Categorie archief: intussen, in Spanje

Corruptie op Mallorca

Als presidente van de Balearen ben je vooral de koning van Mallorca, paradijs van vakantiegangers, Duitse emigranten, mafiosi uit de hele wereld en beroemdheden als, op de foto, Michael Douglas en en zijn Zeta-Jones. Tussen hen in staan Jaume Matas en zijn vrouw, Maite Areal. Dit was in hun goede tijd, toen hij de gekozen premier van de groep eilanden was. Vandaag staan Matas, die ook nog minister van Milieu in de PP-regering van Aznar was (wrang, een ‘groene’ bewindsman die op Mallorca alle milieuwetten overtrad om huizen in mooie baaitjes te laten bouwen) en zijn vrouw voor de rechter in Palma. Liefst acht delicten worden hen ten laste gelegd, allemaal hebben ze te maken met corruptie.

Mallorca, zo is de laatste jaren uit talloze justitiële onderzoeken gebleken, is één groot corruptienest. Je hebt dat al snel, op zo’n eiland waar iedereen elkaar lijkt te kennen; althans, vooral de mensen die er de macht uitoefenen. Twee zaken springen eruit, in het proces tegen Matas: dit middeleeuwse paleisje in het hartje van Palma dat hij als premier voor 960.000 zwarte euro’s kocht terwijl de waarde minimaal 2,5 miljoen was. En de bouw van de wielerbaan, de Palma Arena, waarvan de kosten via talloze valse en dubbele facturen van 40 tot 110 miljoen euro  werden opgedreven; iedereen snoepte er wat van mee, behalve, zo zegt hij zelf, de Nederlandse architect Sander Douma, die het al vreemd vond hoe onwaarschijnlijk veel arbeiders en opzichters zich met de bouw bezighielden. Hij is in de zaak slechts als getuige gehoord.

Matas woont nu in de Verenigde Staten, adviseert daar grote hotelketens, en is even terug voor het grote proces. De PP heeft hem al in de steek gelaten, beseft ook wel dat er veel stront aan de Mallorcaanse knikker zit, en de toenmalige ‘koning van Mallorca’ wordt nu door zijn eilandgenoten op straat uitgescholden (althans, door het deel dat nog niet zelf door de corruptie is bevangen). Of-ie uiteindelijk ook ooit eens veroordeeld wordt, dat is in Spanje weer een heel andere zaak. Maar zo’n publiek proces tegen iemand die zich altijd onaantastbaar achtte voelt voor hem al als vernedering.

Trouwens, de Balearen zijn natuurlijk méér eilanden. Maar als premier kun je niet ook nog eens de ongekroonde koning van Ibiza worden. Dat is namelijk al sinds mensenheugenis bankier en oud-minister van Buitenlandse Zaken Abel Matutes. Maar dát is weer een heel ander verhaal…

Een (tweede) huis in Spanje?

Vandaag in de weekeindbijlage van het AD: Is dit hét moment een (tweede) huis in Spanje te kopen? Mijn eerste LinkedIn-reportage… Wat? Ja, in plaats van zelf allemaal makelaars in Spanje te zoeken, postte ik een bericht in twee groepen, Dutch in Spain en Ondernemen in Spanje op het LinkedIn-netwerk, en kreeg daar tientallen reacties op. Daarna met enkele van de respondenten nog persoonlijk contact gezocht, om de informatie te verdiepen. Bij deze de reportage, omdat het AD de verhalen niet meer op zijn eigen website publiceert:

In Spanje staan zo’n 3 miljoen woningen leeg. Een groot deel daarvan zijn vakantie- of weekendhuizen van Spanjaarden of buitenlanders die zij niet of nauwelijks gebruiken maar evenmin willen verkopen. Daarnaast staan zo’n 800.000 woningen te koop en zijn er nog 400.000 in aanbouw. Een overweldigend aanbod, maar de vraag is minimaal. Het juiste moment om nú een tweede huis in Spanje te kopen? Of nog een jaartje wachten? Beide opties zijn goed, zeggen de experts.

Door Edwin Winkels

Het halve land, van de grote steden tot bijna alle plaatsen aan de costa’s, geeft hetzelfde beeld. Enorme blokken woningen, zowel flats als rijtjeshuisjes met tuin die er gloednieuw uitzien, één of twee jaar geleden zijn opgeleverd, maar allemaal leeg staan. Of, triester nog, waar één gezin een tijdje terug wel een woning kocht, waarschijnlijk tegen een veel te hoge prijs, en die familie woont nu volledig alleen in een verlaten spookflat. En omdat er geen andere kopers zijn, er dus nauwelijks servicekosten worden betaald en de bouwer misschien op het randje van faillisement zit, of al daar overheen is gevallen, worden gemeenschappelijke tuin en zwembad niet onderhouden.

En venta of se vende staat er op tienduizenden flats te lezen. Geen straat, geen blok ontkomt eraan. Sommige van die affiches hangen er al jaren, maar de eigenaars lijken vaak niet in hun prijs ver omlaag te willen gaan om het kwijt te raken. Vaak is de noodzaak ook niet zo groot: vooral appartementen en tweede huisjes aan de kust uit de jaren tachtig en negentig zijn allang afbetaald. Verhuren voor de zomermaanden blijkt dan een goede optie.

Kust, steden, binnenland… De huizenmarkt is in Spanje onmogelijk onder één noemer of gezamenlijke statistiek te brengen. In februari daalde de gemiddelde prijs per vierkante meter van een woning tot 2.114 euro. Maar dat betekent niet dat overal aan de costa’s een nieuw appartement van 70 vierkante meter iets minder dan 150.000 euro kost. De prijzen verschillen enorm per kust, per dorpje zelfs, per straat, per woning.

Lees verder

Valencia staat in brand

Spanjaarden zijn gek op vuur. Volgens mij is Spanje na China het grootste vuurwerkland, met heuse specialisten die door het hele land (en in het buitenland) worden uitgenodigd om een vuurwerkshow op te voeren. En binnen Spanje komt het meeste vuur weer uit Valencia en omgeving. En vuur zal je zien, als je deze week in Valencia bent. Overal.

Morgen, maandag 15 maart, beginnen officieel de fallas,  de vijf dagen waarin Valencia volledig op zijn kop staat, de week waarin nauwelijks geslapen wordt. De fallas zijn voor Valencia als het carnaval voor Río, als de stierenrennen voor Pamplona. Zoek je in het woordenboek naar fallas dan kom je onder anderen het Sint Jozefs-vuur tegen. Dat is ook de oorsprong, zoals altijd in Spanje religieus van aard: op 19 maart is het Sant Josep.

Maar waarom dan dat vuur, elke avond, overal in de stad brandstapels? Sint Jozef is, natuurlijk, de beschermheilige van de timmermannen. En die timmerlieden verbrandden soms hun overgebleven hout, dat zij nergens meer voor konden gebruiken. In de winter waren die kleine brandstapels bovendien een welkome verwarming in of buiten de werkplaatsen.

Van gewoon een stapel hout veranderde de brandstapel in de loop der jaren in een serie figuren, altijd met een verhaal erachter. Vroeger werden ze van was gemaakt, want dat brandt als een fakkel, maar dat is zo zwaar dat je er niet de prachtige figuren van nu mee kunt maken. Dus is nu de witte kurk, ultralicht en goed brandbaar ook, de basis van de brandstapels.

De figuren hebben meestal met de actualiteit te maken. Elke wijk, elk straat soms, kiest een onderwerp uit en geeft een kunstenaar opdracht er een mooie karikatuur van te maken. De politici zijn natuurlijk de meest ideale slachtoffers; meestal een genot om die in spectaculaire vlammen te zien opgaan. Twee jaar geleden hadden de fallas ook een Nederlands tintje, toen Ronald Koeman de weinig succesvolle trainer van Valencia was. Koeman, werd – niet erg goed gelijkend trouwens, een jongere en magerder versie zeg maar – afgebeeld als marionet van de toenmalige voorzitter en met in zijn handen de hoofden van twee opstandige spelers die hij, in opdracht van die voorzitter, geen plaats meer in de selectie zou hebben gegeven.

Het programma van de fallas is zo overweldigend dat het moeilijk is te zeggen waar je wanneer moet zijn. Het verrassendst, en indrukwekkendst voor de Valencianen zelf, zijn de mascletás, ongelooflijk lange megeduizendklappers die gedurende vijf, zes, zeven minuten voor oorverdovend lawaai zorgen. Op verschillende websites als www.fallas.es en www.fallasvalencia.es is, in het Spaans, het programma te bekijken. En hieronder een video van de eerste officiële mascletá van dit jaar – want die beginnen al eerder dna het feest zelf. Linksboven in het beeld de decibellenmeter: hoe harder, hoe mooier… Kijk vooral naar de laatste minuut; wát een extatisch kabaal.

De schrijver stierf eerst, nu de man

Twee uitspraken van Miguel Delibes, de ultieme vertegenwoordiger van het perfecte castellano, gisteren overleden op 89-jarige leeftijd. Eén van Spanje’s grootsten, en dan toch zo bescheiden. (Kan maar één boek van hem in het Nederlands vinden, Ketter. Én ik deel, heel trots, pagina’s met hem in het recente Mijn geliefde fiets.)

“Een roman heeft tenminste een man, een landschap en een passie nodig.”

Hij schreef al jaren niet meer.

“De schrijver in mij is eerder gestorven dan de man.”

Nu is ook de man gestorven. Het landschap blijft.

Het is donker en koud in Lloret

Een recepcioniste van het hotel dat de gasten met handschoenen aan ontvangt. Restaurants en bars die niet meer opengaan. Toeristen die doelloos op straat zwerven, op zoek naar de stralen van de zon die hen nog een beetje opwarmen. Bewoners die geen verwarming hebben, niet kunnen koken en om half acht in bed liggen omdat ze verder toch niets kunnen doen.

Het is zwaar in Lloret de Mar, deze dagen. Toen maandag een heuse sneeuwstorm de kust overviel, werden ook enkele grote electriciteitslijnen beschadigd. Lloret zit sinds die maandagmiddag zonder stroom, en ook Girona, Platja d’Aro, Sant Feliu de Guíxols zijn gedeeltelijk getroffen. Maar in Lloret ontsnapt niemand, niets aan het zwarte gat.

Enkele uren zonder stroom is hinderlijk, één dag bijzonder vervelend. Nu duurt het al 48 uur en de verwachtingen zijn niet hoopvol. De boel blijkt nauwelijks te repareren, er moeten allemaal noodaggregaten van buiten komen en het grootste deel van het dorp zal tot vrijdag of misschien zelfs maandag geen electra hebben. En we doen álles met electriciteit, tegenwoordig. Zelfs de bankautomaten liggen eruit. ’s Nachts is het pikkedonker op straat.

Tot overmaat van ramp ligt ook een deel van het GSM-netwerk er nog uit en hebben sommige wijken in de bergen evenmin water. Totaal geïsoleerd voelen de bewoners zich. Hulpeloos en radeloos ook. Kleine familiedrama’s spelen zich af. Ik kwam vandaag een Oostenrijks-Duits stel tegen. Gertrund gaat vrijdag op reis, had voor een hele week eten voor haar man gekookt. De bakkies staan in de vriezer, maar die is inmiddels volledig ontdooid. Zal Werner zelf wat eitjes moeten gaan bakken.

Dode dorpen zonder kinderen

Op reportage in la Catalunya profunda, van die plaatsen waar je bijna nooit komt, omdat er gewoon niets te zoeken is. Niemand komt er en iedereen vertrekt er, dat is hun grote probleem. En dit gebied, tussen de snelweg AP-2 en de autoweg A-2 (beide van Barcelona naar Lleida), is niet eens zo enorm afgelegen, heeft een paar redelijke stadjes (Tàrrega en Cervera) in de buurt, maar raakt toch volledig ontvolkt. Het is het gebied in Catalonië waar de minste kinderen wonen. In Passanant, op de foto boven, staan er nog zeven geregistreerd, op een totale bevolking van 175. Maar in het nabijgelegen Forès zijn het er nul, niks. Alleen maar oudere mensen.

De gemiddelde statiestiek voor heel Catalonië is dat er 15% kinderen tot 15 jaar wonen, 69% aan mensen tussen de 15 en 64 jaar en 16% ouderen dan 60. Maar in deze dorpen en streken zijn de verhoudingen 5-60-35.

Zo weinig kinderen zijn er, dat de meeste dorpen geen school meer hebben. Deze, links, is het schooltje van Guimerà. In totaal wordt er aan negen kinderen les gegeven, van een 3-jarige peuter tot een 11-jarig jochie dat na de zomer naar de middelbare school, 20 kilometer verderop, moet. Twee jaar terug woonde hij nog in Barcelona, nu verveelt hij zich dood; er is geen leeftijdgenoot om mee te spelen. Negen kinderen, één vaste juffrouw/directrice en verder ‘reizende leerkrachten’ met bepaalde specialisaties (Engels, gym) die deze ‘landbouwscholen’ langsgaan om er les te geven.

In Zuid-Spanje bruisen zelfs dit soort dorpen nog van leven, is iedereen er altijd op straat, mede dankzij het zachte weer. Maar hier, in maart, kun je een uur door kleine, soms prachtige, stokoude straatjes lopen zonder er iemand tegen te komen. En ineens zie je een vent in zijn garage staan, de slaap nog in zijn ogen, en die verhaalt je van hoe het vroeger was, toen er nog drie bakkers, drie ijzersmeden en twee kleine supermarktjes waren. Nu is er slechts nog een bar, maar die gaat alleen maar in het weekeinde open. ‘Zonder bar is er zelfs voor ons gepensioneerden,’ zei Joan (op de foto onder), ‘hier helemaal niets te doen.’

Herinneringen aan David Bisbal

“We sluiten de eerste les af met een persconferentie. David, kom even naar voren.”

“Ik? Doe een ander alsjeblieft.”

“Waarom?”

“Ik weet niet wat ik zeggen moet.”

“Ja, daarom juist. Dat gaan we je leren. Je medeleerlingen stellen je vragen, en jij antwoordt.”

“Ja, maar daar ben ik veel te verlegen voor. Ik ben niet zo goed in praten.”

Tijd voor een beetje autobombo, zoals ze dat hier noemen, iets wat tussen opscheppen en zelfverheerlijking in zit. Dit was, ongeveer, mijn eerste ontmoeting met David Bisbal. David wie? vragen de lezers in Nederland. Bisbal was niet de winnaar, maar wel in populariteit de grote triomfator van de eerste editie van Operación Triunfo, het Spaanse Idols, zeg maar, bedacht door Gestmusic-Endemol. Het is alweer acht jaar geleden, en van alle deelnemers – ook van de acht edities die daarna nog volgden – is Bisbal degene die het meeste succes heeft behaald.

Gisteren presenteerde Bisbal zijn dochtertje tegenover een peloton van fotografen in Miami, waar hij woont. Een beroemdheid dus. En dat verlegen jochie dat toen geen woord uit durfde te brengen tegenover zijn ‘klasgenoten’ van de Academia is al jaren een enorme ouwehoer, een Andalusische waterval van woorden, die altijd een woordje klaar heeft voor pers en fans.

Ik ga niet zeggen dat ik hem dat toen in vier maanden heb geleerd, als profesor de actualidad van Operación Triunfo. Maar het was de grote charme van die eerste editie: ze waren met z’n allen zo bedeesd, naïef ook, puur nog. Terwijl de groep al maanden letterlijk opgesloten zat zonder TV te mogen kijken of kranten te mogen lezen (ik kwam er om hen o.a. op de ‘nieuwe buitenwereld’ voor te bereiden), hadden de jongens en meiden geen idee wat een ongekend fenomeen zij aan het worden waren. Ze leerden hard en overtuigd en dachten geen moment aan de overstelpende faam die buiten op hen wachtte.

Het slotgala, de finaleavond waar een ander verlegen meisje, Rosa, de hoofdprijs won, werd bekeken door 12,87 miljoen mensen, 68% van iedereen die op dat moment voor de TV zat. Wij leraren mochten op de achtergrond meedansen en -zingen bij een liedje van al ‘onze’ leerlingen samen. Het was mijn enige jaargang op de beroemdste Academia van Spanje, maar niet alleen daarom zijn de volgende edities nooit meer zo’n succes geworden. De charmantische naïviteit was weg, omdat elke leerling nu wist hoe beroemd hij of zij wel niet kon worden. Maar niemand zoals die kleine David Bisbal.

De omgekeerde weg

Het was 1983. Tijdens mijn stage bij Het Vrije Volk schreef ik een grote reportage (het zou één van mijn eindexamenstukken worden) over de vliegtuigen vol Spaanse meisjes die naar Nederland kwamen (of naar Londen gingen) om te aborteren. We maakten het toen van dichtbij mee, vingen een vriendin op uit l’Hospitalet, net in de 20, een ongewenste zwangerschap waar je in Spanje op geen enkele verantwoorde manier een einde aan kon maken. We vergezelden haar tot de trappen van een kliniek aan de Amsterdamse Sarphatistraat, waar ze dezelfde meisjes tegenkwam die naast haar in het vliegtuig hadden gezeten. Ze keken bang, alsof ze op heterdaad betrapt konden worden. 

Twee jaar later, in 1985, werd abortus in Spanje gelegaliseerd, onder drie voorwaarden: zwangerschap als gevolg van verkrachting, misvormd foetus en ernstig risico voor de fysieke of psychische gezondheid van de vrouw. Vooral die laatste voorwaarde kon wel erg eenvoudig worden toegepast, wat er de laatste jaren toe heeft geleid dat de aborterende vrouwen juist de omgekeerde weg van die in 1983 aflegden: Nederlandse vrouwen kwamen naar Spanje omdat je hier, ‘in pyschische nood’, nog tot de 22ste week van zwangerschap kon aborteren, en soms werd ook dát nog opgerekt door, dat wel weer, gynaecologen die hun boekje te buiten gingen. (Eén beroemde uit Barcelona, twee jaar terug gearresteerd, wacht nog altijd op de rechtszaak.)

Die wet moest eens worden geactualiseerd, vond het kabinet, dat wegens de Wet op Gelijkheid voor de helft uit (jonge, leuke, vlotte, moderne) vrouwen bestaat – op de foto vier van hen, o.a. de minister van Gelijkheid – om een duidelijke termijn aan de abortus te stellen én om tegelijkertijd meisjes van 16 en 17 jaar in gelegenheid te stellen de aborteren en tienermoeders te voorkomen.

Zoiets gaat in het voor de helft nog oer-katholieke Spanje niet zonder slag of stoot. Bisschoppen en de PP organiseerden massademonstraties vóór het gezin en tégen de ‘kindermoord’, maar gisteren overwon de wet uiteindelijk de laatste drempel, die in de senaat. ‘Het feest van de dood’, kopt vandaag de katholieke ABC boven de foto van vrolijke vrouwelijke ministers. ‘Een wanvertoning,’ staat er even verderop.

Trouwens, via Google op zoek naar beelden van anti-abortus posters werd ik al direkt onwel: foto’s met heel veel bloed (de rest zal ik mijn lezers besparen) blijkt het favoriete argument van de conservatieven om de abortus te bestrijden.

Comedme la polla

Nederland had z’n beschamende moment met Pierre Kartner/Vader Abraham die geen winnaar wilde kiezen. Spanje overtrof die schaamte ruimschoots in de landelijke finale om een liedje voor het Eurovisie-songfestival te kiezen. John Cobra, één van de finalisten, wordt na een lachwekkende vertoning van iets wat op rap moet lijken uitgefloten door het publiek. Dit is wat er daarna gebeurt, héél erg Spaans, zo’n klein ventje dat zijn ‘grote’ paquete stevig vastpakt… Ze mogen het opeten, of, nog mooier, me suda la polla… 

Mag het Eurovisiesongfestival afgeschaft worden?

Gijón-Sevilla, over het pad van de Romeinen

Afgelopen zaterdag in AD Reiswereld, vandaag (exclusief, nou ja) op deze blog. Met enige maanden vertraging (op de Spaanse krant zeggen we dat zo’n verhaal in de ijskast ligt, in Nederland hebben we het over ‘op de plank’ liggen) de reportage over de wonderbaarlijke Zilverroute van Gijón naar Sevilla, en omgekeerd. Een zilverroute zonder zilver, trouwens…

Twee vroegere Romeinse wegen doorkruisen Spanje, het toenmalige Hispanië. Terwijl langs de zuid- en oostkust de Via Augusta nu de hoofdweg N-340 langs havensteden als Cadiz, Alicante, Cartagena, Tarragona en Barcelona is, volgt de Vía de la Plata een bij toeristen veel minder bekende route, van Sevilla naar Gijón, tegenwoordig de A-66. Een tocht door het spectaculaire Spaanse binnenland.

 EDWIN WINKELS

Vroeger leerden de Spaanse kinderen op school dat eeuwen geleden een eekhoorntje van Cádiz, het uiterlijke zuiden van het land, tot in de Pyreneeën kon komen, 1.100 kilometer noordelijker, zonder de grond te raken. Zoveel bomen, eiken vooral, stonden er in Spanje. Op lange stukken van de weg van Gijón naar Sevilla, een bijna rechte lijn door het westen van Spanje, daar waar 2100 jaar geleden Hispanië en Lusitanië in elkaar overgingen, is nog te zien hoe dat geweest moet zijn. Eerst hoge, deels begroeide bergen, de onweerstaanbare Picos de Europa, en daarna alleen maar bomen op groene glooiende heuvels.

Maar even vaak wordt duidelijk hoe de tijd, de erosie en de mens hun sporen hebben achtergelaten. Geen bomen meer, maar kilometerslange geel- en goudkleurige graanvelden. Niet minder overweldigend trouwens, die oneindigheid aan de horizon. Of olijfbomen die zo ver van elkaar zijn geplant dat een eekhoorntje nooit meer van de ene naar de andere zou kunnen springen. En wijnranken, steeds meer, daar waar een rivier de route kruist die de Romeinen ooit met grove stenen aanlegden.

De Ruta de la Plata. Letterlijk vertaald: de Zilverroute. Maar dat imposante pad waarover de Romeinen dat moeilijk toegankelijke deel van Spanje vanuit Hispalis (Sevilla) en Emerita Augusta (Mérida) ontsloten, zag nooit enig zilver voorbijkomen. Mijnen waren er wel, in de bergen bij Gijón en Astorga (een kleine plaats in de provincie León waar de oorspronkelijke Zilverroute eindigde), maar er kwam nooit enig edelmetaal uit. De naam Plata komt dan ook niet van het zilver, maar van het Arabische balat, dat staat voor een gepaveide weg, het fenomeen waarin de Romeinen keien waren.

Van de oorspronkelijke Romeinse weg zijn nog weinig sporen over. Geen hobbelige Via Appia in Spanje, waar eerst de Arabieren en daarna de christenen hun best deden alle sporen van hun voorgangers uit te wissen. Mérida is een goed voorbeeld, en een uitzondering tegelijk. Het was als hoofdstad van Lusitanië (het huidige Portugal) één van de drie grote Romeinse kapitalen op het Iberisch schiereiland, samen met Tarraco (Tarragona) en Corduba (Córdoba). Pas toen iemand in 1912 besloot te gaan graven onder de enorme vuilnisbelt net ten noorden van het centrum, werd ontdekt wat voor een eeuwenoude rijkdom die grond verborgen had gehouden.

Lees verder