Categorie archief: intussen, in Spanje

De Spaanse lente is uit Egypte overgewaaid

Het is nog niet zo massaal als in de Arabische wereld, maar met de dag lopen centrale pleinen in Spaanse steden voller met vooral jonge demonstranten die er dagelijks én ‘s nachts protesteren tegen het huidige politieke systeem, de torenhoge werkloosheid, de miljarden aan bezuinigingen. Zondag zijn er verkiezingen.

Alsof de vonk de Middellandse Zee is overgeslagen, vanuit Tunesië, Egypte en Libië naar een democratisch, Europees land. Het doel is niet hetzelfde, Spanje is geen dictatuur meer sinds generaal Franco in 1975 overleed en de machthebbers kunnen sindsdien via een stembiljet worden benoemd en weggestuurd. Maar de protesten van vooral jongeren in de Arabische wereld vormen wel een inspiratie voor de steeds wanhopiger Spaanse jeugd, waarvan ruim 40% werkloos is.

Ook het succesvolle, 60 pagina’s korte pamflet van de 93-jarige Fransman Stéphane Hessel, Indignez-vous! (‘Wees verontwaardigd!’, in Nederland in de boekwinkel als Neem het niet!) ligt ten grondslag aan de protesten die zondag bijna spontaan ontstonden en nu onder de naam 15-M een heuse beweging vormen. Hessel roept vooral de jeugd in westerse landen op te ageren tegen het huidige systeem, tegen de banken, tegen de politici die nauwelijks met oplossingen komen.

De Spaanse politieke partijen weten niet goed wat ze met de spontane, via internet gegroeide protestbeweging aanmoeten. Zondag zijn er regionale en lokale verkiezingen, waarbij de socialistische partij van premier Zapatero (PSOE) grote klappen zal krijgen en in bijna alle regio’s en grote steden de macht naar de conservatieve Volkspartij (PP) zal gaan. De demonstranten roepen juist op op geen van de traditionele grote partijen te stemmen, al vinden zij juist weinig gehoor bij de traditionele aanhang van de PP.

Regionale kiesraden hebben de demonstraties verboden, omdat zij de stemmen van komende zondag kunnen beïnvloeden, maar dat verbod heeft juist meer mensen naar de grote pleinen gelokt, zoals het centrale Puerta del Sol in Madrid en de Plaça de Catalunya in Barcelona, Daar zijn inmiddels hele tentenkampen opgezet waar honderden jongeren de nacht doorbrengen. De politie is vooralsnog niet tot ontruimen overgegaan.

“Het is niet tegen het systeem, mensen moeten ook gewoon hun stemrecht uitoefenen, maar wij zijn vooral gewone mensen die de hele politieke en economische situatie in het land zat zijn,” herhalen deze dagen Jon Aguirre en Fabio Gándara, die zondag onder de noemer Democracia Real Ya (Werkelijke democratie, nu!) via internet (met inmiddels 170.000 ‘vrienden’ op Facebook) en zonder de steun van vakbonden en politieke partijen 20.000 mensen in Madrid op de been kregen.

“We móeten wel de straat op, want de politici doen maar wat ze willen, terwijl het volk het steeds moeilijker krijgt. De situatie is voor velen wanhopig”, zegt Davinia, een demonstrante inBarcelona. Spanje heeft inmiddels bijna vijf miljoen werklozen (ruim 21% van de beroepsbevolking), en de jongeren worden het zwaarst geteisterd. Maar ook de 1,4 miljoen gezinnen waarbij geen van de ouders werk heeft. Bij veel daarvan wordt WW-uitkering noch de bijslag van 420 euro per maand nog uitbetaald omdat ze al zo lang zonder werk zitten.

Het antwoord van de regering van Zapatero, die lang ontkende in een diepe economische crisis te verkeren, is een groot pakket aan bezuinigingen geweest om zowel de internationale financiële markt als de Europese bondgenoten gerust te stellen. Maar in Spanje is de verontwaardiging groot omdat de banken extra staatssteun krijgen en beschermd of zelfs beloond worden voor hun twijfelachtige beleid in de laatste jaren. Tijdens de boom van de bouwsector kon bijna iedereen zonder problemen hypotheken tot 120% op veel te dure woningen krijgen, nu worden 200.000 eigenaren met uitzetting bedreigd omdat zij die hyptoheek niet meer kunnen betalen.

Al die wanhoop en verontwaardiging begon deze week op de pleinen in de steden in heel Spanje samen te komen, volgens sommigen nog een vrij late reactie in een land dat het al zo lang meilijk heeft. En sinds gisteren zijn het niet alleen maar jongeren, ook mensen van middelbare leeftijd en gepensioneerden hebben zich bij de demonstranten gevoegd. “Ik ben gekomen omdat de jongeren volledig gelijk hebben. Ik heb er vertrouwen in dat de jeugd eindelijk ontwaakt en de dingen kan veranderen,” zegt de 67-jarige Jacinto, die de schuld geeft aan het ‘kapitalistische systeem’ waarin ‘banken en multinationals hoge winsten opstrijken maar wel werknemers blijven ontslaan’.

Spanje in 13 dagen

Plaça Reial, of Real zoals de meeste mensen het kennen. De groep op de foto is een beetje moe. Ze hebben Spanje in dertien dagen gedaan. Althans, half Spanje, maar dat is een hele tour natuurlijk, letterlijk en figuurlijk. Het is niet mijn manier van reizen, maar ze zijn populair, de trips naar ‘originele’ plaatsen in het land waar je via gewonde reisgidsen van grote touroperators niet zomaar komt. Ik lunchte met reisleider en oud-journalist Danny, in het midden van de foto, de jongste van het stel, zeg maar, die al jarenlang gids is van SRC Cultuurvakanties, meestal in Spanje, maar ook in Marokko, Cuba en Zuid-Amerika. Dit was toevallig één van de meest heftige reizen, maar er zijn ook kortere te vinden. Deze zomer begint Danny een nieuwe trip, alleen door het Baskenland; dat is nog te overzien, is een redelijk klein gebied.

De reis die deze groep net achter de kiezen had – Barcelona was de eindbestemming, vóór de vlucht terug naar Nederland – heet ‘Schatten van Spanje’ en ziet er op de website van SRC zo uit:

dag 1: Vlucht Amsterdam – Madrid
dag 2: Kennismaking met koninklijk Madrid
dag 3: Bezoek aan Extremadura
dag 4: Natuurpark van Monfraguë en de adellijke stad Cáceres
dag 5: Klooster van Yuste en via Zilverroute naar Salamanca
dag 6: Universiteitsstad Salamanca
dag 7: Kennismaking met León
dag 8: Het prinsendom Asturië
dag 9: Guggenheimmuseum in Bilbao
dag 10: Bezoek aan de Baskische steden Donostia en Iruña
dag 11: De basiliek van Zaragoza
dag 12: Bruisend Barcelona
dag 13: Terugvlucht naar Nederland

Lezers die Spanje kennen weten wat voor een afstanden dit zijn, dus ik vrees dat er nogal wat uurtjes in de bus aan vastzitten. Maar ik applaudiseer elke vorm van reis door Spanje die afwijkt van de gebaande paden, mensen meeneemt naar plaatsen waar zelfs ik nog nooit ben geweest. En, om een beetje reclame te maken: Danny Valen, die ook zijn eigen weblog Spaans Bloed bijhoudt, is volgens mij ook nog een goede reisleider.

Een aardbeving op 700 km van huis

Lorca is zo’n stadje waar je altijd hard voorbij rijdt, halverwege tussen Valencia en Granada; geen tijd om te stoppen, geen zin ook om te ontdekken of er wel wat te ontdekken valt, ook al omdat het er in de zomer bloedheet moet zijn. Ben er nu drie volle dagen geweest, en zoals alle stadjes in Spanje heeft ook Lorca zijn charme, zijn barretjes, zijn monumenten, zijn oude straatjes, zijn mooie kerken en vooral zijn kasteel boven op de berg. Dat bestaat allemaal nog wel, maar is behoorlijk beschadigd. Geen van de 16 kerken is nog te betreden – morgen zijn er nergens missen – en het kasteel is gesloten, allemaal geteisterd door een aardbeving van 5,1 op de schaal van Richter. Dat leek niet zoveel, toen ik het in Barcelona las en direkt door mijna bazen bij El Periódico naar Lorca werd gestuurd, maar ter plekke bleek de impact toch behoorlijk groot, en niet alleen vanwege de negen dodelijke slachtoffers.

Bijna 80% van de gebouwen liepen min of meer schade op, en enkele duizenden mensen zullen voorlopig niet naar huis kunnen. Lorca ligt op de ‘spleet’ in de aarde die enkele jaren terug ook het Italiaanse l’Aquila teisterde; een actieve aardbevingstreek dus, maar dat bleef meestal beperkt tot enkele lichte trillingen. Tot woensdag dus. Dat maakte nog het meeste indruk, hoe de mensen vertelden wat ze hadden meegemaakt. Een hevig trillende aarde is uiterst beangstigend, je kunt soms zelfs niet blijven staan. Veel stoere mannen moesten huilen of kregen kippenvel als ze het verhaal nog eens vertelden.

Zorgen maak ik me niet, ondanks de kop boven deze post, maar tot woensdag had ik nooit gedacht dat ik ooit een dodelijke en verwoestende aardbeving ergens dichtbij in Spanje zou moeten verslaan.

Consulaat-generaal in Barcelona moet (niet) dicht

Wij, die in en rond Barcelona wonen, vinden deze stad natuurlijk belangrijker en leuker dan Madrid. Wij vinden dat Barcelona net zo goed een hoofdstad is (van Catalonië) als Madrid (van Spanje). Wij vinden het ook wel logisch dat de Nederlandse ambassade in Madrid is gevestigd, maar hebben het ook altijd meer dan normaal gevonden dat Barcelona ook een belangrijke dipomatieke post van het Koninkrijk der Nederlanden heeft, een consulaat-generaal. Zoals alle grote ‘tweede’ steden als New York, Los Angeles, Istanboel, Milaan en Shanghai dat moeten hebben, zeker als ze zo ver van de hoofdstad liggen.

Zelf kom ik er niet zoveel, op het consulaat; eens in de vijf jaar om mijn paspoort te verlengen. Maar ik ken de mensen die er vaak al meer dan 10 of 20 jaar werken, en weet wat voor een bindende en ondersteunende factor zo’n consulaat soms is, vooral voor de Nederlandse ondernemers hier. Het Wilhelmus op Koninginnedag mogen ze mij besparen, maar de honderden Nederlanders die elk jaar weer in en rond Barcelona worden beroofd zou ik toch niet hun consulaire steun willen ontzeggen. Maar die gaat dus verdwijnen.

Bij het consulaat, in een zijstraat van de Diagonal, roken ze al langer onraad. Maandag kwam het bericht dat Buitenlandse Zaken negen  ambassade’s  (Ecuador, Uruguay, Bolivia, Nicaragua, Guatemala, Kameroen, Burkina Faso, Eritrea en Zambia) wil sluiten en één consulaat, dat in Barcelona. Er gaan 200 banen in het buitenland verloren. Je kunt je ook wel afvragen waarom een klein land in Nederland nog werkelijk óveral een ambassade moet hebben; sommige diplomatieke diensten en aangelegenheden zijn van een ouderwetse, feodale periode en doen me denken aan prachtige films over Indochina of Afrika waar diplomaten in woelige tijden onder een whisky bleven  samenzweren. Maar wij, hier in Barcelona, betreuren natuurlijk de sluiting van dit consulaat, en worden graag vrienden van de facebook-pagina waarop je tegen die sluiting kunt ageren. Over twee weken is er een afgeslankte Koninginnedag-receptie van wat de oudste Nederlandse diplomatieke post op de hele wereld schijnt te zijn; ik vrees dat het een soort begrafenis wordt.

Een beetje schrikken in het hotel

Omdat hij zo eenvoudig is, en dus heel leuk, van de Spaanse TV-zender Cuatro: een beetje slecht verlichte hotelgang, een klein meisje en een verborgen camera. Meer heb je niet nodig. En wat al die bioscoopfilms uiteindelijk met ons doen: we worden al bang van een onschuldig meisje in een nachtjapon:

Hoe hard mag ik nou rijden?

Toen de snelweg van Barcelona naar Sitges werd geopend, ergens rond 1993, mocht je er 120 kilometer per uur rijden, maximaal. Maar er bestonden toen geen radars, dus reed je vooral in de stille avonduren met iets van 140 km/u naar huis. En dan ben je er zo. Jaren terug kwamen de wat ze hier ‘ecosocialisten’ noemen in de tripartito-regering, ofwel de ‘groenen’ van IC-V, en die kregen zowel het Catalaanse ministerie van Binnenlandse Zaken als dat van Milieu onder hun hoede. Onder BiZa valt ook Trànsit, het verkeer, en in een goed samenspel besloten beide departementen om de maximum snelheid op alle wegen in een kring van 20 km rond Barcelona tot 80 km/u terug te brengen: beter voor het milieu en beter voor de veiligheid.

Daar waren we al lang aan gewend, aan die 80 km/u (met onderweg drie vaste radars), al merkte ik wel dat ik er duidelijk langer over deed om thuis te komen; maar wat konden die paar minuten mij nou schelen. De vorig jaar gekozen nieuwe Catalaanse regering van de gematigd-nationalistische CiU had als één van zijn populaire programmapunten het opheffen van die 80 km/u-norm, en besloot dat zo snel mogelijk toe te passen en op de meeste plaatsen die 120 km/u opnieuw toe te staan, omdat die 80 km/u nou echt niet veel beter voor het milieu zou zijn en het sterk verminderde aantal verkeersslachtoffers echt niet van die lagere snelheden kwamen. (Opvallend trouwens: ook van het kabinet-Rutte was de eerste actie het oprekken van die maximum snelheid, naar 130 km/u op bepaalde plaatsen in Nederland; een erg ‘rechtse’ maatregel dus, de auto’s harder laten rijden.)

Dus reden we al een paar weken 120 km/u toen de centrale Spaanse regering in Madrid met een nieuwe tijdelijke maatregel kwam om te besparen op het oliegebruik in het land, want door de onrust in de Arabische wereld is dat zwarte goud hartstikke duur geworden. En een té hoge olierekening zou het trage herstel van de brakke Spaanse economie direct weer ongedaan maken. Dus mag er op alle snel- en autowegen in Spanje sinds gisteren niet meer harder dan 110 km/u worden gereden. Zo’n 6.000 verkeersborden zijn aangepast, maar de 250.000 euro die dat heeft gekost zijn een schijntje bij de 1,4 miljard die de regering denkt dat er aan benzineverbruik (de Euro-98 kost 1,45, de diesel rond de 1,32) wordt bespaard tot 30 juni, wanneer besloten wordt of de maatregel wordt verlengd.

De coup van 23-F, alsof het gisteren was

Vandaag gaat de film in première; goed moment, natuurlijk, precies dertig jaar later. 23-F. De Spanjaarden hebben de goede gewoonte bijzondere dagen zo af te korten. 23-F, iedereen weet dan waar je het over hebt, 23 februari 1981. Mijn herinnering aan die dag is nog vers; de zomer daarvóór had ik als 17-jarige een Spaans meisje ontmoet, Mari, mijn latere vrouw. We schreven elkaar brieven -internet bestond niet – en heel af en toe mocht er van de ouders gebeld worden, maar  bellen naar het buitenland was duur, natuurlijk, iets van twee gulden per minuut, of zo. Nadat ik op de Nederlandse journaals die besnorde gek van een Tejero had gezien mocht ik natuurlijk wél bellen: het hele gezin zat thuis, in l’Hospitalet, in de flat, een interior zonder ramen naar de straat, en wachtte in spanning af. Latere schoonpapa Paco had zijn vader, zoals zo velen, in de Burgeroorlog verloren – hij streed aan de republikeinse, rode kant – en vreesde alweer voor een herhaling van vroeger, of de terugkeer van een dictatuur. De familie Carmona zou, zoals half Spanje, de hele nacht niet slapen.

Vandaag dus eindelijk een film over die ongelooflijk spannende 24 uur van toen. Boeken zijn er al genoeg, al heeft de laatste, van auteur Javier Cercas, veel lof gekregen. Anatomie van een moment is zojuist in het Nederlands verschenen. Hieronder de recensie van Paul van der Steen in dagblad Trouw:

De Spaanse democratie was nog jong en kwetsbaar, toen militairen in februari 1981 een staatsgreep pleegden. Romancier Javier Cercas wilde de coup achter de beroemde televisiebeelden vandaan krabben.

// <![CDATA[Weinig journaalbeelden hebben als kind meer indruk op me gemaakt dan die van de poging tot staatsgreep in Spanje op 23 februari 1981. Het is lastig te analyseren wat ervoor zorgde dat ze zo intens bij me ’binnenkwamen’. De immense brutaliteit van de daad was zelfs voor een schooljongen duidelijk. De kwetsbaarheid van de democratie misschien ook.

De belangrijkste hoofdrolspelers deden de rest. Luitenant-kolonel Antonio Tejero met zijn borstelsnor en lachwekkende Guardia Civil-hoofddeksel, een operettefiguur die zo leek te zijn weggelopen uit het stripalbum ’Kuifje en de Picaro’s’. Daarnaast premier Alfonso Suárez, die overeind bleef in zijn bankje toen de meeste afgevaardigden wegdoken voor de kogelregen waarmee de coupplegers kort na hun binnenkomst gezag probeerden af te dwingen.

Op de beelden die zich op mijn netvlies brandden, ontbraken op de een of andere manier Manuel Gutiérrez Mellado en Santiago Carillo. Ook zij lieten zich nauwelijks imponeren door de binnendringers. Generaal Gutiérrez Mellado, vice-premier onder Suárez, liep zelfs onverschrokken op Tejero en zijn mannen af. Carillo, leider van de Spaanse communisten, zat tegenover Suárez in de arena, maar een stukje hoger dan de minister-president. Dat hij bleef zitten tijdens het schieten liep wat minder in het oog.

Wat wel in de herinnering bleef hangen was de televisietoespraak van koning Juan Carlos. Gestoken in zijn uniform van kapitein-generaal sprak hij de natie toe. In ondubbelzinnige bewoordingen nam hij afstand van de gebeurtenissen in het Congres en betuigde hij steun aan de Grondwet en de democratie.

De romancier Cercas wilde eigenlijk fictie schrijven over 23 februari. Daar kwam hij van terug. Na verloop van tijd begreep hij dat de gebeurtenissen tijdens en rond de coup „alle dramatiek en al het symbolisch potentieel bevatten dat we van literatuur eisen”. Anatomie van een moment werd een non-fictieboek. Niets dat hij zelf verzon, raakte Cercas zo hevig, bracht hem zo in vervoering, was zo complex en meeslepend als de werkelijkheid van die historische dag in 1981.

De schrijver reconstrueert tot in detail de gebeurtenissen tijdens de bange uren van toen. In de volksvertegenwoordiging, maar ook in de rest van Madrid. En in Valencia, waar opstandige troepen de stad onder controle hadden. Hij laat het niet bij de actie, maar kijkt ook nadrukkelijk naar de reactie, of liever het gebrek daaraan.

Dat velen in de eerste uren na de coup verzuimden om partij te kiezen en zoveel mogelijk opties openhielden, had te maken met de onduidelijkheid van het moment. Die houding afdoen als lafheid is te gemakkelijk. Een zeker opportunisme kwam er zeker bij te kijken. De invloed van het nationale trauma van de bloedige Burgeroorlog uit de jaren dertig valt ook niet uit te vlakken. Alles beter dan de orgie van bloed van destijds.

Cercas plaatst de coup in zijn tijd. De Spaanse democratie stond nog in de kinderschoenen, terwijl de problemen zich opstapelden: de economische situatie was deplorabel, het terrorisme (voornamelijk van de Baskische afscheidingsbeweging Eta) nam toe, instellingen en bestuurders boetten aan gezag in. Een staatsgreep hing in de lucht. Wie daar niets van moest hebben, deed op zijn minst mee aan het speculeren over meer bemoeienis van de militairen, het aanstellen van een sterke man of het aantreden van een eenheidsregering.

De auteur toont overtuigend aan dat de mannen die niet doken voor de kogels alle drie ’helden van de terugtocht’ waren. Zoals later Michael Gorbatsjov deed, loodsten zij hun land door een overgangstijd heen en waren daarom min of meer voorbestemd om tussen het raderwerk van de geschiedenis vermalen te worden.

Het uit de provincie afkomstige lefgozertje Suárez werd groot onder het Franco-regime. Na de dood van de dictator verwezenlijkte de politicus het schijnbaar onmogelijke. Binnen een jaar legde de nieuwe premier de basis voor de Spaanse democratie. Misschien wel de allerknapste prestatie: de franquisten tekenden zelf mee voor de liquidatie van het franquisme. Maar begin 1981 was de houdbaarheidsdatum van Suárez verstreken. Spanje was hem zat. Juist op het moment van de staatsgreep werd zijn opvolger gekozen.

Bij het vestigen van het burgerlijk gezag waren militairen onontbeerlijk. Generaal Gutiérrez Mellado gebruikte zijn gezag om de hervormingen te ondersteunen. Hij ging onder Suarez dienen als vice-premier. Door de lotsverbondenheid met de minister-president liepen hun opkomst en ondergang vrijwel parallel.

Gutiérrez Mellado verspeelde met zijn politieke optreden veel van het krediet dat hij had bij zijn oude wapenbroeders. Vooral het rabiate deel daarvan verweet hem zijn instemming met het voor hen ondenkbare: de legalisering van de communistische partij, de gehate tegenstander uit de tijd van de Burgeroorlog.

Aan de andere kant van het politieke spectrum verweten de communisten hun secretaris-generaal Carillo dat hij te veel concessies deed. Hij verkoos eendracht en vrijheid boven zijn oude idealen, revolutie en gerechtigheid. Onvergeeflijk, vonden de kameraden van weleer.

Met hun wat minder flexibele geest weigerden de tegenstanders van Suárez, Gutiérrez Mellado en Carillo te geloven dat de drie gedreven werden door authentieke overtuiging. Ze zouden zich puur laten leiden door eigenbelang en politieke overlevingsdrift.

Cercas maakt van alle betrokkenen mensen van vlees en bloed. Hij stapt niet in de valkuil waartoe de televisiebeelden van toen uitnodigden. De staatsgreep was geen western, waarin de wereld uiteenviel in heldhaftige cowboys met witte, en kwaadaardige cowboys met zwarte hoeden. De werkelijkheid was veel te complex om zich in zulke simplistische schema’s te laten vatten.

’Anatomie van een moment’ is niet vrij van manco’s. Cercas stelt meestal exact de juiste vragen, maar blijkt wat slordiger met het geven van de antwoorden. Een aantal keren valt hij in herhaling. En de manier waarop hij de wederwaardigheden van de jonge Spaanse democratie aan het einde van het boek naar zijn persoonlijke leven trekt, is mooi, maar het gebeurt te haastig, als een soort toegift die de tijd eigenlijk niet meer toestaat. Dit gegeven had meer uitwerking verdiend.

Cercas’ boek heeft behalve historische relevantie ook een zekere actualiteitswaarde. ’Anatomie van een moment’ laat zien dat democratie nooit volmaakt kan zijn, uiterst kwetsbaar is en dat gekanker op het systeem de funderingen daarvan gevaarlijk kan aantasten.

var id2 = ‘0.42728016720548223’;
// ]]>

Dubbel zoveel bossen als vroeger

En ik altijd maar denken dat Nederland zo’n bosrijk land is/was, vooral in de buurt van Utrecht waar ik opgroeide en ooit demonstreerde tegen het aanleggen van een snelweg door ons Amelisweerd. Talloze boswandelingen maakten we, en we gingen nog niet eens naar de Veluwe. Plus de camping waar we altijd kwamen, in Driebergen, die natuurlijk Het Grote Bos heette. Allemaal een mythe, blijkt nu. De Spaanse afdeling van het FAO (een organisatie van de Verenigde Naties) maakte gisteren het rapport ‘De stand van de bossen’ bekend en wat blijkt: Nederland is het Europese land met het minste oppervlak aan bosgebied, slechts 11%, kort achter Groot Britannië (12%)  en ver verwijderd van Duitsland (32%), Frankrijk (29%) en natuurlijk Zweden (69%) en Finland (73%). Per 1.000 inwoners hebben we in het dichtbevolkte landje maar 22 hectare bos beschikbaar.  Bijna geen land komt onder de 100 ha pero 1.000 inwoners en de meesten zitten boven de 200 ha…

Nu Spanje dus, want daar gaat dit blog toch ene beetje over: 36% van het land is bos, er is 409 hectare per 1.000 inwoners beschikbaar. Het rapport werd mede gepresenteerd omdat Spanje niet ontbost is maar, in tegendeel, in de laatste eeuw zijn oppervlakte aan bosgebieden juist heeft verdubbeld. Na China en de Verenigde Staten is Spanje in het laatste decennium het land op de wereld dat het meeste bosgebied herwint, zo’n 170.000 hectare per jaar.

Dat komt onder anderen omdat het platteland blijft leeglopen, maar ook omdat er steeds meer bos-plantages worden aangelegd. Toeristen die soms door het achterland van de Costa Brava toeren zal het wel eens zijn opgevallen, de kilometerslange rijen torenhoge populieren die strak achter elkaar staan, allemaal bestemd voor de houtindustrie. Om niet te spreken van de kurkeiken die een groot deel van datzelfde achterland bevolken – Spanje is na Portugal de grootste Europese producent van kurk.

Voor degenen die in Barcelona zijn en een boswandeling willen maken: ik heb het al vaker over de Collserola gehad, het beschermde natuurpark net achter de Tibidabo waar je dagenlang kunt rondlopen of -fietsen en heerlijk kunt eten. De Nederlandse Vereniging deed dat zaterdag geloof ik bij Can Borrell in Sant Cugat, waar het net als overal in Catalonië tijd is voor de calçots (zal er binnenkort maar eens een uitgebreide post over schrijven, die prachtige uien). Al was vroeger mijn favoriete trip uit de stad naar de Montseny, vlak aan de snelweg richting Girona, afslag Sant Celoni, beloond met lamskoteletjes bij het restaurant Costa de Montseny, dat nog altijd lijkt te bestaan.

We gaan Spanje toch weer leuk vinden…

Een rij bij 7 (Set) Portes, een gebruikelijk dagelijks beeld voor dit klassieke, monumentale Catalaanse restaurant aan de haven van Barcelona. Locals, maar vooral toch toeristen ook. Een teken dat het weer wat beter gaat met het toerisme in Spanje? Na twee jaar van voortdurende dalingen is er in 2010 weer een kleine winst geboekt, wat aantal buitenlandse bezoekers betreft, al zal het nog enige tijd duren om de klap van 2009 te boven te komen. Na een record van 58,7 miljoen toeristen in 2007, daalde dat naar 57,2 miljoen in 2008 en volgde een jaar later de hecatombe: Spanje raakte nog eens vijf miljoen toeristen kwijt: 52,2 miljoen. De definitieve cijfers over vorig jaar zijn nog niet bekend, maar het aantal zal net boven de 53 miljoen komen te liggen.

En wie blijken het in 2010 het beste te hebben gedaan? Na Russen (bijna +20%) en Italianen (+11,7%) steeg het aantal Nederlanders het meest, met ruim 10%. Bijna 2,5 miljoen landgenoten zochten Spanje op, waarschijnlijk goed nieuws ook voor de talloze Nederlandse ondernemers, vooral in de toeristische wereld, die door het hele land in hun boerderijen, masías, hotelletjes en bars en restaurants keihard aan het werk zijn. Er zitten onder hen nogal wat lezers van dit blog, vandaar de opbeurende en lovende woorden; maar misschien zeggen zij wel dat 2010 toch óók weer een rampjaar was, want volgens mij is een ondernemer in de horeca of het toerisme nooit tevreden.

Nederlanders drinken meer wijn dan Spanjaarden

Het zal wel aan mijn opvoeding gelegen hebben, of aan de andere tijden die het toen waren, of aan een vader die altijd veel meer van bier dan van wijn heeft gehouden, maar ik kan me niet herinneren dat er vroeger ooit om kwart voor zes bij de gekookte aardappelen met draadjesvlees en bloemkool een fles wijn op tafel kwam. Ik bedoel: dertig, veertig jaar terug dronken we in Nederland nauwelijks wijn. Anders was het in Spanje: in de jaren zeventig dronken ze hier zeventig liter per persoon per jaar. Niet altijd even goede wijn -pas de laatste 15 jaar zijn er veel prestigieuze DO’s (denominación de origen) bijgekomen-, maar dat wijntje (met gazeuse er doorheen als de tafelwijn wel een erg stevig bocht was) hoorde er gewoon altijd bij.

Schrikbarend zijn dan ook de allerlaatste statistieken: dronk Spanje in 2000 nog slechts 35 liter wijn per persoon per jaar, afgelopen jaar is dat nóg eens met de helft gedaald en zitten ze op slechts 16 à 17 liter. In Europa drinken slechts de Noren minder, waarschijnlijk omdat het daar zo peperduur is (de wijn schenken ze er trouwens meestal uit vijf liter-pakken, en daar zitten goede bodega’s bij). Ter vergelijking: in 2009 dronk de Nederlander gemiddeld 21,7 liter. Weg dus met de mythe van nog geen tien jaar geleden: toen vertelden de Nederlandse Barça-voetballers Frank de Boer, Cocu en Koeman me dat zij in Spanje wijn hadden leren drinken, dat ze dat thuis in Nederland nooit hadden gedaan.

 De cijfers zijn extra zuur voor Spanje omdat het na Frankrijk en Italië het derde wijn producerende land van Europa is. En als je landgenoten al niet eens die wijn meer drinken, hoe raak je al die flessen dan kwijt op een steeds meer versplinterde internationale markt? Eén van de verklaringen voor die enorme teruggang is het gegroeide aantal alcoholcontroles in het verkeer. Vroeger bestonden die niet eens en toen reden, mede door die alcohol, meer dan 6.000 Spanjaarden per jaar zich dood. Nu is iedereen doodsbang voor die controles, is het aantal verkeersdoden naar minder dan 1.900 gedaald (in 2010) en komt er bij de lunch en het diner in restaurants en bij vrienden steeds minder wijn op tafel.

Ik zit trouwens, vrees ik, dik boven het gemiddelde van de jaarlijkse wijnconsumptie, zowel voor Spanjaarden als voor Nederlanders…