Auteursarchief: edwin

Onbekend's avatar

Over edwin

Schrijver, journalist, fotograaf. Woon en werk sinds 1988 in en rond Barcelona.

Jazz bij de kasteelheer aan de Costa Brava

Deze week een mailtje gestuurd naar Albert Diks, kasteelheer in Bisbal d’Empordà, waar hij en zijn Margo jaren geleden het Middeleeuwse Castell d’Empordà kochten, opknapten en transformeerden in een wonderbaarlijk mooi hotel en restaurant. De mail moest gaan over het tweede Nederlandse Jazz-festival dat Diks, jazz-liefhebber, net als vorig jaar in de kelder van het kasteel organiseert. Vorig jaar kon ik helaas niet op één van de mooie vrijdagavonden waarop de concerten van, dit keer, Zuco103, Ruben Hein, Michiel Bortslap, Hans Dulfer, Eric Vaarzon Morel, Rob van de Wouw, Benjamin Herman met zijn band en good old Rita Reys (zij is iets duurder dan de rest, 20€ ipv de zeer schappelijke 12€) zullen plaatsvinden. Zal het dit jaar goedmaken, en daar ging die mail over.

Albert heeft nog niet geantwoord, want hij zal het wel druk hebben. Want ik had mijn mail nog niet vertstuurd of ik las het bericht/gerucht dat Nederlands populairste tortelduifjes (duifjes, want in lengte blinkt het stel niet echt uit) in het normaal bloedhete augustus in het Castell d’Empordà gaan trouwen. Ik had met de Nederlandse kasteelheer te doen; niet om die bruiloft, want dat is altijd mooie publiciteit, maar om de stroom van telefoontjes van roze nieuwsjagers die wat meer willen weten. Diks bevestigde trouwens niets.

Wrang, trouwens, dat je beroemder wordt door een eenmalig huwelijk dan door jarenlange gastvrijheid of een jaarlijks jazzfestival…

Dode dorpen zonder kinderen

Op reportage in la Catalunya profunda, van die plaatsen waar je bijna nooit komt, omdat er gewoon niets te zoeken is. Niemand komt er en iedereen vertrekt er, dat is hun grote probleem. En dit gebied, tussen de snelweg AP-2 en de autoweg A-2 (beide van Barcelona naar Lleida), is niet eens zo enorm afgelegen, heeft een paar redelijke stadjes (Tàrrega en Cervera) in de buurt, maar raakt toch volledig ontvolkt. Het is het gebied in Catalonië waar de minste kinderen wonen. In Passanant, op de foto boven, staan er nog zeven geregistreerd, op een totale bevolking van 175. Maar in het nabijgelegen Forès zijn het er nul, niks. Alleen maar oudere mensen.

De gemiddelde statiestiek voor heel Catalonië is dat er 15% kinderen tot 15 jaar wonen, 69% aan mensen tussen de 15 en 64 jaar en 16% ouderen dan 60. Maar in deze dorpen en streken zijn de verhoudingen 5-60-35.

Zo weinig kinderen zijn er, dat de meeste dorpen geen school meer hebben. Deze, links, is het schooltje van Guimerà. In totaal wordt er aan negen kinderen les gegeven, van een 3-jarige peuter tot een 11-jarig jochie dat na de zomer naar de middelbare school, 20 kilometer verderop, moet. Twee jaar terug woonde hij nog in Barcelona, nu verveelt hij zich dood; er is geen leeftijdgenoot om mee te spelen. Negen kinderen, één vaste juffrouw/directrice en verder ‘reizende leerkrachten’ met bepaalde specialisaties (Engels, gym) die deze ‘landbouwscholen’ langsgaan om er les te geven.

In Zuid-Spanje bruisen zelfs dit soort dorpen nog van leven, is iedereen er altijd op straat, mede dankzij het zachte weer. Maar hier, in maart, kun je een uur door kleine, soms prachtige, stokoude straatjes lopen zonder er iemand tegen te komen. En ineens zie je een vent in zijn garage staan, de slaap nog in zijn ogen, en die verhaalt je van hoe het vroeger was, toen er nog drie bakkers, drie ijzersmeden en twee kleine supermarktjes waren. Nu is er slechts nog een bar, maar die gaat alleen maar in het weekeinde open. ‘Zonder bar is er zelfs voor ons gepensioneerden,’ zei Joan (op de foto onder), ‘hier helemaal niets te doen.’

Het whiskyparadijs

Goud blinkt er vanaf de muren. Dit zijn alleen maar de flessen achter de bar waaruit per glas geschonken kan worden. De rest van het enorme interieur van de Snooker aan Roger de Lluria, op een steenworp van het Plaça de Catalunya, staat vol met ongelooflijke flessen whisky uit de hele wereld. Ja, de wereld, want er komt ook whisky uit Japan en Bangalore (India). Maar dat zijn slechts curiositeiten in verhouding met het oorspronkelijke goud van de Britse eilanden.

Eigenaar Nicolás Pacielo is zelf liefhebber van de malt. Daarom twijfelde hij geen moment toen hij twee jaar terug het volgens hem meest bijzondere exemplaar uit zijn collectie kon kopen, de unieke Glenfiddich van 50 jaar oud. Er werden slechts 500 flessen van gebotteld (de whisky heeft die 50 jaar staan rijpen, was dus nooit eerder in de verkoop) en de fles kostte Pacielo 7.500 euro. Vorig jaar voegde Pacielo daar een collectors item van Johnnie Walker aan toe, vijf bijzondere flessen voor 5.000 euro om het 100-jarige bestaan van het ‘wandelende mannetje’ op de fles te vieren.

Maar voor de leek, die Johnnie Walker en Glenfiddich natuurlijk al wel kende, is het vooral mooi te zien hoe ongelooflijk veel verschillende merken whisky er bestaan en hoe mooi dat goed glinstert als je ze allemaal, elk met hun eigen etiket, naast elkaar zet. De collectie in de Snooker is, met zo’n 2.000 flessen, één van de grootste van Spanje. En het is niet alleen een museum om naar te kijken: je kunt de flessen ook kopen. En opdrinken.

Oh ja, je kunt natuurlijk ook nog een biljartje leggen, iets wat de laatste tijd uiterst populair blijkt bij de giechelende Chinese jeugd uit Barcelona.

Kuieren en eten achter de Rambla

Soms moet je af en toe even over de Rambla lopen (of Ramblas, voor de toeristen) om je mening te bevestigen dat er nog steeds geen spannende, nieuwe dingen gebeuren die op een betere toekomst duiden. Dus verlaat je de altijd drukke promenade maar weer en kuier je door één van je favoriete straatjes, nog geen 100 meter verderop evenwijdig aan de Rambla en duizend keer rustiger. De Carrer d’Avinyó was vroeger één van de sjieke herenstraten van de stad, net als, iets verderop, de straten Lledó en Montcada.

Ze zeggen dat op één van de hoeken in Avinyó twee eeuwen geleden al een Gran Café zat. Het huidige restaurant is een stuk recenter, maar ziet er van binnen uit alsof je terugkeert naar begin 20ste eeuw, wat inmiddels al heel erg lang geleden is. En al komen er vrij veel toeristen: je eet er uitstekend, zeer Catalaans ook, met een modern snufje, en voor redelijk weinig geld. Nico, één van mijn tafelgenoten en als francofiel gek op schimmelkazen, smulde van de kalfshaasmedaillons in een saus van Cabrales, de grootste stinkerd onder de Spaanse kazen.

Het Gran Café is één van de vele geslaagde utivindingen van één van de belangrijkste horeca-groepen in Barcelona, de Grup Cacheiro, die in 1993 begon de stad te veroveren met een succes-concept van grote zaken die de hele dag door open zijn en op de meest strategische plaatsen zijn gevestigd. Ba-ba-ree-ba aan de Passeig de Gràcia was de eerste, maar is inmiddels door de groep verkocht. Maar eet je bij Tramoia, Tenorio, Trobador, La Pulpería, Telirium, Benedictus of Divinus, dan eet je bij de man die in 2008 liefst 50 miljoen euro omzette.

De zondagmiddagwals

Zondag, 18 uur, Portal de l’Angel, van maandag tot en met zaterdag de drukste winkelstraat van Barcelona. Hugo staat al klaar, zoals op elke zondagmiddag om deze tijd (hier hebben we het tot acht uur over ‘middag’, geheel in de stijl van het levensritme en de andere indeling van de dag), met zijn opgenomen muziek én een gitaar. Het was eindelijk weer eens een mooie zondagmiddag, met een ondergaande zon die over de majestueuze Passeig de Gràcia te zien was, door de takken van de ontbladerde bomen heen.

Een tiental stellen komt trouw bijeen op de grootste dansvloer van Barcelona; soms komen er nieuwe paren bij, anderen komen ineens niet meer terug. Dood? Ze zijn niet de jongsten meer, hebben waarschijnlijk geen zin meer in een ouderwetse danssalon, waar nog altijd genoeg middagen en avonden voor de gepensioneerden worden georganiseerd. Dit is op straat, en voor de ogen van nieuwsgierige passanten rijgen zij de ene na de andere wals aaneen. Onder Franco mochten ze dit nooit doen, natuurlijk.

 De specialiteit van Hugo, een Argentijnse straatmuzikant, is de Creoolse wals: een afleiding van de Europese wals die door de Spanjaarden tijdens hun verovering van Latijns Amerika daar werd geïmporteerd. De wals bleef slechts in Peru hangen, en heet nu Peruaanse of Creoolse wals.

Zondagmiddag, 18 uur, hartje Barcelona. Het is gezellig druk in de stad, die nooit uitgestorven lijkt. Zélfs niet op zondagmiddag…

Op zoek naar boer Martin in het hart van Galicië

verfondern3 verfondern verdondern6 (c)faro de vigoRuim vier jaar na zijn mysterieuze verdwijning is de zaak rond de Nederlandse boer Martin Verfondern door puur toeval in een stroomversnelling geraakt. Vorige week werd zijn auto gevonden, goed verstopt en half verbrand in de bossen op nog geen 15 kilometer van zijn boerderij. Deze zaterdag werden ook menselijke resten in een omtrek van 100 meter gevonden, plus de deels verbrande laptop van Martin en een mobiele telefoon die niet van hem is en mogelijk naar de vermoedelijke moordenaar kan leiden. Want daar gaat de politie nu zeker van uit: dit was geen vrijwillige verdwijning, maar moord door iemand die de omgeving heel goed kende en de auto via berg- en landweggetjes naar een berg leidde waar nooit iemand komt. Een bosbrand, vorige week, en een inspectie vanuit een helicopter door agenten van de Guardia Civil brachten de grote terreinwagen aan het licht, half verborgen onder het struikgewas. Hieronder het verhaal van begin 2010, over hoe het ideaal van Martin, uit Krommenie, en zijn van oorsprong Duitse vrouw Margo – die op de dag van Martins verdwijnen op familiebezoek in Duitsland was – een vermoedelijk gewelddadig einde beleefde.

Op 19 januari geleden verdween Martin Verfondern van de groene aardbodem in de provincie Ourense, in het noordwesten van Spanje. De Nederlander was met zijn grote, oude terreinwagen op weg naar zijn boerderij, waar hij nooit arriveerde. Een ongeluk? Slachtoffer van een misdrijf? Een uit de hand gelopen burenruzie? Martin noch zijn auto zijn ondanks speuracties met helicopters en duikers gevonden. Vanuit de boerderij gaat zijn echtgenote Margo Pool bijna elke dag nog naar hem op zoek.

De weg is zo’n 10 kilometer lang, behoorlijk bochtig nadat hij het hoogste punt van de heuvel heeft bereikt, met rechts de steile afgrond richting de vallei. ,,Iedereen zegt: zo’n grote auto moet sporen hebben nagelaten. Maar dat hoeft niet, de brem richt zich gelijk weer op. Er zijn nog genoeg plekken, diep in het ravijn, die je vanuit een helicopter niet kunt zien en waar hij zou kunnen liggen”, zegt Margo Pool.

Hij, dat is Martin Verfondern, haar man. Met zijn Ford Bronco  Chevrolet Blazer, de door 20 jaar ouderdom geteisterde terreinwagen. Na een maand vruchteloos speuren met alle mogelijke middelen heeft de Spaanse politie het vrijwel opgegeven. El holandés is spoorloos verdwenen. Margo accepteert inmiddels dat hij wel ‘ergens dood in de bergen’ zal liggen, maar wil zekerheid. “Als er even tijd is, ga ik op zoek, op plaatsen waar niemand misschien nog gekeken heeft.”

Moeilijk begaanbare plaatsen, dichtbegroeide bergwanden rond Santoalla, in het hart van Galicië, één van die vele gaten die het einde van de wereld kunnen zijn. Santoalla, of Santa Eulalia, ligt aan het einde van een doodlopende weg. Margo en Martin ontdekten het in 1998, hoorden dat er een huis te koop stond en besloten definitief te vertrekken uit Krommenie.

Van de 40 huizen in Santoalla verkeren er 38 in staat van ruïne. Het enige andere bewoonde huis is van het bejaarde echtpaar Rodríguez en hun geestelijk gehandicapte zoon. Zij praten al acht jaar niet met de Nederlandse buren, sinds die een rechtszaak aanspanden om toestemming te krijgen de Monte Comunal, de ‘gemeenschappelijke berg’, mede te exploiteren. Het hout van de bomen is veel geld waard. De rechter gaf Verfondern en Pool gelijk, maar de buren zijn in hoger beroep gegaan.

Martin en Manuel Rodríguez hebben wel eens fysieke aanvaringen gehad. Martin brak een vinger, Manuel moest eens 35 dagen rust houden. De zoon van Manuel riep wel eens dat hij zijn geweer ging pakken. Zijn de rivalen elkaar die 19e januari op de smalle weg tegengekomen? Vooralsnog heeft de Guardia Civil de familie Rodríguez niet als verdachten op het oog. “Ik kan me ook niet voorstellen dat ze hem om zoiets zouden vermoorden,” zegt Margo. “Maar ja, in een dorp verderop is eens iemand zijn arm afgehakt met een sikkel, ook een burenruzie.”

Het Nederlandse stel leek nooit echt welkom in het archaïsche dorpje waar de tijd heeft stilgestaan. En helemaal niet sinds er regelmatig vrijwilligers komen om op de biologische boerderij te helpen, al zijn dat er hooguit vier per keer. De boerderij, met de ironische oer-Hollandse naam Ammehula (de Spaanse u spreek je als oe uit), is aangesloten bij de WWOOF, een wereldwijde organisatie die verblijven op biologische boerderijen aanbiedt. “Hier komen studenten, backpcakers uit de Verenigde Staten, maar ook artsen en advocaten om gedurende enkele weken te helpen en deze leefwijze te ontdekken,” zegt Margo.

Eén van die vrijwilligers was het die op 19 januari alarm sloeg, terwijl Margo zelf in Duitsland verbleef om een zieke oom van Martin te verzorgen. Martin was ‘s morgens boodschappen gaan doen bij de Lidl in O Barco, het hoofdplaatsje van de streek, 25 kilometer verderop. Op de terugweg stapte hij even het internetcafé van A Rúa in, maar de verbinding was er te slecht om de geplande mails te versturen. Om 13.20 werd hij nog in zijn auto op de enige rotonde van A Rúa gezien, en even later op het centrale plein van Petín, aan de overkant van het stuwmeer van Santiago. Daarvandaan was het nog 13 kilometer naar huis.

Margo vloog direkt naar Spanje toen ze hoorde dat haar Martin nooit was gearriveerd. Sindsdien heeft ze veel kunnen nadenken over wat er gebeurd kan zijn. “Ik ga uit van een ongeluk, maar dan had eigenlijk de wagen allang gevonden moeten zijn.” Natuurlijk heeft de politie haar gevraagd of Martin niet uit vrije wil is verdwenen, maar volgens Margo Pool is er helemaal niets dat er op wijst. “We hebben een goed huwelijk, in de eerste plaats. Verder had Martin net de hele wagen leeggehaald om die met hout te kunnen laden, hij had geen reserveband, geen olie, niets bij zich. En er is nooit geld van de rekening gehaald.”

Wel had Martin, die op 28 januari, negen dagen na zijn verdwijning, 51 jaar werd, behalve de boodschappen een laptop en een kleine digitale camera bij zich. Beroofd? Margo weet het niet, maar de doodstille weg van Petín naar Santolla is niet bepaald een roversnest. “Maar ja, in de hele wereld zijn slechte mensen.” Ze klinkt sterk, maar af en toe moeat ze huilen. Tranen helpen niet, zegt ze dan, om snel weer in de bossen op zoek te gaan. (AD / Edwin Winkels, 27/2/2010)

Herinneringen aan David Bisbal

“We sluiten de eerste les af met een persconferentie. David, kom even naar voren.”

“Ik? Doe een ander alsjeblieft.”

“Waarom?”

“Ik weet niet wat ik zeggen moet.”

“Ja, daarom juist. Dat gaan we je leren. Je medeleerlingen stellen je vragen, en jij antwoordt.”

“Ja, maar daar ben ik veel te verlegen voor. Ik ben niet zo goed in praten.”

Tijd voor een beetje autobombo, zoals ze dat hier noemen, iets wat tussen opscheppen en zelfverheerlijking in zit. Dit was, ongeveer, mijn eerste ontmoeting met David Bisbal. David wie? vragen de lezers in Nederland. Bisbal was niet de winnaar, maar wel in populariteit de grote triomfator van de eerste editie van Operación Triunfo, het Spaanse Idols, zeg maar, bedacht door Gestmusic-Endemol. Het is alweer acht jaar geleden, en van alle deelnemers – ook van de acht edities die daarna nog volgden – is Bisbal degene die het meeste succes heeft behaald.

Gisteren presenteerde Bisbal zijn dochtertje tegenover een peloton van fotografen in Miami, waar hij woont. Een beroemdheid dus. En dat verlegen jochie dat toen geen woord uit durfde te brengen tegenover zijn ‘klasgenoten’ van de Academia is al jaren een enorme ouwehoer, een Andalusische waterval van woorden, die altijd een woordje klaar heeft voor pers en fans.

Ik ga niet zeggen dat ik hem dat toen in vier maanden heb geleerd, als profesor de actualidad van Operación Triunfo. Maar het was de grote charme van die eerste editie: ze waren met z’n allen zo bedeesd, naïef ook, puur nog. Terwijl de groep al maanden letterlijk opgesloten zat zonder TV te mogen kijken of kranten te mogen lezen (ik kwam er om hen o.a. op de ‘nieuwe buitenwereld’ voor te bereiden), hadden de jongens en meiden geen idee wat een ongekend fenomeen zij aan het worden waren. Ze leerden hard en overtuigd en dachten geen moment aan de overstelpende faam die buiten op hen wachtte.

Het slotgala, de finaleavond waar een ander verlegen meisje, Rosa, de hoofdprijs won, werd bekeken door 12,87 miljoen mensen, 68% van iedereen die op dat moment voor de TV zat. Wij leraren mochten op de achtergrond meedansen en -zingen bij een liedje van al ‘onze’ leerlingen samen. Het was mijn enige jaargang op de beroemdste Academia van Spanje, maar niet alleen daarom zijn de volgende edities nooit meer zo’n succes geworden. De charmantische naïviteit was weg, omdat elke leerling nu wist hoe beroemd hij of zij wel niet kon worden. Maar niemand zoals die kleine David Bisbal.

De omgekeerde weg

Het was 1983. Tijdens mijn stage bij Het Vrije Volk schreef ik een grote reportage (het zou één van mijn eindexamenstukken worden) over de vliegtuigen vol Spaanse meisjes die naar Nederland kwamen (of naar Londen gingen) om te aborteren. We maakten het toen van dichtbij mee, vingen een vriendin op uit l’Hospitalet, net in de 20, een ongewenste zwangerschap waar je in Spanje op geen enkele verantwoorde manier een einde aan kon maken. We vergezelden haar tot de trappen van een kliniek aan de Amsterdamse Sarphatistraat, waar ze dezelfde meisjes tegenkwam die naast haar in het vliegtuig hadden gezeten. Ze keken bang, alsof ze op heterdaad betrapt konden worden. 

Twee jaar later, in 1985, werd abortus in Spanje gelegaliseerd, onder drie voorwaarden: zwangerschap als gevolg van verkrachting, misvormd foetus en ernstig risico voor de fysieke of psychische gezondheid van de vrouw. Vooral die laatste voorwaarde kon wel erg eenvoudig worden toegepast, wat er de laatste jaren toe heeft geleid dat de aborterende vrouwen juist de omgekeerde weg van die in 1983 aflegden: Nederlandse vrouwen kwamen naar Spanje omdat je hier, ‘in pyschische nood’, nog tot de 22ste week van zwangerschap kon aborteren, en soms werd ook dát nog opgerekt door, dat wel weer, gynaecologen die hun boekje te buiten gingen. (Eén beroemde uit Barcelona, twee jaar terug gearresteerd, wacht nog altijd op de rechtszaak.)

Die wet moest eens worden geactualiseerd, vond het kabinet, dat wegens de Wet op Gelijkheid voor de helft uit (jonge, leuke, vlotte, moderne) vrouwen bestaat – op de foto vier van hen, o.a. de minister van Gelijkheid – om een duidelijke termijn aan de abortus te stellen én om tegelijkertijd meisjes van 16 en 17 jaar in gelegenheid te stellen de aborteren en tienermoeders te voorkomen.

Zoiets gaat in het voor de helft nog oer-katholieke Spanje niet zonder slag of stoot. Bisschoppen en de PP organiseerden massademonstraties vóór het gezin en tégen de ‘kindermoord’, maar gisteren overwon de wet uiteindelijk de laatste drempel, die in de senaat. ‘Het feest van de dood’, kopt vandaag de katholieke ABC boven de foto van vrolijke vrouwelijke ministers. ‘Een wanvertoning,’ staat er even verderop.

Trouwens, via Google op zoek naar beelden van anti-abortus posters werd ik al direkt onwel: foto’s met heel veel bloed (de rest zal ik mijn lezers besparen) blijkt het favoriete argument van de conservatieven om de abortus te bestrijden.

Comedme la polla

Nederland had z’n beschamende moment met Pierre Kartner/Vader Abraham die geen winnaar wilde kiezen. Spanje overtrof die schaamte ruimschoots in de landelijke finale om een liedje voor het Eurovisie-songfestival te kiezen. John Cobra, één van de finalisten, wordt na een lachwekkende vertoning van iets wat op rap moet lijken uitgefloten door het publiek. Dit is wat er daarna gebeurt, héél erg Spaans, zo’n klein ventje dat zijn ‘grote’ paquete stevig vastpakt… Ze mogen het opeten, of, nog mooier, me suda la polla… 

Mag het Eurovisiesongfestival afgeschaft worden?

Gijón-Sevilla, over het pad van de Romeinen

Afgelopen zaterdag in AD Reiswereld, vandaag (exclusief, nou ja) op deze blog. Met enige maanden vertraging (op de Spaanse krant zeggen we dat zo’n verhaal in de ijskast ligt, in Nederland hebben we het over ‘op de plank’ liggen) de reportage over de wonderbaarlijke Zilverroute van Gijón naar Sevilla, en omgekeerd. Een zilverroute zonder zilver, trouwens…

Twee vroegere Romeinse wegen doorkruisen Spanje, het toenmalige Hispanië. Terwijl langs de zuid- en oostkust de Via Augusta nu de hoofdweg N-340 langs havensteden als Cadiz, Alicante, Cartagena, Tarragona en Barcelona is, volgt de Vía de la Plata een bij toeristen veel minder bekende route, van Sevilla naar Gijón, tegenwoordig de A-66. Een tocht door het spectaculaire Spaanse binnenland.

 EDWIN WINKELS

Vroeger leerden de Spaanse kinderen op school dat eeuwen geleden een eekhoorntje van Cádiz, het uiterlijke zuiden van het land, tot in de Pyreneeën kon komen, 1.100 kilometer noordelijker, zonder de grond te raken. Zoveel bomen, eiken vooral, stonden er in Spanje. Op lange stukken van de weg van Gijón naar Sevilla, een bijna rechte lijn door het westen van Spanje, daar waar 2100 jaar geleden Hispanië en Lusitanië in elkaar overgingen, is nog te zien hoe dat geweest moet zijn. Eerst hoge, deels begroeide bergen, de onweerstaanbare Picos de Europa, en daarna alleen maar bomen op groene glooiende heuvels.

Maar even vaak wordt duidelijk hoe de tijd, de erosie en de mens hun sporen hebben achtergelaten. Geen bomen meer, maar kilometerslange geel- en goudkleurige graanvelden. Niet minder overweldigend trouwens, die oneindigheid aan de horizon. Of olijfbomen die zo ver van elkaar zijn geplant dat een eekhoorntje nooit meer van de ene naar de andere zou kunnen springen. En wijnranken, steeds meer, daar waar een rivier de route kruist die de Romeinen ooit met grove stenen aanlegden.

De Ruta de la Plata. Letterlijk vertaald: de Zilverroute. Maar dat imposante pad waarover de Romeinen dat moeilijk toegankelijke deel van Spanje vanuit Hispalis (Sevilla) en Emerita Augusta (Mérida) ontsloten, zag nooit enig zilver voorbijkomen. Mijnen waren er wel, in de bergen bij Gijón en Astorga (een kleine plaats in de provincie León waar de oorspronkelijke Zilverroute eindigde), maar er kwam nooit enig edelmetaal uit. De naam Plata komt dan ook niet van het zilver, maar van het Arabische balat, dat staat voor een gepaveide weg, het fenomeen waarin de Romeinen keien waren.

Van de oorspronkelijke Romeinse weg zijn nog weinig sporen over. Geen hobbelige Via Appia in Spanje, waar eerst de Arabieren en daarna de christenen hun best deden alle sporen van hun voorgangers uit te wissen. Mérida is een goed voorbeeld, en een uitzondering tegelijk. Het was als hoofdstad van Lusitanië (het huidige Portugal) één van de drie grote Romeinse kapitalen op het Iberisch schiereiland, samen met Tarraco (Tarragona) en Corduba (Córdoba). Pas toen iemand in 1912 besloot te gaan graven onder de enorme vuilnisbelt net ten noorden van het centrum, werd ontdekt wat voor een eeuwenoude rijkdom die grond verborgen had gehouden.

Lees verder