Auteursarchief: edwin

Onbekend's avatar

Over edwin

Schrijver, journalist, fotograaf. Woon en werk sinds 1988 in en rond Barcelona.

Met 600 man in één vliegtuig

De trip van Parijs naar Johannesburg, onlangs, ging in het vrij nieuwe ‘monster’ van de luchtvaart, de Airbus A380, waarvan nog maar weinig maatschappijen een exemplaar hebben. Air France is er één van. Het lijkt mooi, maar het valt niet mee, bijna 600 passagiers in- en uitladen, plus hun koffers. Het boarden ging via vier verschillende slurven, twee ervan met imposante roltrappen naar de bovenverdieping – de A380 is het enige toestel dat over de gehele lengte twee verdiepingen heeft…

Even moest ik op dat moment aan Juan Murillo denken; een vreemde sprong in de tijd en het hoofd, ik besef het, maar wel een mooie gelegenheid het verhaal van Juan nog eens te vertellen. Hij was één van de overlevenden van de grootste vliegramp ooit, de botsing tussen een KLM- en een PanAm-jumpo in Tenerife, in 1977. Bijna 600 doden. Onwaarschijnlijk dat er ooit nog een grotere vliegramp zal gebeuren, wordt altijd gezegd, want die dag ging alles fout wat er fout kon gaan en botsten twee van de toen grootste vliegtuigen op elkaar. Maar in één Airbus A380 zullen uiteindelijk 800 passagiers passen, dus… Vandaar die gekke gedachtenkronkel, al vrees ik het vliegen nooit.

Juan Murillo ook niet. Ik slaagde erin hem in 2007 op te sporen in Fuengirola; nooit eerder had hij meer over die zwarte dag, 30 jaar geleden, gesproken. (Daags erna poseerde hij trouwens een beetje vreemd lachend voor de resten van één van de ramptoestellen.) Het lange gesprek eindigde emotioneel. In El Periódico kwam een vier pagina’s lang verhaal te staan; het AD had veel minder ruimte. Toch nog maar even dat samengevatte relaas van Juan opgezocht. Bij deze:

,,Get off! Get off!, schreeuwde de co-piloot nog. Piloot Grubbs probeerde van de baan te draaien, maar het was te laat.’’ Juan bukte, net als de vier anderen waarmee hij de kleine ruimte deelde. ,,Toen ik weer rechtop ging zitten, waren het dak en een deel van de vloer weg. Op 20 centimeter na waren wijzelf niet geraakt.’’

Juan Murillo zou kunnen verhalen over zijn ‘tweede leven’, dat al precies dertig jaar duurt, sinds hij samen met één Engelsman en 57 Amerikanen de grootste vliegramp uit de geschiedenis overleefde, op 27 maart 1977 op het vliegveld Los Rodeos van Tenerife. 583 mensen, onder wie alle 248 inzittenden van het KLM-toestel, kwamen om het leven. Juan Murillo kwam slechts minuten voor de ramp aan boord van het toestel. Als manager voor chartervluchten van PanAm in Zuid-Europa zat hij op het vliegveld van Las Palmas op het Amerikaanse toestel te wachten. De passagiers zouden daarna een cruise over de Middellandse Zee beginnen en van Las Palmas naar Athene varen. ,,Ik zat met een collega in de bar toen op twintig meter een bom afging, gelegd door een Canarische onafhankelijkheidsbeweging. Daarop werd het hele vliegveld afgesloten.’’

Met een Britse mecanicien, John Cooper, slaagde Murillo er die middag in met een Fokker van Iberia naar Tenerife te vliegen, waarheen de binnenkomende toestellen waren uitgeweken. ,,Een bus zette ons onder het toestel af. We gingen via een luikje aan boord net voordat we konden gaan taxiën.’’
Wat er vanaf dat moment in tien fatale minuten gebeurde, staat nu nog in het geheugen van Murillo gegrift, al heeft hij er tot nu toe in dertig jaar nooit in het openbaar over willen praten.. ,,Toen ik ineens het KLM-toestel vanuit de mist op ons zag afkomen, dacht ik dat we er waren geweest. Toen ik weer opkeek was Cooper, die naast me had gezeten, verdwenen. Hij hing ondersteboven in zijn stoel, want ook een deel van de bodem was verdwenen. Maar hem mankeerde niks. ‘Wegwezen!’ riep de gezagvoerder.’’
Bij de sprong brak Juan, zonder het te merken, twee ribben. Eenmaal buiten het toestel zag hij de weinige overlevenden via een vleugel naar buiten komen. ,,Sommigen sprongen direct naar beneden, in het vuur, en kwamen alsnog om. Ik ben naar het vliegtuig gelopen om ze te helpen, maar al snel kwam de politie om ons weg te halen, want het toestel kon nog exploderen.’’ Op dat moment wist hij nog niet wat er precies met het KLM-vliegtuig was gebeurd. ,,Ik zag door de mist alleen wat vuur en rook.’’ In een lange nacht sliep hij nauwelijks, ging hij ziekenhuizen langs, probeerde hij een lijst van overlevenden op te stellen en nam tenslotte een stevige borrel in de hotelbar. De schok kwam een dag later. ,,Ik moest helpen de zwarte doos te zoeken. Met een wagentje reden we langs de hangar waar de doden lagen. Vijfhonderd verbrande mensen, dat vergeet ik nooit meer.’’
Juan Murillo is sinds tien jaar gepensioneerd, maar tien dagen na de ramp stapte hij alweer in een vliegtuig. Naar de herdenking, vandaag op Tenerife, gaat hij niet. ,,Ik denk niet dat ik het zou aankunnen, al die familieleden van omgekomen mensen zien. Vooral die dode kinderen, dat vond ik het ergst, met nog een heel leven voor zich.’’

De zwarte markt

Met excuses voor de woordspeling in de kop, maar hij ligt er dik bovenop. Er is al 10 dagen rotzooi in twee populaire vakantieoorden aan de Costa Daurada, Calafell en Coma-ruga (de strandwijk van het stadje El Vendrell). Zoals alle drukbezochte badplaatsen zijn beide dorpen de laatste jaren overspoeld door top manta-verkopers, ook wel manteros genaamd. Die namen komen van manta (deken) al zou sábana (laken) de lading iets beter dekken: op grote lakens of doeken spreiden de altijd Afrikaanse verkopers hun waren op straat uit; wordt er een politiepatrouille gesignaleerd, dan slaan zij het laken snel dicht en zetten het op een lopen.

Maar in Calafell en Coma-ruga hoeft dat niet meer, sinds vorige week. Om hen definitief van de drukke boulevards af te halen zonder elke dag dat kat-en-muis-spelletje tussen politie en Afrikanen te herhalen, maakten beide gemeentes een afspraak: er werd een speciale ruimte, een plein net achter de boulevard voor hen gereserveerd waar zij elke middag en avond hun eigen markt mogen opzetten. Eigenlijk een illegale markt, want alles wat ze verkopen is zo vals als een biljet van drie euro. Ik was er gisteren even en zag er dit ‘Montblanc’-horloge voor 15 euro, RayBan-brillen voor 10, D&G-tassen voor 20, Lacoste-polo’s voor 15 en meer van dat spul. Met afdingen ben je zelfs nog minder kwijt. Wel hebben álle verkopers -er waren er zo’n 100- precies dezelfde beginprijzen, want de zwarte markt is goed georganiseerd. Er loopt een chef rond, met drie of vier knechten. Journalisten en fotografen willen ze er niet zien, ze verordenen gemaakte foto’s te wissen, ze hebben er hun eigen republiek met hun eigen wetten gevestigd.

De wereld op zijn kop, dus, en de lokale ondernemers zijn er niet blij mee. Tegen dit soort prijzen kunnen zij niet concurreren en zij vinden dat de gemeentes strafbaar zijn omdat zij illegale handel niet alleen toestaan, maar ook promoten door de manteros hun eigen marktplaats te geven. En de politie, die vorig jaar met wapenstokken achter ze aan rende, rijdt nu gewoon in de auto voorbij. Het is dé discussie van deze zomer, hét nieuws waarmee de kranten de zware augustusmaand mee door proberen te komen. En de zaak zal zich nog wel even voortslepen.

Het achterland van Benidorm

Ja, schrik niet, Benidorm. De stad die ik zelf geen aanrader vind, maar ik respecteer de mensen die er graag komen. Ouderen worden er ouder dan in Nederland, de gewrichten schuren er minder, de geest blijft er zonniger dan onder een Hollandse winterdeken. En Benidorm is natuurlijk niet alleen Benidorm; dicht in de buurt zijn er talloze leuke plekken te vinden, al ontdekken de honderdduizenden toeristen die er komen die meestal niet. Ze komen de stad gewoon niet uit. Ik huurde er ooit een oude Vespa – ooit is echt óóit, de foto’s zijn van 1983 – en kwam terecht in de buurt van het stuwmeer van Guadalest; niet ver, en toch de totale paradox van de wolkenkrabbers aan zee.

In Benidorm zelf heb ik nooit overnacht. Mijn favoriete pleisterplaats als ik op weg ben naar het zuiden en ergens een zomerse stop wil maken is Altea, het dorpje net boven de massatoerismemetropool. Nu ook al anders dan 27 jaar geleden, natuurlijk, maar bij mijn allerlaatste bezoek had de kleine witte parel zijn schoonheid in het oude, door muren omgeven centrum, nog altijd behouden. Drukker, vanzelfsprekend, en omringd door urbanisaties die Altea Hills heten en zo, maar het beroemde opschrift, gericht aan de toeristen, bij één van de ingangen van de citadel hing er nog altijd. ‘…en je zal denken een stukje van de hemel te zien, hier op aarde…’ Heerlijk eten, ook, in Altea, al kan ik me geen enkele naam meer herinneren van een restaurant. Wel dat mijn dochter, toen ze één jaar was, vrijelijk over de vloer mocht kruipen zonder dat de eigenaar en andere eters zich er over beklaagden; ook al zo’n verschil tussen Nederland en Spanje.

Je kunt er trouwens nog dichter in de buurt van de hemel komen dan op het centrale plein van Altea. Iets zuidelijker ligt de Peñón de Ifach, een 332 meter hoge granieten rots die er uit zee steekt, voor de kust van Calpe. In jeugdige overmoed klommen we er omhoog, over totaal onbeschermde paadjes waarnaast een diepe afgrond je de onvermijdelijke dood inlokte; misschien is het pad sindsdien verbeterd. op internet zie ik dat er nog altijd een wandelroute bestaat, waarover je in anderhalf tot twee uur boven komt. Ook is de rots geliefd bij klimmers die er uren aan de wanden gaan hangen om boven te komen.

En net onder Benidorm licht Villajoyosa, waar we ooit de strijd tussen Moren en Christen meemaakten; folklore ten top, de Moros y Cristianos, twee kampen die centraal staan bij de dorpsfeesten in de regio, al is er van een werkelijke religieuze strijd geen sprake meer. Wij stonden er toen, natuurlijk, op een mooie camping aan de zee; jaren later overnachtte ik eens op kosten van de krant vijf sterren hoger, in het prachtige hotel Montíboli. En dat allemaal op een steenworp van Benidorm, dus zo erg is het er ook niet toeven, aan het hart van de Costa Blanca.

Eten en slapen langs de snelweg

Wij, die regelmatig vanuit Nederland naar Spanje zijn gereisd (en viceversa), hebben het allemaal wel eens gedaan: slapen aan de rand van de snelweg, op één van de vele parkeerplaatsen in Frankrijk langs de autoroute du soleil, met zijn tweeën, drieën of vieren opgepropt in de auto, opdat vooral de chauffeur wat rust kon pakken. Al bespeur ik de laatste jaren de tendens dat wij, vroeger zo zuinige Nederlanders, steeds meer een hotelletje langs de autoroute zoeken; al is het maar een Formule 1 of Campanille, maar het is toch al wat anders dan ongemakkelijk in de auto liggen maffen.

Frankrijk leek lange tijd veel verder met die aires dan Spanje met zijn áreas de servicio, maar de laatste 5 à 10 jaar zijn ze er vooral aan de Catalaanse tolwegen sterk op vooruit gegaan, zo kon ik deze week tijdens een uitgebreide inspectie (ik bezocht 25 van deze megaparkeerplaatsen met hun benzinestations, winkeltjes en restaurants) constateren. Voor de goede orde: het zijn geen plekken waar je uren wil verpozen noch fantastisch uit gaat eten, maar de voorzieningen zijn steeds completer geworden. Uitgebreide picnic-zones (niet overal, de één is verder dan de ander), óveral is inmiddels een ‘cuarto de los peques’ (een babyroom waar de kleinsten verschoond kunnen worden), er zijn nauwelijks ‘architectonische obstakels’, zoals dat zo mooi heet, voor invaliden. Veiligheid is nog wel een heikel punt, zowel de verkeersveiligheid (bij het oversteken van soms drukke rijbanen van en naar de benzinepomp) als de bescherming tegen berovingen: nauwelijks politie te zien en volgens een vrachtwagenchauffeur die ik sprak wordt vooral dichtbij Barcelona nog veel gejat: chauffeurs en toeristen die er slapen worden verdoofd met een gas dat de auto wordt ingespoten en daarna wordt een ruitje ingeslagen. Hij vertelde er nog bij (broodje aap?) dat een stel dat liefdevol in de auto bezig was door de dieven ook maar even werden ‘genomen’, zowel hij als zij.

Waar de Catalaanse áreas de Franse zeker overtreffen is in de bar en het restaurant. Zelf kon ik bij vroegere autoreizen vanuit Nederland niet wachten om de grens over te gaan en snel een échte café solo te scoren; omdat het bij La Jonquera wel erg druk is altijd, reed ik nog even door naar de Empordà, de volgende pleisterplaats. En het eten is er de laatste jaren een stuk beter geworden, met saladbars, biefstukken die voor je ter plaatse op de grill worden bereid en, voor het eerst dit jaar (mocht ook wel, want eten aan de snelweg is altijd te duur geweest), een heus typisch Spaans menu voor 9,95 euro (voor-, hoofd-, nagerecht en drank) iets waar de buitenlandse toeristen niet aan gewend zijn, zo vertelden ze me zojuist bij Áreas, het megabedrijf dat vrijwel een monopolie heeft; ook al heten de restaurants anders (La Pausa, Medas, Ars), ze komen allemaal van deze zelfde gigant, die ook alle restaurants, bars en winkels op de Spaanse vliegvelden beheert.

In de handen van luchtverkeersleiders

Is vaak het probleem van de Nederlandse  kranten en TV- en radiojournaals: brengen ze een week geleden groot het alarmerende bericht dat de luchtverkeersleiders in Spanje in het drukke augustus dreigen te gaan staken, publiceren reacties van reisorganisaties, mensen beginnen hun vluchten al vooraf te annuleren of uit te stellen, in afwachting van de stakingsdata, en dan brengen die kranten en journaals (bijna) niets als de verkeersleiders uiteindelijk besluiten níet te gaan staken. Het toerisme in Spanje steekt net weer een beetje de kop op en populair zijn mensen die tussen de 2 en 3,5 ton verdienen tóch al niet als ze zich erover beklagen dat ze minder verdienen dan voorheen. Het nieuws dus, van gisteren: er komt géén staking, iedereen kan rustig van en naar Spanje gaan vliegen.

Mysterieus beroep, trouwens. Zoek in het fotoarchief van de krant naar beelden van luchtverkeersleiders en ze zijn er bijna niet. Althans, niet op hun werkplek, een soort heilige der heiligen, hun bijzondere wereld. Laatst hadden we een interview met één van hen, een vrouw. Kan me vooral herinneren dat ze vertelde hóe vaak ze dreigende botsingen in het luchtruim voorkomt… Misschien nog meer dan in handen van de piloten zijn we in handen van deze mensen, op de grond.

Heb ze trouwens eens indrukwekkend aan het werk gezien in de film van Paul Greengrass over de aanslagen van 9/11. United 93 was een prachtfilm, ook al omdat bijna alle acteurs amateurs waren en veel mensen zichzelf speelden, óók die luchtverkeersleiders. Eerst die onzekerheid over vluchten die spoorloos van de groene schermen verdwijnen. En dan het moment dat je hun gezichten en reacties ziet wanneer de tweede Boeing zich in het WTC boort… Nog altijd kippevel, brok in de keel.

De N-340: de langste weg van Spanje

Voor de mensen die graag een leidraad voor hun reis hebben. Én voor degenen die vooral van de costa’s en minder van het diepe binnenland houden, al kom je op deze route alle mogelijke landschappen tegen en kun je ook op 20 kilometer van de kust al rustige dorpjes of verlaten natuurgebieden aantreffen. Ik deed de reis in 2002, mede als project voor de zomerbijlage van El Periódico én om twee kleine kinderen (met 3 maanden vakantie) in ieder geval een maand te vermaken en een soort vakantie te bieden terwijl papa zijn (aangename) werk deed. We trokken ruim 30 dagen met een gehuurde camper langs de N-340, van kilometer nul bij Cádiz/Chiclana de la Frontera tot kilometer 1254 op de grens van l’Hospitalet de Llobregat en Barcelona; daarna verdwijnt de weg op de Carrer de Sants. Het is de langste weg van Spanje en, ideaal voor zo’n zomerreportage, eentje die bijna volledig langs de kust loopt. Campings genoeg ook, om de camper te parkeren en, tussen het schrijven door – één paginagroot verhaal per dag – van het zomerse leven te genieten. Zo ontdekten we mooie en minder mooie campings in Chiclana, Tarifa, Nerja, Almería, Torrevieja, Benicàssim en een lang etcetera, met één heel bijzondere: Els Alfacs in Alcanar, de camping aan de zuidrand van Catalonië waarover in 1978 een tankwagen zijn brandende lading uitstortte, een ramp die ana meer dan 200 kampeerders het leven kostte. Mooie camping, trouwens.

Op zo’n reis ontdek je de volledige diversiteit van Spanje, hoor je ook mooie verhalen (althans, daar ben je als journalist naar op zoek), zoals die van de vier vriendjes die bij toeval in de jaren vijftig de grotten van Nerja ontdekten; nu zijn zij een mooie toeristische trekpleister (de grotten, niet die jongens van toen. Eén van hen leidde me rond, heeft voor eeuwig gratis toegang). Spaanse taallessen in Vejer de la Frontera, de man van het barretje op de weg bij Tarifa waarvandaan je Marokko ziet liggen, een zwerver met rolstoel in Marbella, een oud-stierenvechter met een imposante cortijo bij Algeciras, de kassen van El Ejido, de woestijn van Tabernas, een Nederlandse vrouw met reuma die in de droogte van Murcia was gaan wonen, de historische stuwdambreuk van Tous in 1982, de restaurants voor vrachtwagenchauffeurs bij Castellón, de grote bordelen ook… En zou je nog een keer gaan, dan zou je weer andere, nieuwe, bijzondere verhalen opdoen. Hieronder een kort overizchtje van de N-340 in foto’s…

Spaanse lessen voor buitenlanders in Vejer de la Frontera.

Zicht op Marokko vanaf de Mirador del Estrecho bij Tarifa.

Miguel Muñoz bij het gaat waar hij de grotten van Nerja spelenderwijs ontdekte.

Het strand bij het nudistencomplex van Vera.

En, tot slot, het dorpje Tous bij Valencia. De witte tegel tussen beide balkons geeft aan tot wáár het water kwam te staan toen in oktober 1982 de enorme stuwdam brak, echt zo’n beeld van een nachtmerrie die de bewoners nog goed kunnen navertellen – behalve de 12 die om het leven kwamen. Er was tussen de 450 en 1.000 mm regen in 15 uur gevallen, door een fout waren de sluizen van de dam niet opengezet om water van de Jucar-rivier te laten wegstromen en het beton kon de druk uiteindelijk niet meer aan. Een gigantische tsunami stortte zich over de vallei en het was nog een wonder dat er maar 12 doden vielen; de meeste mensen waren al geëvacueerd.

De oneindige Costa Brava

Iedereen heeft wel zijn eigen favorietje plekje aan de Costa Brava. Ik ken mensen die gek zijn van Port de la Selva, bijna aan het einde, de noordkant, dichtbij de Franse grens. Cadaqués blijft een idyllische herinnering aan hippie’s (de enige hippie’s die er nu nog zijn, in Cadaqués, op Kreta en waar dan ook, zijn altijd Duitsers). l’Escala is leuk waar het centrale staatje slingert langs strandjes en restaurants. Schrijver Truman Capote raakte verliefd op Palamós. Mijn persoonlijke favorieten zijn altijd de strandjes Sa Riera en Sa Tuna bij Begur geweest, plus de betoverende plaatsjes Calella de Palafrugell en Llafranc.

Hier, op de plaats van de foto’s kom ik niet zoveel, maar ik ontdekte afgelopen week, op bezoek bij vrienden Judith&Jaap in Santa Cristina d’Aro, dat het wel iets leuks heeft, het minuscule S’Agaro, een sjieke wijk rond het al even historische en luxueuze Hostal de la Gavina, in de jaren twintig van de vorige eeuw gebouwd en een architectonisch monument, net als veel huizen eromheen.

Midden aan het strand, dat de Platja de Sant Pol heet (niet te verwarren met het dorpje Sant Pol), ligt het monumentale maar verwaarloosde Casa Estrada of Casa de les Punxes, een huis in de modernistische stijl dat een man een eeuw geleden voor zijn vrouw en twee dochters liet bouwen. Drie van de torens waren voor hen bedoeld. Een paar jaar geleden was er sprake van dat topkok Sergi Arola er een restaurant zou beginnen – de kleine boulevard is al één opeenvolging van aardige eetgelegenheden -, maar tot nu toe staat het nog steeds af te takelen. Soms vraag je je af waarom de eigenaar een juweel op zo’n exclusieve plek verwaarloost.

Kom je er om een uur of zes, dan is het bij het strand van S’Agaro eenvoudig parkeren, de blauwe zone kost er één euro voor anderhalf uur, ongeveer. Kunnen ze in andere plaatsen van leren. Het is ook de mooiste tijd om naar het strand te gaan, overal aan de Costa Brava, wanneer de zon zich langzaam over land terugtrekt en de zee een magische blauwe kleur krijgt. En na het strand ga je dan naar één van de dorpen of stadjes in de omgeving, zoals Sant Feliu de Guíxols, waar het parkeren al wel een stuk moeilijker is, maar waar bijna overal de dorpsfeesten in augustus aan de gang zijn. Grote kermis voor de kinderen, vette happen en veel bier in de speciale feesttenten en muziek, dans en vuurwerk laat op de avond.

Ook al zijn er overal veel buitenlandse toeristen, op de één of andere manier blijf je aan de Costa Brava wel de indruk houden dat de Catalanen zelf er ook graag komen, dat het hún vakantieparadijs is. En dat op een uurtje rijden van Barcelona.

Het rustigste strand van de Algarve

Eén van de leukste vakantiehuisjes die we ooit hebben gehuurd, via een advertentie in een Nederlandse krant en een betaling aan een Nederlandse eigenaar, stond in het hart van de Portugese Algarve. Weet niet of het nog steeds van hem of haar is, of te huur staat, maar het was een klein en onbekend paradijsje aan de verder drukke Algarve. Het moet de zomer van 1997 zijn geweest en middenin Estoi, een klein plaatsje net boven Faro, lag dit okerkleurige huis: het dorpspleintje is vanaf het dak zichtbaar. Dat was alles (dat pleintje met zijn barretjes en een paar winkels), maar veel meer was er niet nodig. Met de auto kon je hiervandaan dit deel van de Algarve ontdekken. Niet naar links, naar het westen, richting het overbekende en overbevolkte Albufeira (hoewel, bijna helemaal aan de westpunt, vlak voor Sagres, verbleef ik ooit op een rustige camping bij Praia da Salema), maar het achterland in en ook naar rechts, het oosten, richting Spanje (ja, deze korte vakantieserie komt op het héle Iberisch schiereiland, blijft niet alleen in Spanje zelf).

We kwamen terecht bij de stranden van Ilha de Tavira, één van de smalle eilanden die er vlak voor de kust liggen. Toen was het alleen bereikbaar via een charmant treintje vanuit Pedras d’el Rei: aan het einde van het ritje, dat over een soort wadden voerde waar bij eb duizenden krabben tevoorschijn kwamen en voor een krioelend spektakel zorgden, openbaarden zich de paradijselijke stranden, hier Praia do Barril geheten. Nou weet je nooit of zoiets in 13 jaar volledig verpest is, maar op internet kwam ik een recent verhaal (augustus 2009) in de Volkskrant tegen met de volgende paragraaf: 

“Praia do Barril, dat alleen bereikbaar is via een pontonbruggetje voor voetgangers en een klein spoorlijntje dat over de drassige wadden van het Parque Natural da Ria Formosa is aangelegd. Praia do Barril is een van de stranden op het langgerekte eiland voor de kust van Tavira. Het is er rustig en wordt vrijwel uitsluitend door Portugezen bezocht. In de duinen ligt een ankerkerkhof, op de kade staan nog de oude tonijnfabrieken, waarin nu een restaurant is ondergebracht. De meeste bezoekers gaan naar het oostelijk deel van het eiland, waar talloze malen per dag de veerboot Ribeiralima vanaf Tavira naartoe vaart.

De palen onder de aanlegsteiger zitten vol mossels en oesters, eromheen liggen tal van vissersboten en jachtjes aangemeerd. Voor 1,40 euro verkoopt de kapitein van de Ribeiralima retourkaartjes – op het eiland blijven nauwelijks mensen slapen. Er komen voornamelijk dagjesmensen en vissers die er tegen zonsondergang profiteren van de grote hoeveelheden vis in de branding rond de pier waarop de vuurtoren staat.”

Tot zover de krant. Na het strand trokken we nog even naar Tavira, het visserplaatsje dat naam geeft aan het eiland en waar ik nooit deze vier tafeltjes op de kade van de haven zal vergeten. Hoef niet te zeggen dat de vis er verrukkelijk was en dat het er vooral enorm naar  verse vis rook.

De Obama’s in Marbella

Barack Obama zelf zei al dat hij graag eens zou terugkeren naar de Rambla in Barcelona, waar hij als jonge backpacker in 1988 voor het eerst Spanje proefde. Zijn vrouw Michelle en zijn jongste dochter Sasha hebben vandaag de belofte aan premier Zapatero ingelost om snel eens het zomerse Spanje te ontdekken. Beide kwamen vanochtend aan op het vliegveld van Málaga, waarvandaan zij onder strenge bewaking naar het 5-sterren hotel Villa Padierna in de buurt van Marbella werden vervoerd. Geen slecht oord, zo te zien; ben er zelf nog nooit geweest, maar het is mede beroemd om zijn grote en betoverende ‘spa’.

Ben alleen bang dat ze er wel een fout beeld van Spanje krijgen: Marbella en de decadente haven Puerto Banús zijn weer overstroomd deze weken met steenrijke Arabische sjeiks, die er hun privéfeestjes houden en hun bolide’s in gigantische jachten laten aanvoeren en vervolgens op de kade tentoonstellen. Maar mevrouw Obama en dochter zullen ook cultureel bezig zijn: er staat een bezoek gepland aan Granada en het Alhambra; jammer misschien voor de ‘gewone’ toeristen die al maandenlang kaartjes hebben gereserveerd, want die zullen ongetwijfeld niet op de besproken dag en tijdstip naar binnen mogen.

Barack Obama zelf is in Washington gebleven, waar hij vandaag zonder zijn gezin zijn 49-jarige verjaardag viert. Zijn oudste dochter, Malia, is op een zomerkamp.

De beer is los in de Pyreneeën

Als de Spaanse koning Juan Carlos op beren wil jagen – iets wat hij eenmaal per jaar pleegt te doen – gaat hij naar Roemenië of Rusland, waar de berenjacht is toegestaan. Enkele jaren geleden maakten zijn Russische gastheren het een beetje te bont. Om het de koninklijke gast iets eenvoudiger te maken zetten ze niet alleen een halftamme beer uit in het reservaat, maar werd het beest eerst nog dronken gevoerd met wodka. Waggelend was de beer een eenvoudig doelwit voor de koning, die zelf ook wel eens lijkt te waggelen. Natuurlijk werd het bericht ontkend, maar het was te mooi om niet waar te zijn.

Sinds 1996 heeft Spanje ook weer beren, maar daar mag zelfs de koning niet op jagen. Samen met de Franse overheid begonnen de Spanjaarden met een herintroductie-programma van de in de jaren vijftig uitgestorven beren; het laatste autochtone exemplaar van de Europese Bruine Beer was ‘per ongeluk’ door jagers omgebracht. Er werden vijf exemplaren uit Slovenië gehaald en het wachten was op de voortplanting. Tot woede trouwens van zowel boeren aan de Franse als de Spaanse kant van de Pyreneeën, waar de beren werden losgelaten. Nu moet er zo’n dozijn vrij rondlopen, nadat in januari weer twee jongen zijn geboren; onlangs werden zij door een automatische camera ‘betrapt’ (foto boven).

Af en toe verscheuren de beren een lammetje of een schaap, héél soms laten ze een wandelaar schrikken, maar over het algemeen zijn ze enorm mensenschuw en is er, behalve één man die dreigde te worden aangevallen, nog nooit menselijk leed te betreuren geweest. Even op ‘berenexcursie’ is moeilijk: de beesten zijn heel moeilijk te vinden. Voor wie toch op safari wil: in Spanje houden ze zich op in de bergen van de Vall d’Aran, net boven het hoofdstadje Vielha, of in de buurt van Esterri d’Aneu, een leuk dorpje aan het einde van een lange vallei. Aan de Franse kant zijn ze vooral te vinden in de bossen rond Couflens.