan in januari vorig jaar.

Daarmee zetten we de negatieve tendens van het hele vorige jaar door. In de totaalcijfers over 2009 kwamen 2.094.634 Nederlanders naar Spanje, een daling van 15,5% ten opzichte van 2008. Crisis? Spanje-moe? Een beetje van allebei, denk ik. Nou zullen ze hier van de wegblijvende Nederlanders niet écht wakker liggen (behalve die campings die een ANWB-vakantieoord lijken waar palingpop uit de luidsprekers schalt en waar niet-Nederlanders zich niet eens meer welkom voelen); veel meer pijn doen de 15,5% aan Britten die wegbleven (al kwamen er nog altijd 13,3 miljoen) en de 11% Duitsers (in totaal zochten er 8,9 miljoen Spanje op). Dát zijn enorme aantallen. Uiteindelijk leverde Nederland maar 4% van het totaal aantal toeristen in Spanje. Dat we soms met veel meer lijken aan de costa’s komt omdat we op dezelfde plaatsen hokken en heel veel lawaai kunnen maken.

Update: overal gaat het minder, maar Spanje had nog wel de meeste hotelovernachtingen van heel Europa.

Het bordeel van Europa

Curieus fenomeen, vertelden me deze week, ergens rond 3 uur ’s nachts (ja, de verslaggeving vergt vaak vreemde offers), de twee portiers van de hoerentent Estel in de buurt van El Vendrell: begin van de maand was traditioneel de drukste periode, konden de noeste arbeiders en discrete kantoormensen hun net geïncasseerde loon alweer aan een half uurtje sex à 60 tot 120 euro uitgeven. Tegenwoordig is er minder volk – de crisis – én hebben de drukke dagen zich naar halverwege de maand verplaatst: tussen elke 10e en 15e van de maand komt in Spanje de WW-uitkering binnen. Werkloze wippies dus.

Estel is één van het dozijn ‘megabordelen’ (moeilijk Spaans woord: macroprostíbulos) dat Catalonië rijk is. (Omdat ik al vermoed welke commentaren ik kan verwachten: néé, ik ben níet binnen geweest.) Vakantiegangers in Salou zullen vast de Privee op de weg naar Reus wel eens hebben gezien (ja, mevrouw, manlief was die avond toch wel lang op zoek naar een sigarettenautomaat), en aan de Costa Brava schijnt de Eclipse bij Palamós een ongelooflijk succes te zijn. Maar de grootste concentratie van dit soort vroegere hotels die tot immense disco-bordelen met tientallen, soms meer dan 100 meiden en vrouwen uit vooral Oost-Europa zijn omgebouwd is aan de N-2 vlakbij de Franse grens. Véél vrachtwagenchauffeurs en veel Fransen – in hun land is de prostitutie verboden – behoren tot de cliëntele. Het dreef enkele priesters uit de omgeving zover tot wanhoop dat zij klaagden dat deze streek ‘het bordeel van Europa’ is geworden.

Nu wil een ondernemer er in La Jonquera nóg één bijbouwen, met meer dan 100 kamers als afwerkplekken. De gemeente wilde niet, maar moet het van de rechter toch toestaan. Sommige gemeentes zijn wél blij met dit soort megahoerententen; de jeugd van de plaatselijke voetbalclub van Bellvei wordt door Estel gesponsord omdat de kleinzoon van de eigenaar er ook speelt. Bovendien, zeggen de burgemeesters, hebben ze de prostituées liever in zo’n ‘hotel’ dan op straat. Hebben ze gelijk in: op populaire websites over google-street in combinatie met straatprostitutie zijn bijna alle foto’s uit Spanje, en vooral Catalonië afkomstig:

Zonder werk raakt de ijskast leeg

Rosa en Manel werden ineens groot nieuws toen hun buurvrouw Arantxa vorige week een brief naar de krant stuurde. “Mijn buren lijden honger omdatz e gene werk hebben.” Gewone buren, zoals iedereen die heeft. Hij een loodgieter van 31 jaar, zij huisvrouw van 24. En een kind van vier, Désiré. Een hypotheek van 1.000 euro per maand, uit een tijd dat het nog goed ging en iedereen een huis kon kopen, maar waar de uitkering van 421 euro nu niet tegenop kan.

Ze werden nieuws, omdat de zware crisis waar Spanje als allerlaatste EU-land uit zal klauteren, ineens een zo herkenbaar gezicht kreeg in een klein dorpje in de buurt van Barcelona. Rosa en Manel willen niet op de foto, want ze schamen zich voor hun situatie. Maar hun relaas maakte een golf van solidariteit, begrip en vergelijkbare verhalen los. “We zijn niet de enigen. Dát willen we benadrukken. En dáárom moet er iets gedaan worden.”

Ze zijn niet de enigen, nee. Inmiddels zitten meer dan vier miljoen mensen in Spanje zonder werk, zo’n 20% van de beroepsbevolking. Onder jongeren tot 24 jaar is dat het dubbele. Veel massa-ontslagen bij grote bedrijven zijn de oorzaak, maar nog meer het beëindigen van de talloze tijdelijke contracten die er de laatste jaren waren afgesloten. ‘Vuilniscontracten’, noemen ze die in Spanje, met salarissen niet hoger dan 1.000 euro per maand.

Vooral de bouwwereld heeft een enorme knauw gekregen, de zeepbel van kunstmatig hoog gehouden huizenprijzen is uit elkaar gesprongen, tienduizenden net gebouwde flats staan leeg en de rest van de bouw ligt volledig stil. Aan Manel ontbrak het tot twee jaar geleden nooit aan werk. “Ik verdiende zo’n 3.000 euro per maand en daarnaast kon ik overal bijklussen als ik wilde.”

Het jonge stel kocht een stukje grond in Sant Pere de Vilamajor en bouwde er het eigen huis. “Na mijn werkdag stonden we van zes tot half tien nog aan het huis te werken.” De benodigde hypotheek kregen zij eenvoudig van de bank. “Die bank behandelt ons nu uitstekend, want de hypotheek kunnen we niet betalen. Wel gaat onze uitkering direkt naar de bank, daar zien we nooit wat van. Daarnaast hebben we niets.”

In mei 2008 raakte Manel werkloos. Talloze pogingen om werk te krijgen, ook voor Rosa, liepen op niets uit. Gedurende 10 maanden kreeg hij de maximale WW-uitkering van 1.100 euro, daarna een bijslag van 421 euro. Met wat schrapen moeten Rosa en Manel nu rondkomen van 20 euro per week. “Het is niet te beschrijven hoe moeilijk dat is.” Buren als Arantxa geven hen regelmatig eten, of kopen pakken melk voor de kleine Désiré. De sociale dienst van het dorp en organisatie Caritas helpen met pakken rijst en linzen, en af en toe krijgen ze een tegoedbon van 50 euro. “Dan kopen we soms wat vlees, want normaal kunnen we dat niet betalen,” zegt Rosa.

Na haar verhaal in de krant kreeg Rosa voorlopig drie dagen werk als schoonmaakster. Mensen schonken goederen en eten, die het stel nu samen met de kleine gemeente onder andere behoeftigen verdelen. “Want er zijn zoveel mensen met problemen en vaak nog schrijnender gevallen dan wij.”

Op straat zie je het niet aan ze, noch aan de inrichting van het huis. Maar de ijskast staat leeg. Het is de verborgen armoede van een Spanje dat, volgens de experts, nog jaren nodig zal hebben om zich te herstellen en nog méér dan Griekenland risico loopt bankroet te raken. De serie maatregelen die de regering vrijdag aankondigde zijn voor de middellange termijn, zullen Rosa en Manel vandaag nog niet helpen.

De eenvoudige schoonheid van droge steen

Droge steen. Ik vertaal piedra seca maar letterlijk, want volgens mij hebben we er geen ander Nederlands begrip voor. Ook in Groot-Britannië, waar het in tegenstelling tot Nederland vroeger vaak werd gebruikt, heet het dry stone. Vanochtend over de oude weg van Vilanova i la Geltrú naar Sant Pere de Ribes, langs de enorme landhuizen van Mas Solers waar vroeger het Gran Casino de Barcelona was gevestigd voordat het in 1999 naar de kelder van het luxehotel Arts verhuisde, werd ik me weer eens bewust van de eenvoudige schoonheid van de droge steen. Het weggetje, op mijn gebruikelijke fietsroute, ligt letterlijk ingesloten door de muren van droge steen, de manier waarop deze bouwstijl het meest is gebruikt. ‘Droge steen’ staat voor het stapelen van zorgvuldig uitgekozen stenen die mooi in of bij elkaar passen om een stevige, uniforme wand te vormen waarbij geen cement nodig is om ze bij elkaar te houden. 

De droge steen is vooral typisch voor het Middellandse Zee-gebied, van Spanje tot Turkije, en enkele gebieden doen hun best om dit ‘architectonische erfgoed’ te behouden. Veel van die muren zijn op het platteland verloren gegaan, omdat ze voor de huidige landbouwmachines een obstakel zijn. Vroeger dienden ze juist voor het scheiden van percelen of het bouwen van gelaagde terrassen. Maar er werden ook hutten op het platteland mee gebouwd, plaatsen om de arbeiders bescherming te bieden als bijvoorbeeld de hemel boven hen losbarstte.

Verschillende organisaties houden zich inmiddels bezig met het catalogeren van de piedra seca, ongetwijfeld onbegonnen werk. Er is zelfs een Europese website met verschillende routes en een uitgebreid dossier over vooral Catalonië (in vier verschillende talen) waarbij je zo’n fenomeen ontdekt waar je eigenlijk nooit bij hebt stilgestaan.

Het voorbeeld van Borsele

De laatste jaren heeft het Zeeuwse Borsele (met één s, maar ín de gemeente Borsele schijnt het dorp Borssele te liggen, met twee essen; nooit geweten, en hoe moeilijk kunnen we het onszelf toch maken) regelmatig bezoek gehad van burgemeesters uit Spanje die een deel van hun bevolking in het vliegtuig en de bus meenamen. Opzet: de burgers ervan overtuigen dat het herbergen van een opslagplaats voor nucleair afval slechts voordelen oplevert en absoluut niet onveilig is. Deze dagen is de discussie daarover in Spanje in volle gang, of vooral in Catalonië. Het zuiden van de regio heeft al drie kerncentrales (één aan het strand bij Vandellós, twee iets meer in het binnenland, aan de Ebro, in Ascó) en de burgemeester en gemeenteraad van dat laatste dorpje willen zich kandidaat stellen voor die opslagplaats.

Maar de bewoners, én de dorpen uit de omgeving, zijn de talloze kleine ongelukjes in die kerncentrale’s zat en hebben geen zin in nóg meer radioactieve stralingen, hoe diep die ook worden opgeborgen en meer dan 100 jaar vastgehouden. Zelfs de regering van Catalonië is tegen, maar in dit geval mag een gemeente zelf beslissen, en dat hang af van de burgemeester en vijf wethouders. Zij wijzen op dat voorbeeld in Borsele, de Habog, dat om zijn opvallende uiterlijk al verschillende prijzen heeft gewonnen. ‘Zie je wel,’ zeggen ze, ‘in Nederland hebben ze zo’n gebouw oranje geschilderd, dus ze verstoppen het niet eens.’ Een oranje dat trouwens steeds lichter wordt: elke tien jaar krijgt de Habog een lichter kleurtje, waarmee men wil aangeven dat de radioactieve straling van het uraniumvuilnis afneemt.

Morgen neemt de gemeente Ascó een beslissing, afgelopen weekeinde zijn er al demonstraties geweest. Het enige belang om zo’n centrale of opslagplaats te herbergen? Het geld. Een ‘nucleaire gemeente’ krijgt miljoenen aan ‘smartegeld’, wat ook de reden was dat bijvoorbeeld vorig jaar in het Noordspaanse Garoña veel mensen tegen de aangekondigde sluiting van de kerncentrale waren.

Vreemde woordspeling trouwens, in Ascó. Hetzelfde woord, maar dan in het Spaans en zonder accent, betekent ‘walging’. ¡Qué asco! is één van de meest gebruikte uitdrukkingen, vooral door kinderen die het eten niet lekker vinden… Wat vies!

UPDATE: Vanochtend stemde de gemeenteraad van Ascó met zeven stemmen tegen twee vóór de kandidatuur voor de opslagcentrale van kernafval. Samen met Yebra (in de provincie Guadalajara) is het dorp tot nu toe de enige vrijwillige kandidaat.

De trommelaar die Napoleon versloeg

Het was 1808 toen de Franse troepen vanuit Barcelona een missie startten om het halstarrige binnenland van Catalonië te onderwerpen en tegelijk de Spaanse troepen te verdrijven. Op weg naar Lleida moesten de 3.800 soldaten van Napoleon ook Igualada en Manresa aandoen, de twee stadjes aan weerszijden van het gebergte van Montserrat. Belangrijkste hindernis was de ‘bergpas’ van Bruc, waar wij tegenwoordig via een tunnel op de A-2 snel doorheen rijden. De ‘Spaanse’ troepen, die bestonden uit Zwitsers, gedeserteerde Walen en Catalaanse vrijwilligers uit de genoemde stadjes, legden een perfecte hinderlaag, brachten 300 Fransen om het leven en veroverden een kanon.

Een week later probeerden de Fransen het opnieuw bij Bruc. Overal in Europa, en zeker in Spanje, hadden de mannen van Napoleon – die er zelf niet bij was , trouwens – de faam onoverwinnelijk te zijn. Ze kwamen met nóg meer soldaten, terwijl de Spanjaarden nauwelijks wapens hadden. Bovendien was het verrassingseffect van de hinderlaag weg. Daar begint de mythe van Isidre Lluçà i Casanoves, een jong herdertje van nog geen 17 jaar dat vanwege zijn leeftijd niet als soldaat mocht meevechten. Isidre had altijd een trommel bij zich en daar in Bruch (zoals hetb toen heette), dichtbij de grillige rotspartijen van Montserrat, begon hij onophoudelijk op die trommel te slaan. De prachtige wanden van de bergketen begonnen het geluid te weerkaatsen en toen het getrommel via veel echo’s de oren van de Fransen bereikte, leek het wel of er duizenden Spanjaarden hen opwachtten.

In werkelijkheid was het de Spaanse artillerie die, goed verscholen en opgesteld, de Fransen voor de tweede maal versloeg, maar de mythe van de Timbaler del Bruc was te mooi om verloren te laten gaan. Dus staan er in Catalonië verschillende standbeelden van Isidre Lluçà, de grootste op de berg van Bruc, maar ook één in zijn geboortedorp Santpedor, op hetzelfde Plaça Gran waar ruime anderhalve eeuw later plaatsgenoot Pep Guardiola voor de deur van zijn ouderlijk huis zou leren voetballen. De trommelaar van Bruc overleed trouwens op 18-jarige leeftijd; nergens is te vinden waaraan of waardoor.

Lezen in de metro

Ik heb het er al eens over gehad, het verschil tussen volwassen metrolijnen in heuse wereldsteden en de vaak verwaarloosde wagons en stations in Amsterdam en Rotterdam. Laatst, in Rotterdam, weer eens ontdekt hoe weinig de lokale bestuurders zelf ook geïnteresseerd zijn in hun ondergrondse transport: de bewegwijzering is een absolute noodzaak en in de metro ook vrij eenvoudig te regelen, maar in R’dam is het alsof ze denken dat er niemand ooit van buiten komt en iedereen automatisch de weg weet; op de meest centrale stations als CS, Stadhuisplein en Beurs was vrijwel nergens ook maar één kaart van de metrolijnen en hun stations te vinden.

Maar daar moest deze post niet over gaan, of een beetje, want hij gaat óók over metro en beschaving. Het bestaat al sinds 2006, maar omdat ik nauwelijks in Madrid ben geweest, de laatste jaren, had ik het nog niet ontdekt: de Bibliometro. Op 12 stations in het grote netwerk van Madrid staan moderne, architectonisch verantwoorde en transaprante hokjes waar je voor 15 dagen een boek kunt lenen, mits je lid bent van de openbare bibliotheek. Prachtig toch? Zeker omdat veel mensen de reistijd in de metro benutten om een boek te lezen, en op deze manier krijg je er ongetwijfeld meer lezers bij. (Veel anderen gebruiken de reis om een dutje te doen; sommigen omdat ze heel vroeg zijn opgestaan, anderen omdat ze te lang zijn doorgezakt.) 

In de eerste helft van vorig jaar werden er bijna 62.000 boeken uitgeleend, ruim 400 per werkdag dat de Bibliometro geopend is. In totaal waren er toen 100.000 boeken beschikbaar, van 1.000 verschillende titels; aantallen die inmiddels wel weer iets verhoogd zullen zijn.

Het oorspronkelijke idee komt trouwens niet uit Madrid. Al in 1996 werd de Bibliometro in Santiago de Chile ingevoerd; nu bestaat het ook in Medellín (Colombia), Valencia en dus Madrid, waar de nieuwe, zeer ruime stations genoeg plaats bieden voor zo’n hokje. Idee voor de toekomstige Noord-Zuidlijn? Ook al zal, als de bouw in het huidige ritme doorgaat, Harry Mulisch het niet meer meemaken dat je zijn boeken ook  in de metro kunt lenen.

Miezerige morgen in Madrid

Sommige levens kunnen van de ene op de andere dag totaal veranderen. Vanochtend zag ik in de trieste zaal van het Gerechtshof in Madrid, op de rug, een kleine man die vier maanden geleden zijn laatste vlucht als Transavia-piloot uitvoerde voor hij met pensioen zou gaan. (Geen foto daarvan: de camera mocht niet mee naar binnen). Julio Alberto Poch zou ooit tegenover collega’s hebben opgeschept over zijn marine-verleden in Argentinie. Eentje gaf hem aan, een Argentijnse rechter kwam het verhaal op het spoor, maar Nederland wilde of durfde hem niet te arresteren. De zaak-Zorreguieta is politiek nog te vers en gevoelig, waarschijnlijk.

 Poch zit nu bijna vier maanden vast in een Spaanse gevangenis. Hij ging vanochtend akkoord met zijn uitlevering aan zijn geboorteland, maar ontkende de beschuldigingen. Schuldig, onschuldig? Geen idee, natuurlijk. Militair zijn, marinepiloot, tijdens een dictatoriaal regime is niet helemaal fris, natuurlijk. Zeker niet wanneer die marinepiloten vliegtuigen bestuurden waaruit duizenden Argentijnen in zee werden gegooid.

Zeker is wel dat Poch’s leven nooit meer hetzelfde zal zijn. Geen pensioen in Noord-Holland, met vrouw, drie kinderen en (binnenkort) drie kleinkinderen, of in zijn tweede huis in Valencia, met vrouw Elsa alias Greta die er vanochtend bij was en hem alleen op zaterdag in de gevangenis mag spreken. Jarenlang wachten in Buenos Aires op proces, dat is zijn nabije toekomst.

Van het vuur in de sneeuw

Soms is het aan de kust van de Middellandse Zee, klimatologisch eigenlijk een vrij saaie streek, moeilijk voor te stellen wat er enkele kilometers verderop in het binnenland aan de hand is. Nog geen sneeuwvlok gezien, deze winter, in Barcelona noch Sitges, maar net achter Tarragona en Reus, in de wijnstreek Priorat, verderop de olijvenstreek van Les Garrigues en andere regio’s in centraal Catalonië hebben ze afgelopen weekeinde de zwaarste sneeuwval sinds 62 jaar meegemaakt, volgens de ouderen van Horta de Sant Joan, het dorpje ver verstopt in de Terra Alta waar ik al eens eerder over schreef. Toen was het gat, met 1.305 inwoners, nog herstellende van de enorme bosbranden in juli. Nu is Horta drie dagen afgesloten geweest van de buitenwereld door die sneeuw.

Vandaag maar even wezen kijken, nu de meeste wegen weer voor het verkeer begaanbaar waren, met wél hoge stapels sneeuw aan weerszijden. Horta ontving middenin die sneeuwval het nieuws dat de twee vermoedelijke aanstichters van die bosbrand zijn opgepakt (dat hebben ze trouwens niet uit de kranten, de mensen uit Horta, want de kranten zijn al vijf dagen niet gearriveerd). De officiële versie van de autoriteiten was, kort na de brand, dat die door een bliksemschicht was ontstaan. De dorpsbewoners wisten wel beter, want die zijn niet gek. Dus ging de politie op onderzoek uit. Opmerkelijk: de twee verdachten zijn vrijwillige brandweerlieden geweest. Zaten ze verlegen om werk?

Explosieve smeltkroes in Vic

Een regenachtige ochtend in Vic. Ooit, nog niet eens zo lang geleden, was het de meest Catalaanse middelgrote stad in het binnenland, niet eens zo ver van Barcelona. Gesloten Catalaans spraken ze daar, en spreken de oorspronkelijke bewoners nog steeds. Maar die laatsten voelen zich inmiddels een minderheid tussen de 39.000 inwoners. Vic is één van de gemeentes met het grootste percentage niet-Europese immigranten onder zijn inwoners, dat wat wij vroeger gastarbeiders noemden. Officieel komt 23% van ver weg (cijfers uit 2008), vooral uit Marokko en Ghana, maar volgens het straatbeeld zijn het er al meer. Andere ‘gaten’ met nóg hogere percentages allochtonen zijn Guissona (met liefst 45%, bijna allemaal Roemenen die in de vleesfabriek met dezelfde naam, Guissona, werken) en Salt (38%, een voorstadje van Girona).

Vooral de duizelingwekkende snelheid van die toeloop van de buitenlanders levert in Vic spanningen op. De zo autochtoon Catalaanse stad had in 1991 nog maar 1% buitenlanders, in 2001 was dat 10% en nu dus die 23% of meer. De klachten zijn de typische, overbekende: ze pakken onze baan af (zeker in een periode van crisis en 20% werkloosheid een populair argument) en ze maken de boel onveilig. Een ideale voedingsbodem voor de enige xenofobische partij in heel Spanje, Platform per Catalunya, in de laatste gemeenteraadsverkiezingen met 18% van de stemmen de tweede partij.

Boeiend om te zien blijft het wel, zo’n multiculturele markt op de Plaça Mayor die je bijna nergens in Spanje aantreft. Die immigranten zijn allemaal op de varkensindustrie (en vooral de vleesverwerking) in de streek Osona afgekomen. Hier staan o.a. honderdduizenden varkens die uit Nederland worden gestuurd om, ongetwijfeld goedkoper dan thuis, vet te laten mesten.

Een oer-Catalaan naast een Ghanees bij een marktkraam; ze zullen waarschijnlijk nooit een woord met elkaar wisselen. De rest van Catalonië en Spanje probeert les te trekken uit de ervaringen van Vic, al hebben sommige gemeentes dat niet echt nodig. In Lloret de Mar, Salou, Empuriabrava en Sitges is het aantal buitenlanders ook boven de 25%; maar dat zijn anderen, westerlingen met geld en een blanke huidskleur.