Categorie archief: mijn Barcelona

Toen het Park Güell nog een oase van rust was

Dit was het Park Güell in maart 1983. En dit:

Of dit, rechts, de ingang aan de voorkant.

Een park zonder mensen . Niet meer voor te stellen. Want het Park Güell is nooit zonder mensen sinds het door het internationale toerisme werd ontdekt. Of sinds Gaudí werd ontdekt. Vreemd toch; weinigen hebben zó lang op erkenning moeten wachten als deze genie van de architectuur. Al 100 jaar geleden gingen we naar Rome, Parijs of Londen om de monumenten daar te ontdekken. In de jaren zestig, zeventig kwam het massatoerisme naar die steden helemaal op gang. En in de jaren tachtig en negentig werden de citytrips populair. Toen pas, helemaal op het einde,  kwam Barcelona om de hoek kijken. Maar heeft dat alleen maar met die Olympische Spelen van 1992 te maken gehad? Gaudí was er al zo lang, maar niemand zag hem staan. De toeristen die al in de jaren zeventig en tachtig naar Barcelona kwamen bleven ronde de Rambla hangen, de Sagrada Familia had minder faam dan de Gothische kathedraal en naar het Park Güell, ver uit de route, ging niemand.

Wij nostalgische geesten mogen, dankzij mijn toch confronterende foto’s van 27 jaar geleden, af en toe eens naar een rustig Park Güell verlangen. Dat zit er niet meer in. Het is februari, de maand met de minste toeristen in de stad, maar vanochtend was het al vroeg druk in het Park Güell, onder anderen met grote groepen van cruiseschepen, ook helemaal aan de bovenkant van het park, op de Turó de les Tres Creus, de heuvel met de drie kruizen, waar toeristen zich verdrongen voor één van de beste uitzichten op Barcelona.

Gewoon een vrolijke boel

Dat krijg je ervan als je zelf nog nauwelijks ver na middernacht op straat komt. Gisteren was het weer een keertje nodig, even de Carnavalsoptocht met de halfblote dochter bekeken – ze had het gelukkig veel minder koud dan met de 2 graden van zondag – en daardoor als niet-nachtbraker weer eens ontdekt wat voor een absoluut gekkenhuis Sitges middenin de nacht nog is. Sterker: zelfs in de trein van 10 uur vanochtend naar Barcelona zaten nog verklede, dronken en vooral vermoeide feestgangers, die even later als lachwekkende zombies middenin Barcelona op straat stonden.

Ook de trein gisteravond, Barcelona-Sitges om 23.06 uur, was een spektakel, met vooral veel spontane muziek – gelukkig kennen ze hier niet die Brabantse carnavalskrakers en staan er in Sitges dus nooit paarden in de gang. Bij aankomst is er vervolgens een strenge controle van de Mossos d’Esquadra, de Catalaanse politie, op het station om mogelijk gevaarlijke elementen en/of wapens te filteren. En ’s nachts, op de terugweg, nog méér controles, maar dan op de weg, de meest uigebreide alcoholcontroles die er in het jaar worden gehouden.

Het mag de pret niet drukken. Ik heb het al vaker gezegd en geschreven: 200.000 mensen op een hoopje, een groot deel flink beschonken, en er gebeurt bijna niets. Ja, de gebruikelijke dronkemansruzies of -uitglijders, en de sirenes van de ambulances zijn regelmatig te horen, maar verder is het vooral vorlijk en leuk – als je er van houdt tenminste. Net het laatste nieuws nagekeken: geen berichten uit Sitges, geen Hoek van Holland-nacht. Niks bijzonders gebeurd, dus, behalve dat 200.000 mensen zonder noemenswaardigde incidenten tot zes, zeven uur ’s morgens feest hebben gevierd.

La dolce vita in Barcelona

Heb het al eens eerder gehad over Caixaforum, één van de leukste musea van Barcelona en, altijd een pluspunt voor ons Nederlanders, nog gratis ook. Plus hele wereldse tentoonstellingen ook, voor wie niet van zeer klassieke kunstvormen houdt. Zoals vanaf morgen (en tot 13 juni) het ‘Circus van de illusies’, waarin meer dan 400 werken (veel foto’s, tekeningen en video’s) een inzicht moeten geven in de obsessies van Federico Fellini.

Al zijn beroemde films komen er in terug, en volgens Sam Stourdzé, de talentvolle Franse ontwerper van de expositie die vier jaar met het onderzoek bezig was, is het hét bewijs dat sommige absurde fragmenten uit Fellini’s films niet de vruchten van zijn ongebreidelde fantasie waren, maar vaak geïnspireerd op berichten die hij in de krant las, of foto’s die hij gepubliceerd zag. Zoals het door katholiek Italië verketterde en gecensureerde openingsbeeld van La dolce vita (nu precies 50 jaar geleden in première gegaan), waarin een Jezusbeeld onder een helicopter hangt; echt gebeurd, vier jaar eerder, op het plein van de Duomo in Milaan.

Een apart deel van de expo is er voor foto’s van acteurs en beroemdheden in de straten van Rome, verrast door de fotografen die – goed om weer eens te herinneren – dankzij Fellini paparazzi worden genoemd. Want Paparazzo was de achternaam van de opdringerige persfotograaf in La dolce vita. Volgens één van de meest plausibele verklaringen die Fellini over de oorsprong van die naam gaf was paparazzo de bijnaam van het jongetje dat op de lagere school bij hem in de bank zat. In het plaatselijke dialect van Rimini betekende het woord ‘mug’, en werd het gebruikt voor kleine, hyperactieve jochies die ook nog eens heel snel, bijna zoemend spraken.

Oase in het midden van de rotonde

Het is een kleine, vreemde oase van relatieve rust temidden van de verkeersgekte op de Gran Vía. Typisch zo’n plaats waar toeristen, maar ook Barcelonezen zelf weinig komen, want wie zoekt nou het midden van een drukke rotonde op? (Ooit werd er eens een lijk in het hoge gras van zo’n rotonde, die van Francesc Macià aan de Diagonal, ontdekt door een plantsoenwerker; het lichaam lag er al enkele dagen, terwijl er dagelijks tienduizenden auto’s en volle bussen langs waren gereden.) Dit, op de foto, is het centrale deel van de Plaça de Tetuán, waar de Gran Vía de in potentie majestueuze, maar hopeloos verwaarloosde Passeig de Sant Joan kruist.

Er is een kinderspeelplaats, er staan bankjes om te rusten of even wat te eten (wat veel kantoorlui uit de omgeving tussen de middag doen), er zijn soms dieven op zoek naar tasjes en er staat een enorm beeldhouwwerk, één van de minst bekende van Barcelona. Het is een eerbetoon aan Bartomeu Robert i Yarzábal, die slechts heel even, tussen 1899 en 1901, burgemeester van de stad was. Hij was ook arts, maar vooral bekend als politicus, één van de eerste voorvechters van een onafhankelijk Catalonië. Zijn begrafenis in 1903 werd een massale manifestatie van rouw. Al een jaar later werd een begin gemaakt met het monument, ontworpen door Josep Llimona, dat zijn twee facetten laat zien: aan de ene kant die van arts, in de vorm van een vrouw die kinderen troost. Aan de andere kant ‘de stem van Catalonië’, ofwel een dichter, een priester, een ijzerwerker en een maaier, onder anderen. Die maaier staat voor de strijd om onafhankelijkheid en geeft naam aan het volkslied, Els Segadors. Het monument werd aanvankelijk op de Plaça de Universitat gebouwd, maar daar natuurlijk door de mannen van Franco verwijderd. In 1988 werd het op de huidige plaats weer opgebouwd.

Trouwens, Doctor Robert heeft ook sinds 1907 een standbeeld in mijn Sitges, waar zijn voorouders vandaan kwamen. En hij moet niet verward worden met de Doctor Robert die in 1905 op de hoek van de Passeig de Gràcia met Diagonal zijn prachtige, strakke Palau Robert liet bouwen met de rustgevende tuinen aan de achterkant.

Taxi! (en dat 11.000 keer)

Je hoeft maar even met een verveeld groepje van hen tussen de lange rijen wachtende taxi’s achter het centraal station van Sants te spreken en je bent in no time op de hoogte van de duizendenéén problemen van de taxichauffeurs in Barcelona. Nou klagen ze zoals elke groep arbeiders wel eens klaagt, en je moet niet elke klacht even serieus nemen, maar feit is dat ze één groot probleem hebben: ze zijn met veel te veel.

Barcelona kent liefst 11.000 van die geelzwarte taxi’s, zij die officieel geregistreerd staan en dus een licentie hebben van het Institut Metropolità del Taxi (IMET) en de regels van die overheidsinstantie moeten naleven. Er waren jaren dat dat er te weinig leken; tot twee jaar terug was het diep in de zaterdagnacht onmogelijk rond populaire uitgaansplaatsen als de Villa Olímpica een taxi te vinden, maar dat is veranderd. Nu is het weer zoals je alleen in films in New York ziet: je hoeft maar een hand op te steken en een taxi stopt voor je neus.

Het IMET verplichtte de licentiehouders namelijk om hun taxi twee shifts op de straat te hebben, dus twee keer negen of tien uur; met verschillende chauffeurs, vanzelfsprekend. Maar dat betekent dat er ineens een overschot aan taxi’s op straat is ontstaan, zeker in een periode van crisis waarin de mensen liever de goedkopere bus of metro pakken. Deze week zijn de chauffeurs, die nogal moeilijk te verenigen zijn, in gesprek met de IMET, om die enorme taxivloot te reduceren.

Bovendien zijn er nogal wat chauffeurs die het imago van het wereldje beschadigen, omdat ze vooral toeristen extra hoge prijzen aanrekenen, een stukkie omrijden, de meter uitzetten of gewoon de straten van Barcelona niet kennen. Let bijvoorbeeld goed op wanneer  je bij je 4- of 5-sterrenhotel door een taxi wordt opgepikt: de conciërge krijgt ‘smeergeld’ van 7 tot 10 euro per ritje dat hij regelt voor bepaalde taxicentrale’s, en de chauffeur rekent dat bedrag gewoon door aan de nietsvermoedende passagier. Voor wie de officiële tarieven wil weten, hierbij het staatje waarvan de chauffeurs niet mogen afwijken.

Drie hoog achter (2): ‘entresuelo’

En dan ga je je afvragen waar dat entresuelo vandaan komt en waarom het niet gewoon de eerste verdieping wordt genoemd. De entresuelo is een tussenverdieping tussen de begane grond en de eerste etage die normaal gesproken iets lager is dan de rest van de verdiepingen. Komt uit de tijd van de bourgeoisie: de burgerij bouwde mooie grote huizen voor zichzelf maar had wel bedienden nodig om die schoon te houden, te koken en andere karweitjes op te knappen. In Engeland woonden die allemaal in de kelder, maar in Spanje (en Zuid-Amerika) was er voor de sirvientes dus die tussenverdieping, waar het plafond niet 3,5 tot 5 meter hoog was als in de rest van de etages. In het Parijs van Haussman was het trouwens wéér anders: daar woonden de winkeliers boven hun eigen zaak op die tussenverdieping en zaten de bediendes op die kleine zoldertjes.

Drie hoog achter

Iets héél typisch Spaans, waarschijnlijk overbekend bij vele mensen, maar toch wel leuk weer eens in de herinnering te brengen als je er net het ‘slachtoffer’ van bent geworden. Even op bezoek bij één van de vele Nederlanders die de laatste jaren in Barcelona het avontuur hebben gezocht (deze, Vincent, voor al uw evenementen en kaartjes, o.a. voor FC Barcelona – goede tip voor degenen die míj altijd mailen of ik nog aan kaartjes kan komen) en de lift was in reparatie. De trap op naar de vierde verdieping kan natuurlijk geen kwaad, een half uurtje bewegen per dag is lichamelijke noodzaak, maar een vierde verdieping is in Spanje nooit een vierde verdieping. De bellen op de deur zeggen genoeg, maar vertellen nog niet het verhaal van hoe hóóg elke verdieping ook nog eens is.

De begane grond is al hoog, omdat daar altijd een winkel of bedrijf zit, nóóit een woning. Na vier (!) trappen kom je op de Principal, de verdieping die meestal aan de achterkant een groot terras heeft, bovenop het dak van die onderliggende onderneming. Drie trappen verder ben je op de Entresuelo, letterlijk ‘tussenvloer’; ben er nog niet achter waarom ze dat nooit gewoon al de eerste verdieping hebben genoemd. Die eerste komt dus verderop, dan de tweede, derde, etcetera. Om bovenin af te ronden met de Ático, de bovenste verdieping, die niet altijd de bovenste is, want vaak volgt er nog een Sobreático, wat vaak ooit illegaal gebouwde woningen op het dakterras zijn. Dus moet je soms hier naar vier hoog, dan zit je eigenlijk zes hoog, maar vergeleken met een flat op het Utrechtse Kanaleneiland al meer dan acht hoog… De beloning is het mooie uitzicht, in dit geval, vanuit het straatje Reina Cristina, op de oude haven.

Gevoelstemperatuur

Ik ontdekte voor het eerst de chill factor, dus die gevoelstemperatuur waar iedereen in Nederland het vandaag (en de komende dagen) over heeft, in de serie winters halverwege de jaren tachtig, juist voor mijn vertrek naar warmere oorden. Eén van mijn schaatsmakkers van toen heeft er al mooi over geschreven, zelf kon ik me de plaatsjes waar we waren niet meer herinneren, maar wel het feit dat wij, onbezorgde en slecht geïnformeerde twintigers, dachten dat een spijkerbroek wel tegen de kou beschermde (integendeel dus, bijna geen broek isoleert zo slecht tegen de kou als jeans) en mijn pijnlijkste herinnering aan die dag is alsof mijn ballen bevroren waren. Althans, ik voelde ze niet en in de uren erna tintelden net zo pijnlijk als koude vingers die hun gevoel beginnen terug te krijgen. Trouwens, in mijn geheugen was het toen-25 en niet -32.

Ze zeggen dat die aanhoudende kou deze winter in Noord-, West- en Centraal-Europa deze week ook weer de Middellandse Zee bereikt, maar dat schijnt vooral aan de oostkant te zijn, waar de Turken in Istanboel 15º onder nul moeten verdragen. Hier beginnen de terrasjes weer vol te raken, zoals op de foto boven, Eixample, hoek Roselló met Calàbria, een bar van niets, de koffie schijnt er slecht te zijn, de bediening onaardig (wie leert Catalaanse obers en bareigenaars eens dat er veel meer mensen zouden komen als ze hun gasten iets vrolijker zouden begroeten?), maar de zon schijnt er precies op het goede moment, de warmste uren van de dag, en dan vergeet je al het andere. Gevoelstemperatuur? Zo’n 20 graden, of zo. Positief.

De voltooiing van de Sagrada Familia

Was er al een tijd niet geweest; althans had er niet meer bij stilgestaan – normaal fiets of rijdt je er snel langs, zonder dat één van de meest bezochte monumenten ter wereld je nog opvalt. Maar soms is het tijd voor een update. Aan de donkere kant van de Carrer Mallorca – inmiddels door werkzaamheden aan de fundering van de toekomstige tunnel van de AVE, de hogesnelheidstrein – voor bijna alle verkeer afgesloten -, is ineens dat wat de grootste deur van de Sagrada Familia moet worden zichtbaar geworden, de hoofdingang, de majestueuze entree van de tempel. De Puerta de la Gloria hangt half in de steigers en eromheen zijn al duidelijk de zeven immense pilaren zichtbaar die zowel de zeven zonden als de zeven deugden zullen herbergen. Volgens de originele plannen van Antoni Gaudí moet onder de straat door, dus bovenop de AVE-tunnel, een doorgang komen die de hel moet voorstellen, compleet met afbeeldingen van duivels en halfgoden. Omdat dit de hoofdingang naar het centrale schip van de kathedraal moet worden, had Gaudí er bovendien een enorme opgang voor bedacht, een soort plein dat langzaam hellend omhoog loopt en één straat verderop, de Carrer Valencia, moest beginnen.

Nou geeft dat, zoals inmiddels wel bekend is, een klein probleempje: was er in Gaudi’s tijd (zie de foto uit 1915) nog alle ruimte, nu ligt tegenover de Façade van de Glorie, op nog geen 20 meter, een huizenblok dat er redelijk nieuw uitziet maar, geloof ik, al in de jaren zeventig of tachtig werd gebouwd door de onvermijdelijke Núñez y Navarro (NyN), de vroegere voorzitter van FC Barcelona en zijn vrouw. Ik ben wel eens bij een paar bewoners op bezoek geweest die ooit zo’n flat kochten, want… het blok werd illegaal gebouwd. Immers, het bestemmingsplan gaf er die entree van de Sagrada Familia weer. Maar toen, jaren zeventig, tachtig, waren er nog nauwelijks toeristen en schoot de bouw van de kerk maar niet op, want die wordt slechts bekostigd met de entreegelden en de bijdragen van gelovigen. “Niemand verwachtte dat de Sagrada Familia ooit afgebouwd zou worden; hooguit ergens in het jaar 3000”, zei een kapster me die een salon op de eerste verdieping heeft. Nu zien ze de voltooiing, waarschijnlijk rond 2020, ineens naderen en vragen de bewoners zich af: moeten wij hier weg? Verkopen lukt ook niet echt, want niemand die veel geld voor zo’n ‘bedreigde’ flat wil neertellen. De gemeente heeft zich er nog niet over uitgesproken; een heikel probleem dat ver vooruit wordt geschoven, maar één ding lijkt wel duidelijk: de gloriepoort kan natuurlijk niet aan zo’n smal stoepje liggen…

Schaatsen in Barcelona met Gómez

Oké, ik krijg er van alle kanten van langs, via mails en andere blogs: er is géén hysterie op de bevroren Nederlandse wateren en je kunt nog áltijd bijna alleen op het ijs schaatsen, als in een rustige oase, en in het midden van niets een charmante koek en zopie tegenkomen. Natuurlijk, mijn geschriften zijn ingegeven door een onuitstaanbare jaloezie: ik zou zo graag zelf willen schaatsen en weer eens een Elfstedentocht van dichtbij meemaken. Tuurlijk, lijkt me wel eens leuk, weer de Molentocht voltooien; misschien komt het er eens van. En ben tegelijk blij voor m’n vriendjes dat zij het nu wél kunnen, schaatsen, ook met hun jonge kinderen, waarvan sommige voor het eerst zoiets meemaken.

Als ik zou willen, zou ik in Barcelona ook kunnen schaatsen. De stad is twee piste’s rijk, eentje op slechts één straat van mijn werk vandaan, de Skating Club aan de Carrer Roger de Flor, hoek Diputació. De andere bestaat al sinds 1971 naast het Camp Nou, en is de officiële schaatsbaan van FC Barcelona, dat vroeger zelfs een heus ijshockeyteam had.

Maar schaatsen houdt natuurlijk niet over, op van die kleine binnenbanen, waar je niet eens een volwaardig rondje kunt draaien zonder tegen iemand op te botsen. Ben er eens geweest met Antonio Gómez. Antonio wie? We kenden ‘m in Nederland eind jaren zeventig als Speedy Gómez. Nóg wordt hij thuis in Sant Boi de Llobregat boos als hij leest – hij kent een beetje Nederlands – dat wij hem een krabbelaar noemden, in zijn gele of rode pak waarin hij altijd laatste was. Aan zijn persoonlijke records records te zien moesten vooral de 5.000 meter (9.06.55) en de 10.000 meter (21.47,6) een lijdensweg voor hem zijn; de laatste afstand mocht hij trouwens nooit meedoen, omdat hij na drie afstanden niet bij de eerste zoveel stond. Prachtige fotofinish trouwens, op deze video, tegen een tegenstander die wél eerst gevallen was: