Categorie archief: eten en drinken

Eten in de tuin van de nonnen

Een bezoek aan de Esade (zie vorige post) brengt je ook af en toe op plaatsen waar je anders nauwelijks komt, zoals de, wat we hier noemen, parte alta van Barcelona, ofwel de wijken Pedralbes, Sarrià en Bonanova. Dat alta, wat ‘hoog’ betekent, kun je op twee manieren uitleggen: deze wijken liggen aan de ‘hoge kant’ van de stad, het verst van de zee vandaan, daar waar de flanken van de Tibidabo en het bos van Collserola beginnen. Maar ook de volskwijken Roquetes, Vall d’Hebron, Guineueta en Vallbona liggen aan die hoge kant, maar die noemen we geen parte alta. Want dat ‘hoog’ kunnen we ook betrekken op de stand van de inwoners, de bourgeousie, de rijkeren, de nette mensen die hier op vrij discrete wijze, want verstopt achter anoniem lijkende flats die van binnen 300 m2 groot blijken te zijn, hun welvaart tonen. Typisch Catalaans.

Al die flats hebben natuurlijk hun eigen parkeergarage, want voor de bezoekers is het een ramp hier te parkeren. Ik kon mijn auto toevallig kwijt op een prachtig verstopt pleintje, bestraat met klinkers, waar de gebruikelijke rust van Pedralbes nóg groter is. Het is het plein vóór het Klooster van Pedralbes, altijd een bezoekje waard; de Bus Turístic heeft een halte bijna voor de deur, net achter het poortje op deze foto. En voor degenen die in deze verder vrij verlaten buurt ook nog wat willen eten, is er een stukje verder naar boven toe een restaurant dat vooral beroemd is om zijn enorme tuin, waar je op zonnige dagen kunt lunchen en op zwoele zomeravonden romantisch kunt dineren, mits je accepteert dat de clientele duidelijk uit deze buurt komt. Bovendien blijf je in de Jardí de l’Abadessa (de tuin van de overste van een nonnenklooster) in de religieuze sferen. Geen idee trouwens, hoe de kwaliteit van het eten er is.

Op de Avinguda de Pedralbes zagen we trouwens ook een bloesem waar we al lang naar op zoek waren, maar niet meer in Barcelona konden terugvinden: die prachtige, unieke purperen kleur kom je bijna nergens anders tegen; als mijn zoektocht op internet me niet heeft doen verdwalen, is deze boom, op de grote foto boven, een Japanse Lagerstroemia indica, die ze hier ook wel de Boom van Jupiter noemen.

Vier soorten kabeljauw

Had er veel goeds over gehoord, maar was er nog nooit geweest. De avonden dat we wilden reserveren, zat het altijd vol. Verrassend ook dat we dit keer een tafel voor 10 konden reserveren en dat, op een in de nabije Born-wijk drukke avond, het restaurant de hele avond verder leeg bleef. Aan het eten noch aan de bediening kon het liggen. De eigenaar cq maitre van L’Estrella ‘verkoopt’ je zijn gerechten of zijn hele ziel in de pan heeft gelegen, en dat is al een pluspunt.

L’Estrella ligt in één van die straatjes waar je anders nooit komt. Ik stond er vroeger wel eens in de rij, om mijn verblijfsvergunning te verlengen, iets wat voor EU-burgers sinds een jaar of vier niet meer hoeft; nu staan er elke dag vooral Zuidamerikanen. De Carrer d’Ocata ligt tussen het monumentale Estació de França en de Delegación del Gobierno, de regeringsdelegatie. Een donker straatje, dat op een verlaten pleintje met een grond vol klinkers uitkomt; halverwege ligt dit leuke restaurantje.

Heb er vier foto’s gemaakt, en al zien gerechten er op een foto nooit zo lekker uit als ze in werkelijkheid smaken, deze plaatjes moeten een idee geven wat voor een totaal verschillende dingen je met bacalao kunt doen. Waarschijnlijk is de kabeljauw (in dit geval in verse vorm; zelf houd ik het meest van de gedroogde lomo van kabeljauw, wat wij stokvis zouden noemen) één van de meest veelzijdige soorten vis die er bestaan. Vier van ons bestelden elk een verschillende vorm van bereiding. Van boven naar beneden: in een saus van romesco, het wonder van de natuur dat we ook met calçots eten (een hele bol knoflook in de oven, drie of vier tomaten in de oven, het geschrapen ‘vlees’ van een gedroogde en geweekt paprika, veel fijngestampte amandelen en hazelnoten, droog brood geweekt in azijn en heel veel olijfolie, en dat allemaal samen fijngemalen…), in een saus van spinazie (en nog iets anders, wat ik ben vergeten), met gedroogde pruimen en wat cognac, denk ik, en in een stevige saus van knoflook met wat verse tomaten… En volgens mij hebben we allemaal even lekker gegeten.

Wijn op de tong, muziek in de oren

Een vulkaan met onuitspreekbare naam op IJsland (wist ik veel, dat dat groot nieuws zou gaan worden toen ik gisteren ‘een asgrauwe wolk’ postte…) zorgde voor een lange werkdag, dus miste ik bijna alles van de ‘wijnavond’ van de Kring van het Nederlandse Bedrijfsleven in Barcelona in restaurant Bento op Balmes, dichtbij de Diagonal, recentelijk nog de locatie van een uitzinnige verjaardagspartij van Walter, die gisteren trouwens de avond miste omdat hij één van de duizenden was die op Heathrow vastzat/zit.

Nou ben ik wel Nederlands maar allesbehalve ondernemer, dus altijd een vreemde eend in deze economische bijt, met gisteren denk ik minimaal 50 man rond de lange tafels. Curieuze wijnproeverij, bleek het, onder leiding van Vlaming Stefan Lismond, die heel veel van Catalaanse wijnen weet, van de Montsant tot de Penedès, van de Costers del Segre tot de Priorat. Hij komt vanuit Falset, het hoofdstadje van de Priorat, opdagen om onderhoudende voorstellingen te geven, vaak begeleid door twee jazzmuzikanten. Volgens Lismond moet je proeven en luisteren tegelijk en heeft elke wijn zijn eigen melodie. De kok van Bento maakte er ook een speciaal hapje bij.

Ik moest ook weer snel weg, wegens andere sociale verplichtingen (dronk op een verjaardagsdiner een lekkere, potente Syrah uit Costers del Segre, de Leix d’Arbeca) maar het schijnt nog zó gezellig geworden te zijn dat op het einde van de avond/begin van de nacht een patrouillewagen van de Guardia Urbana voor de deur stopte en twee agenten, in fluoriscerende jassen, ook een glaasje kwamen nippen…

Het oude café

Hij lijkt heel donker zo, van buiten, maar dat hoort bij de sfeer. Alsof je terugkeert naar 1873, het jaar dat de kroeg opende. Of naar de grauwe jaren van de posguerra, de periode kort na de Burgeroorlog. Al 137 jaar is het Café del Centre precies hetzelfde gebleven. Het is het oudste café van de Eixample, het opende er in de periode dat het revolutionaire stadsplan van Ildefons Cerdà ten uitvoer werd gebracht, en het was decennialang één van de drukste kroegen van de stad, in de straat Girona, vlakbij het gelijknamige metrostation. Het is een beroemd café, fotogeniek vooral. Er zijn films opgenomen, talloze reclamespots en anarchist Salvador Puig-Antich was er vaste gast totdat hij in het portiek aan de overkant door Franco’s agenten werd gearresteerd en later geëxecuteerd.

Oorspronkelijk was het een casino, maar dictator Primo de Rivera verbood het gokken begin vorige eeuw. Niettemin is  één  van de marmeren tafels van de bar nog altijd uitgerust met gleuven en gaten, omdat er vroeger Baccará op werd gespeeld. Van een goktent werd het Café del Centre een bar waar kunstenaars, intellectuelen, journalisten, schrijvers etc. hun tertulias hielden, de gesprekken die over van alles en nog wat mogen gaan en vooral bedoeld zijn op een aangename manier de tijd door te brengen, te discussiëren en ook nog wat op te steken.

Het is op het eerste gezicht geen vrolijke bar, het Café del Centre, maar naarmate hij voller raakt komt de sfeer weer terug. Er staat een oude piano, waarop vroeger de pianist van het restaurant Set Portes speelde en alleen de klanten die héél goed kunnen spelen mogen het stof eraf blazen. Er hangen schilderijen van Martí Teixidor. En, gelukkig, staat de televisie er nooit aan. Zelfs niet als er voetbal is. De eigenaars, de familie Bel, achterkleinkinderen van de oprichter van de bar, houden wel van voetbal, maar niet van het schreeuwen wat er bijhoort.

Drukke dinsdagavond

Crisis? Minder toeristen? Af en toe is er niets van te merken, zeker niet in en rond de binnenstad van Barcelona. Wil je op een dinsdagavond nog snel even ergens iets prikken, blijken er om half negen al (teken dat er veel toeristen zijn) stevige rijen voor de populaire tapas-zaken te staan. Eigenlijk moet je er tevoren al vanaf zien, het bezoeken van hot spots die natuurlijk ook in allerlei gidsen staan en waar alle guiris massaal op afkomen.

Verreweg de populairste is de Cervecería Catalana, aan de Carrer Mallorca, net om de hoek bij de Rambla Catalunya, en die volgens mij ook in Komt een vrouw bij de dokter van Kluun voorkomt; de schrijver heeft er in ieder geval regelmatig gegeten. Bovendien staat deze tapas-tent nummer 5 van de liefst 2.570 restaurants van Barcelona volgens de waardering van reizigers op Tripadvisor. Hier vormt de rij zich al om zeven uur, vrees ik, omdat vooral Amerikanen zich door deze website laten leiden.

Een stukje verder naar beneden moet je voor Ciudad Condal en Tramoia tegenwoordig ook al minimaal 20 minuten in de rij staan, wat er uiteindelijk altijd 40 blijken te zijn. En mijn favoriete Tapaç24, waar al niet veel plaats is, is ook al wereldwijd bekend geworden en daar kun je dus ook niet meer zomaar even binnenvallen.

De kleine keten Taller de Tapas, met vier restaurants op strategisch goede plaatsen, blijft een goed alternatief – niets te klagen over de gefrituurde artisjokkenreepjes en de malse stukken solomillo -, maar ook hier moet je af en toe geduld opbrengen. Eén van de weinigen waar je je nog altijd een beetje kunt binnenwringen, ook al omdat je er staand eet, is een klassieker, de Bask Irati (één van de eersten in Barcelona met pintxos), in het straatje dat van de Rambla naar de Plaça del Pi loopt. Een paar prikkertjes, een zurrito (Baskisch glaasje bier) en je bent weer even blij, zeker als je er, zoals ik, een ongelooflijke hekel aan hebt om voor restaurants in de rij te gaan staan.

Uitsmijter in de Barceloneta

Toevallig zag ik er laatst drie jonge Italianen mee worstelen in Dudok (Rotterdam) en gisteren kwam ik hem tegen op een menukaart in de Barceloneta. De uitsmijter! Veel intrigerender dan het voor ons zo bekende lunchgerecht vond ik echter de vertaling erachter: portero. Klopt, natuurlijk, maar nooit eerder dacht ik bij het eten van een uitsmijter aan die beruchte nachtportier voor de disco. Alsof de drie betekenissen die het woord volgens de Van Dale hebben totaal verschillende begrippen zijn:

[uit·smij·ter de; -s 1 m,v iem die de taak heeft lastige of agressieve bezoekers ve discotheek enz. de deur uit te zetten 2 m brood met spiegeleieren en ham, kaas of rosbief 3 m laatste nummer ve voorstelling; kernachtig slotwoord]

Wat me direct op de volgende prangende vraag brengt: waar komt het woord uitsmijter als eiergerecht vandaan? Een korte speurtocht op internet heeft me niet verder kunnen helpen dan de suggestie dat de nachtportiers veel eieren met spek moesten eten om krachten op te doen en De Dikke van Dam  heb ik thuisliggen, zodat ik niet kan nakijken of de gastronomische Amsterdamse zonderling er een uitleg voor heeft.

Lezers uit Nederland zullen ook een tweede vraag hebben: een uitsmijter in de Barceloneta? Ja, want ik zat in Foc, samen met Gran Foc (hiernaast op de foto) één van de twee uitspanningen van ondernemer Sander, een Nederlander die, als zovelen, niet al zijn roots wil verloochenen en gasten dus een uitsmijter aanbiedt. Niet een echt succesnummer, die drie eieren op een broodje, lijkt me, op een rijtje van talloze terrassen aan de Passeig Joan de Borbó waar de verse vis bijna op tafel springt. Een uitsmijter bestelde ik dus niet – die bewaar ik maar eens voor mijn vader die niet van garnalen houdt -, maar de rest van de Foc-kaart mag er zijn, vooral die maaltijdsalade’s waarvan er in Barcelona nog te weinig te vinden zijn.

Nostalgisch verlangen naar het oude Zurich

“We zien elkaar bij Zurich.” Meer hoef je in Barcelona niet te zeggen. Duizenden, miljoenen mensen hebben met elkaar afgesproken bij Zurich – spreek uit Zoerietsj – sinds het beroemdste, want meest centraal gelegen terras van de stad op 30 november 1920 zijn deuren opende als koffiehuis van het ondergrondse treinstation. Vanaf die eerste dag is Zurich in handen geweest van de familie Valldeperas en in die bijna 90 jaar is de zon er bijna nooit ondergegaan, want de ligging op het zuiden is ideaal.

Maar toch, voor ons, de ‘veteranen’ die het oude Zurich hebben meegemaakt, is het terras nooit meer hetzelfde geweest. Binnen wel, daar is de oude stijl redelijk geslaagd gehandhaafd. Maar dat terras, dat gouden terras waar geliefden, onbekenden, toeristen, immigranten en gepensioneerden altijd afspraken, dat terras is nooit meer hetzelfde geweest.

Hoe een terras zijn charme kan verliezen? In de eerste plaats door het vijf keer zo groot te maken. Vroeger stonden er alleen drie rijen tafeltjes met schattige parasols tegen de gevel aan. In de jaren negentig werd de stoep aan de kant van de Plaça de Catalunya enorm verbreed en kon Zurich er uitbreiden. Goed voor de business natuurlijk. Ook de façade zelf is zijn aantrekkingskracht kwijt. Tussen 1996 en 1998 werd deze hele ‘gouden’ driehoek platgegooid om er het huidige Triangle-winkelcentrumpje te bouwen. Even vreesde iedereen dat Zurich helemaal zou verdwijnen, maar de historische bar mocht op dezelfde plaats blijven voortbestaan. De obers die er al tientallen jaren werkten – en sommigen nog steeds -, José, de broers Antonio en José María,  Manuel, Celestino en, achter de bar, Trinidad, die kregen twee jaar doorbetaald en genoten even van het leven voordat zij op hun gebruikelijke, afstandige en soms hautaine manier de toeristen weer van koffie en bier gingen voorzien voor prijzen die, trouwens, zeer schappelijk zijn in vergelijking met, bijvoorbeeld, die van de terrasjes op de Rambla. En je wordt bij Zurich niet in de maling genomen: als je een biertje bestelt, krijg je een tubo of een mediana, voor iets meer dan 2 euro en niet direkt een halve liter voor 8,50 euro.

Het whiskyparadijs

Goud blinkt er vanaf de muren. Dit zijn alleen maar de flessen achter de bar waaruit per glas geschonken kan worden. De rest van het enorme interieur van de Snooker aan Roger de Lluria, op een steenworp van het Plaça de Catalunya, staat vol met ongelooflijke flessen whisky uit de hele wereld. Ja, de wereld, want er komt ook whisky uit Japan en Bangalore (India). Maar dat zijn slechts curiositeiten in verhouding met het oorspronkelijke goud van de Britse eilanden.

Eigenaar Nicolás Pacielo is zelf liefhebber van de malt. Daarom twijfelde hij geen moment toen hij twee jaar terug het volgens hem meest bijzondere exemplaar uit zijn collectie kon kopen, de unieke Glenfiddich van 50 jaar oud. Er werden slechts 500 flessen van gebotteld (de whisky heeft die 50 jaar staan rijpen, was dus nooit eerder in de verkoop) en de fles kostte Pacielo 7.500 euro. Vorig jaar voegde Pacielo daar een collectors item van Johnnie Walker aan toe, vijf bijzondere flessen voor 5.000 euro om het 100-jarige bestaan van het ‘wandelende mannetje’ op de fles te vieren.

Maar voor de leek, die Johnnie Walker en Glenfiddich natuurlijk al wel kende, is het vooral mooi te zien hoe ongelooflijk veel verschillende merken whisky er bestaan en hoe mooi dat goed glinstert als je ze allemaal, elk met hun eigen etiket, naast elkaar zet. De collectie in de Snooker is, met zo’n 2.000 flessen, één van de grootste van Spanje. En het is niet alleen een museum om naar te kijken: je kunt de flessen ook kopen. En opdrinken.

Oh ja, je kunt natuurlijk ook nog een biljartje leggen, iets wat de laatste tijd uiterst populair blijkt bij de giechelende Chinese jeugd uit Barcelona.

Kuieren en eten achter de Rambla

Soms moet je af en toe even over de Rambla lopen (of Ramblas, voor de toeristen) om je mening te bevestigen dat er nog steeds geen spannende, nieuwe dingen gebeuren die op een betere toekomst duiden. Dus verlaat je de altijd drukke promenade maar weer en kuier je door één van je favoriete straatjes, nog geen 100 meter verderop evenwijdig aan de Rambla en duizend keer rustiger. De Carrer d’Avinyó was vroeger één van de sjieke herenstraten van de stad, net als, iets verderop, de straten Lledó en Montcada.

Ze zeggen dat op één van de hoeken in Avinyó twee eeuwen geleden al een Gran Café zat. Het huidige restaurant is een stuk recenter, maar ziet er van binnen uit alsof je terugkeert naar begin 20ste eeuw, wat inmiddels al heel erg lang geleden is. En al komen er vrij veel toeristen: je eet er uitstekend, zeer Catalaans ook, met een modern snufje, en voor redelijk weinig geld. Nico, één van mijn tafelgenoten en als francofiel gek op schimmelkazen, smulde van de kalfshaasmedaillons in een saus van Cabrales, de grootste stinkerd onder de Spaanse kazen.

Het Gran Café is één van de vele geslaagde utivindingen van één van de belangrijkste horeca-groepen in Barcelona, de Grup Cacheiro, die in 1993 begon de stad te veroveren met een succes-concept van grote zaken die de hele dag door open zijn en op de meest strategische plaatsen zijn gevestigd. Ba-ba-ree-ba aan de Passeig de Gràcia was de eerste, maar is inmiddels door de groep verkocht. Maar eet je bij Tramoia, Tenorio, Trobador, La Pulpería, Telirium, Benedictus of Divinus, dan eet je bij de man die in 2008 liefst 50 miljoen euro omzette.

Luxe eten voor 25 euro

Officieel is het restaurant van Mey Hofmann een Escuela de Hosteleria, wat je als Hotelschool zou kunnen vertalen. Jonge koks leren er koken. Kun je daar lekker eten? Nederlandse voetballers als Patrick Kluivert en Phillip Cocu vonden van wel; ze waren er vaste gast. En ze waren/zijn niet de enigen. Hofmann, midden in El Born, heeft een dikverdiende Michelin-ster, maar zit dus wel aan de prijs. Dat verandert echter, even, vanaf morgen.

Van 20 tot 28 februari viert Barcelona zijn Restaurant Week: bij tientallen anders toch wat duurdere restaurants kun je deze acht dagen een ongetwijfeld uitstekend menu van 25 euro krijgen. De prijs is eigenlijk 24 euro, en die ene extra euro gaat naar een stichting voor blindegeleidehonden. Welk restaurant? Keus genoeg op de lange lijst; de meeste ken ik niet persoonlijk, dus iedereen moet maar op zijn eigen smaak afgaan. Qua kwaliteit is Hoffman een aanrader, net als Saüc en Petit Comité, het Xalet de Montjuïc doe je om het uitzicht op het enorme terras (moet het wel even wat beter weer worden), naar Icho ga je voor een sjieke Japanner, voor vis naar Cal Pintxo en El Cangrejo Loco, Blanc en East47 zitten in luxe hotels (het gloednieuwe Mandarin op de Passeig de Gràcie en Claris), heel modieus schijnen Libentia, Gresca en Hisop te zijn, maar mijn favoriet, zeker op zwoele avonden, blijft Els Pescadors, om het eten, het terras op het goed verstopte Plaça Prim en de omgeving, de oude resten van het Poble Nou.