Categorie archief: reizen

Het achterland van Benidorm

Ja, schrik niet, Benidorm. De stad die ik zelf geen aanrader vind, maar ik respecteer de mensen die er graag komen. Ouderen worden er ouder dan in Nederland, de gewrichten schuren er minder, de geest blijft er zonniger dan onder een Hollandse winterdeken. En Benidorm is natuurlijk niet alleen Benidorm; dicht in de buurt zijn er talloze leuke plekken te vinden, al ontdekken de honderdduizenden toeristen die er komen die meestal niet. Ze komen de stad gewoon niet uit. Ik huurde er ooit een oude Vespa – ooit is echt óóit, de foto’s zijn van 1983 – en kwam terecht in de buurt van het stuwmeer van Guadalest; niet ver, en toch de totale paradox van de wolkenkrabbers aan zee.

In Benidorm zelf heb ik nooit overnacht. Mijn favoriete pleisterplaats als ik op weg ben naar het zuiden en ergens een zomerse stop wil maken is Altea, het dorpje net boven de massatoerismemetropool. Nu ook al anders dan 27 jaar geleden, natuurlijk, maar bij mijn allerlaatste bezoek had de kleine witte parel zijn schoonheid in het oude, door muren omgeven centrum, nog altijd behouden. Drukker, vanzelfsprekend, en omringd door urbanisaties die Altea Hills heten en zo, maar het beroemde opschrift, gericht aan de toeristen, bij één van de ingangen van de citadel hing er nog altijd. ‘…en je zal denken een stukje van de hemel te zien, hier op aarde…’ Heerlijk eten, ook, in Altea, al kan ik me geen enkele naam meer herinneren van een restaurant. Wel dat mijn dochter, toen ze één jaar was, vrijelijk over de vloer mocht kruipen zonder dat de eigenaar en andere eters zich er over beklaagden; ook al zo’n verschil tussen Nederland en Spanje.

Je kunt er trouwens nog dichter in de buurt van de hemel komen dan op het centrale plein van Altea. Iets zuidelijker ligt de Peñón de Ifach, een 332 meter hoge granieten rots die er uit zee steekt, voor de kust van Calpe. In jeugdige overmoed klommen we er omhoog, over totaal onbeschermde paadjes waarnaast een diepe afgrond je de onvermijdelijke dood inlokte; misschien is het pad sindsdien verbeterd. op internet zie ik dat er nog altijd een wandelroute bestaat, waarover je in anderhalf tot twee uur boven komt. Ook is de rots geliefd bij klimmers die er uren aan de wanden gaan hangen om boven te komen.

En net onder Benidorm licht Villajoyosa, waar we ooit de strijd tussen Moren en Christen meemaakten; folklore ten top, de Moros y Cristianos, twee kampen die centraal staan bij de dorpsfeesten in de regio, al is er van een werkelijke religieuze strijd geen sprake meer. Wij stonden er toen, natuurlijk, op een mooie camping aan de zee; jaren later overnachtte ik eens op kosten van de krant vijf sterren hoger, in het prachtige hotel Montíboli. En dat allemaal op een steenworp van Benidorm, dus zo erg is het er ook niet toeven, aan het hart van de Costa Blanca.

Eten en slapen langs de snelweg

Wij, die regelmatig vanuit Nederland naar Spanje zijn gereisd (en viceversa), hebben het allemaal wel eens gedaan: slapen aan de rand van de snelweg, op één van de vele parkeerplaatsen in Frankrijk langs de autoroute du soleil, met zijn tweeën, drieën of vieren opgepropt in de auto, opdat vooral de chauffeur wat rust kon pakken. Al bespeur ik de laatste jaren de tendens dat wij, vroeger zo zuinige Nederlanders, steeds meer een hotelletje langs de autoroute zoeken; al is het maar een Formule 1 of Campanille, maar het is toch al wat anders dan ongemakkelijk in de auto liggen maffen.

Frankrijk leek lange tijd veel verder met die aires dan Spanje met zijn áreas de servicio, maar de laatste 5 à 10 jaar zijn ze er vooral aan de Catalaanse tolwegen sterk op vooruit gegaan, zo kon ik deze week tijdens een uitgebreide inspectie (ik bezocht 25 van deze megaparkeerplaatsen met hun benzinestations, winkeltjes en restaurants) constateren. Voor de goede orde: het zijn geen plekken waar je uren wil verpozen noch fantastisch uit gaat eten, maar de voorzieningen zijn steeds completer geworden. Uitgebreide picnic-zones (niet overal, de één is verder dan de ander), óveral is inmiddels een ‘cuarto de los peques’ (een babyroom waar de kleinsten verschoond kunnen worden), er zijn nauwelijks ‘architectonische obstakels’, zoals dat zo mooi heet, voor invaliden. Veiligheid is nog wel een heikel punt, zowel de verkeersveiligheid (bij het oversteken van soms drukke rijbanen van en naar de benzinepomp) als de bescherming tegen berovingen: nauwelijks politie te zien en volgens een vrachtwagenchauffeur die ik sprak wordt vooral dichtbij Barcelona nog veel gejat: chauffeurs en toeristen die er slapen worden verdoofd met een gas dat de auto wordt ingespoten en daarna wordt een ruitje ingeslagen. Hij vertelde er nog bij (broodje aap?) dat een stel dat liefdevol in de auto bezig was door de dieven ook maar even werden ‘genomen’, zowel hij als zij.

Waar de Catalaanse áreas de Franse zeker overtreffen is in de bar en het restaurant. Zelf kon ik bij vroegere autoreizen vanuit Nederland niet wachten om de grens over te gaan en snel een échte café solo te scoren; omdat het bij La Jonquera wel erg druk is altijd, reed ik nog even door naar de Empordà, de volgende pleisterplaats. En het eten is er de laatste jaren een stuk beter geworden, met saladbars, biefstukken die voor je ter plaatse op de grill worden bereid en, voor het eerst dit jaar (mocht ook wel, want eten aan de snelweg is altijd te duur geweest), een heus typisch Spaans menu voor 9,95 euro (voor-, hoofd-, nagerecht en drank) iets waar de buitenlandse toeristen niet aan gewend zijn, zo vertelden ze me zojuist bij Áreas, het megabedrijf dat vrijwel een monopolie heeft; ook al heten de restaurants anders (La Pausa, Medas, Ars), ze komen allemaal van deze zelfde gigant, die ook alle restaurants, bars en winkels op de Spaanse vliegvelden beheert.

In de handen van luchtverkeersleiders

Is vaak het probleem van de Nederlandse  kranten en TV- en radiojournaals: brengen ze een week geleden groot het alarmerende bericht dat de luchtverkeersleiders in Spanje in het drukke augustus dreigen te gaan staken, publiceren reacties van reisorganisaties, mensen beginnen hun vluchten al vooraf te annuleren of uit te stellen, in afwachting van de stakingsdata, en dan brengen die kranten en journaals (bijna) niets als de verkeersleiders uiteindelijk besluiten níet te gaan staken. Het toerisme in Spanje steekt net weer een beetje de kop op en populair zijn mensen die tussen de 2 en 3,5 ton verdienen tóch al niet als ze zich erover beklagen dat ze minder verdienen dan voorheen. Het nieuws dus, van gisteren: er komt géén staking, iedereen kan rustig van en naar Spanje gaan vliegen.

Mysterieus beroep, trouwens. Zoek in het fotoarchief van de krant naar beelden van luchtverkeersleiders en ze zijn er bijna niet. Althans, niet op hun werkplek, een soort heilige der heiligen, hun bijzondere wereld. Laatst hadden we een interview met één van hen, een vrouw. Kan me vooral herinneren dat ze vertelde hóe vaak ze dreigende botsingen in het luchtruim voorkomt… Misschien nog meer dan in handen van de piloten zijn we in handen van deze mensen, op de grond.

Heb ze trouwens eens indrukwekkend aan het werk gezien in de film van Paul Greengrass over de aanslagen van 9/11. United 93 was een prachtfilm, ook al omdat bijna alle acteurs amateurs waren en veel mensen zichzelf speelden, óók die luchtverkeersleiders. Eerst die onzekerheid over vluchten die spoorloos van de groene schermen verdwijnen. En dan het moment dat je hun gezichten en reacties ziet wanneer de tweede Boeing zich in het WTC boort… Nog altijd kippevel, brok in de keel.

De N-340: de langste weg van Spanje

Voor de mensen die graag een leidraad voor hun reis hebben. Én voor degenen die vooral van de costa’s en minder van het diepe binnenland houden, al kom je op deze route alle mogelijke landschappen tegen en kun je ook op 20 kilometer van de kust al rustige dorpjes of verlaten natuurgebieden aantreffen. Ik deed de reis in 2002, mede als project voor de zomerbijlage van El Periódico én om twee kleine kinderen (met 3 maanden vakantie) in ieder geval een maand te vermaken en een soort vakantie te bieden terwijl papa zijn (aangename) werk deed. We trokken ruim 30 dagen met een gehuurde camper langs de N-340, van kilometer nul bij Cádiz/Chiclana de la Frontera tot kilometer 1254 op de grens van l’Hospitalet de Llobregat en Barcelona; daarna verdwijnt de weg op de Carrer de Sants. Het is de langste weg van Spanje en, ideaal voor zo’n zomerreportage, eentje die bijna volledig langs de kust loopt. Campings genoeg ook, om de camper te parkeren en, tussen het schrijven door – één paginagroot verhaal per dag – van het zomerse leven te genieten. Zo ontdekten we mooie en minder mooie campings in Chiclana, Tarifa, Nerja, Almería, Torrevieja, Benicàssim en een lang etcetera, met één heel bijzondere: Els Alfacs in Alcanar, de camping aan de zuidrand van Catalonië waarover in 1978 een tankwagen zijn brandende lading uitstortte, een ramp die ana meer dan 200 kampeerders het leven kostte. Mooie camping, trouwens.

Op zo’n reis ontdek je de volledige diversiteit van Spanje, hoor je ook mooie verhalen (althans, daar ben je als journalist naar op zoek), zoals die van de vier vriendjes die bij toeval in de jaren vijftig de grotten van Nerja ontdekten; nu zijn zij een mooie toeristische trekpleister (de grotten, niet die jongens van toen. Eén van hen leidde me rond, heeft voor eeuwig gratis toegang). Spaanse taallessen in Vejer de la Frontera, de man van het barretje op de weg bij Tarifa waarvandaan je Marokko ziet liggen, een zwerver met rolstoel in Marbella, een oud-stierenvechter met een imposante cortijo bij Algeciras, de kassen van El Ejido, de woestijn van Tabernas, een Nederlandse vrouw met reuma die in de droogte van Murcia was gaan wonen, de historische stuwdambreuk van Tous in 1982, de restaurants voor vrachtwagenchauffeurs bij Castellón, de grote bordelen ook… En zou je nog een keer gaan, dan zou je weer andere, nieuwe, bijzondere verhalen opdoen. Hieronder een kort overizchtje van de N-340 in foto’s…

Spaanse lessen voor buitenlanders in Vejer de la Frontera.

Zicht op Marokko vanaf de Mirador del Estrecho bij Tarifa.

Miguel Muñoz bij het gaat waar hij de grotten van Nerja spelenderwijs ontdekte.

Het strand bij het nudistencomplex van Vera.

En, tot slot, het dorpje Tous bij Valencia. De witte tegel tussen beide balkons geeft aan tot wáár het water kwam te staan toen in oktober 1982 de enorme stuwdam brak, echt zo’n beeld van een nachtmerrie die de bewoners nog goed kunnen navertellen – behalve de 12 die om het leven kwamen. Er was tussen de 450 en 1.000 mm regen in 15 uur gevallen, door een fout waren de sluizen van de dam niet opengezet om water van de Jucar-rivier te laten wegstromen en het beton kon de druk uiteindelijk niet meer aan. Een gigantische tsunami stortte zich over de vallei en het was nog een wonder dat er maar 12 doden vielen; de meeste mensen waren al geëvacueerd.

De oneindige Costa Brava

Iedereen heeft wel zijn eigen favorietje plekje aan de Costa Brava. Ik ken mensen die gek zijn van Port de la Selva, bijna aan het einde, de noordkant, dichtbij de Franse grens. Cadaqués blijft een idyllische herinnering aan hippie’s (de enige hippie’s die er nu nog zijn, in Cadaqués, op Kreta en waar dan ook, zijn altijd Duitsers). l’Escala is leuk waar het centrale staatje slingert langs strandjes en restaurants. Schrijver Truman Capote raakte verliefd op Palamós. Mijn persoonlijke favorieten zijn altijd de strandjes Sa Riera en Sa Tuna bij Begur geweest, plus de betoverende plaatsjes Calella de Palafrugell en Llafranc.

Hier, op de plaats van de foto’s kom ik niet zoveel, maar ik ontdekte afgelopen week, op bezoek bij vrienden Judith&Jaap in Santa Cristina d’Aro, dat het wel iets leuks heeft, het minuscule S’Agaro, een sjieke wijk rond het al even historische en luxueuze Hostal de la Gavina, in de jaren twintig van de vorige eeuw gebouwd en een architectonisch monument, net als veel huizen eromheen.

Midden aan het strand, dat de Platja de Sant Pol heet (niet te verwarren met het dorpje Sant Pol), ligt het monumentale maar verwaarloosde Casa Estrada of Casa de les Punxes, een huis in de modernistische stijl dat een man een eeuw geleden voor zijn vrouw en twee dochters liet bouwen. Drie van de torens waren voor hen bedoeld. Een paar jaar geleden was er sprake van dat topkok Sergi Arola er een restaurant zou beginnen – de kleine boulevard is al één opeenvolging van aardige eetgelegenheden -, maar tot nu toe staat het nog steeds af te takelen. Soms vraag je je af waarom de eigenaar een juweel op zo’n exclusieve plek verwaarloost.

Kom je er om een uur of zes, dan is het bij het strand van S’Agaro eenvoudig parkeren, de blauwe zone kost er één euro voor anderhalf uur, ongeveer. Kunnen ze in andere plaatsen van leren. Het is ook de mooiste tijd om naar het strand te gaan, overal aan de Costa Brava, wanneer de zon zich langzaam over land terugtrekt en de zee een magische blauwe kleur krijgt. En na het strand ga je dan naar één van de dorpen of stadjes in de omgeving, zoals Sant Feliu de Guíxols, waar het parkeren al wel een stuk moeilijker is, maar waar bijna overal de dorpsfeesten in augustus aan de gang zijn. Grote kermis voor de kinderen, vette happen en veel bier in de speciale feesttenten en muziek, dans en vuurwerk laat op de avond.

Ook al zijn er overal veel buitenlandse toeristen, op de één of andere manier blijf je aan de Costa Brava wel de indruk houden dat de Catalanen zelf er ook graag komen, dat het hún vakantieparadijs is. En dat op een uurtje rijden van Barcelona.

Het rustigste strand van de Algarve

Eén van de leukste vakantiehuisjes die we ooit hebben gehuurd, via een advertentie in een Nederlandse krant en een betaling aan een Nederlandse eigenaar, stond in het hart van de Portugese Algarve. Weet niet of het nog steeds van hem of haar is, of te huur staat, maar het was een klein en onbekend paradijsje aan de verder drukke Algarve. Het moet de zomer van 1997 zijn geweest en middenin Estoi, een klein plaatsje net boven Faro, lag dit okerkleurige huis: het dorpspleintje is vanaf het dak zichtbaar. Dat was alles (dat pleintje met zijn barretjes en een paar winkels), maar veel meer was er niet nodig. Met de auto kon je hiervandaan dit deel van de Algarve ontdekken. Niet naar links, naar het westen, richting het overbekende en overbevolkte Albufeira (hoewel, bijna helemaal aan de westpunt, vlak voor Sagres, verbleef ik ooit op een rustige camping bij Praia da Salema), maar het achterland in en ook naar rechts, het oosten, richting Spanje (ja, deze korte vakantieserie komt op het héle Iberisch schiereiland, blijft niet alleen in Spanje zelf).

We kwamen terecht bij de stranden van Ilha de Tavira, één van de smalle eilanden die er vlak voor de kust liggen. Toen was het alleen bereikbaar via een charmant treintje vanuit Pedras d’el Rei: aan het einde van het ritje, dat over een soort wadden voerde waar bij eb duizenden krabben tevoorschijn kwamen en voor een krioelend spektakel zorgden, openbaarden zich de paradijselijke stranden, hier Praia do Barril geheten. Nou weet je nooit of zoiets in 13 jaar volledig verpest is, maar op internet kwam ik een recent verhaal (augustus 2009) in de Volkskrant tegen met de volgende paragraaf: 

“Praia do Barril, dat alleen bereikbaar is via een pontonbruggetje voor voetgangers en een klein spoorlijntje dat over de drassige wadden van het Parque Natural da Ria Formosa is aangelegd. Praia do Barril is een van de stranden op het langgerekte eiland voor de kust van Tavira. Het is er rustig en wordt vrijwel uitsluitend door Portugezen bezocht. In de duinen ligt een ankerkerkhof, op de kade staan nog de oude tonijnfabrieken, waarin nu een restaurant is ondergebracht. De meeste bezoekers gaan naar het oostelijk deel van het eiland, waar talloze malen per dag de veerboot Ribeiralima vanaf Tavira naartoe vaart.

De palen onder de aanlegsteiger zitten vol mossels en oesters, eromheen liggen tal van vissersboten en jachtjes aangemeerd. Voor 1,40 euro verkoopt de kapitein van de Ribeiralima retourkaartjes – op het eiland blijven nauwelijks mensen slapen. Er komen voornamelijk dagjesmensen en vissers die er tegen zonsondergang profiteren van de grote hoeveelheden vis in de branding rond de pier waarop de vuurtoren staat.”

Tot zover de krant. Na het strand trokken we nog even naar Tavira, het visserplaatsje dat naam geeft aan het eiland en waar ik nooit deze vier tafeltjes op de kade van de haven zal vergeten. Hoef niet te zeggen dat de vis er verrukkelijk was en dat het er vooral enorm naar  verse vis rook.

Verkoeling in Galicië

Eerste van een zomerserie over mooie vakantieplaatsjes in Spanje. Niet één waar je overigens makkelijk komt, Galicië, maar dat maakt het ook leuker. Met het vliegtuig moet je altijd ergens (Barcelona of Madrid) overstappen en in de auto is het bedriegelijk: kom je na ruim 1.200 kilometer bij de Frans-Spaanse grens in Hendaye, ben je dus in Noord-Spanje, maar blijken er naar het paradijs van Galicië nog zo’n 700 kilometer extra te gaan. De moeite waard, over de snelweg langs de, wat ze hier Cantabrische kust noemen. (Baskenland en Asturias en Cantabrië met hun majestueuze Picos de Europa zullen later nog aan bod komen.)

Ben vaak in A Coruña geweest (in het gallego wordt de La een A) en heb altijd mazzel gehad: nooit regen, altijd op een terrasje aan de haven de pulpo gallego kunnen eten met een verkoelende fles albariño. Maar gegarandeerd goed weer heb je er dus niet, in de meest regenachtige streek van Spanje. Wel leuk voor mensen die niet van de hitte in de rest van Spanje houden: deze dagen is het aan de Middellandse Zee tussen de 30 en 38 graden, terwijl het in Galicië tussen de 20 en 28º is. En genoeg dagen vol strandweer, toch. Leuke strandjes ook, zelfs vlakbij A Coruña, iets ten oosten op het schiereilandje van Meiras, waar Mera en Dexo tussen de hoge klippen idyllische badplaatsjes zijn die in niets lijken op die aan de Méditerranée.

Eén bijzondere zomer huurden we een vakantiehuisje in het diepe binnenland van Galicië, ergens in de buurt van Boimorto kan ik me herinneren, strategisch gelegen want je rijdt er snel naar zowel A Coruña als Santiago de Compostela. Dat ‘agrotoerisme’ (zoek in Spanje op internet naar turismo rural) is enorm in opkomst in Spanje, de laatste jaren, de (soms hoge) prijzen zijn een teken van de populariteit, maar je ontsnapt daarmee wel volledig aan de andere toeristen en maakt als buitenstaander de dorpsfeesten en plaatselijke gewoontes in de allerkleinste gehuchten mee, waar ze je na drie dagen bij de bakker, slager en kroeg al goed kennen.

En je hoeft er niet eens naar zee te rijden om een strandje te vinden. Galicië zit vol met ‘playas fluviales’, kleine, soms speciaal geprepareerde strandjes aan de talloze rivieren die de streek doorkruisen. Die op de foto’s hiernaast en helemaal boven is volgens mij het strandje van A Carixa aan de rivier Deza, dichtbij het plaatsje Vila de Cruces; we waren er een hele dag lang de enige badgasten, maar het was al wel begin september, de grote drukte voorbij.

Iets verder rijden vanuit het magische binnenland is de Costa da Morte, de betoverende Kust des Doods ten zuiden van A Coruña. Van de strandjes vol vissersboten en vuurtorens tot het natuurlijk verplicht bezoek aan de kaap van Fisterra of Finisterra, afkomstig van Finaes Terrae, het einde van de wereld, het meest westelijke punt van het Europese vasteland. Iedereen zal er zijn eigen favoriete plekjes ontdekken, maar ik zal er, ondanks mijn slechte geheugen, nooit het bezoek aan één restaurant vergeten: Tira do Cordel, aan de rand van de weg AC445 naar Fisterra, áán het water waaruit de verse vis komt die ze dagelijk aanbieden. Een menukaart was er toen (zo’n 12 jaar geleden) niet, slechts twee voorgerechten (percebes of almejas a la marinera) en één hoofdgerecht, de versgevangen lubina van de grill, al zijn er dagen dat ze ook meer soorten vis hebben.

Helemaal voldaan ga je daarna op een bankje op het blanke strand van Touriñán uitrusten.

Barcelona raakt niet leeg meer

1 augustus. Vroeger de grote leegloop, alles dicht in de stad, een hete woestijn van asfalt zonder mensen, nauwelijks een oasis te vinden, restaurants en barretjes gesloten, lange file’s op de wegen. Alles is anders, nu. Vandaag, een hete zondag, was Barcelona buiten het toeristische centrum wel helemaal leeg, maar da’s normaal. Morgen wordt het maandagse ritme weer opgepikt. Er is wat meer vakantiespreiding dan vroeger, niet iederéén hoeft of moet meer de hele maand augustus op vakantie. Maar er is een andere, belangrijkere reden: ruim 4,5 miljoen werklozen, dat merk je ook aan de vakanties. Geen reis meer (nog geen 10% van de Spanjaarden placht in het buitenland vakantie te vieren, dus dat zullen ze niet missen), voor een Barcelonees wordt het nu het strand of het zwembad in de wijk (op de foto dat van Carmel en Vall d’Hebron, aan het Plaça de la Clota, met grote grasvelden om te zonnen) in plaats van een mooi baaitje aan de Costa Brava. Velen zullen, zoals elke zomer weer, naar het dorp van herkomst in Andalusië, Extremadura of Galicië gaan; ook goedkoop, bij familie logeren. Maar de stad is al jaren niet meer die grote leegte van vroeger. Komt deels door de toeristen (wat zijn er weer veel, heel veel! Crisis? Geen crisis!), deels door de mensen die thuis blijven.

En dus is er ook meer te doen dan vroeger, gaat niet alles dicht, doen bars en restaurants goede zaken, moet je de blauwe parkeerzone in en rond het centrum gewoon blijven betalen (in de rest van de stad niet!) en wennen de kinderen eraan verkoeling te zoeken bij de fonteintjes op de pleinen van Grácia, waar ze nu de hele zomer met andere thuisblijvers moeten spelen. 

Voor degenen die wél reizen (Nederlanders kunnen er maar geen genoeg van krijgen), vanaf morgen wat vakantietips in/uit Spanje, met foto’s uit de (oude) doos, al zijn ze bijna nooit van augustus: juist de maand om níet hier op vakantie te gaan. Tips die te laat zijn voor de zomer van dit jaar, maar misschien voor volgend jaar bewaard kunnen worden. En goed zijn om in deze zomerse sfeer te blijven…

Out of Africa

Net terug van twee weken in de buurt van het Kruger Park. Geen leeuwen gezien, die waren afgeschrokken door de grote hoeveelheden bezoekers tijdens het WK. Zuid-Afrika was ‘hot’, in de maanden juni en juli, maar nu was de winterse rust weergekeerd. Geen lange post vandaag, na 5 uur in de auto richting het vliegveld van Johannesburg (grotendeels in het pikkedonker, het is er om zes uur al diepe nacht), daarna bijna 11 uur met de KLM naar Amsterdam en een ervaren stewardess die bij het instappen verwijtend vroeg of ik, bijna allerlaatste aan boord-ganger, liefst twee dezelfde kranten had gepakt (nee, NRC Next en AD hebben gewoon hetzelfde formaat; oh, dan is het goed), vervolgens 2 uur op een stervensdruk Schiphol en 1.40 uur naar Barcelona (het geeft je allemaal het idee dat je ver weg was). Morgen pakken we het Barcelona-gevoel weer op; enig nieuws in twee weken afwezigheid zonder internet en mobiele telefoon (wat een genot en rust!): Catalonië heeft zoals verwacht het stierenvechten verboden. Vandaag doen we het met wat Afrikaanse plaatjes in en rond het Zebra’s Nest in het Marloth Park… Of hoe we met zijn allen geobsedeerd zijn geraakt door wilde dieren, vogels, zebra’s en kud0’s en ’s avonds ook nog eens naar Animals Planet of NatGeo keken, zonder de zoektocht naar het oorspronkelijke Afrika overigens uit het oog te verliezen.

 

Even (ver) weg…

Na anderhalf jaar lang bijna elke dag wat geschreven te hebben, moet Het Barcelona-gevoel er, vrijwillig verplicht, even tussenuit. Een heuse vakantie, zonder laptop mee te nemen, de natuur in, aan de rand van het Zuidafrikaanse Krugerpark, het dichtstbijzijnde internetcafé op zo’n 40 km.

 Alle WK-gangers zijn vertrokken, dus juist nu tijd om er naar toe te gaan. We reizen op Nederlandse paspoorten maar zullen er ontvangen worden als zowel kampioen als verliezend finalist; wat willen we meer.

Voor wie ook eens die kant op wil: wij doen een huizenruil met vrienden, zij in Sitges, wij in het Marloth-park. Geen slechte deal. Maar zij verhuren het óók. Kijk op hun prachtige, volledige website, waar onder anderen bijgaande foto’s zijn te vinden. De zebra’s, apen en giraffes komen je er thuis gewoon even opzoeken. Het hele jaar door te huur, tegen een zeer schappelijke prijs, op vijf uur rijden van Johannesburg. 

Tot en met 30 juli zal er weinig Barcelona-gevoel zijn. Jammer, want juist de laatste dagen, rond de WK-finale, is het aantal bezoekers van mijn weblog geëxplodeerd. Blijkt dat voetbal toch te trekken. Maar ik beloof mijn (trouwe) lezers dat we het vanaf 1 augustus gewoon weer over Barcelona, de stad, het leven en het lekker eten gaan hebben. Op het Oranje-feest in het Poble Espanyol kwam ik enkele van die lezers tegen; altijd leuk.

 Als het lukt, zal er af en toen een klein bericht van ver weg komen. Zo niet, hoop ik iedereen in augustus weer te ‘zien’. Of iedereen eveneens een mooie vakantie toe te wensen, misschien in of rond Barcelona…

Hasta pronto!