Auteursarchief: edwin

Onbekend's avatar

Over edwin

Schrijver, journalist, fotograaf. Woon en werk sinds 1988 in en rond Barcelona.

Wandelen met de dochter van Picasso

De kop hierboven kan sommige heren misschien het hoofd op hol brengen, maar, met alle respect, Maya Ruiz Picasso, hier rechts op de foto, is bijna 30 jaar ouder dan ik en al was ze lovend over mijn glimlach en mijn krullen -tja, ze is een echte Parijse dame-, het betrof hier slechts een puur professionele wandeling door de Barri Gòtic van Barcelona. Sinds gisteren is de dochter van Pablo Picasso voorzitster van een nieuwe vereniging in Barcelona die zich inzet voor het behoud van de (stok)oude en vaak prachtige winkels, bars en andere ondernemingen die er nog in de stad bestaan. Want, zei Maya me, elke keer als ze even op bezoek is in Barcelona, stad die zij in de jaren vijftig leerde kennen, is er wéér één van die klassieke zaken uit het straatbeeld verdwenen.

In de laatste drie jaar sloten definitief schoenenwinkel La Ampurdanesa, sinds 1845 in Nou de la Rambla, boekwinkel Almirall, sinds 1853 in Princesa (en nu een ecologische bakkerszaak) en overhemdenwinkel Flotats, sinds 1909 in Ferran, om er maar een paar te noemen. Er is een heus boek en route van de gemeente over die mooie oude zaken, Guapos per sempre (Voor eeuwig mooi), en dat zou helaas voortdurend geactualiseerd moeten worden.

Heel veel van die winkels stammen uit de negentiende eeuw en kampen vaak met hetzelfde probleem: de kinderen willen de familietraditie niet voortzetten, en nieuwe eigenaren maken er vaak iets heel anders en lucratievers van. Bovendien betalen veel van hen nog heel oude, spotgoedkope huren die eind 2014 definitief omhoog zullen gaan, iets wat bij wet is bepaald. Dat zal, zeggen de eigenaren, het defintieve einde betekenen, want ze hebben nu al moeite de zaak rendabel te houden.

Maar intussen zijn ze nog een bezoekje waard, die modernistische of neo-klassieke zaken als modewinkel Xancó (uit 1820, midden op de Rambla tussen de souvenirshops), chocolatería Fargas (1827) op de hoek van het plein Cucurulla, bar Casa Almirall (1860) en El Indio (1860) in de Raval of, tegenover elkaar bij de metro Sant Jaume, banketbakkerij La Colmena (1864) en kaarsenmaker Subirà, die op de etalageramen zegt al 250 jaar te bestaan: 1761-2011. Plus wat historische aptoheken, zoals La Estrella (1842) in Ferran.

En, natuurlijk, de plek waar de vader van Maya Picasso het liefste kwam met zijn kunstzinnige vrienden: restaurant Els Quatre Gats (1897) in de carrer Montsiò.

Spanje gaat aan de shag

Thuis groeide ik op, zonder zelf ooit te roken, met het eeuwige blauwe pakje ‘Van Nelle halfzwaar’ van mijn vader, wiens vingers in een recordtijd een sjekje rolden, terwijl als ik het probeerde er altijd een vreemde toeter ontstond die ik ook nog eens niet goed kon ‘plakken’. Kwestie van ervaring en oefenen. De Spanjaarden hadden de goedkopere shag niet zo nodig, want zij hadden zelf altijd al pakjes sigaretten voor belachelijk lage prijzen.

Een shagje rollen was in Spanje altijd erg vreemd; iedereen dacht al gauw dat er een jointje werd gerold, geen gewone sigaret. En nog steeds kijken veel mensen met een vorsende blik als zij vooral de jeugd met shag bezig zien. Maar wat blijkt: de verkoop van shag in Spanje is explosief aan het stijgen. Terwijl in januari de sigarettenverkoop met 34% daalde (gevolg van de combinatie van de goede voornemens voor het nieuwe jaar en de nieuwe, strengere antitabak-wet), ging die van shag met 20,5% omhoog.

Dus vandaag even in een estanco geweest, zo’n typische tabakswinkel met het zeer herkenbare uithangsbord, om te vragen of die cijfers kloppen en om te kijken wát er aan shag te bieden is. Stond versteld van dat enorme aanbod. Een collega op de krant rookt al jaren Drum, maar dat blijkt nu, met 6 euro, één van de duurste merken; tot voor kort hadden de estanco’s die pakje sshag vooral voor de toeristen, want het was hier altijd veel goedkoper dan in hun eigen land.

Maar nu zijn er talloze andere merken op de markt gekomen, met namen als Puebla (de best verkopende natuurlijk shag, zonder ‘additieven’), Mohawk, Manitou, Harvest, Steeple en een lang, lang etcetera. (Om niet te spreken van de talloze merken vloeipapier, terwijl ik me van vroeger alleen de Rizla kan herinneren). De prijzen zijn het laatste jaar door een nieuwe belasting flink gestegen, maar nog altijd zijn er pakjes te koop voor iets meer dan 2 euro, of grotere potten voor tussen de 10 en 20 euro.

Als allerlaatste is nu ook Marlboro met shag op de markt gekomen, sinds november, en de verkoopster liet me het verschil zien: een pot Marlboro-shag van 90 gram kost 11 euro en staat ongeveer gelijk aan zes pakjes sigaretten van hetzelfde merk, die bij elkaar meer dan 24 euro kosten…

Zondags uitstapje naar de heilige Ramón

Al 17 jaar lang lokte het licht elke avond weer de blik van mijn ogen de hoogte in: rijdend op de snelweg C-32 van Barcelona naar Sitges, ter hoogte van Sant Boi de Llobregat, lijkt er elke avond weer in het duister een fel licht ver boven de aarde te hangen. Ik wist inmiddels dat het een klein kerkje was, die van Sant Ramón, maar besloot er eindelijk ook maar eens te gaan kijken, overdag. En wat blijkt: de klim naar 289 meter hoogte (een groot deel met de auto, trouwens), naar de top van de berg Montbaig, blijkt in het weekeinde een uiterst populair uitstapje te zijn. Zeker in weekeinden als deze, waarin de zon net als de hele week prachtig zal stralen en de temperatuur bijna de 20 graden bereikt.

De kleine, rechtlijnige ermita werd al bijna 125 jaar geleden op de berg boven Sant Boi gebouwd door ondernemer Josep Estruch, die het kerkje in 1887 de naam meegaf van zijn vader Ramón, een belangrijke bankier uit Barcelona in die tijd. Misschien dat er in die beginperiode veel mensen de zondagse tocht naar de top maakten om dichter bij God te zijn, maar tegenwoordig worden er nauwelijks nog missen in de kerk gehouden, slechts één zaterdag per maand. Sterker nog, het gebouw is niet eens meer van de katholieke kerk of een religieuze groepering, maar in bezit van de gemeente Sant Boi.

Gelovigen komen er nog wel, trouwens, wat te zien is aan de talloze babykleertjes die aan beide zijden van de ingang aan de muur hangen. Dat heeft te maken met Sant Ramon Nonat, de beschermheilige van de kinderen, en talloze mensen vragen op papiertjes gezondheid en geluk voor de pasgeborenen. Om de zoveel tijd moeten de kleertjes worden verwijderd, omdat het er te veel worden.

Maar je hoeft niet gelovig te zijn om de berg op te gaan. Een stichting beheert de bar en het restaurant, dat behalve op maandag alle ochtenden en middagen van de week geopend is en waar Montse en Esteve je typisch Catalaanse gerechten aanbieden. En vóór of na het eten kun je genieten van het uitzicht, niet alleen op Barcelona, maar ook over de hele streek, de Baix Llobregat, en op heel heldere dagen kun je zelfs Mallorca zien liggen.

De coup van 23-F, alsof het gisteren was

Vandaag gaat de film in première; goed moment, natuurlijk, precies dertig jaar later. 23-F. De Spanjaarden hebben de goede gewoonte bijzondere dagen zo af te korten. 23-F, iedereen weet dan waar je het over hebt, 23 februari 1981. Mijn herinnering aan die dag is nog vers; de zomer daarvóór had ik als 17-jarige een Spaans meisje ontmoet, Mari, mijn latere vrouw. We schreven elkaar brieven -internet bestond niet – en heel af en toe mocht er van de ouders gebeld worden, maar  bellen naar het buitenland was duur, natuurlijk, iets van twee gulden per minuut, of zo. Nadat ik op de Nederlandse journaals die besnorde gek van een Tejero had gezien mocht ik natuurlijk wél bellen: het hele gezin zat thuis, in l’Hospitalet, in de flat, een interior zonder ramen naar de straat, en wachtte in spanning af. Latere schoonpapa Paco had zijn vader, zoals zo velen, in de Burgeroorlog verloren – hij streed aan de republikeinse, rode kant – en vreesde alweer voor een herhaling van vroeger, of de terugkeer van een dictatuur. De familie Carmona zou, zoals half Spanje, de hele nacht niet slapen.

Vandaag dus eindelijk een film over die ongelooflijk spannende 24 uur van toen. Boeken zijn er al genoeg, al heeft de laatste, van auteur Javier Cercas, veel lof gekregen. Anatomie van een moment is zojuist in het Nederlands verschenen. Hieronder de recensie van Paul van der Steen in dagblad Trouw:

De Spaanse democratie was nog jong en kwetsbaar, toen militairen in februari 1981 een staatsgreep pleegden. Romancier Javier Cercas wilde de coup achter de beroemde televisiebeelden vandaan krabben.

// <![CDATA[Weinig journaalbeelden hebben als kind meer indruk op me gemaakt dan die van de poging tot staatsgreep in Spanje op 23 februari 1981. Het is lastig te analyseren wat ervoor zorgde dat ze zo intens bij me ’binnenkwamen’. De immense brutaliteit van de daad was zelfs voor een schooljongen duidelijk. De kwetsbaarheid van de democratie misschien ook.

De belangrijkste hoofdrolspelers deden de rest. Luitenant-kolonel Antonio Tejero met zijn borstelsnor en lachwekkende Guardia Civil-hoofddeksel, een operettefiguur die zo leek te zijn weggelopen uit het stripalbum ’Kuifje en de Picaro’s’. Daarnaast premier Alfonso Suárez, die overeind bleef in zijn bankje toen de meeste afgevaardigden wegdoken voor de kogelregen waarmee de coupplegers kort na hun binnenkomst gezag probeerden af te dwingen.

Op de beelden die zich op mijn netvlies brandden, ontbraken op de een of andere manier Manuel Gutiérrez Mellado en Santiago Carillo. Ook zij lieten zich nauwelijks imponeren door de binnendringers. Generaal Gutiérrez Mellado, vice-premier onder Suárez, liep zelfs onverschrokken op Tejero en zijn mannen af. Carillo, leider van de Spaanse communisten, zat tegenover Suárez in de arena, maar een stukje hoger dan de minister-president. Dat hij bleef zitten tijdens het schieten liep wat minder in het oog.

Wat wel in de herinnering bleef hangen was de televisietoespraak van koning Juan Carlos. Gestoken in zijn uniform van kapitein-generaal sprak hij de natie toe. In ondubbelzinnige bewoordingen nam hij afstand van de gebeurtenissen in het Congres en betuigde hij steun aan de Grondwet en de democratie.

De romancier Cercas wilde eigenlijk fictie schrijven over 23 februari. Daar kwam hij van terug. Na verloop van tijd begreep hij dat de gebeurtenissen tijdens en rond de coup „alle dramatiek en al het symbolisch potentieel bevatten dat we van literatuur eisen”. Anatomie van een moment werd een non-fictieboek. Niets dat hij zelf verzon, raakte Cercas zo hevig, bracht hem zo in vervoering, was zo complex en meeslepend als de werkelijkheid van die historische dag in 1981.

De schrijver reconstrueert tot in detail de gebeurtenissen tijdens de bange uren van toen. In de volksvertegenwoordiging, maar ook in de rest van Madrid. En in Valencia, waar opstandige troepen de stad onder controle hadden. Hij laat het niet bij de actie, maar kijkt ook nadrukkelijk naar de reactie, of liever het gebrek daaraan.

Dat velen in de eerste uren na de coup verzuimden om partij te kiezen en zoveel mogelijk opties openhielden, had te maken met de onduidelijkheid van het moment. Die houding afdoen als lafheid is te gemakkelijk. Een zeker opportunisme kwam er zeker bij te kijken. De invloed van het nationale trauma van de bloedige Burgeroorlog uit de jaren dertig valt ook niet uit te vlakken. Alles beter dan de orgie van bloed van destijds.

Cercas plaatst de coup in zijn tijd. De Spaanse democratie stond nog in de kinderschoenen, terwijl de problemen zich opstapelden: de economische situatie was deplorabel, het terrorisme (voornamelijk van de Baskische afscheidingsbeweging Eta) nam toe, instellingen en bestuurders boetten aan gezag in. Een staatsgreep hing in de lucht. Wie daar niets van moest hebben, deed op zijn minst mee aan het speculeren over meer bemoeienis van de militairen, het aanstellen van een sterke man of het aantreden van een eenheidsregering.

De auteur toont overtuigend aan dat de mannen die niet doken voor de kogels alle drie ’helden van de terugtocht’ waren. Zoals later Michael Gorbatsjov deed, loodsten zij hun land door een overgangstijd heen en waren daarom min of meer voorbestemd om tussen het raderwerk van de geschiedenis vermalen te worden.

Het uit de provincie afkomstige lefgozertje Suárez werd groot onder het Franco-regime. Na de dood van de dictator verwezenlijkte de politicus het schijnbaar onmogelijke. Binnen een jaar legde de nieuwe premier de basis voor de Spaanse democratie. Misschien wel de allerknapste prestatie: de franquisten tekenden zelf mee voor de liquidatie van het franquisme. Maar begin 1981 was de houdbaarheidsdatum van Suárez verstreken. Spanje was hem zat. Juist op het moment van de staatsgreep werd zijn opvolger gekozen.

Bij het vestigen van het burgerlijk gezag waren militairen onontbeerlijk. Generaal Gutiérrez Mellado gebruikte zijn gezag om de hervormingen te ondersteunen. Hij ging onder Suarez dienen als vice-premier. Door de lotsverbondenheid met de minister-president liepen hun opkomst en ondergang vrijwel parallel.

Gutiérrez Mellado verspeelde met zijn politieke optreden veel van het krediet dat hij had bij zijn oude wapenbroeders. Vooral het rabiate deel daarvan verweet hem zijn instemming met het voor hen ondenkbare: de legalisering van de communistische partij, de gehate tegenstander uit de tijd van de Burgeroorlog.

Aan de andere kant van het politieke spectrum verweten de communisten hun secretaris-generaal Carillo dat hij te veel concessies deed. Hij verkoos eendracht en vrijheid boven zijn oude idealen, revolutie en gerechtigheid. Onvergeeflijk, vonden de kameraden van weleer.

Met hun wat minder flexibele geest weigerden de tegenstanders van Suárez, Gutiérrez Mellado en Carillo te geloven dat de drie gedreven werden door authentieke overtuiging. Ze zouden zich puur laten leiden door eigenbelang en politieke overlevingsdrift.

Cercas maakt van alle betrokkenen mensen van vlees en bloed. Hij stapt niet in de valkuil waartoe de televisiebeelden van toen uitnodigden. De staatsgreep was geen western, waarin de wereld uiteenviel in heldhaftige cowboys met witte, en kwaadaardige cowboys met zwarte hoeden. De werkelijkheid was veel te complex om zich in zulke simplistische schema’s te laten vatten.

’Anatomie van een moment’ is niet vrij van manco’s. Cercas stelt meestal exact de juiste vragen, maar blijkt wat slordiger met het geven van de antwoorden. Een aantal keren valt hij in herhaling. En de manier waarop hij de wederwaardigheden van de jonge Spaanse democratie aan het einde van het boek naar zijn persoonlijke leven trekt, is mooi, maar het gebeurt te haastig, als een soort toegift die de tijd eigenlijk niet meer toestaat. Dit gegeven had meer uitwerking verdiend.

Cercas’ boek heeft behalve historische relevantie ook een zekere actualiteitswaarde. ’Anatomie van een moment’ laat zien dat democratie nooit volmaakt kan zijn, uiterst kwetsbaar is en dat gekanker op het systeem de funderingen daarvan gevaarlijk kan aantasten.

var id2 = ‘0.42728016720548223’;
// ]]>

Dubbel zoveel bossen als vroeger

En ik altijd maar denken dat Nederland zo’n bosrijk land is/was, vooral in de buurt van Utrecht waar ik opgroeide en ooit demonstreerde tegen het aanleggen van een snelweg door ons Amelisweerd. Talloze boswandelingen maakten we, en we gingen nog niet eens naar de Veluwe. Plus de camping waar we altijd kwamen, in Driebergen, die natuurlijk Het Grote Bos heette. Allemaal een mythe, blijkt nu. De Spaanse afdeling van het FAO (een organisatie van de Verenigde Naties) maakte gisteren het rapport ‘De stand van de bossen’ bekend en wat blijkt: Nederland is het Europese land met het minste oppervlak aan bosgebied, slechts 11%, kort achter Groot Britannië (12%)  en ver verwijderd van Duitsland (32%), Frankrijk (29%) en natuurlijk Zweden (69%) en Finland (73%). Per 1.000 inwoners hebben we in het dichtbevolkte landje maar 22 hectare bos beschikbaar.  Bijna geen land komt onder de 100 ha pero 1.000 inwoners en de meesten zitten boven de 200 ha…

Nu Spanje dus, want daar gaat dit blog toch ene beetje over: 36% van het land is bos, er is 409 hectare per 1.000 inwoners beschikbaar. Het rapport werd mede gepresenteerd omdat Spanje niet ontbost is maar, in tegendeel, in de laatste eeuw zijn oppervlakte aan bosgebieden juist heeft verdubbeld. Na China en de Verenigde Staten is Spanje in het laatste decennium het land op de wereld dat het meeste bosgebied herwint, zo’n 170.000 hectare per jaar.

Dat komt onder anderen omdat het platteland blijft leeglopen, maar ook omdat er steeds meer bos-plantages worden aangelegd. Toeristen die soms door het achterland van de Costa Brava toeren zal het wel eens zijn opgevallen, de kilometerslange rijen torenhoge populieren die strak achter elkaar staan, allemaal bestemd voor de houtindustrie. Om niet te spreken van de kurkeiken die een groot deel van datzelfde achterland bevolken – Spanje is na Portugal de grootste Europese producent van kurk.

Voor degenen die in Barcelona zijn en een boswandeling willen maken: ik heb het al vaker over de Collserola gehad, het beschermde natuurpark net achter de Tibidabo waar je dagenlang kunt rondlopen of -fietsen en heerlijk kunt eten. De Nederlandse Vereniging deed dat zaterdag geloof ik bij Can Borrell in Sant Cugat, waar het net als overal in Catalonië tijd is voor de calçots (zal er binnenkort maar eens een uitgebreide post over schrijven, die prachtige uien). Al was vroeger mijn favoriete trip uit de stad naar de Montseny, vlak aan de snelweg richting Girona, afslag Sant Celoni, beloond met lamskoteletjes bij het restaurant Costa de Montseny, dat nog altijd lijkt te bestaan.

Gezocht: Nederlandse schooldirecteur in Barcelona

Het is voor mij, en mijn kinderen, al weer lang geleden, maar ooit bracht ik ze elke zaterdagochtend naar een klein lokaaltje in Sant Pere de Ribes om drie, vier uur lang een beetje Nederlandse taalvaardigheden op te doen. Het is het typische probleem van een gemengd huwelijk in het buitenland, Spanje in dit geval: de kinderen krijgen elke dag op school onderwijs in Spaans en Catalaans, thuis is vader of moeder ook Spaans en/of Catalaans en het Nederlands van de andere partner, die óók nog eens Spaans en/of Catalaans spreekt, komt in het verdomhoekje terecht. Al sprak ik met hen in het Nederlands, mijn kinderen antwoordden me altijd in het Spaans, want dat begreep ik toch wel.

Die lessen in Ribes hielden op te bestaan, we moesten vanaf dan naar Castelldefels. Inmiddels blijkt die Nederlandse school enorm gegroeid te zijn, met tegenwoordig ook nog een dependance in Sant Cugat én een heuse eigen naam, Oranje dijk-school. De beheerder, de Stichting Nederlandse Taal- en Cultuur Barcelona, is nu op zoek naar een nieuwe bevoegde directeur-leerkracht.

Uit de vacature-advertentie: De Stichting Nederlandse Taal en Cultuur Barcelona ‘de Oranje-dijkschool’ zoekt een nieuwe directeur / leerkracht. De stichting is opgericht in 1992. De school is aangesloten bij NOB.
De school biedt Nederlands taal en-cultuuronderwijs aan ruim 135 leerlingen in de leeftijd van 4 tot 18 jaar die Nederlands als eerste of tweede taal hebben. De meerderheid van de leerlingen woont permanent in of rond Barcelona en heeft  één ouder met de Spaanse nationaliteit.
Op zaterdag geven we in Castelldefels (op 15 minuten van Barcelona) les aan ruim 85 kinderen verdeeld over 6 groepen (PO en VO), van 9.30 tot 12.30 uur.
Op maandag geven we in Sant Cugat (ook op 15 minuten van Barcelona) les aan ruim 35 leerlingen verdeeld over drie groepen (enkel PO) van 17.15 tot 19.15 uur.
Op woensdag geven we in Castelldefels les aan zo´n 15 kinderen (2 groepen) die Nederlands als eerste taal hebben. Van 16.30-18.30 uur.
Er worden gedurende het schooljaar extra cultuurlessen gegeven en activiteiten georganiseerd n.a.v de Nederlandse feestdagen.
De stichting heeft momenteel 6 vaste leerkrachten en 1 invalkracht in dienst. Het Bestuur van de stichting bestaat uit 7 leden en komt maandelijks bijeen op het Nederlands Consulaat in Barcelona.

De rest van de advertentie, met alle vereisten, is hier te vinden.

Droog weer in Barcelona? In november!

Terug in Barcelona ontvangen door de regen, gisteren (vandaag is het weer mooi zonnig). En dus vroeg ik me af of het de laatste tijd wat natter is, hier, want da gevoel heb ik een beetje. Ja, dus; althans vorig jaar in ieder geval, zo leren de  meteorlogische samenvattingen van het observatorium van Fabra, halverwege de Tibidabo. Vroeger had ik altijd het idee dat ik hooguit een week per jaar in de regen door Barcelona moest fietsen, maar perceptie en realiteit liggen nogal eens ver uit elkaar. Barcelona heeft gemiddeld rond de 100 dagen per jaar met (een beetje) neerslag, maar 2010 werd met 128 regen- (en een klein beetje sneeuw-)dagen het natste sinds lange tijd, liefst een maand meer regen, bij elkaar, dan bijvoorbeeld in 2006 en 2007, toen er ‘slechts’ op 95 respectievelijk 97 dagen druppels vielen. In totaal was 2010 goed voor 720 mm neerslag, wat niet ver onder de 801 mm ligt die er gemiddeld over heel Nederland viel, al heeft ons ‘kikkerlandje’ ook jaren gekend met meer dan 900 mm. Opvallend, het aantal dagen dat er in 2009 in Nederland neerslag viel was 132, niet zo veel méér dus dan in Barcelona, maar die statistiek blijkt een beetje verraderlijk: dat zijn alleen dagen dat er in NL méér dan 1 mm valt, terwijl in BCN élke druppel wordt gemeten. Het aantal dróge dagen in en rond De Bilt was 133, dus bleven er nog eens 130 over waarop het miezerde.

Maar het verschil tussen Barcelona en Nederland blijken we dus vooral in de temperatuur en de zonneschijn te moeten zoeken: moet Nederland het gemiddeld met bijna 1.600 uren zon per jaar doen, in Barcelona hadden we hem vorig jaar 2.596 uur aan de hemel staan, en duizend uur extra zon is veel, heel veel.

Wie trouwens vrijwel zeker wil zijn van een droog uitstapje naar Barcelona (vandaar de kop boven deze post) moet trouwens behalve in redelijk droge maanden als juni of juli vooral in november komen: in het overzicht van de laatste tien jaar ontdekte ik dat het hier in november gemiddeld nog geen vijf dagen regent. Vorig jaar was de maximale temperatuur in die maand bovendien nog 23º, en dát allemaal maakt het verschil juist in zo’n herfstperiode met Nederland het grootst. November dus…

UPDATE: De herfst is dit jaar (2011) héél laat ingetreden in en rond Barcelona; pas op 20 oktober is het een beetje begonnen met regenen. Deze maand november zou dus wel eens heel wat natter dan het gemiddelde kunnen zijn. En dit blog, natuurlijk, is niet aansprakelijk voor in het water gevallen vakantietjes…

 

 

 

 

 

Met pijl en boog op de ‘stadszwijnen’ jagen

Ze beginnen een serieus probleem voor de hogere delen van Barcelona te worden: tussen januari en september vorig jaar werden 540 incidenten met everzwijnen geteld, vooral in de wijken Sarrià-Sant Gervasi, Gràcia (het bovenste deel, niet de populaire straatjes rond de Carrer Verdi) en Horta-Guinardò, buurten die half tegen de Tibidabo aanleunen en grenzen aan het beschermde natuurpark Collserola. Incidenten betekent in dit geval dat ze vuilniszakken kapotvraten, tuinen binnendrongen of voor verkeersproblemen op straat zorgden.

De populatie zwijnen in Collserola schijnt in de laatste jaren verdrievoudigd zijn en de beesten hebben nu de stad ontdekt om aan voldoende voedsel te komen. Eten dat ook nog eens door de mensen wordt gegeven, want we vinden het zo leuk, van die halfwilde beesten op straat. De schatting is dat er in Collserola bijna 900 wonen. Te veel , zeggen de deskundigen van de Catalaanse regering, dus mag er op ze gejaagd gaan worden, maar alleen op een bijzondere, ouderwetse manier.

Een klopjacht, die al eens in 2004 werd georganiseerd,  schijnt niet zo effectief te zijn: één beest wordt misschien omgelegd, maar de rest vlucht na het horen van de schoten diep het park in. Bovendien moet zo’n jacht overdag plaatsvinden, wanneer Collserola vol zit met wandelaars. Dus is besloten dat er ’s nachts gejaagd moet  worden, en alleen maar met pijl en boog. Wat niet betekent dat iedereen nu zomaar in het donker de berg op kan met zijn pijl en boog; er worden speciale vergunningen voor afgegeven en de selectie is streng. Als wandelaar zou ik me deze maand februari, de jachtmaand, me ’s nachts in ieder geval niet op Tibidabo wagen.

De dierenbeschermers zijn al in opstand gekomen. De regio die een half jaar terug nog het stierenvechten verbood gaat nu de everzwijnen aan een langzame dood blootstellen, zeggen zij. We zijn in afwachting van de reportage over de jacht, kijken of we dat nog wel kunnen, op die ouderwetse manier en in het donker, waarin de zwijnen zich zo thuisvoelen.

Konijn in gember, om te beginnen

Het jaar van de tijger, míjn jaar, is bijna voorbij, dat van het konijn gaat beginnen. De tijger, zo voorspelden de Chinese astrologen, zou voor onrust zorgen, een nog diepere crisis, rampspoed en een heleboel meer. Chinese stellen voorkomen liever dat hun kinderen in het teken van de tijger worden geboren, wachten liever op het jaar van het konijn. Want het konijn is het sterrenbeeld van de gefortuneerden, van de goedboerende ondernemers. Het konijn moet dus iets meer rust brengen, na de tijgerstorm, maar het konijn is ook een oplettend beest, kijkt altijd goed om zich heen om niet het slachtoffer van een roofdier te worden.

Gisteravond al liep Lam Chuen Ping een beetje op de Chinese Oudejaarsnacht vooruit en nodigde, zoals elk jaar, vrienden, bekenden en enkele beroemdheden uit in zijn restaurant, Memorias de China. Met vooraf de gebruikelijke dans van de draak en de leeuw in de Carrer Lincoln, een straatje achter de Via Augusta die ik tot nu toe alleen kende van enkele bezoeken, in een ver verleden tijd, aan de toen absolute discotempel van de stad, Otto Zutz.

Memorias de China staat bekend als één van de beste Chinezen van de stad, want heeft niets te maken met de standaardchinees en zijn flauwe Arroz Tres Delicias. Een andere topper, in dat opzicht, is iets verder buiten het centrum Rio Dragon, waar eigenaar en kok Chang ook nog een beroemde goochelaar is en zijn kunstjes graag aan tafel vertoont. Net als Chang is Lam Chuen Ping een bekende Chinees in Barcelona. Hij woont hier al sinds 1972, was filmacteur, was de eerste accupuncturist in de stad, opende de eerste vechtsportschool, is de voorzitter van de vereniging van Chinese ondernemers en heeft dus dat restaurant, waar we gisteravond aan het nieuwe jaar mochten proeven.

Vooraf een mix van ‘zee- en bergvruchten’, dus van kreeft tot paddestoelen, daarna turbot in een beetje pikant sausje (de Cantonese keuken houdt niet zo van pikant of gekruid), vervolgens konijn in gember en als dessert een opvallend op een konijn gelijkend zoet broodje met chocolade in deeg. Opvallend vond ik wel dat er aan geen enkele tafel Chinese genodigden zaten, slechts de Catalaanse (zogenaamde) chique. Dat is, zo werd mij verteld door een collega, wel anders bij l’Olla de Si Chuan, op Aragó bij het Plaça Letamendi, waar het vol met Chinezen zit aan de grote pannen, de hotpots, die samen met de beroemde peper de keuken uit Szechuan zo pittig en bijzonder maken.

Het laatste Franco-monument is verdwenen

Dit is de obelisk op het drukke kruispunt van de Diagonal met de Passeig de Gràcia, in de volksmond el lápiz, het potlood, geheten. Een ‘kale’ obelisk, sinds vandaag. De dranghekken zijn nog de enige resten van het weghalen, vanochtend, van een dame die er ruim 70 jaar heeft gestaan. Victoria, heette zij. Zij was het symbool van de overwinning van de Franco-troepen toen die in 1939 over de Diagonal Barcelona binnentrokken en het laatste rode bastion in Spanje veroverden. Om duidelijk te maken wie er de baas was, werd er aanvankelijk helemaal bovenop de obelisk een typische Franco-adelaar geplant. Hoewel, érg typisch was die niet. De Franco-aanhangers beklaagden zich erover dat het wel een magere papegaai leek in plaats van een stevige adelaar, en de bliksem had het beest ook nog geteisterd. Dus werd enkele jaren later de adelaar verwijderd.

De obelisk was toevallig drie jaar eerder, net vóór het begin van de Burgeroorlog, door de later vermoorde Catalaanse president Lluís Companys (althans, hij werd in 1940 na een pantomime-rechtszaak door de franquisten gefusilleerd) onthuld. Het was een eerbetoon ter ere van de president van de Eerste Republiek, Pi i Margall; ook hij kreeg een (blote) vrouw als standbeeld, zij stelde de republiek voor, maar ze moest dus later plaatsmaken voor de kuisere Victoria. Dat eerste beeld is in 1990 trouwens teruggevonden en staat nu op het Plaça Llucmajor.

De obelisk staat nu, kaal, op een plein dat Joan Carles I heet, een plein dat verder geen huisnummers heeft en dus eigenlijk bijna niet bestaat, iets wat de koningsgezinden weer niet zo leuk vinden. “We moeten niet met trots herdenken wat een enorme nederlaag was,” zei burgemeester Hereu vanochtend bij afbreken van vrouwe Victoria. Maar meer dan dat gevoel – de meeste mensen wisten echt niet meer wat dat beeld nou voorstelde – is de Wet op het Historisch Geheugen de reden van het verwijderen. Hieronder, als opfrissertje, een stukje dat ik onlangs voor de VARAgids schreef over die wet.

Sommige sporen van het dictatoriale verleden van Spanje zullen wel nooit kunnen worden gewist. In het centrum van het land, ergens langs de oneindige wegen die Don Quichot ooit bereed, liggen dorpjes die Llanos del Caudillo en Villanueva de Franco heten: de Vlaktes van de Leider en het Nieuwe Dorp van Franco, nederzettingen die generaal Francisco Franco tijdens zijn bewind liet bouwen en naar zichzelf liet noemen. En in andere plaatsen zijn er nog genoeg straatnamen die naar generaals en andere duistere figuren van de dictatuur verwijzen, al heet de majestueze, 11 kilometer lange Avinguda Diagonal die Barcelona doorkruist al dertig jaar geen Avenida del Generalísimo Franco meer.

Beetje bij beetje probeert Spanje de sporen van dat grijze, grauwe verleden te wissen uit het openbare leven. Maar tegelijkertijd doet het land zijn best niet te vergeten. Tientallen jaren lang leek dat laatste het beste recept om na de dood van Franco in 1975 de overgang, de wereldwijd geroemde Transición, naar de democratie te maken. Zonder haat en wraak. Vergeten. Of er zo weinig mogelijk over praten.

Maar uiteindelijk bleek dat vaak bloedige boek niet zo eenvoudig te sluiten voor de miljoenen Spanjaarden die de gevolgen van de Burgeroorlog en de daaropvolgende repressie aan den lijve of in hun familie- en vriendenkring hadden ondervonden. De tussen de 80.000 en 130.000 vermisten, in vaak anonieme massagraven onder de grond langs wegen waar zij zonder enige vorm van proces waren gefusilleerd of waar zij als soldaat waren gevallen, schreeuwden om erkenning en herkenning.

Het lokaliseren en openen van die massagraven was één van de meest ambitieuze doelen van de Wet op het Historisch Geheugen die de Spaanse socialistische regering in oktober 2007 door het parlement loodste. Dankzij getuigenissen van overlevenden is er inmiddels een soort landkaart met duizenden van die graven opgesteld, maar tot nu toe zijn slechts enkele tientallen geopend om de botten via het dna een naam en een waardig graf te kunnen geven. Het beroemdste graf, dat van dichter Garcia Lorca in de buurt van Granada, is na lang speuren en spitten overigens nooit gevonden.

Dankzij de wet is er ook een inventarisatie gemaakt van de Franco-symbolen die ruim 35 jaar na de dictatuur nog altijd op straat bestaan. Alleen al op overheidsgebouwen zijn er meer dan 440 gevonden, ruim 300 daarvan bij gebouwen en vooral kazernes van het ministerie van Defensie. Het minst opvallend, en het meest aanwezig, zijn de tienduizenden bordjes die bij de portieken van flatgebouwen door het hele land hangen, goedkope woningen die door het ministerie van Volkshuisvesting van Franco werden gebouwd.

Verder moet je op straat in de Spaanse steden goed kijken om nog een ‘adelaar’ of het beroemde juk met vijf pijlen van Franco tegen te komen. Santander was in 2009 de laatste stad die een standbeeld van de dictator, gezeten op een paard, liet verwijderen. En in de beruchte Valle de los Caídos, de vallei en basiliek bij Madrid waar Franco begraven ligt, heeft de regering elke ‘viering’ van het dictatoriale verleden verboden. Niettemin togen daar elk jaar op 20 november, de sterfdag van de Caudillo, nog duizenden nostalgische aanhangers naar toe, maar enige politiek gewicht heeft extreem-rechts in Spanje allang niet meer.