Auteursarchief: edwin

Onbekend's avatar

Over edwin

Schrijver, journalist, fotograaf. Woon en werk sinds 1988 in en rond Barcelona.

Een leuk museum, en nog gratis ook

caixaforum

Gratis.  Dat doet ’t vaak goed onder Nederlanders. Maar het is niet het enige argument om eens het CaixaForum te bezoeken. De mooi omgebouwde fabriek ligt een beetje uit het traditionele museum-circuit in het centrum van de stad en zal veel bezoekers van de fonteinen van Montjuïc nooit zijn opgevallen. Toch eens binnenlopen; geen rijen, geen kassa en altijd twee of drie tentoonstellingen tegelijk, zoals nu eentje over de collectie van Aga Khan. Zo’n expositie wordt tegelijk benut om allemaal lezingen over bijvoorbeeld de islam te houden.

Caixaforum, waarvan sinds kort ook een versie in Madrid is, is van spaarbank La Caixa. Ik schreef er eens een verhaal over, hoe zo’n bank miljoenen in sociale projecten en kunst stopt. (Het verhaal en de cijfers zijn van 2006, trouwens.) Voor de goede orde: lijkt in niets op de bank en het museum van Dirk Scheringa…

afa khan

Even een expositie meepikken. Zonder de drempel van een kassa, zonder de strenge blik van een portier, zonder de last van een entreekaartje. Gewoon, de roltrap af, ondergronds de verblindende witte entree van de oude, monumentale fabriek Casarramona in, en op eigen houtje zoek naar één van de drie grote expositieruimtes. Dat is CaixaForum, het culturele centrum van de grootste spaarbank van Spanje, aan de voet van de Montjuïc, de heuvel die in 1992 het middelpunt van de Olympische Spelen was. En het zijn niet de minste exposities die de laatste jaren, gratis, in de prachtig hervormde fabriek, te zien zijn geweest. De massacultuur van Dalí (die later ook in Boymans te zien was), Rodin en de revolutie van het beeldhouwen, de vormen van Escher, de geïllustreerde boeken van Matisse of, de laatste maanden, de beelden van Henry Moore. Een slechts kleine greep uit de minimaal zes exposities van beeldende kunst en fotografie die CaixaForum elk jaar wil herbergen. Deze winter krijgt het ‘cultureel centrum’ een evenknie in de hoofdstad van Spanje, het CaixaForum Madrid, in een oude electriciteitscentrale in de buurt van het Prado-museum, verbouwd door de architecten Herzog en De Meuron.

Sinds 1918 besteedt de Caixa de Pensions een deel van de winst van de bank aan, onder anderen, culturele projecten. Daarvoor werd een stichting in het leven geroepen, Fundació La Caixa, die in 1923 haar eerste bibliotheek opende. De Fundació maakt deel uit van een veel breder project, Obra Social geheten (Sociaal Werk), dat naast de cultuur vooral dat sociale gezicht van de rijke Catalaanse bankiers wil benadrukken. Ging er in 1918 nog, omgerekend, zo’n vijf euro van de jaarlijkse winst van de bank via de Fundació naar projecten voor het volk, in 1935 was dat 11.474 euro en dit jaar 303 miljoen. Vooral de laatste jaren is, met de duizelingwekkende groei van de winst van de bank, de jaarlijkse stijging enorm geweest. In 2004 had de Fundació nog een begroting van 184 miljoen, vorig jaar was dat 255. Daarvan gingen er 70,9 miljoen naar culturele activiteiten en 127,4 miljoen naar sociale werken. Vooral dat laatste bedrag zal enorm blijven groeien, terwijl dat voor de cultuur vrijwel gelijk zal blijven. Lees verder

De wind blaast harder dan 10 kerncentrales

windmolens © edwin winkels

Opvallend moment, vannacht in Spanje. Overal waait het deze dagen flink en daar maken de duizenden windmolens die door het hele land over tochtige plaatsen verspreid staan dankbaar gebruik van. Om 4.50 uur vannacht kwam liefst 45,1% van de energie die in heel Spanje werd gevraagd en dus geleverd van de wind, een record. Oké, om vijf uur ’s nachts is de vraag een stuk minder, maar óók om één uur vanmiddag leverden de molens nog altijd 32%. In aantallen megawatts, rond de 10.000, was dat ongeveer hetzelfde als in de nacht. Om dezelfde hoeveelheid energie te ontwikkelen zijn ongeveer 10 kerncentrales nodig.

windmolens © edwin winkelsSpanje heeft net als de meeste andere landen zijn windenergiepraken de laatste jaren sterk uitgebreid. Aanvankelijk kwamen de molens te staan op uitzonderlijk winderige plaatsen, zoals de kust bij Tarifa, waar een plaatselijke ondernemer cq. grondbezitter enorm rijk is geworden toen energiebedrijven de verder onbruikbare heuvels van hem wilden kopen. Inmiddels staat er voor 16.000 MW aan windmolens opgesteld, waarmee Spanje het derde land is na de VS (25.000) en Duitsland (24.000). Nou zullen sommigen denken: ja, maar in Nederland hebben we ook lange rijen van die molens staan, vooral in Flevoland. Veel levert dat echter nog niet op: vorig jaar was de capaciteit slechts 2.216 MW.

Nu heeft Nederland niet zoveel ruimte als het oneindige Spanje om dat soort gigantische parken te laten bouwen. En ook hier, in Spanje, zijn er protesten als het uitzicht van sommige bewoners ineens wordt onderbroken door die lange witte palen met drie wieken. Aan de andere kant beseffen de meesten dat het de toekomst is, de renovabele energie die niet eens een minimaal hoopje afval achterlaat. En soms, als de wind raast en de wolken openbreken, zijn de windmolens eigenlijk bedreigend mooi, zoals op de Catalaanse Serra de Montsant, op de weg van Reus naar Falset in de Priorat.

windmolens © edwin winkels

De platanen zijn vergast

gran via ©edwin winkels

Vroeger zag je in de straten van Barcelona bijna geen andere boom als op deze foto, vandaag genomen op een nog altijd zonnige Gran Vía, de straat die het paradijs is van de plataan (platanus hispanicus), omdat hij er zijn takken, zoals hij zo graag wil, wijd kan uitslaan. De plataan, volgens mij ook in Parijs heel erg veel te zien maar ook in de Nederlandse steden, leek de ideale stadsboom, vooral voor Mediterraanse metropolen: hij geeft veel welkome schaduw in de zomer en blijft makkelijk overeind op plaatsen waar toch beperkte ruimte voor zijn wortels was.

Maar zó stevig blijkt de plataan uiteindelijk niet. Althans in Barcelona niet. Duizenden zijn er ziek geworden, na tientallen jaren de uitlaatgassen van de auto’s te hebben geslikt. En als er dan nog droge zomers als deze bijkomen, kan het gebeuren dat ze ineens in augustus al een groot deel van hun bladeren verliezen. Hydrische stress heet dat. De plantsoenendienst kan ze toch niet allemaal water gaan geven: in de straten van Barcelona (dus de parken niet meegerekend) staan zo’n 154.000 bomen, waarvan er tussen de 40.000 en 50.000 nog platanen zijn. Een plantsoenendienst waarvoor het trouwens een heidens kwarwei is om de platanen regelmatige te snoeien…

diputacioBarcelona is daarom beetje bij beetje zijn platanen aan het vervangen. Op brede avenida’s als de Gran Vía zullen ze blijven (be)staan. Op andere plaatsen zijn steeds meer andere bomen te zien, vooral de iets kleinere, sierlijke almez (in het Spaans) of lledoner (in het Catalaans). Via de soortnaam Celtis australis kom ik bij de Nederlandse naam terecht, de Europese netelboom, eentje van de hennepfamilie trouwens. Hij is wat donkerder en groener dan de plataan en staat prachtig op pleintjes als Sant Felip Neri of Sant Agustí Vell, waar je op het terrasje van Joanet heerlijk onder die hoge bomen zit.

Andere bomen in het stadsbeeld van Barcelona? Voor de liefhebbers: de sófora (acacia), chopo (zwarte populier), tipuana (geen idee) of braquiquito (vuurboom).

Praten over de dood

P1020574

Met een dominee, een atheïst en een antropologe een uurtje op de radio praten over de dood, en het leven (?) erna, het lijden, euthanasie, en al het andere wat er voorbij komt. Naar aanleiding van Allerheiligen, de dag dat de kalender iedereen naar het kerkhof stuurt. Totaal onverzoenbare standpunten, natuurlijk. Maar het is niet fout, in het publiek praten over de dood. Het is één van de argumenten die ik altijd geef in de interviews over Mari’s Deseo Vivir, het boek, overal in Spanje te koop. Ik roep maar steeds dat  de dood in onze westerse, door katholieke en protestantse doembeelden overheerste maatschappij, nog té veel een taboe is. En dat zo’n boek, waarin de dood én het leven 280 pagina’s lang voortdurend aanwezig zijn, zo’n taboe een beetje zou kunnen doorbreken.

icoEn zo word je al snel een expert in de dood, omringd, enkele dagen eerder in het Catalaans Oncologisch Instituut, door artsen die er eigenlijk veel méér van weten, er dagelijks mee te maken hebben, een oncoloog en een specialist in paliatieve zorg.

Oók Spanje wordt steeds minder geloviger, de verplichting naar de kerk te gaan is er niet meer zoals onder een dictatuur. Inmiddels worden liefst 52% van de huwelijken búiten de kerk om gesloten, wat voor een vaak nog oer-katholiek land als dit heel veel is. Maar op het moment van de dood blijken de meeste mensen (of hun familie’s) tóch voor de zekerheid nog even bij de priester langs te willen: nog altijd is 95% van de begrafenissen een katholieke, door een priester geleide gebeurtenis, is 2% van andere geloofsovertuigingen en slechts 3% een niet-religieuze ceremonie…

Voeten zijn verhuisd

Korte dienstmededeling. De avonturen van mijn voeten (en ongetwijfeld die van anderen, in de nabije toekomst) zijn verhuisd naar hun eigen internationale weblog. Staan ze Het Barcelona-gevoel niet meer in de weg.

Voor de eventuele geïnteresseerden in poëzie met goed voetenwerk:  http://poetsonmyfeet.wordpress.com/

Big brother is waiting for you

telefono-movil

Onverwacht probleem voor ingedutte mensen die een mobiele telefoon met een Spaanse prepaid-kaart hebben, onder wie ongetwijfeld veel buitenlanders die hier een twee huis hebben of er overwinteren: volgende week maandag, 9 november, verliezen zij hun verbinding én hun nummer. Voor altijd. Althans, als zij zich in de afgelopen twee jaar niet hebben geïdentificeerd bij de provider en dus een duidelijke naam en adres aan die prepaid-kaart (hebben we daar een normaal Nederlands woord voor, eigenlijk, net zoals de prepago in het Spaans?) hebben verbonden.

In 2007 vaardigde de regering een nieuwe wet uit: om ernstige delicten beter te kunnen vervolgen, werd alle houders van een GSM-verbinding verplicht zich te identificeren. Zij (wij) met een contract staan al geregistreerd, maar die prepaid-kaarten waren altijd – tot de wet van kracht werd – anoniem over de toonbank gegaan. Van de 15,5 miljoen onbekende GSM-kaarthouders van twee jaar terug hebben 4 miljoen zich nog altijd niet geïdentificeerd. Zij komen dus maandag, als ze niet opschieten, zonder verbinding te zitten.

telefono-movil2De providers in Spanje hebben de regering nu gevraagd de mensen niet direct voor altijd hun nummer te laten verliezen. Zij vermoeden dat er veel oudere mensen onder de kaarthouders zijn die de waarschuwende SMS-jes die zijn verstuurd niet hebben gelezen. Het is nog wachten op een antwoord van de overheid, maar toch: héb je een Spaans 6-nummer (nee, géén 06 hier) via een anonieme kaart, meld je aan want Big brother is waiting for you.

Dubbel goud op Allerheiligen

panellets1

Dit, op de foto, is wat vandaag iedereen in Catalonië eet. Twee, of meer, panellets. Stervensduur, en dat is een goede benaming op een dag als Allerheiligen, een dag waarop de begraafplaatsen in heel Spanje een soort Kalverstraat zijn, extra politieagenten, file’s in de ochtendspits, van mensen die één keer per jaar hun overleden dierbaren (moeten) herdenken. Todos los Santos. Als de kalender van de kerk zegt dat we bloemen naar de doden moeten brengen, dan doen we dat. Massaal.

Maar zelfs een droevige dag hier gaat normaal gesproken gepaard met een gastronomisch hoogtepunt. De panellets. Er zijn verschillende soorten en vormen, met kokos, amandelen, tropische vruchten, maar de authentieke zijn deze op de foto, die met piñones, pijnboompitten. Zo’n 48 euro de kilo en omdat die kleine bolletjes – zo groot als een pingpongbal – zwaarder zijn dan ze lijken ben je voor zes ervan al snel vijf euro kwijt.

olivaresDe meest pure zijn gemaakt van marsepein, volgens religieuze recepten uit de zestiende of zeventiende eeuw. Maar er wordt, behalve suiker, ook wel eens aardappel of boniato (de zoete aardappel, bataat) ingestopt. Zijn goedkopere ingrediënten. Maar geven er ook een zachtere smaak aan. Een bom vol calorieën, die je hier samen met de kastanjes eet en wegspoelt met een glas zoete wijn.

Over zoete wijn gesproken. Zelden eentje geproefd die zo onweerstaanbaar lekker is als de Olivares uit Jumilla. ‘Wegspoelen’ is bij deze fles wel heel oneerbiedig gezegd. We kregen hem deze zomer als dessertwijn bij El Bulli en in elke slijterij waar ik hem sindsdien koop (15 tot 18 euro de fles, één van de beste alcoholische investeringen die je kunt doen) zegt de baas dezelfde woorden: ‘Dit is goud’. Goud is het, de slome dieprode drank van de monastrell-druif uit deze streek, Jumilla, tussen Albacete, Murcia en Alicante. Goud. En samen met de panellets, dubbel goud.

Dieselmotoren die hijgen in je nek

De camera trilt nogal, met elastiekjes vastgebonden op het stuur, bij zo’n 50 kilometer per uur. Het zijn maar een paar van de, ongeveer, 105 bochten van de Costas del Garraf, op mijn bijna dagelijkse tocht (nou ja, twee, drie keer per week) van huis naar het werk. Afdalingen zijn momenten van een beetje bijkomen van het klimmetje ervoor, maar ook van opperste concentratie op een weg die, dat wel, een stuk veiliger is geworden. Vangrails over de volle 15 kilometer (meestal van beton, in plaats van wat houten hekjes vroeger) en één lange doortrokken streep; inhalen is, in tegenstelling tot vroeger, de hele route lang verboden, ook op de korte rechte stukjes waar je vroeger een soort Russische roulette met de mogelijke plots opdoemende tegenliggers speelde. Trouwens, vanaf de fiets zie je pas goed hoe diep het aan de andere kant van de vangrail is…

steengroeve garrafDe andere grote plaag is gebleven, de steengroeve’s die niet alleen een diep litteken in het landschap achterlaten, maar ook deze smalle weg laten vollopen met vrachtwagens vol stenen, cementmolens en vooral veel ongeduld. Voordeel is wel dat je op de fiets in de afdalingen iets sneller dan die mastodonten gaat, maar de grote dieselmotoren in je nek horen hijgen blijft een onplezierige ervaring.

Columbus was een Catalaan

columbus BCN ©Sergio Lainz

De discussie is zo oud als de ontdekking van Amerika. daarom ook de titel van het boek dat in Barcelona is gepresenteerd, en waar de Catalanen natuurlijk héél erg blij mee zijn. Columbus, 500 jaar bedrog. Waarom wordt de Catalaanse afkomst van de ontdekker van Amerika verzwegen? De oorspronkelijke, Engelse titel van het boek van de Amerikaanse wetenschapper Charles J. Merrill is wat minder nationalistisch: Colom of Catalonia: Origins of Christopher Columbus. Hij heeft trouwens 18 jaar over het boek gedaan.

Merrill komt met talloze aanwijzingen die volgens hem en vele anderen voldoende zouden moeten zijn om de eerste zin over Columbus in de school- en geschiedenisboeken voorgoed te wijzigen: geboren in 1451 in Genua, Italië. Als Italiaan in Spaanse dienst zou hij in 1492 Amerika hebben ontdekt.

columbus amerikaNee dus. De naam is volgens Merrill al één van de belangrijkste aanwijzingen. In oude documenten verschijnt de ontdekker en zeevaarder altijd als Colomo of Colón, de verspaansing van de Catalaanse achternaam Colom. In ieder geval is hij nergens Colombo, de Italiaanse variant.

Columbus had het bovendien over de Reyes Católicos, die hem op pad stuurden, als ‘mijn natuurlijke heren’; die koningen heersten vanuit Aragón ook over Catalonië. Niettemin leefden Columbus en dat koningspaar in onmin, omdat de ontdekker eens met een opposant tegen hen had gestreden; toen hij met zijn drie schepen op pad ging en een dergelijke belangrijke ontdekking deed, wilden de Reyes Católicos de eer niet aan zo’n opstandige Catalaan geven en verzonnen zij dat hij uit Genua kwam, aldus Merrill.

Een derde indicatie van zijn liefde voor Catalonië, waar hij verder nooit woonde trouwens, is dat hij sommigen eilanden die hij ontdekte een Catalaanse naam meegaf, zoals het caribische Montserrat. Zelf heeft Columbus/Colom/Colón/Colombo trouwens nooit gezegd waar hij nou vandaan kwam…

In één uur in de skigebieden

tunnel cadi

Dat je vanuit Barcelona, vanaf het strand dus, binnen een uur in de eerste echte skigebieden (La Molina-Masella) kunt komen is te danken aan de Túnel de Cadí. Dit weekeinde wordt herdacht dat die tunnel, om middernacht tussen 30 en 31 oktober, precies 25 jaar geleden werd geopend. De bergen werden ontsloten, de streek Cerdanya een paradijs van tweede woningen voor vooral welgestelde Barcelonezen en de hoogste bergtoppen, die in Andorra, lagen ineens op minder dan twee uur met de auto, de afgrijselijke file’s in het al even deprimerende hoofdstadje Andorra la Vella even buiten beschouwing latend; of de in mooie winter- dus ski-weekeinden verstopte toevoerweg vanuit la Seu d’Urgell naar Andorra.

cadi2De vijf kilometer lange tunnel doorklieft het natuurpark Cadí-Moixeró, een lange tijd onneembare barrière waarover niet één fatsoenlijk weggetje loopt. Vroeger moesten de mensen daarom over heel andere (om)wegen richting de Pyreneeën. De meest gebruikelijke was de oostelijke route over Vic, Ripoll en Ribes de Freser, en daarna de prachtige, maar wel oneindig lange Collada de Toses, een voortdurend kronkelende bergweg. De andere, westelijk door het binnenland via Ponts en de Coll de Nargó, is nog altijd een weg die veel mensen nemen om naar Andorra te rijden en de tol van de Cadí te omzeilen; bovendien is het een veel minder drukke weg. Tussen de ene en de andere route ligt hemelsbreed meer dan 70 kilometer en daar was tot 1984 dus helemaal niets.

dorria tosesMaar vooral de Collada de Toses is aan te raden voor reizigers die geen haast hebben. Ik blijf het een prachtige weg vinden, precies langs de Pyreneeën. Was er jaren geleden eens voor een verhaal over de hoogste, nog bewoonde dorpjes in Catalonië. Dorria, precies halverwege de Collada, op het hoogste punt ook, was er één van. Op 1.560 meter woonde nog één echtpaar, met wat honden en schapen. Conchita wilde niet met haar door wind, sneeuw en kou getekende gezicht op de foto. Vroeger zei ze, gingen hun kinderen er lopend naar school, naar een dorp in het dal. Anderhalf uur duurde de weg terug, bergop. Maar hun kinderen zijn naar de stad verhuisd, naar Barcelona. Een leegloop die zoveel van dit soort dorpjes heeft getroffen.

P.S. Ski-liefhebbers moeten nog even wachten. Het is nu 27 graden in de Pyreneeën, met bovendien het fenomeen van de ‘thermische inversie’: in de dalen, vaak bedekt door mist, is het kouder dan op de bergtoppen.