Categorie archief: mijn Barcelona

Orde in de chaos der standbeelden

Het is altijd al druk op de Rambla, het altijd kloppende toeristische hart van de stad, maar soms is er helemaal geen doorkomen aan. Dan blijven groepen toeristen ineens rijen dik staan, maken ze foto’s, lachen en schreeuwen ze en belemmeren ze de doorgang voor de rest van de 78 miljoen mensen die jaarlijks over de Rambla flaneren.

Levende standbeelden van allerlei pluimage blijken een massale aantrekkingskracht op toeristen uit te oefenen, al zitten sommigen er bedroevend stil bij. De concurrentie is er hard, de leuksten verdienen het meeste geld. Ooit begon het met een soort mimespelers die urenlang doodstil konden zitten om de passanten in verwarring te brengen. Echt of niet echt?

Inmiddels is het circus van menselijke standbeelden in Barcelona uitgegroeid tot een soort pretpark waarin alles geoorloofd is. Er kwamen imitatoren van voetballers als Ronaldinho en Messi, schietende cowboys, lachende fruitschalen, huilende baby’s en  aangstaanjagende filmmonsters. Gisteren stonden er vijf van hen op een rij, op een strookje van nog geen vijftien meter, van een droeve Charles Chaplin tot een gouden engel.

“We moeten grenzen stellen aan het aantal standbeelden. Bovendien zullen ze aan enkele minimale artistieke criteria moeten voldoen,” maakte onlangs wethoudster Assumpta Escarp van Barcelona bekend. De gemeente komt in actie op verzoek van groeperingen als de Vrienden van de Rambla, verontruste winkeliers en omwonenden die al jaren protesteren tegen de verloedering van de ruim een kilometer lange promenade.

Volgens hen is het toerisme dat er komt steeds ‘goedkoper’ en slechte en lelijke standbeelden dragen niet bij aan het esthetische herstel, dat dit voorjaar is begonnen door het verwijderen van veel van de dierenkiosken waar beestjes de hele dag lang in kleine kooien te koop werden aangeboden.

De gemeente heeft nu besloten het aantal standbeelden tot 15 te beperken, de helft van het aantal dat zich nu meestal op de boulevard posteert. Bovendien mogen ze er niet te lang staan en worden er twee shifts ingevoerd, van tien uur ‘s morgens tot vier uur ‘s middags en een tweede tot tien uur ‘s avonds. Maatregelen waar de beelden het, natuurlijk, niet mee eens zijn.

We vinden het prima dat er een beetje orde wordt geschept, want de laatste jaren doet iedereen zich maar als standbeeld voor, zonder veel aan zijn of haar creatie te werken,” zeggen de Italianen Elena en Teodoro, die al tien jaar op de Rambla staan. Het echtpaar zit, van top tot teen geverfd, op oude opoefietsen en werkt zo’n tien uur per dag.

“Zes uur is veel te kort, dan verdien je niet genoeg,” zegt Teodoro. “En als je de avonddienst hebt, ben je slecht uit, want als het geen zomer is is er vanaf zeven uur niets meer te verdienen.” Ze moeten nu officieel bij de gemeente om een vergunning vragen, en daarbij ook een curriculum inleveren. “Ze willen dat je ervaring in het theater hebt, bijvoorbeeld. En onze tien jaar ervaring hier dan?”

Eén op de drie Japanners wordt gerold

Dat Barcelona het grootste zakkenrollersparadijs op aarde is tonen elk jaar verschillende enquêtes weer aan, maar de cijfers die het persbureau Europa Press vandaag geeft zijn spectaculair. Sommigen lijken zelfs onwaarschijnlijk, maar als je regelmatig in de metro reist weet je dat ze best eens waar kunnen zijn. Het persbureau heeft statistieken van de buitenlandse consulaten in Barcelona gekregen, waar het personeel knettergek wordt van elle noodpaspoorten en andere papieren die het elke dag aan beroofde landgenoten moet afgeven. Veel Nederlanders (meer dan 10% van de toeristen die hier komen) zijn slachtoffer geworden, maar het lijkt dat de Japanners de kroon spannen: 30% van de toeristen uit Japan die Barcelona bezoekt wordt beroofd in de stad…  De Amerikanen doen het ook niet slecht; ze zijn lang niet de grootste groep toeristen die hier komen – de meesten zijn er slechts een dag voordat zij op het cruiseschip stappen – maar hun consulaat heeft in de eerste acht maanden van het jaar al 786 nieuwe paspoorten moeten uitdelen, zo’n honderd per maand. Duitsland zit al op meer dan 1.200. En van de Nieuwzeelanders die in Spanje worden beroofd, overkomt 80% dat in Barcelona. En de werkelijke aantallen, zeggen de consulaten, zullen nog wel hoger liggen.

Dat van die Japanners heeft natuurlijk een reden: zij lopen altijd over straat alsof ze denken dat niemand in de wereld slecht is. In hun oneindige naïviteit leuren ze met mooie camera’s en laten ze hun tasjes halfopen op de rug bungelen terwijl ze aan voorbijgangers de weg vragen. Wij, de inwoners van Barcelona, kunnen de zakkenrollers inmiddels eenvoudig herkennen. Niet per se vanwege hun afkomst, maar door de manier waarop zij kijken, hóe zij zogenaamd onopvallend naar de bezittingen van die nietsvermoedende toeristen gluren, en hoe zij bepaalde groepjes vormen die voortdurend met elkaar in contact staan. Japanners zien dat misschien niet, en je wordt er als toerist wel een beetje moe van als je tijdens je vrolijke uitstapje naar een mooie stad voortdurend alert moet zijn. Toeristen zijn gewoon niet alert, nooit. En de Barcelonezen zijn het zat die toeristen voor de zakkenrollers te waarschuwen, want dan riskeren ze bovendien ook nog eens een fysieke confrontatie met de dieven.

Die dubieuze faam van Barcelona verspreidt zich nu ook via Facebook: sinds maart bestaat er een groep, I know someone who got robbed in Barcelona, die inmiddels meer dan 1.800 ‘vrienden’ heeft en waarin mensen vertellen hoe ze beroofd zijn en tips geven hoe je dat kunt aangeven zonder voor een tafeltje met niet-Engels sprekende politieagenten in de rij te hoeven staan: je kunt op dit formulier op de website van de Mossos d’Esquadra alles invullen en dat papier dan op een politiebureau afgeven.

Toen Barcelona nog een stadscamping had

Dagelijks zitten er toeristen in treinen en bussen van en naar Barcelona die ergens aan de kust op een camping staan. Maar ze zitten wel steeds verder weg van de stad, sinds bijna alle campings in de buurt van Barcelona zijn gesloten. De minst bekende, maar wel het dichtste bij het centrum, was camping Barcino. Ik kan me nog goed de reuzeletters herinneren die op de witte muur aan de straat stonden geverfd. Het was een vreemde plaats voor een camping, aan de N-340, de oude zuidelijke uitvalsweg van de stad (toen er nog geen snelwegen waren), op de grens van de voorsteden l’Hospitalet en Esplugues de Llobregat bij wat nu de Carretera de Collblanc heet. Buurten waarin normaal nooit buitenlandse toeristen zouden komen. Barcino moet tot het einde van de jaren zeventig hebben bestaan. Vandaag, ter gelegenheid van de opening van de grote caravan- en kampeerbeurs die tot en met volgend weekeinde in Barcelona wordt gehouden, ging ik op zoek naar de laatste sporen van die stadscamping. Manolo, een buurtbewoner die ik in de kroeg aansprak, had thuis nog een foto van (een deel van) die witte muur liggen. En op internet zag ik de oude ansichtkaart, uit 1964, die een Parijzenaar via eBay voor één euro te koop aanbiedt.

Maar Barcino is niet de enige camping die in de buurt van de stad is verdwenen. De weg naar Castelldefels was een paradijs voor de kamperende Barcelona-gangers met maar liefst zeven campings, die ook nog allemaal aan het strand lagen. Veel Nederlanders zullen zich de zomers nog herinneren op campings met namen als La Tortuga Ligera (de lichte schildpad), La Ballena Alegre (de vrolijke walvis) en El Toro Bravo (de dappere stier), beesten die natuurlijk groot op de borden aan de Autovía werden afgebeeld. De andere campings, die eveneens zijn verdwenen (bijna allemaal door de uitbreiding van het vliegveld), heetten Cala Gogo, Albatros en Filipinas, en aan de overkant lag een preparkje dat zich El Cocodrilo Llorón (de huilende krokodil) noemde. Nu is er nog slechts één openbare camping over, Tres Estrellas in Gavà (de andere, Estrella de Mar, is van en voor leden), en ligt aan de noordkant van Barcelona op 15 kilometer El Masnou, een piepkleine camping in dezelfde plaats. Beide zijn in de zomer snel en vaak vol…

Business op een mooie plaats in Barcelona

De presentatie van een nieuw  e-tijdschrift voor Nederlandse ondernemers in Spanje, NedWork Spain, van de naar het schijnt onvermoeibare Barbara de Swaan en Annebeth Vis (uitgebreid verslag van die presentatie op spanjeblog.nl), kwam ik weer eens terecht in een van die verborgen schatten in de stad, een van die passages die de ‘manzanas’ van de Eixample verrassend doorkruisen en door midden delen. Je hebt ze van alle soorten en maten, maar de Passatge Permanyer, die net onder Consell de Cent de straten Pau Claris en Roger de Lluria met elkaar verbindt, is met voorsprong de mooiste, met talloze huizen uit de 19e eeuw. In een van die panden, die overigens bijna allemaal kantoren herbergen, huist een Britse Businessclub, Gild International, de plaats waar de bovengenoemde presenatie plaatsvond.

Het blijkt de grote truc om je als buitenlandse ondernemer in Barcelona te perfileren, contacten op te doen, werk of opdrachtgevers te zoeken: netwerken, vooral onder (buitenlandse) gelijkgestemde ondernemers, zij die hun talen beter beheersen dan de Spanjaarden en Catalanen en nog meer over de grens kijken. Vorige week werd bekend dat het enige herstel in de geplaagde Spaanse economie komt van de export.

Mooie smoes ook om het nieuwe bedrijf van mijn Marianne Slotboom en haar collega Nuria Bages te promoten. Ze zijn gestart met B&S Business, waarmee beide hun kwaliteiten als consultants en internationaal gerichte coaches gebruiken om de managers en het middenkader van ondernemingen (zowel Spaanse als multinationals) meer zelfvertrouwen en instrumenten te geven om op de markt buiten Spanje een plaats te veroveren. Daarom worden alle trainingen in het Engels gegeven, wat nog altijd de grootste handicap van de Spanjaarden is. En ze kunnen het heel goed, de dames, kan ik de belangstellenden garanderen, met hun ervaringen als professionale trainers bij de Esade, Iese, Eada en multinationals als Akzo, DSM, Shell en Heineken. Enige nadeel is dat ze hun kantoor niet in de Passatge Permanyer hebben.

De grenzen van de vertaalmachine

Het was gisteren San Jerónimo. Verder nooit bij stilgestaan, maar daardoor is 30 september de internationale Dag van de Vertaler. San Jerónimo, Hiëronymus van Stridon in het Nederlands, was degene die de Bijbel van het Hebreeuws en Grieks in het Latijn vertaalde, meer dus een martelaar dan een vertaler. Om ‘hun’ dag te vieren kwamen wat vertalers gisteravond bijeen op de immer prachtige Plaça del Rei, de kleine oase van rust aan de achterkant van de kathedraal, waar de straten doodlopen en het dus niet zo druk is als aan de voorkant. Het is ook een geliefde plek voor intieme concerten.

‘Vertalen is menselijk’ was het thema van de dag. Hóe menselijk, dat bewezen de vertalers – wat natuurlijk een hondenbaan is; ik zou het niet kunnen, ben veel langer bezig met iets vanuit het Nederlands in het Spaans te vertalen dan het direct in het Spaans op te schrijven – met een ludiek gebruik van de vertaalmachine van google. Een instrument dat waanzinnig veel wordt gebruikt en je een idee kan geven waar een totaal onbegrijpelijke buitenlandse tekst over gaat, maar mooi en netjes vertaald is het natuurlijk niet.

Dus namen de vertalers een Spaans fragment uit Don Quichote en een Catalaans uit het Quadern Gris van Josep Pla en gooiden het via google door verschillende talen alvorens weer bij het oorspronkelijke Spaans en Catalaans terug te komen. Nou ja, oorspronkelijk – de tekst was natuurlijk al behoorlijk verkracht nadat het via het Georgisch, Engels, Chinees, Baskisch en Italiaans in het Nederlands terecht was gekomen. Dit was dat Nederlands: “Don Quichote is niet een eenvoudige front-end hier, dit is de reden waarom de lach was waarschijnlijk klagen, zei dat hij niet wil of niet, de Doelpunten tegen de Ridders sinds eerder gezien. Sancho vroeg hem herinnerd, dit keer om te eten. Hij reageerde niet op de leraar, hij wilde eten. staat zijn om hun toestemming om zijn zadeltas en het Beest, ter ondersteuning van haar stelling te halen om te joggen op te lossen, en het eten in uw regio Sancho”.

Tja. Wel prachtig die Doelpunten tegen de Ridders die niet eerder zijn gezien. Is het voetbal toch eerder uitgevonden dan we dachten.

Betoverend licht

Beter laat dan nooit, nog een klein beetje Mercè-feesten. De magie van het licht, bijvoorbeeld. Het bleek één van de grootste, onverwachte successen van het stadsfeest: je zet een paar lasers bij de ingang van het Ciutadella-park, stopt er wat indringende muziek met flinke bas-tonen onder en iedereen wordt er door ‘gepakt’, opgesloten in wissellende kolommen en spiralen van gekleurd licht, en dat onder een aangename hemel die op de vier feestdagen geen enkel druppeltje op de fiesta liet neerdalen.

Vooral de jongsten en wij, de wat ouderen, die nog niet of niet meer in hypermoderne disco’s komen, laten ons verleiden door die twee minuten van betovering. Hoe eenvoudig een feestje te bouwen is.

Maar aan elk feestje komt een einde, voor de één wat later dan voor de ander. Dit, op de foto, is de metro van Barcelona zondagmorgen om tien over vijf. Afgeladen met bezoekrs die van de verschillende concerten en feesten in de stad kwamen, op weg naar huis. De metro was 91 uur onafgebroken geopend en vervoerde in die tijd een record van 3,5 miljoen passagiers – record van zo’n lang weekeinde, want op werkdagen stappen er dagelijks al meer dan een miljoen mensen in. Vind dat zo’n metro eigenlijk altijd 24 uur lang open zou moeten zijn; zou heel wat dronkelappen van de weg houden. Nu is hij doordeweeks van 24 tot 5 uur gesloten en op zaterdag van 1 tot 5 uur. Met zo’n ‘feestmetro’ loop je trouwens wel enig risico op dit soort beelden: een stevige roze-kleurige massa kots op de vloer, waar andere jongeren trouwens gewoon met hun sandaaltjes in gaan zitten… De stank was onhoudbaar, maar om die tijd in de nacht schijnt dat niemand te deren.

Dacht trouwens  dat in andere grote steden van Europa die metro wel onafgebroken reed, maar zelfs in Londen en Parijs gaan ’s nachts de ‘tube’s’ op slot en kun je je nog alleen met nachtbussen en taxi’s door de stad verplaatsen als je zelf niet in de auto, op de motor of op de fiets wilt stappen.

Het is feest in Barcelona

De stad is vrolijk deze dagen, heeft geen zin om te werken. Vrijdag was een vrije dag in Barcelona, stadsheilige Mercè was jarig, en drie, vier dagen lang is het feest. Mooi weer ook gisteren en vandaag, dat maakt het altijd leuker. Je moet het eigenlijk zelf meemaken, dus voor buitenlui eens een Barcelona-reis rond de 24ste september boeken. Muziek, theater, wijnproeverijen, herrie, traditie… alles is te vinden. Veel voor kinderen ook. Op dit moment, zaterdagavond, is de hete Correfoc bezig, een helletocht vol vuurspuwende duivels. Morgen het grote afsluitende vuurwerk, en de belachelijk druk bezochte Festa del Cel, met stoere straaljagers in de lucht; zelfs eentje in het oranje, van de Nederlandse luchtmacht. Hoop niet dat-ie wraak voor de WK-finale gaat nemen.

Waarom een wijkje Plus Ultra heet

Het mooie van het leven van stadschroniqueur is dat je bijna elke dag weer nieuwe dingen leert. Kwam vandaag terecht in een wijkje dat Plus Ultra heet. Nou ja, wijkje, drie straten met alledrie opvallende namen van drie vliegeniers, Aviadores geheten. Eentje ervan is Aviador Franco, en dat was de broer van de dictator; maar hij was een republikein en kwam al om het leven nog voordat zijn broer de Burgeroorlog had gewonnen. De drie waren de eersten die met een Spaans vliegtuig de Atlantische Oceaan overstaken, naar Argentinië. Dat was in 1925, twee jaar eerder dan dat Lindbergh het in zijn eentje deed en vier jaar nadat enkele Portugezen hen voor waren geweest. Hun vliegtuig heette Plus Ultra, een latijns begrip dat ‘steeds verder’ betekent en altijd een wapenspreuk van Spanje is geweest. Más allá, noemen ze dat hier.

De bescheiden huisjes in Plus Ultra werden rond diezelfde tijd gebouwd, dus had toen iemand het idee die helden met drie straatjes te eren; voor de boordwerktuigkundige was er trouwens geen straat meer over.

Dit weekeinde was het ‘dorpsfeest’ van Plus Ultra, met als hoogtepunt het druiven trappen door de kinderen uit de wijk. Want ooit stonden hier, op de flanken van de Montjuïc, huise wijnranken waar lokale wijn van werd gemaakt. Nu ligt Plus Ultra ingeklemd tussen hoge flats in een voor velen vergeten deel van Barcelona, aan de rand van de Zona Franca, waar je ook andere historische wijkjes als Can Clos en El Polvorí kunt vinden en huisjes kunt aantreffen die je in de stad niet meer verwacht.

Een piepklein gourmet-paradijsje

Hij is er maar één keer geweest en het leek in niets op de restaurants, vaak luxueus of in ieder geval prijzig, waar hij elke maand wel eens uit ging eten. Het was een vriend die Frank de Boer meenam. “Dit restaurantje móet je eens proberen.” De oud-voetballer weet nog precies uit te leggen waarheen hij werd meegenomen. “Granja Elena, aan de Gran Via. Daar bij die grote rotonde waar je links naar de Ronda General Mitre gaat en rechts naar de Zona Franca. Na 100 meter aan de linkerkant. Het ziet er niet uit van buiten, je moet goed kijken om te ontdekken dat er wel een restaurantje zit, zo klein is het.”

Er binnentreden was een openbaring. Een eenvoudige granja, die barretjes waar iedereen uit de buurt in de loop van de dag wel iets komt eten of drinken. Kantoormensen die er hun ontbijt nemen, tussen zeven en acht uur ‘s morgens. Daarna de moeders die hun kinderen net naar school hebben gebracht, voor een koffie en vooral een babbeltje met andere moeders. En als zij weg zijn, rond een uur of half tien, de bouwvakkers van een dichtbijzijnd kantoor in aanbouw, voor hun stevige almuerzo, een maal dat tussen hun vroege ontbijt en latere middageten in zit. Dan gaan ook de eerste flesjes bier open en komt er na het broodje omelet of ham een carajillo, een stevige zwarte koffie met een scheut brandy of whisky erin. En dan, vanaf half twee, de mensen voor het middageten. “Ongelooflijk leuk en lekker. Een familietentje, de ouders met hun kinderen, de zoon die aan het koken is, de vader en moeder achter de bar. Zo gezellig, zo’n warme uitstraling…”

Dit is de rotonde, de Plaza Cerdà, waar Frank de Boer het over had, toen ik hem sprak voor mijn boek Het Barcelona-gevoel, waaruit bovenstaand fragment afkomstig is. Ik kom vaak over dit deel van de Gran Vía, met auto en met fiets, en keek af en toe links en rechts, op zoek naar die Granja Elena. Nooit gevonden. Tot het barretje deze week opeens in de krant stond, beroemd om zijn heerlijke broodjes. Dus gisteren, bij het maken van mijn kroniek over de Plaza Cerdà (de enige plek in de stad ter ere van Ildefons Cerdà, dé uitvinder van Barcelona, van het magistrale stadsplan van de Eixample), ben ik er even langsgegaan. Zit dus niet op de Gran Vía, maar op de Passeig de la Zona Franca, op 100 meter van deze rotonde, nummer 228.

Eigenaar en familiehoofd Abel Sierra vertelde me dat De Boer er nog wel eens komt, met zijn familie, als hij in Barcelona is. Net als de oud-directeur van Philips, wiens fabriek vroeger aan de overkant zat. Plus enkele Nederlandse ondernemers. ’s Middags zijn alle tafeltjes gereserveerd, iedereen wil er wel lunchen. Iets duurder dan de omringende zaakjes, want geen echt menu maar ‘losse’ gerechten, maar door de kwaliteit loopt het altijd makkelijk vol. ’s Avonds rust de familie trouwens uit, kun je er niet terecht. Op de kaart, gisteren, onder anderen: Tartar de langostinos con sorbete de tomate y gazpachito de pepino en als hoofdgerecht, bijvoorbeeld, lobarro salvatge rostit amb pesto de rovellons. Nieuwsgierig? De laatste is een wilde zeebaars uit de oven met een pesto van paddestoelen; typisch voor het begin van de herfst.

Alles dicht, en dat op zaterdag

Ja, daar sta je dan met zijn allen. Een dagje Barcelona, over de Rambla slenteren – of strompelen – en natuurlijk even de straat oversteken om een kijkje in La Boqueria te nemen. De grote markt halverwege de boulevard is inmiddels uitgegroeid tot één van de grootste toeristische attracties van de stad: kijken hoe ze er verse groente, vlees en vis verkopen die thuis nooit in zoveel frisse hoeveelheden te vinden is (vooral de vis, natuurlijk, want van groente en fruit hebben we in Nederland ook genoeg). Kom je dus bij de Boqueria en is het er donker en stil. Mensen komen er verbijsterd tot silstand, kijken naar boven of daar de redding vandaan moet komen en een enkeling waagt zich tot bij het hek om in het donker naar het niets te kijken, slechts gesloten marktkramen waar de ritsen knoflook en ñoras (gedroogde paprika’s, waarvan je na een uurtje weken het laagje resterende ‘vlees’ onder het vel in sauzen gebruikt, zeg maar een natuurlijke vorm van parpikapoeder) nog wel buiten hangen.

Het gebeurde gisteren overal in de stad. Toeristen die nog even op zaterdag wat inkopen wilden doen voor zij huiswaarts zouden keren maar bijna overal gesloten deuren aantroffen. Het was de Diada, de nationale feestdag van Catalonië, en dan is er nauwelijks iets te beleven in de stad. Zelfs geen feest, slechts een enkele demonstratie voor onafhankelijkheid en allemaal officieel gedoe in het Ciutadella-park.

“Op zaterdag, en dan alles dicht?” vroegen drie verbijsterde Zweedse vrouwen me voor de gesloten ingang van El Corte Inglés op de Plaça de Catalunya. Ja, en als de Corte Inglés dicht is, dan is alles dicht. De Zara natuurlijk ook. Alleen wat kleine zaakjes in de Barri Gòtic gingen (soms stiekem) open, net als de souvernirwinkels op de Rambla, die daar wel toestemming voor hebben. Blijkt dat het toch raadzaam is in je stadsgids te kijken naar ‘feestdagen’, typisch zo’n hoofdstukje dat je altijd overslaat maar dat je voor dit soort onaangename verrassingen kan behoeden. Denk bijvoorbeeld niet op 29 juni in Rome iets te kunnen kopen, zeiden teleurgestelde Italiaanse toeristen me gisteren; dan is het San Pietro i San Paolo, de beschermheilige van de stad, die die dag leegloopt. Net als met Ferragosto.

Ik weet dat deze post een dag te laat komt, of enkele dagen te laat. Heb de mensen niet gewaarschuwd. En voor volgend jaar is het niet nodig. Dan valt de Diada op zondag, en is in Barcelona altijd bijna alles dicht, al vragen steeds meer winkeliers om toestemming om toch open te gaan.