Auteursarchief: edwin

Onbekend's avatar

Over edwin

Schrijver, journalist, fotograaf. Woon en werk sinds 1988 in en rond Barcelona.

Het mooiste straatje van Barcelona

Het ligt aan het moment van de dag en de periode in het jaar, maar de dagen en uren waarop de zon de smalle, hoge daken van de huizen in de wijk La Ribera overwint, dichtbij de Arc de Triomf, en de groene blaadjes (en gele bloemen) van de hoge bomen verlicht en de klinkers op straat laat schitteren, verwonder ik me altijd over de intense schoonheid van één van de bij toeristen en Barcelonezen minst bekende plekjes in het oude centrum van de stad. Natuurlijk zijn er meer straten als deze, maar de Basses de Sant Pere brengen me altijd eeuwen terug in de tijd, naar hoe Barcelona ooit geweest moet zijn. Een te nostalgisch beeld waarschijnlijk, want in de Middeleeuwen was de misère groot, maar dat doet nooit iets aan het gevoel af langs één van de mooiste plekjes van de stad de fietsen.

Een plek met geschiedenis, trouwens. Aan het einde van de tiende eeuw werd een toen hypermoderne ‘waterleiding’ aangelegd van een bron in Montcada i Reixach naar de ommuurde stad, een soort kanaal van liefst 12 kilometer lang die de naam Rec Comtal meekreeg. Rec is Catalaans voor het Spaanse riego,  en dat betekent in het Nederlands irrigatie. Want het water was niet alleen voor de stad zelf, maar ook voor de landerijen onderweg.

Aan de Basses de Sant Pere lagen eeuwenlang de molens waar meel werd gemaakt, molens die het bezit waren van het klooster van Sant Pere de les Puel.les, waarvan alleen de kerk nog over is op het al even mooie pleintje van Sant Pere. Veel straatnamen in dit gebied hebben betrekking op die waterleiding van toen: Rec, Rec Comtal, la Sèquia (een ander woord voor kanaaltje of sloot) en Basses betekent poelen. Er zijn plannen om een deel van het Rec Comtal, waarvan de bovengrondse delen nog te zien zijn bij Montcada en in de wijk Sant Martí, dichtbij wat het nieuwe grote treinstation van La Sagrera moet worden, weer in volle glorie te herstellen.

Hier, in La Ribera, zal het water niet meer komen stromen, maar dit deel van de wijk lijkt wel op het dorp dat het vroeger was. “Een eiland,” zei een bewoonster me. Te rustig eiland, volgens haar, want omdat de auto’s er nauwelijks kunnen komen zijn bijna alle bedrijven weggetrokken. Boven dat van haar, van bouwmateriaal, staat trouwens een herstelde oude muurschildering van materiaal dat vroeger werd gebruikt. Ook andere dingen zijn opgeknapt hier, in de laatste 15 jaar: er zijn wat oude woningen gesloopt zodat een soort pleintje is ontstaan, de klinkers zijn vervangen en de prachtige bomen zijn geplant. De officiële naam van de boom is Tipuana Tipo, een acacia met gele bloemen uit Zuid-Amerika die in Nederland niet te vinden is, omdat hij er de winter niet zou overleven.

En het mooiste, dus: weinig toeristen. Of slechts degenen die écht belangstelling in de stad hebben en uiteindelijk op de heerlijke terrasjes van La Candela op het plaça Sant Pere en die van Joanet en Econòmic op het plaça Sant Agustí Vell, beide aan een uiteinde van Basses de Sant Pere, die trouwens op de hoek met Rec Comtal ook nog het mooiste kruispuntje van de stad heeft, compleet met ouderwetse apotheek.

De Paus reed ‘geneukt’ door de stad

Dit zijn Jeon en Lee uit Changwon, een stad uit Zuid-Korea. Oh, zei ik, ik ben nog in Seoul geweest (niet elke westerling is zomaar even in Seoul geweest), in 1988, bij de Olympische Spelen. Tja, toen waren zij drie jaar, zeiden ze; weten ze niks van. Jeon en Lee kwamen gisteravond in Barcelona aan en gingen vandaag de Sagrada Familia bezoeken, net als de meeste toeristen, maar dichterbij dan op deze foto kwamen ze niet. Ik had het al gezegd: het was vandaag geen dag om Barcelona te bezoeken, met talloze afgesloten straten en de gebieden rond de gothische kathedraal in het centrum en de Sagrada Familia 2,5 kilometer verderop volledige no go areas. Ik hou er niet zo van, wanneer je stad in een soort politiestaat wordt getransformeerd, wanneer je voortdurend door drie helicopters en een vliegtuigje uit de lucht wordt gecontroleerd en wanneer je je op straat nauwelijks kunt bewegen omdat de Catalaanse politie zo’n 3.500 agenten uit de hoed heeft moeten toveren – waaronder veel agenten in opleiding – om om de drie meter de volledige veiligheid van de Paus te waarborgen.

Ja, de Paus op bezoek in Barcelona. Beter beveiligd dan Obama. De laatste keer was in 1982, toen brak de hel boven Catalonië los, in de vorm van een ongelooflijk noodweer dat aan verschillende mensen het leven kostte. De mis van Johannes Paulus II werd toen in het Camp Nou gehouden, niet om te benadrukken dat ook voetbal religie is, maar om zo’n 120.000 mensen ervan getuige te kunnen laten zijn. Barcelona maakte hem socio nummer 100.000. Opvolger Benedictus XVI hield de mis in de Sagrada Familia, om 128 jaar na het begin van de bouw de tempel in te zegenen en er een officiële basiliek van te maken.

Het enthousiasme was nou niet erg groot op straat, misschien omdat de Paus zelf Spanje nogal om zijn ongelovigheid had bekritiseerd. Op de zeer regenachtige dag vorig jaar dat de Tour de France in Barcelona arriveerde stonden er vier keer meer mensen langs de kant van de weg. Het is één van de redenen geweest – niet de Tour, maar dat weinige publiek vandaag – dat de chauffeur van de Pausmobiel besloot zowel op de heen- als de terugweg naar en van de Sagrada Familia met een rotvaart door de stad te rijden: niet de beloofde 9 km/u, maar zo’n 50 km/u, zodat mensen die uren hadden staan wachten nauwelijks een glimp van hun religieuze idool konden opvangen. Dit, op deze foto, is het moment dat de Paus vanochtend om 9.10 uur het bisschoppelijk paleis verliet (ja, we waren er vroeg bij) en nog rustig reed. Maar daarná moest je wel heel scherp zijn om hem op beeld vast te leggen. “Iba follado”, zeiden heel veel kinderen tegen hun ouders, wat niet wil zeggen dat de Paus ‘geneukt ging’ (da’s de letterlijke vertaling), maar dat hij bijna een wegpiraat was.

En Jeon en Lee? Die besloten vandaag maar hun route te wijzigen en naar het Park Güell te gaan, om morgen bij de Sagrada Familia terug te keren.

Muzikanten in de trein

Soms zijn ze een terreur, op de dagelijkse tocht in de trein (die trouwens steeds modernere treinstellen heeft, en dat met 21 euro voor een 10-rittenkaart voor mijn 45 km/3 zones; dat zijn 3 ritjes A’dam-Utrecht met de NS à €6,70…): de muzikanten. Ik weet niet hoe ik het doe, maar één tref ik er altijd, mijn persoonlijke Gheorghe Zamfir. Hij speelt niet alleen op zo’n panfluit en is vrijwel zeker een Roemeen, hij líjkt ook op die illustere voorganger die ons in de jaren zevntig het hoofd met zoetsappige melodietjes volblies. Zou deze treinfluiter een aan lager wal geraakte Zamfir zijn?

Meestal zit ik met mijn iPod op en haal ik een stevige hit van Muse of de Stones tevoorschijn om die muzikanten niet te horen. Maar vorige week, op een rustige tijd in een zeer lege trein, deed ik de oortelefoontjes direct uit toen ik de eerste tonen van drie tot dan onbekende jonge onbekende muzikanten hoorde. Vriendelijk gingen ze vlak voor me zitten, Patricio op de gitaar, Gonzalo op de dwarsfluit en Raúl met de cajón, de ‘percussiekist’ die in de flamenco wordt gebruikt. Ze speelden geen troep, zoals gebruikelijk is in de trein, en hun kwaliteiten stonden voor mijn verder ongeoefende oor buiten kijf, maar wat me pakte waren de herkenbare tonen van de die door de coupé sijpelden. Ik heb al eens eerder over mijn passie dat prachtige nummer, ooit samen door Paco de Lucía, Al di Meola en John McLaughlin geschreven: bekijk en beluister hier enkele video’s.

Ze traden in de trein op (iédereen gaf hen geld trouwens, kwaiteit loont), zeiden de drie me (de drie jongens, niet Paco, Al en John) omdat ze op straat steeds meer werden vervolgd. Door nieuwe regels van de gemeente Barcelona mag je niet zomaar overal muziek maken, anders worden je instrumenten in beslag genomen. Dat heeft tot enige opluchting geleid tijdens etentjes op terrassen bij het strand, waar nu niet meer elke tien minuten een andere zogenaamde muzikant voor je staat. Maar van mij mogen ze sommigen altijd en overal laten spelen.

Binnen een uur bij Dalí in Figueres

Het type passagiers in de trein valt direct op. Op de lijn Barcelona-Port Bou, de grensplaats met Frankrijk, zitten steeds minder rugzaktoeristen die aan hun treintocht door Europa bezig zijn, maar wel steeds meer Japanners. En je hoort ook Engels met Amerikaans accent praten. In Girona stappen de meeste passagiers uit, forensen die tussen deze stad en Barcelona pendelen. En in Figueres gaan die Japanners en Amerikanen van boord. Figueres, stadje van 43.000 inwoners, zou waarschijnlijk helemaal niets voorstellen als Salvador Dalí niet in 1967 besloten had daar in het oude theater zijn collectie ten toon te stellen. Nu – ik was er een eeuwigheid niet geweest – is er bijna het hele jaar door activiteit, zitten de terrasjes gezellig vol (ja, ook eind oktober nog; het is heerlijk weer, met een beetje meteorologisch geluk een mooie tijd om hier te zijn) en is het oude centrum mooi opgeknapt. Zou allemaal veel moeilijker zijn geweest zonder de economische inbreng van de toeristen. Aparte cijfers zijn er niet, maar vorig jaar werden de drie musea van Dalí (Figueres en zijn vroegere huizen in Pubol en Portlligat) door 1,23 miljoen mensen bezocht, wat er toch zo’n 4.000 per dag zijn (op maandag zijn de meeste musea gesloten).

Probleem is dat, ook al ligt Figueres maar iets meer dan 100 kilometer van Barcelona, je er met die trein zo lang over doet om er te komen, zeker als je de pech hebt de oude, oranjegekleurde Regional te pakken. Die stopt op de meest onooglijke, verlaten stations en doet er bijna tweeëneenhalf uur over. De modernere, snelle treinen leggen het traject in net iets meer dan twee uur af. Maar daar moet, als alles goed is, in 2012 verandering in komen. Dan gaat ook de hogesnelheidstrein tussen Barcelona en de Franse grens rijden en komt Figueres op iets minder dan een uur te liggen. Ideaal voor al die toeristen, die niet wakker zullen liggen van de iets hogere prijs voor het treinkaartje; het huidige retourtje kost €17,10.

Er is echter één probleem, vindt de gemeente. Het nieuwe station van de AVE (Alta Velocidad Española) ligt aan de westrand van de stad. Kom je nu aan in Figueres, dan stap je uit in het centrum en loop je door de oude stad naar het museum-theater. Straks gaat de wandeling door de wijk Sant Joan, eentje waar je niet vrolijk van wordt. Gebouwd in de jaren zeventig om de zigeuners uit de krotten een huis te geven. Velen wonen daar nog steeds, maar ze klagen erover dat er al jaren een slechte groep gitanos is neergestreken, die de wijk zo’n slechte naam bezorgen. Mensen komen er liever niet. Dus wil de gemeente nu de helft van de wijk slopen en de rest opknappen. En de bewoners over Figueres verspreiden, zodat de Dalí-bezoekers geen slechte indruk van het stadje krijgen.

De slaapplaats van de Paus

Het is voor protestantse, agnostische of atheïstische Nederlanders en Vlamingen een weekeinde om maar beter níet in Barcelona te zijn: 6 november komt ’s avonds de Paus aan, de ochtend van zondag 7 november maakt hij in zijn pausmobiel een tocht door een deel van de stad, een 2,5 kilometer lange route van de oude gothische kathedraal naar de Sagrada Familia, die door de Duitser ingewijd zal worden. Alles afgezet, natuurlijk, en het praktiserende katholieke deel van de natie met honderdduizenden tegelijk de straat op om een glimp van de man op te vangen. Vooral rond de Sagrada Familia zal het drie, vier dagen lang een gekkenhuis zijn, ook al omdat de straten in de buurt worden afgesloten om er tienduizenden stoeltjes en enorme videoschermen te kunnen neerzetten.

Maar ook op één van de bekendste en meest gefotografieerde straatjes van de stad zal een stevig slot zitten: aan de Carrer del Bisbe (foto boven), die van de kathedraal naar het plein van het gemeentehuis loopt, zal de tijdelijke slaapplaats van de illustere bezoeker uit Vaticaanstad liggen. Bisbe betekent bisschop, en aan die straat ligt ook het Palau del Bisbe, of Palacio Episcopal: het stokoude paleis waar altijd de (aarts)bisschoppen van Barcelona hebben gezeteld.

Niet alleen de duizenden toeristen die er elke dag doorheen lopen, ook ikzelf ben altijd zonder nadenken of het zelfs te zien voorbijgelopen aan dit beeld, in een nis van dat bisschoppenpaleis. Geen naamkaartje, niets staat er bij; slechts de eeuwig poepende duiven vergezellen de man. Het blijkt bisschop Manuel Irurita te zijn en het beeld is lang niet zo oud als het Middeleeuwse paleis: het werd er pas kort na de Burgeroorlog neergezet. Sindsdien wacht deze bisschop Irurita op de zaligverklaring door de Paus, maar daar zal het ook tijdens dit bezoek niet van komen.

Het verhaal van deze ‘martelaarsbisschop’ brengt ons weer terug naar de Burgeroorlog. Toen generaal Franco in 1936 met zijn verovering van Spanje begon, keerde de woede van de republikeinen en anarchisten zich onder anderen tegen de conservatieve katholieke wereld. Een groot aantal priesters werd gevangen genomen en gefusilleerd en kerken werden verwoest.

Zo ook bisschop Irurita. Hij zou in december 1936 met zeven andere religieuzen op het kerkhof van het voorstadje Motncada zijn vermoord door anarchistische strijders. Maar in (geheime) papieren van het Vaticaan zou staan dat hij een jaar later kon worden gebruikt in een mogelijke ruil tussen gevangenen van de strijdende partijen; leefde de bisschop dus nog? In 1938, drie dagen nadat de troepen van Franco Barcelona waren binnengevallen, zagen enkele mensen Irurita uit het Palau del Bisbe komen; hij vroeg hen niet verder te vertellen dat ze hem hadden gezien. Vermoord of dus niet? Daarna verdween hij in ieder geval voorgoed en kreeg hij dit beeldje in één van de oudste en meest centrale delen van Barcelona. Maar vanwege de twijfels rond zijn dood wil het Vaticaan hem naar niet zalig verklaren.

Eindelijk een plaats om te huilen

Geëmotioneerde brieven vandaag in de krant. Van mensen die zondag aanwezig waren bij de officiële (her)opening van het Memorial Les Camposines. ‘Een plaats om te huilen’, stond er boven één van de brieven. Een plaats waar ze 72 jaar op hebben moeten wachten. Een plek in het zuiden van Catalonië, dichtbij Corbera de l’Ebre, het dorpje dat vrij centraal lag bij de bloedigste veldslag van de Burgeroorlog, de Batalla del Ebro, daar waar de troepen van Franco de beslissende overwinning boekten om Catalonië binnen te dringen, naar Barcelona op te rukken en zo heel Spanje onder controle te krijgen.

In totaal kwamen op en rond de Ebro 20.000 soldaten van beide kanten om het leven. Dorpen en steden liggen vol met anonieme graven en boeren vinden er nog regelmatig menselijke botten in de omgeploegde grond. In het bescheiden Memorial hangen nu 30 plakkaten met de namen van de 1.145 strijders die bij de beslissende slag het leven lieten. Zo’n 3.000 mensen, meestal familieleden (kleinkinderen, maar ook kinderen), kwamen naar de opening. Zij hadden deze plaats nodig, zeiden ze allemaal.

Vreemd natuurlijk, dat er zo ongelooflijk lang is gewacht met dit soort eerbetoon. De eerste 37 jaar na de veldslag, onder het bewind van Franco, was dat natuurlijk onmogelijk, maar sindsdien zijn er nog eens 35 jaar verstreken, in volledige democratie. “Het lijkt wel of de amnestie-wet van 1977 een amnesie-wet was”, beklaagde iemand zich. Een groot deel van Spanje wilde lang vergeten, om oude wonden niet open te rijten. Conservatief Spanje doet dat nog steeds het liefst, nooit meer omkijken.

 Het is trouwens een mooie excursie, naar dit ruige, bosrijke deel in het uiterste zuidwesten van Catalonië, over kleine, stille, slingerende weggetjes naar de plaatsen waar de sporen van die veldslag van 72 jaar geleden nog zichtbaar zijn. Het monument op de Serra de Pàndols, de bergketen waarvandaan de Republikeinen wekenlang het front in de gaten kunnen houden, het dorpje El Pinall de Brai waar het hospitaal was gevestigd, of de bossen bij La Faratella waar de loopgraven van toen bewaard zijn gebleven en weer zijn opgeknapt. En ga je in de rondliggende bossen een stukje wandelen dan heb je nog altijd de kans op resten van soldaten te stuiten, al is het meeste inmiddels gevonden en geborgen.

Het meest opvallende aan die veldslag was dat de Quinta del Biberón ervoor werd opgeroepen, de ‘melkfles-lichting’, jochies van 17 die eigenlijk nog niet in dienst hoefden, maar omdat het leger van de Republikeinen door de talloze verliezen zo was uitgedund moesten ook die jongens, een jaar voor ze werkelijk aan de beurt waren, naar het front. Jongens die in 1920 en ’21 waren geboren en waarvan  sommigen nu nog altijd leven. Ook zij togen zondag naar die plaats om er eindelijk eens om de gevallen kameraden te kunnen huilen.

De Nederlandse gitarist van Park Güell

Hij zit er al zo’n vijftien jaar, zegt hij. Twee, drie uurtjes per dag, ergens temidden van de 86 zuilen van de Sala Hipóstila, de enorme ruimte onder het grote plein van het Park Güell. Christiaan de Jong is er niet elke dag, verblijft ook regelmatig in Nederland, maar als hij in Barcelona is, is dit zijn gebruikelijke standplaats. Subsidies heb je niet of nauwelijks in Spanje, en met die drie uurtjes per dag van mooie gitaarmuziek in een akoestisch prachtig open ruimte verdient hij voldoende om zich de rest van de dag op zijn andere muzikale projecten te richten. Ooit componeerde Christiaan de Gaudi-suite, muziek voor de fluit speciaal voor deze bijzondere plaats in het Park Güell geschreven.

Nu speelt hij gitaar, vooral werk van de Catalaanse componist Francesc Tàrrega. Onder zijn stoeltje zit een kleine versterker verborgen, want de snaren alleen zouden het geluid niet ver genoeg brengen. Probleem is dat het verboden is in Barcelona, muziek op straat maken met een versterker. Dus komt er af en toe een agent langs die even niet de zakkenrollers en illegale straatverkopers wil achtervolgen en dan de versterker van Christiaan in beslag neemt. Boete van 90 euro en nog eens 190 extra om de versterker weer terug te krijgen.

En dat terwijl hij nog zo netjes en voorzichtig doet, zegt hij. Hij heeft de nabijgelegen school gevraagd of ze last van hem hebben. Nee, dus. En de vaste gidsen van de groepen toeristen kent hij allemaal. Sommigen willen dat hij even stopt te spelen als zij hun verhaal houden, anderen vragen of het een klein beetje stiller mag. Geen probleem.

 

De muzikale klanken van zijn gitaar zijn een verademing bij de rest van de herrie die zich van het Park Güell meester heeft gemaakt. Niet alleen door de dagelijkse, ongelooflijke drukte – als om 10 uur de poorten opengaan is het al direct behoorlijk vol met vroege toeristen -, maar ook door zogenaamde muzikanten die er helemaal niets van kunnen en verkopers van fluitjes die vogels nadoen en er zelf de hele tijd op blazen; de echte vogels zijn allang uit Park Güell weggevlucht.

Ik sprak gisteren een groep blinden in het park. Nee, echt genieten met het gehoor konden ze hier niet meer. Bleef over het gevoel, de tact, de vingers en handen die langs de bijzondere door Gaudí bedachte vormen glijden. Ook Christiaan de Jong heeft het in die 15 jaar steeds drukker zien worden. Goed voor de inkomsten, minder voor de schoonheid van het park. Toch heeft de gemeente maar afgezien van het plan om entree te gaan heffen voor een bezoek aan wat toch nog altijd één van de mooiste plekjes van de stad blijft.

P.S. Had me er trouwens nooit in verdiept, maar hoorde eindelijk eens waarom Park Güell zo geschreven is, met een k, terwijl het in het Spaans parque is en in het Catalaans parc. De rijke zakenman Eusebi Güell ontdekte in Engeland de door Ebenezer Howard bedachte Garden City, de Tuindorpen en Tuinwijken die we in Nederlandse steden ook kennen; zijn idee was om op deze heuvel in Barcelona, de Muntanya Pelada (de kale berg) zo’n tuindorp te bouwen. Het project bestond uit 60 lappen grond van 1.000 tot 2.000 vierkante meter, maar slechts twee ervan werden verkocht en bebouwd. Dus werd het een park in plaats van een luxe wijk en, ter ere van de Engelse oorpsrong, noemde Güell het Park.   

De ‘geheime’ plek voor minnaars

Van buiten ziet het er niet uit, maar dat is expres zo. Dit gebouw moet volledig onopvallend zijn. Geen uithangbord, geen licht, alle ramen dicht en zelfs de deuren lijken ontoegankelijk, want er is geen bel. Aan één straatkant, de Paseo de Vallcarca, is er slechts een in- en uitgang voor auto’s. Ik reed er vanmiddag naar binnen, op zoek naar een verhaal. Kom je voor een groot gordijn te staan; gaat dat open, mag je doorrijden. Nooit mag en kan je zo de auto voor je zien. En eenmaal binnen zul je ook nimmer andere bezoekers zien, slechts het personeel. Toen de conciërge mijn   achterportier met getinte ramen opendeed, was hij hogelijk verbaasd. “Is er niemand?” Vreemd, een bestuurder alleen, want in La Casita Blanca kom je nooit alleen.

Meublé is de Catalaanse naam voor dit huis. Casa de citas, in het Spaans. Een historisch huis voor stiekeme afspraakjes, vlakbij het plein Lesseps. Sinds 1945 komen mannen er vrouwen uit Barcelona en omgeving er heimelijk de liefde bedrijven. Je kunt er een kamer voor 1 uur huren (50 euro), 2 uur (59€) of 12 uur (68€), 365 dagen per jaar. Alleen tussen 1968 en 1975 was het ‘afsprakenhuis’ gesloten, want generaal Franco vond het verderfelijk.

Nu gaat La Casita Blanca definitief dicht. Het zwaard van Damocles hing al jaren boven het huis, want volgens de stadsplannen moeten er mooie tuinen komen. Daarom is het pand van buiten nooit meer opgeknapt, het was de moeite niet waard er meer geld in te steken.

Van binnen is het een prachtige, kitsche, barokke ruimte waar mannen van in de vijftig de bezoekers volledige anonimiteit waarborgen. De duurste van de 43 kamers zijn op een bijzondere manier gedecoreerd; je moet ze maar leuk vinden, al die spiegels. Ongetwijfeld hebben beroemde mensen er zich in bekeken; naar een hotel konden zij niet, met hun minnares of minnaar, want daar is een receptie waar je door andere klanten gezien kunt worden. Prachtige mythen zijn er ook aan verbonden, zoals die van de Catalaanse politicus die daar werd opgespoord toen op 23 februari 1981 een poging tot een staatsgreep plaatsvond. “Broodje aap”, zei Josep, de personeelsbaas, me vandaag. (Broodje aap is leyenda urbana in het Spaans, geen bocadillo de mono.) Josep werkte die avond, en heeft er geen politicus gezien. Maar al was die daar, hij zou het nooit zeggen. Heeft zelfs in 30 jaar nooit tegen zijn vrouw gezegd welke bekende klanten hij ontving.

Het lelijkste plein van Barcelona

Het heeft de naam van een plein, Plaça de les Glòries, maar eigenlijk verdient het die naam niet eens. Het is vooral een zooitje. Altijd al geweest, eigenlijk. Anderhalve eeuw geleden dacht stedebouwkundige Ildefons Cerdà nog dat dit één van de grote, centrale punten van zijn stadsplan van Barcelona zou zijn, maar de werkelijkheid was anders, vooral omdat aan de noordoostkant van Glòries het grote industriegebied van Poblenou verrees en omdat de majestueuze Diagonal, hier van rechtsonder naar linksboven op de foto, pas tien jaar geleden naar de zee werd ‘doorgetrokken’; vroeger hield die straat hier op, in de puinhoop van Glòries.

Het plein was altijd de belangrijkste toegangsweg voor de auto’s die uit het noorden komen, de forsendorpen aan de kust van de Maresme, maar sinds de bouw van de ronda’s, de ringweg, is het er iets rustiger geworden. Het huidige model van het plein, de auto’s die in een soort rotonde vijf meter boven de grond de stad in en uit rijden, werd vlak voor de Olympische Spelen van 1992 bedacht. In het midden moest een leuk parkje komen te liggen, maar verder bleef de omgeving luguber en onvriendelijk. Het enige leven komt er van de rommelmarkt van Les Encants.

Nu ligt er het zoveelste plan om Glòries op de schop te gooien. De omgeving is beetje bij beetje veranderd, de Diagonal is doorgetrokken, in plaats van pakhuizen en industrieën verrijst er nu de ‘technologische’ wijk 22@, de Torre Agbar – die enorme vibrator – staat er al enkele jaren, er ligt een groot winkelcentrum en er wordt druk gebouwd aan de Disseny Hub, wat het grote gemeentelijke centrum ter promotie van het design moet worden . Tijd dus om dat storende en vervuilende verkeer daar uit de lucht te halen en onder de grond te stoppen.

Deze week gingen wat omwonenden de straat op. Begin volgend jaar zijn er gemeenteraadsverkiezingen en omdat de huidige burgemeester, de socialist Jordi Hereu, dik lijkt te gaan verliezen zijn de mensen bang dat het plan weer enkele jaren in een conservatieve ijskast wordt gestopt. Er zijn trouwens wel twijfels bij dat nieuwe plan: die enorme groene vlakte lijkt mooi, maar wat gaat daar mee gebeuren? Misschien kunnen ze hun licht gaan opsteken in Amsterdam en daar vragen hoe je een immense ruimte (het Museumplein) níet moet inrichten.

De flats die opzij moeten voor de Sagrada Familia

Nóg eentje over de Sagrada Familia, altijd populair thema. Op bezoek geweest bij mensen die in de straat Mallorca op nummer 410-414 wonen. Zo’n 55 flats, gebouwd in 1977. Om hun situatie te schetsen: op de maquette boven ligt, of lag, hun flatgebouw ter hoogte van de trappen die, tussen het gras en twee torens door, naar de nieuwe hoofdingang van de kathedraal van Gaudí leiden. Het is de gevel van de Glòria, waar nu al enkele jaren hard aan wordt gewerkt. (Iedere toerist bewondert nu de linker- en rechterkant van het schip, de twee zij-ingangen zeg maar.) Maar zo’n gevel verliest natuurlijk aan kracht als die aan een drukke straat ligt en er al op 20 meter aan de overkant restaurants en flats een barrière vormen. Geen mooie foto van te maken.

Toen Gaudí in 1882 met de bouw begon, stonden er nog geen blokken huizen om het terrein van de Sagrada Familia heen. En toen oud-Barça-voorzitter Núñez in 1977 dit bewuste flatgebouw liet neerzetten, mét vergunning van de gemeente, wist iedereen dat dat ooit weer gesloopt zou moeten worden als de kerk zou worden afgebouwd. Maar, en daar zit de truc, niemand dacht dat de Sagrada Familia ooit voltooid zóu worden.

“Nee, wij wonen hier nog wel even,” zegt ook bewoonster Antonia, hier op de foto, op het terras van de ático, de hoogste verdieping (op de foto hieronder hetzelfde terras, in het midden, vanaf een toren van de Sagrada Familia gezien). Niet een écht mooi uitzicht trouwens, vanaf het dakterras, want er hangen alleen maar netten voor de kerk en erachter is het voortdurende kabaal van de arbeiders te horen. “Vroeger werd alleen maar een beetje ‘s morgens aan de Sagrada Familia gewerkt, nu tot op zaterdag aan toe,” zei ze me. Toch zien de bewoners voorlopig geen gevaar, rekenen ze niet op een sloop. Achter deze flats liggen nog meer huizen, aan de smalle Passatge de la Font, die ook gesloopt zouden moeten worden om ruimte te maken voor de grote opgang naar de kathedraal.

Eén probleem hebben de eigenaren van de flats wel: ze zijn niet meer te verkopen, niemand durft dat aan. Dat was 20 jaar terug toch wel anders, maar nu is het risico echt te groot. Dus verhuren degenen die vertrekken hun flat maar, in afwachting van een onteigening die tóch eens zal komen; volgens de raad van de Sagrada Familia over 15 à 20 jaar. Iets voor de volgende generatie.